- Arrêt du 28 janvier 2014

28/01/2014 - 2011AR415

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. De vrijstelling van inbreng bij schenkingen en legaten dient volgens de termen van de artikelen 843 en 919 BW uitdrukkelijk te zijn gedaan. Rechtsleer en rechtspraak interpreteren deze term "uitdrukkelijk" op soepele wijze: het begrip "uitdrukkelijk" dient er niet letterlijk opgevat te worden. De wetgever bedoelt dat de vrijstelling zeker moet zijn, zonder dat er bepaalde sacramentele termen dienen te worden aangewend. Het volstaat dat de wil van de schenker of testamentmaker duidelijk af te leiden is uit het geheel van de akte, of zelfs uit de bij de vrijgevigheid begeleidende feitelijke omstandigheden.

II. Artikel 869 BW, dat de wijze van inbreng van geschonken geld regelt, sluit geenszins de toepassing uit van artikel 856 BW betreffende het verschuldigd zijn van interesten van aan inbreng onderworpen zaken van de dag dat de erfenis is opengevallen. Te dezen moet dus, naast artikel 869 BW, ook artikel 856 BW Burgerlijk Wetboek moet worden toegepast.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2011/AR/415

INZAKE VAN :

1) Mevrouw K. V.,

2) Mevrouw R. V.,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 september 2010,

vertegenwoordigd door Meester LEMBRECHTS loco Meester Julien VERCAMMEN, advocaat te 2800 MECHELEN, Schuttersvest 4-8,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw G. V.,

2) De heer G. V.,

3) Mevrouw G. V.,

4) Mevrouw L. V.,

5) Mevrouw A. V.

6) De heer J.V.,

geïntimeerden, de vijfde in persoon verschijnende, alle vertegenwoordigd door Meester Lydia VAN BORM, advocaat te 1980 ZEMST, Cardijnstraat 35

Artikelen 843, 856 en 869 BW. Schenking van geldsommen. Aard van de schenking: al of niet in te brengen? Lot van de intresten van een in te brengen schenking van een som geld?

I. De vrijstelling van inbreng bij schenkingen en legaten dient volgens de termen van de artikelen 843 en 919 BW uitdrukkelijk te zijn gedaan. Rechtsleer en rechtspraak interpreteren deze term "uitdrukkelijk" op soepele wijze: het begrip "uitdrukkelijk" dient er niet letterlijk opgevat te worden. De wetgever bedoelt dat de vrijstelling zeker moet zijn, zonder dat er bepaalde sacramentele termen dienen te worden aangewend. Het volstaat dat de wil van de schenker of testamentmaker duidelijk af te leiden is uit het geheel van de akte, of zelfs uit de bij de vrijgevigheid begeleidende feitelijke omstandigheden.

II. Artikel 869 BW, dat de wijze van inbreng van geschonken geld regelt, sluit geenszins de toepassing uit van artikel 856 BW betreffende het verschuldigd zijn van interesten van aan inbreng onderworpen zaken van de dag dat de erfenis is opengevallen. Te dezen moet dus, naast artikel 869 BW, ook artikel 856 BW Burgerlijk Wetboek moet worden toegepast.

___________________________________________________________

(...)

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de zwarigheden van partijen afwijst, de staat van vereffening d.d. 23 november 2007, opgesteld door notarissen L. te V. en D. te K. homologeert, mits aanpassingen worden doorgevoerd, overeenkomstig het overwegend gedeelte in het vonnis op punten 5 en 6, betreffende de berekening van interesten, de zaak terug verzendt naar de boedelnotarissen voor verdere uitvoering van de staat van vereffening, de partijen afwijst van het meer of anders gevorderde en eisers en verweerders (thans geïntimeerden en appellanten) ieder tot de helft van de gerechtskosten veroordeelt.

2. Appellanten vorderen met de gedeeltelijke hervorming van het bestreden vonnis, om te zeggen voor recht dat de schenkingen van 64.452,32 euro (2.600.000 BEF) aan hen buiten deel zijn gebeurd en niet onderworpen zijn aan inbreng, ondergeschikt te zeggen voor recht dat bij eventuele inbreng, dit gebeurt door mindere ontvangst zonder aanrekening van interest en, gans ondergeschikt, dat bij eventuele inbreng van deze schenkingen, de daarop berekende successierechten in hoofde van appellanten voor 4.883,75 euro voor elk proportioneel dienen verrekend te worden over de 8 kinderen / erfgenamen, met veroordeling van geïntimeerden tot betaling van de kosten van het geding.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellanten tot betaling van de gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Partijen zijn de acht kinderen en rechtsopvolgers van wijlen P. V., geboren op 29 mei 1935 en overleden te S. op 25 september 1997, weduwnaar van M. C., overleden in 1988.

