- Arrêt du 28 janvier 2014

28/01/2014 - 2010AR1101

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikelen 28 en 29 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt dat de aannemer die voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden een beroep doet op zelfstandigen, erop toe ziet dat dezen alle de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen naleven, en zij een overeenkomst sluiten betreffende verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.

Begaat een eigen fout, de zelfstandige onderaannemer die zelf beslist heeft om bovenop de losse planken op een niet vastgehechte stelling op een balkon van de eerste verdieping, op ongeveer 7 meter van de grond, een losse vouwladder te plaatsen en daarop te gaan staan om planken tegen een muur te plaatsen. Deze manier van werken was bijzonder roekeloos en niet verzoenbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon, laat staan een vakman.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/1101 - 2011/AR/472

I. A.R. nr. 2010/AR/1101

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap GENERALI BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149/3, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0403.262.553,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 december 2009,

vertegenwoordigd door Meester DE PROOST loco Meester Frieda DECLERCQ, advocaat te 1000 BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat 92,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer Tom J.,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stefanie TIREZ, advocaat te 9280 LEBBEKE, Brusselsesteenweg 14,

2) De B.V.B.A. DE CLERCQ & VAN MOORTER, afgekort DEVA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9200 DENDERMONDE, Winningstraat 25 B, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0416.709.129,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester B. DE CORTE loco Meester Paul MUYLAERT, advocaat te 1060 BRUSSEL, Defacqzstraat 73,

IN AANWEZIGHEID VAN :

De B.V.B.A. BURENS TECHNISCH BUREAU, afgekort BTB, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9600 RONSE, Pierre D'Hauwerestraat 24, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 073.557.958,

opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester KHAVARAN loco Meester Maurice DE BORMAN, advocaat te 1050 BRUSSEL, Koninkijke Prinsstraat 85,

en II. A.R. nr. 2011/AR/472

INZAKE VAN :

De B.V.B.A. BURENS TECHNISCH BUREAU, afgekort BTB, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9600 RONSE, Pierre D'Hauwerestraat 24, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 073.557.958,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 december 2009,

vertegenwoordigd door Meester KHAVARAN loco Meester Maurice DE BORMAN, advocaat te 1050 BRUSSEL, Koninkijke Prinsstraat 85,

TEGEN :

1) De heer Tom J., wonende

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stefanie TIREZ, advocaat te 9280 LEBBEKE, Brusselsesteenweg 14,

2) De naamloze vennootschap GENERALI BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149/3, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0403.262.553,

tweede geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester DE PROOST loco Meester Frieda DECLERCQ, advocaat te 1000 BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat 92,

3) De B.V.B.A. DE CLERCQ & VAN MOORTER, afgekort DEVA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9200 DENDERMONDE, Winningstraat 25 B, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0416.709.129,

derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester B. DE CORTE loco Meester Paul MUYLAERT, advocaat te 1060 BRUSSEL, Defacqzstraat 73,

Onderaanneming. Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Art. 28 en 29. Veiligheidsverplichtingen. Plaatsen door de zelfstandige onderaannemer van een losse vouwladder op een stelling. Art. 1382 BW: zorgvuldigheidsnorm. Art. 1384, 1° BW

Artikelen 28 en 29 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt dat de aannemer die voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden een beroep doet op zelfstandigen, erop toe ziet dat dezen alle de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen naleven, en zij een overeenkomst sluiten betreffende verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.

Begaat een eigen fout, de zelfstandige onderaannemer die zelf beslist heeft om bovenop de losse planken op een niet vastgehechte stelling op een balkon van de eerste verdieping, op ongeveer 7 meter van de grond, een losse vouwladder te plaatsen en daarop te gaan staan om planken tegen een muur te plaatsen. Deze manier van werken was bijzonder roekeloos en niet verzoenbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon, laat staan een vakman.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over hogere beroepen tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 december 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. De hogere beroepen zijn tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

De beroepen zijn gericht tegen een zelfde vonnis en zijn samenhangend; het hof voegt ze.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"1.Met een brief van zondag 27 augustus 2006 gaf de BVBA De Clercq - Van Moorter (afgekort "DEVA") aan de heer J. de opdracht om eiken planchetten te plaatsen op een werf te Sint-Genesius-Rode, Dorpsplein 46 (renovatie van het gemeentehuis). De heer J. tekende de opdrachtbrief voor akkoord.

