- Arrêt du 25 février 2014

25/02/2014 - 2011AR858

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Bij een vermomde schenking dient de animus donandi bewezen te worden. De animus donandi wordt niet vermoed en dient bijgevolg te worden bewezen door appellante.

Het feit op zich dat een bijzondere vertrouwensrelatie bestond tussen partijen volstaat niet om de animus donandi te bewijzen.

Deze bijzondere genegenheidsband kan evengoed de reden zijn waarom de rechtsvoorganger van geïntimeerde bereid werd gevonden - samen met zijn echtgenote - om een aantal bezittingen te verkopen aan appellante op lijfrente en niet enkel aan haar te verkopen zonder meer.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2011/AR/858

INZAKE VAN :

Mevrouw R. M.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 20 september 2010,

in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester DE LOMBAERT loco Meester Kris DU BOIS, advocaat te 1500 H., Vandenpeereboomstraat 66-68,

1ste kamer

TEGEN :

De heer G. W., in zijn hoedanigheid van enige wettige reservataire erfgenaam van wijlen zijn grootvader, de heer T. W., overleden op 17 mei 2013,

geïntimeerde, in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Anton ROOBAERT, advocaat te 1500 H., Vestingstraat 8,

Verkoop op lijfrente. Veinzing. Simulatie. Vermomde schenking? Bewijs van de animus donandi. Bewijslast. Bewijsmiddelen. Vermoedens

Bij een vermomde schenking dient de animus donandi bewezen te worden. De animus donandi wordt niet vermoed en dient bijgevolg te worden bewezen door appellante.

Het feit op zich dat een bijzondere vertrouwensrelatie bestond tussen partijen volstaat niet om de animus donandi te bewijzen.

Deze bijzondere genegenheidsband kan evengoed de reden zijn waarom de rechtsvoorganger van geïntimeerde bereid werd gevonden - samen met zijn echtgenote - om een aantal bezittingen te verkopen aan appellante op lijfrente en niet enkel aan haar te verkopen zonder meer.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 20 september 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd tussen partijen ;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 11 april 2011;

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 12 augustus 2011;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 14 oktober 2011;

• de akte van gedinghervatting neergelegd ter griffie op 17 september 2013.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 14 januari 2014 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van de rechtsvoorganger van geïntimeerde strekte ertoe te horen vaststellen dat de verkoopovereenkomst afgesloten tussen partijen op 20 maart 2006 m.b.t. de onroerende goederen gelegen enerzijds te L., Dolter Spitaelslaan 1 ( = woonhuis + bouwgrond) en anderzijds te H., Sint - Rochusstraat 57 (= woonhuis) ontbonden werd op 18 januari 2009 ten nadele van huidige appellante.

Deze vordering werd ingeleid bij dagvaarding betekend bij exploot van 30 maart 2009 die gerandmeld werd op het 4e hypotheekkantoor Brussel op 3 april 2009.

Appellante stelde een tegenvordering in en vroeg de betaling van een provisionele morele schadevergoeding van 5.000 euro plus de gerechtelijke intresten vanaf 25 februari 2010.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de hoofdvordering integraal toegekend, (2) gezegd voor recht dat diende gehandeld te worden conform het voorschrift van artikel 3, §2 van de Hypotheekwet en (3) de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep vraagt appellante (1) de oorspronkelijke vordering af te wijzen als ongegrond en (2) haar oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.

1.4. Geïntimeerde verzoekt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te willen verklaren en bijgevolg om het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat T. W., samen met zijn echtgenote, bij notariële akte verleden op 20 maart 2006 twee onroerende goederen verkocht heeft aan appellante voor een bedrag van 270.000 euro.

In die akte werd kwijting gegeven voor een bedrag van 30.000 euro. Ter voldoening van het saldo werd overeengekomen in de betaling van een maandelijkse rente van 1.800 euro door appelante aan de verkopers tot aan het overlijden van de langstlevende en dit vanaf 1 december 2005.

2.3. Geïntimeerde houdt voor dat de overeengekomen lijfrente slechts sporadisch en op onregelmatige wijze betaald werd ten gevolge waarvan hij vraagt de verkoopsovereenkomst te ontbinden ten nadele van appellante.

2.4. Appellante op haar beurt beweert dat de verkoop op lijfrente in feite een schenking was en de verkoop (op lijfrente) in realiteit gesimuleerd werd.

Zij vraagt schadevergoeding voor de morele schade die zij onderging ingevolge het terugdraaien van een overeenkomst die, gelet op de kwalificatie die de rechtsvoorganger van geïntimeerde er aan gaf in 2005, onmogelijk ongedaan kan worden gemaakt en omwille van de aantijgingen aan haar adres vanwege de persoon die zij gedurende bijna 20 jaar als naaste familie, zelfs als ouders, beschouwd en behandeld heeft.

In dit verband werpt zij op dat zij en het echtpaar W. - LORIES, sedert 1991 buren waren wat evolueerde tot een zeer vriendschappelijke band waarbij zij als kind aan huis werd aangezien mede in de hand gewerkt doordat voornoemd echtpaar een zeer slechte band had met hun zoon.