5. Partijen zijn in 1994, voor het instellen van de procedure, vrijwillig overgegaan tot de vrijwillige openbare verkoop van een aantal onroerende goederen (...).

Daarna bleven de gelden op een rubriekrekening bij de notarissen geblokkeerd wegens uitblijven van akkoord van partijen over de vereffening en verdeling.

6. Bij exploot van 19 december 1995 hebben huidige geïntimeerden een vordering voor de eerste rechter ingesteld om notarissen te doen aanstellen met het oog op de vereffening en verdeling van de nalatenschap.

Bij vonnis van 5 februari 1996 heeft de rechtbank van eerste aanleg de vereffening en verdeling van de gelden voorkomende uit de verkoop bevolen en notarissen aangesteld. De notarissen werden later opgevolgd.

Op 30 oktober 2008 heeft notaris F. L. de akten ter griffie van de rechtbank neergelegd, te weten:

- een p.v. van opening van werkzaamheden d.d. 4 oktober 2000

- een staat van vereffening en verdeling van 23 november 2007

- een p.v. van zwarigheden van 25 januari 2008

- een p.v. van antwoord en advies d.d. 14 oktober 2008.

7. De eerste rechter oordeelde over de ingebrachte zwarigheden van partijen:

1. de schenking in 1996 van de de cujus aan zijn dochter L. van 300.000 BEF en de lening in dezelfde periode ten bedrage van 500.000 BEF dienen niet ingebracht te worden gelet op het akkoord van partijen in het kader van de vereffening en verdeling om hiervan afstand te doen, zulks conform het advies van de notarissen;

2. de zwarigheid omtrent de inbreng door G. van een piano en een jacuzzi door G. wordt afgewezen: er is geen reden tot inbreng, conform het advies van de notarissen, gelet op de zeer geringe waarde van deze roerende goederen;

3. de schenkingen ten bedrage van 500.000 BEF aan J. en A. elk, of meer ontvangen gelden afkomstig van verkochte waardepapieren, dienen conform het advies van de notarissen, niet te worden ingebracht;

4. K. is, conform het advies van de notarissen, niet gehouden inbreng te doen van een deel van het handelsfonds van de de cujus, zijnde een begrafenisonderneming, nu de overige partijen niet ten genoege van recht aantonen dat de betrokkene een deel van het handelsfonds heeft overgenomen;

5. De notarissen hebben terecht toepassing gemaakt van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek t.a.v. appellanten tot beloop van 65.270,64 euro voor Katelijne en 32.246,88 euro voor R., waarop interesten verschuldigd zijn vanaf het overlijden van de vader zoals door geïntimeerden gevorderd. Bij de berekening van de interesten op bladzijdes 15 en 16 van de staat van vereffening is er wel een materiële fout geslopen: verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet zijn verschuldigd vanaf 27 september 1997;

6. De schenking van 64.452,32 euro (2.600.000 BEF) aan elk van appellanten werd wel degelijk op rechtmatige wijze verkregen maar appellanten zijn gehouden tot inbreng. Enige bedoeling van de vader om appellanten te bevoordelen wordt niet bewezen. De notarissen hebben terecht gesteld dat interesten conform artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd zijn vanaf datum van overlijden. Op dit punt dienen de notarissen echter de materiële vergissing in hun staat van vereffening te verbeteren. Op de vordering van appellanten m.b.t. verrekening van successierechten kan ten slotte niet worden ingegaan.

7. De vordering van geïntimeerden m.b.t. inbreng door appellanten van 40 andere aandelen KB Multi Cash Bevek werd niet gesteld in het kader van zwarigheden en is derhalve onontvankelijk.

Ten slotte heeft de eerste rechter de gerechtskosten bij helften verdeeld en de rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd.