De BVBA DEVA was voor de uitvoering van de werken op de werf op haar beurt de onderaannemer van de NV IBO. De BVBA Burens Technisch Bureau (afgekort "BTB") was voor deze werf aangesteld als veiligheidscoördinator.

Bij de uitvoering van de werken kwam de heer J. ten val op maandag 4 september 2006, en liep daarbij ernstige verwondingen op.

2. De verbalisanten die ter plaatse kwamen na het ongeval stelden het volgende vast:

"Heden, omstreeks 11.35 uur, stellen wij bij onze aankomst vast dat er op het adres Dorpsstraat 46 te 1640 Sint-Genesius-Rode alwaar werkzaamheden zijn in een gebouw, een manspersoon op zijn rug op de grond ligt. De benen plat op de grond en het lichaam languit gestrekt. Hij bloedt aan het aangezicht. (...) Het slachtoffer was werkzaamheden aan het uitvoeren op het balkon van de eerste verdieping, en zou plots om een nog onbekende reden van zijn stelling gevallen zijn. J. ligt op ongeveer 1.5 meter van de stelling af en dit met de voeten naar de stelling en het hoofd naar de achterliggende muur. Het hoogste punt van de stelling ligt op ongeveer een 7 tal meter hoogte gemeten van het gelijkvloers (..) Wij begeven ons naar de 2de verdieping van de werf alwaar een stelling geplaatst is tegen de flank van een muur. Bovenaan de stelling staat een vouwladder geplaatst. Het is van op deze ladder dat J. de laatste hand legde aan de werkzaamheden waarmee hij belast was.

Door onze eigen vaststellingen en het relaas van omstaanders kunnen wij het volgende besluiten: (...) J. was belast met het plaatsen van houten planken tegen een blanke muur. (..) Om deze werken te voltrekken heeft J. een stelling opgezet. Omdat de stelling niet voldoende hoog was om het bovenste gedeelte van de muur te bereiken, heeft J. een ladder bovenop zijn eigen stelling geplaatst. Van op deze ladder kon hij het bovenste gedeelte van de muur bereiken, dewelke aan de nok van het dak grenst. Door een nog onbekende reden heeft J. zijn evenwicht verloren. Hierdoor viel hij achterwaarts op de leuning van het balkon van het eerste verdiep. Vervolgens werd hij weggekatapulteerd en viel verder naar beneden. Hierbij maakte h een soort van achterwaartse salto. (...)

Wij stellen vast dat: De houten planken van de stelling waar de ladder op staat zijn deels verschoven naar links. De stelling staat naar rechts gekanteld, van de muur weg. Een vouwladder dewelke op deze stelling geplaatst is, staat op haar beurt schuin tegen de muur. De stelling is vervaardigd uit metaal en houten planken. De planken dienen om een loopvlak te creëren. De stelling is niet voorzien van kabels om een eventuele kanteling tegen te gaan. (...)"

Het strafdossier werd zonder gevolg gerangschikt.

3. Op 13 en 15 maart 2007 ging de heer J. over tot dagvaarding van de BVBA DEVA en de BVBA BTB. De NV Generali Belgium, aansprakelijkheidsverzekeraar van de BVBA BTB, kwam in het geding vrijwillig tussen.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer J. de veroordeling van de BVBA DEVA, de BVBA BTB en de NV GENERALI BELGIUM, in solidum, tot betaling aan hem van 22.500,00 EUR plus vergoedende intresten, voor de door hem geleden materiële schade, en van een provisie van 1,00 EUR voor de door hem geleden lichamelijke schade, en de aanstelling van een deskundige.

DEVA, BTB en GENERALI BELGIUM concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering. BTB stelde ondergeschikt een vordering tot vrijwaring in tegen GENERALI BELGIUM.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer J. gedeeltelijk gegrond en zegde dat DEVA, BTB en GENERALI BELGIUM in solidum gehouden zijn tot het vergoeden van 40 % van de schade die de heer J. heeft geleden ingevolge het ongeval, waarbij de gehoudenheid van GENERALI BELGIUM verminderd wordt met de eventuele contractueel bepaalde franchise. Hij veroordeelde GENERALI BELGIUM tot vrijwaring van BTB. Hij stelde een deskundige aan voor de evaluatie van de menselijke schade en verzond de zaak voor het overige naar de bijzondere rol.

3.3

In hoger beroep vraagt GENERALI BELGIUM de vordering van de heer J. tegen haar en BTB ongegrond te verklaren en de vordering van BTB tot vrijwaring zonder voorwerp te verklaren. Zij concludeert tot de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van de heer J..