III. Bespreking.

3.1. Appellante houdt in essentie voor dat de verkoopsovereenkomst op lijfrente verleden op 20 maart 2006 - om fiscale redenen - geveinsd werd en dat de eigenlijke bedoeling van de verkopers erin bestond de goederen - voorwerp van die overeenkomst - aan haar te schenken uit dankbaarheid en omwille van de hechte vertrouwensrelatie tussen partijen.

De animus donandi wordt niet vermoed en dient bijgevolg te worden bewezen door appellante.

3.2. De notariële akte van 20 maart 2006 heeft duidelijk betrekking op een verkoop op lijfrente.

Bovendien bevat deze overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindend beding ingeval de koper in gebreke zou blijven de overeengekomen rentetermijnen en gebruikelijke intresten stipt te betalen.

De authentieke akte vermeldt immers het volgende:

"Indien de koper in gebreke blijft en voormelde rentetermijnen en gebruikelijke intresten niet stipt betaalt, kunnen de verkopers de gedwongen uitvoering daarvan vervolgen door alle middelen van recht.

Wanneer de koper in gebreke blijft en de overeengekomen rente en/of de gebeurlijk verschuldigde intresten niet stipt voldoet, kunnen de verkopers in plaats van de gedwongen uitvoering te eisen, verkiezen dat huidige koop wordt ontbonden. De ontbinding kan alleen plaatshebben op verzoek van de verkopers wanneer de koper de betaling van drie opeenvolgende rentetermijnen niet is nagekomen, en de koper de achterstand niet volledig aanzuivert binnen de dertig dagen na een bevel tot betaling dat bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend werd, en waarin gewezen wordt op de ontbinding van het contract indien de achterstallen en intresten niet worden voldaan binnen de gestelde termijn."

Appellante werd vervolgens in gebreke gesteld bij schrijven van 3 december 2008. In dit schrijven werd appellante erop gewezen dat zij tot dan van de 37 afbetalingstermijnen maar liefst 28 termijnen onbetaald heeft gelaten en dit voor een totaal bedrag van 49.200 euro plus intresten.

Hierop volgde een bevel tot betaling bij deurwaardersexploot betekend op 18 december 2008.

Bij aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst van 4 maart 2009 werd appellante officieel ter kennis gebracht dat de afgesloten verkoopsovereenkomst van rechtswege ontbonden werd geacht met ingang van 18 januari 2009 ingevolge de niet - betaling van de achterstallen inzake lijfrente.

Diezelfde dag werd een huurder van één van die panden in kennis gesteld dat de verkoopovereenkomst op 18 januari 2009 geacht werd van rechtswege ontbonden te zijn met als concreet gevolg dat de rechtsvoorganger van geïntimeerde geacht werd opnieuw eigenaar te zijn geworden en de huurgelden derhalve voortaan opnieuw op zijn rekening dienden gestort te worden.

Appellante werd tenslotte gedagvaard bij exploot betekend op 30 maart 2009.

3.3. Uit de hier voren uiteengezette historiek - die tot stand kwam tijdens het leven van T. W. die eerst overleden is op 17 mei 2013 - kan geenszins afgeleid worden dat de rechtsvoorganger van geïntimeerde zou afgezien hebben van de betaling van de overeengekomen lijfrente en dat het de bedoeling van de verkopers was dat de goederen - voorwerp van de afgesloten verkoopsovereenkomst - zouden geschonken worden aan appellante.

Appellante heeft overigens nooit gereageerd op deze verschillende in gebreke stellingen en aanmaningen tot betaling.

Er zijn evenmin tegenbrieven voorhanden die deze historiek zouden kunnen dwarsbomen.

3.4. Het feit op zich dat een bijzondere vertrouwensrelatie bestond tussen partijen volstaat niet om de animus donandi te bewijzen.

Deze bijzondere genegenheidsband kan evengoed de reden zijn waarom de rechtsvoorganger van geïntimeerde bereid werd gevonden - samen met zijn echtgenote - om een aantal bezittingen te verkopen aan appellante op lijfrente en niet enkel aan haar te verkopen zonder meer.

Ook het feit dat appellante op 2 november 2005 effecten in bewaargeving zou hebben gegeven voor een bedrag van 30.000 euro vormt geen bewijs van datgene wat appellante voorhoudt. De oorsprong van deze effecten is onbekend en nergens blijkt uit dat deze effecten afkomstig waren van de rechtsvoorganger van geïntimeerde en bovendien bedoeld waren om het voorschot te betalen bij het verlijden van de notariële akte.

3.5. De eerste rechter heeft bijgevolg op grond van oordeelkundige motieven de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en bijgevolg de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond.

Het bestreden vonnis wordt dan ook integraal bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet meer relevant in het licht van wat hier voren werd uiteengezet.

3.6. Appellante vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro en geïntimeerde van 1.320 euro, zijnde het basisbedrag - al dan niet geïndexeerd - voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Er is geen reden voorhanden om af te wijken van het basistarief.

Het bedrag van 1.320 euro komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

25/02/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Verkoop op lijfrente. Veinzing. Simulatie. Vermomde schenking? Bewijs van de animus donandi. Bewijslast. Bewijsmiddelen. Vermoedens