III. Bespreking

8. Het hoger beroep is beperkt tot punt 6 hierboven, zijnde de aard van de schenkingen van 64.452,32 euro (2.600.000 BEF) aan elk van appellanten, vanuit de optiek van artikel 843 van het Burgerlijk Wetboek m.b.t. de al of niet inbreng van die schenkingen.

Appellanten betwisten niet dat zij elk op 13 september 1997, zijnde kort voor het overlijden van hun vader (25 september 1997), een schenking hebben ontvangen van 64.452,32 euro.

De boedelnotarissen hebben in hun staat van vereffening van de opengevallen nalatenschap van wijlen P. V., een inbreng van deze schenkingen voorzien bij toepassing van artikel 843 van het Burgerlijk Wetboek, tot beloop van de hoofdsom, vermeerderd, bij toepassing van artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek, met de intresten erop verschuldigd vanaf de dag van het openvallen van de erfenis. De boedelnotarissen pasten hierbij het hoofdprincipe van de gelijkberechtiging van de kinderen toe, bij gebreke aan duidelijk bewijs van het tegenovergestelde, dit is bij gebrek aan duidelijk bewijs van de tegenovergestelde bedoeling van de schenker of bewijs van een vrijstelling van inbreng.

Volgens de boedelnotarissen kan er enkel vrijstelling van inbreng zijn wanneer dit door de schenker uitdrukkelijk zou vooropgesteld zijn, wat te dezen niet het geval is bij ontstentenis van enig geschreven document i.v.m. schenkingen buiten erfdeel.

9. Appellanten stellen dat de eerste rechter en de boedelnotarissen ten onrechte de schenkingen beschouwden als gedaan als voorschot op hun erfdeel, en niet als schenkingen buiten erfdeel.

10. De vrijstelling van inbreng bij schenkingen en legaten dient volgens de termen van de artikelen 843 en 919, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk te zijn gedaan. Rechtsleer en rechtspraak interpreteren op soepele wijze deze term "uitdrukkelijk" : het begrip "uitdrukkelijk" in deze beide artikelen dient niet letterlijk opgevat te worden. De wetgever bedoelt eigenlijk dat de vrijstelling zeker moet zijn , zonder dat er bepaalde sacramentele termen dienen te worden aangewend. Het volstaat dat de wil van de schenker of testamentmaker duidelijk af te leiden is uit het geheel van de akte, of zelfs uit de bij de vrijgevigheid begeleidende feitelijke omstandigheden. Het bewijs van de vrijstelling moet niet noodzakelijkerwijze aan de hand van een geschrift worden geleverd, nu de concrete omstandigheden ten tijde van de gift in aanmerking mogen worden genomen voor het nagaan van een eventuele stilzwijgende vrijstelling van inbreng.

Er mag evenwel geen twijfel bestaan nopens de wil van de schenker om de schenking vrij te stellen van inbreng, die dé maatstaf is en die beslissend moet zijn. Het gaat om een feitenkwestie.

De artikelen 843 en 919 van het Burgerlijk Wetboek bevatten dus een wettelijk weerlegbaar vermoeden, (een vermoeden iuris tantum) dat giften aan erfgenamen bedoeld zijn als voorschot op erfdeel. De vrijstelling van inbreng is de uitzondering. De bewijslast ligt bij de begiftigde: deze moet het bewijs van de vrijstelling van inbreng leveren.

11. De eerste rechter stelde terecht vast dat er geen geschrift bestaat betreffende bovenbedoelde schenkingen en evenmin enig geschrift houdende een vrijstelling van inbreng.

Er zijn te dezen geen voldoende gewichtige, duidelijke en met elkaar overeenstemmende vermoedens voorhanden om eruit te besluiten dat de vader van partijen de bovenbedoelde schenkingen aan beide appellanten buiten erfdeel heeft willen doen.

Uit de concrete getuigenverklaringen die appellanten bijbrengen kan weliswaar worden afgeleid dat appellanten hun vader in zijn laatste levensjaren hebben bijgestaan, doch deze getuigenverklaringen maken geen bewijs uit van de wil van vader om de appellanten te bevoordelen en om af te wijken van het principe van de gelijkberechtiging der kinderen.

Het feit dat de begiftigden enige tijd inwoonden bij de schenker wijst niet noodzakelijk, ondubbelzinnig of ontegensprekelijk, op een intentie bij de schenker van echte bevoordeling van de begiftigde buiten erfdeel, en van de wil van de schenker om zijn kinderen aldus ongelijk te behandelen.