BTB herneemt haar oorspronkelijk verweer tegen de vordering en herneemt ondergeschikt haar vordering tot vrijwaring tegen GENERALI BELGIUM.

DEVA concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van GENERALI BELGIUM. Bij incidenteel hoger beroep vraagt ze de vordering van de heer J. tegen haar ongegrond te verklaren. Zij concludeert tot de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van de heer J..

De heer J. herneemt bij incidenteel hoger beroep zijn oorspronkelijke vordering, waarbij hij de gevraagde provisies nu beperkt tot 7.500,00 EUR en 1,00 EUR.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de vordering van de heer J. niet kan gegrond worden op de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken. Het blijkt immers niet dat de stelling van DEVA waarmee de heer J. heeft gewerkt gebrekkig was in de zin van artikel 5 van de wet, met name dat ze:

"niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name :

a) de presentatie van het product;

b) het normaal of redelijkerwijze voorzienbaar gebruik van het product;

c) het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht."

Uit de voorstelling van de feiten is duidelijk dat de stelling op zich niet onvoldoende veiligheid bood bij normaal of redelijkerwijze voorzienbaar gebruik. De oorzaak van het ongeval was evident het abnormale gebruik bovenop de stelling van een losse vouwladder op losse planken. Daarmee poogde de heer J. het probleem op te lossen dat de stelling niet hoog genoeg reikte om bij het bovenste deel van de muur te komen en dat een kabelgoot in de weg hing.

De stelling van DEVA kan om dezelfde reden op zich ook niet beschouwd worden als gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek.

De heer J. steunt zijn vordering ook op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten daarvan. Artikel 28 van de wet bepaalt dat de (onder)aannemer die voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden een beroep doet op zelfstandigen, erop toe ziet dat deze zelfstandigen alle maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 23, 5° en 24 (de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen bepaald bij Koninklijk Besluit) naleven. Artikel 29 bepaalt dat de (onder)aannemer met de zelfstandige een overeenkomst sluit waarin wordt opgenomen dat de zelfstandige zich ertoe verbindt zijn verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen na te leven, en dat indien de zelfstandige de verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen niet of gebrekkig naleeft, de (onder)aannemer zelf de nodige maatregelen moet nemen.

De eerste rechter besloot in dit verband dat DEVA door het ter beschikking stellen van een stelling die niet volstond om het hoogste deel van de muur te bereiken onvoldoende heeft gedaan om het risico op een ongeval te voorkomen. De stelling was nochtans niet ongeschikt om ter plaatse gebruikt te worden op een normale manier, en het kan niet aan een gebrek aan toezicht van DEVA geweten worden dat de heer J. de stelling heeft gecombineerd met een losse vouwladder. De stelling op zich vormde geen risico. Het was de opstelling door de heer J. zelf met gebruik van een losse vouwladder bovenop losse planken die het risico heeft geschapen. Het kan niet aangenomen worden dat deze risicosituatie door DEVA is geschapen of dat zij kon voorzien dat de heer J., de zelfstandige aannemer op wie zij een beroep deed, een dergelijke risicovolle oplossing zou geven aan het probleem hoe het hoogste deel van de muur te bereiken. Het algemene toezicht op risico dat de wet van 4 augustus 1996 toevertrouwt aan de (onder)aannemer kan niet begrepen worden als een bron van aansprakelijkheid voor de (onder)aannemer gelijk aan die van de werkgever. Er anders over denken zou afbreuk doen aan het wezenskenmerk van de zelfstandigheid van de heer J..

Terecht heeft de eerste rechter overwogen dat in de overeenkomst tussen DEVA en de heer J. (de brief van DEVA van 27 augustus 2006 die de heer J. heeft ondertekend voor akkoord) niets is bepaald met betrekking tot de verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen overeenkomstig artikel 29 van de wet van 4 augustus 1996 en dat dit kan beschouwd worden als een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Deze fout in de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 (en de uitvoeringsbesluiten ervan) is echter zonder belang, nu niet die fout maar de eigen fout van de heer J. moet beschouwd worden als de oorzaak van de schade van de heer J..