De omstandigheid dat de schenkingen aan appellanten werden gedaan enkele dagen voor het overlijden van de schenker wijst evenmin ontegensprekelijk op een vrijstelling van inbreng. Het zou stellig een soort indicatie kunnen zijn van een stilzwijgende vrijstelling van inbreng, maar het is, in de concrete omstandigheden van de zaak, geen afdoend duidelijk en zeker bewijs van vrijstelling van inbreng.

Het feit dat een schenking enigszins of in bepaalde mate zou strekken tot ‘tegenprestatie' wegens gepresteerde diensten vanwege de begiftigde ten opzichte van de schenker, impliceert overigens niet dat deze schenking noodzakelijk door de schenker zou bedoeld zijn als een vergeldende schenking met geheel of gedeeltelijke vrijstelling van inbreng.

Uit de omstandigheden waarbinnen de schenkingen gebeurden kan bijgevolg niet onbetwistbaar worden afgeleid dat de schenker ze duidelijk buiten erfdeel deed, dus met de bedoeling ze niet te onderwerpen aan de inbreng.

Op dit punt is het hoger beroep ongegrond.

12. Artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vruchten en intresten van aan inbreng onderworpen zaken eerst verschuldigd zijn te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen. De vruchten en intresten die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de datum van het openvallen van de nalatenschap van de schenker (voorafgaand aan diens overlijdensdatum), zijn dus niet verschuldigd. Hieruit volgt dat de vruchten of intresten van de gegeven zaak of som sedert de dag van het overlijden van de schenker, wel ingebracht moeten worden.

De boedelnotarissen hebben derhalve terecht in de staat van vereffening een inbreng voorzien tot beloop van de hoofdsom en vermeerderd met de intresten vanaf de dag van het openvallen van de erfenis. De eerste rechter is terecht de staat van de boedelnotarissen terzake bijgetreden.

Het hoger beroep van appellanten is op dit punt onterecht.

13. Appellanten stellen in gans ondergeschikte orde dat wanneer het Hof van oordeel zou zijn dat deze schenkingen desondanks toch aan inbreng zouden onderworpen zijn, er alleszins geen intresten kunnen worden aangerekend nu conform artikel 869 van het Burgerlijk Wetboek inbreng door mindere ontvangst gebeurt, waarbij intresten en vruchten niet moeten worden ingebracht.

Artikel 869 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

"De inbreng van geschonken geld geschiedt door mindere ontvangst uit het gereed geld van de nalatenschap.

Is daarvan geen voldoende hoeveelheid aanwezig, dan kan de begiftigde zich van de inbreng van gereed geld bevrijden door, tot het vereiste bedrag, roerende goederen en, bij gebreke daarvan, onroerende goederen van de nalatenschap af te staan."

De inbreng van de geldsom geschiedt dus niet in natura, maar in principe in minderneming.

Artikel 869 van het Burgerlijk Wetboek, dat de wijze van aanrekening van de inbreng van geschonken geld regelt, sluit geenszins de toepassing van artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek betreffende het verschuldigd zijn van interesten uit. Te dezen moet dus, naast artikel 869 van het Burgerlijk Wetboek, ook artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek worden toegepast: de interesten verworven vanaf de overlijdensdatum van de schenker, moeten wel worden ingebracht.

In zover appellanten gans ondergeschikt vorderen dat bij eventuele inbreng van deze schenkingen, de daarop berekende successierechten in hoofde van appellanten voor 4.883,75 euro voor elk proportioneel dienen verrekend te worden over de 8 kinderen / erfgenamen stelt het hof vast dat deze vordering niet opgenomen werd in de zwarigheden zoals bij de boedelnotarissen bij brief van advocaat M. aan notaris D. aangebracht. Deze vordering is niet toelaatbaar.

14. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden met toepassing van artikel 870 van het Burgerlijk Wetboek ten laste gelegd van de massa.

De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van de massa, begroot

- in hoofde van appellanten op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Mots libres

  • Artikelen 843, 856 en 869 BW. Schenking van geldsommen. Aard van de schenking: al of niet in te brengen? Lot van de intresten van een in te brengen schenking van een som geld?