De heer J., die op het ogenblik van de feiten niet zoals voorheen werknemer was maar zelfstandige, heeft zelf beslist om bovenop de losse planken op een niet vastgehechte stelling op een balkon van de eerste verdieping, op ongeveer 7 meter van de grond, een losse vouwladder te plaatsen en daarop te gaan staan om planken tegen een muur te plaatsen. Deze manier van werken was bijzonder roekeloos en niet verzoenbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon, laat staan een vakman. Dit was een eigen beslissing van de heer J., die zijn opdrachtgever had kunnen melden dat hij niet beschikte over een stelling om de hoogste delen van de muur te bereiken, in plaats van een ongeschikte oplossing te kiezen voor dit probleem. Dat de stelling die DEVA ter beschikking had gesteld onvoldoende hoog was, verplichtte de heer J. niet tot zijn bijzonder onzorgvuldige gedrag.

Anders dan de eerste rechter heeft aangenomen, was de einddatum voor de werken niet bepaald op 2 september 2006, maar op 2 december 2006 . De heer J. maakt niet aannemelijk dat met 2 december eigenlijk 2 september bedoeld was. Het kan dus niet aangenomen worden dat de fout van de heer J. werd veroorzaakt door de tijdsdruk vanwege DEVA.

Dat de heer J. pas sinds kort werkte als zelfstandige en voordien werknemer was geweest van DEVA laat niet toe zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen beslissingen anders te beoordelen.

Ten onrechte heeft de eerste rechter fouten aangeduid in het optreden van BTB, de veiligheidscoördinator. In het verslag van 31 augustus 2006 heeft BTB daadwerkelijk de veiligheidsmaatregelen met betrekking tot stellingen beschreven ("...dienen bij het betreden, de wielen geblokkeerd of vastgemaakt om het valrisico te vermijden. Loopvlakken hoger dan 2 m dienen voorzien te zijn van een borstwering, ..." ). Dat dit niet aan de heer J. in het bijzonder werd gericht ("Aktie door ieder"), maakt geen fout uit van BTB. Uit niets blijkt dat de heer J. op 31 augustus 2006 op de werf was en dat BTB hem heeft opgemerkt op de stelling. Zoals vermeld heeft de eerste rechter ten onrechte aangenomen dat de einddatum van de werken van de heer J. 2 september 2006 was; daaruit heeft hij ten onrechte afgeleid dat de heer J. op 31 augustus 2006 aan het werk moet zijn geweest.

Terecht heeft de eerste rechter overwogen dat uit niets blijkt dat BTB, die aanwezig was op de werf op het ogenblik van het ongeval, de heer J. toen reeds had opgemerkt. Het kan BTB dus ook niet verweten worden niet te hebben ingegrepen op dat ogenblik.

Te dezen is de enige oorzaak van het ongeval de eigen ernstige fout van de heer J., overeenkomstig de overwegingen van het hof hierboven. Een normaal zorgvuldig aannemer gaat niet bovenop een vouwladder staan zoals de heer J. heeft gedaan, ongeacht of een veiligheidscoördinator opmerkingen zou maken over het gebruik van stellingen of niet. Het was niet voorzienbaar voor BTB dat de heer J. op een dergelijke wijze zou werken.

De vorderingen van de heer J. zijn dus ongegrond. De vordering tot vrijwaring van BTB is dus zonder voorwerp.

5 De kosten

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van de heer J., de in het ongelijk gestelde partij.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag, gelet op het bedrag van de vordering (geïndexeerd) 2.200,00 EUR voor de eerste aanleg en 990,00 EUR voor het hoger beroep.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken, ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2010/AR/1101 en 2011/AR/472;

verklaart de hogere beroepen ontvankelijk;

verklaart het incidenteel hoger beroep van de heer J. ongegrond;

verklaart de hogere beroepen van GENERALI BELGIUM, BTB en DEVA gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vorderingen, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vorderingen van de heer J. ongegrond.

Verklaart de vordering tot vrijwaring van BTB zonder voorwerp.

Veroordeelt de heer J. tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot

- in hoofde van J. op euro 2.582,31 (235,39 + 146,92 dagvaardingen en rolrecht + 2.200 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van DEVA op euro 2.200 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van BTB op euro 2.200 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van N.V. GENERALI op euro 2.200 rechtsplegingsvergoeding,

en die van het hoger beroep begroot

- in hoofde van N.V. GENERALI op euro 1.176 ( 186 rolrecht +990 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van J. op euro 990 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van DEVA op euro 990 rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van BTB op euro 990 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Onderaanneming. Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Art. 28 en 29. Veiligheidsverplichtingen. Plaatsen door de zelfstandige onderaannemer van een losse vouwladder op een stelling. Art. 1382 BW: zorgvuldigheidsnorm. Art. 1384, 1° BW