- Arrêt du 11 mars 2014

11/03/2014 - 2012AR193

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Van een grootwarenhuis - dat in casu bovendien een erkende keten is - mag verwacht worden dat het minstens elke hindernis of gevaarssituatie zodanig aanduidt waardoor het rechtmatig vertrouwen van de klanten niet verschalkt wordt. De algemene zorgvuldigheidsplicht die op elke voetganger rust mag niet tot gevolg hebben dat zij steeds met de ogen gericht naar de grond moeten stappen.

Gezien in casu blijkbaar de toegangsdeur tot het grootwarenhuis niet toeliet dat twee klanten elkaar konden kruisen waardoor dat de klant die het grootwarenhuis wou binnengaan verplicht werd een klant uit de tegenovergestelde richting te laten voorbijgaan, moest eerstvermelde klant zich bovendien in de gegeven omstandigheden er niet aan verwachten dat hij bij het opzij gaan ook nog zou kunnen struikelen over een hindernis.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2012/AR/193

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap GEBROEDERS DELHAIZE EN CIE " DE LEEUW", waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1080 SINT-JANS-MOLENBEEK, Osseghemstraat 53,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 21 november 2011,

vertegenwoordigd door Meester HERMANS loco Meester Thierry HOSCHET, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Maartenstraat 53,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw M. V., en haar echtgenoot

2) De heer M. VDW, beiden handelend in eigen naam en namens de huwgemeenschap,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester POLLARIS loco Meester Fabienne LEGRAND, advocaat te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 64,

1509 - 1521

Onrechtmatige daad. Fout. Grootwarenhuis. Zorvuldigheidsplicht. Toegang tot het grootwarenhuis. Fout van het slachtoffer?

Van een grootwarenhuis - dat in casu bovendien een erkende keten is - mag verwacht worden dat het minstens elke hindernis of gevaarssituatie zodanig aanduidt waardoor het rechtmatig vertrouwen van de klanten niet verschalkt wordt. De algemene zorgvuldigheidsplicht die op elke voetganger rust mag niet tot gevolg hebben dat zij steeds met de ogen gericht naar de grond moeten stappen.

Gezien in casu blijkbaar de toegangsdeur tot het grootwarenhuis niet toeliet dat twee klanten elkaar konden kruisen waardoor dat de klant die het grootwarenhuis wou binnengaan verplicht werd een klant uit de tegenovergestelde richting te laten voorbijgaan, moest eerstvermelde klant zich bovendien in de gegeven omstandigheden er niet aan verwachten dat hij bij het opzij gaan ook nog zou kunnen struikelen over een hindernis.

____________________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 21 november 2011, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 20 januari 2012;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 22 juni 2012;

• de syntheseconclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 26 juli 2012.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 januari 2014 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden - in eigen naam en namens de huwelijksgemeenschap - strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 1 euro en vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een geneesheer - deskundige te horen aanstellen met o.a. als opdracht mevrouw V. te onderzoeken en advies te geven over de schade die zij geleden heeft n.a.v. het ongeval van 11 maart 2009.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering van huidige geïntimeerden toelaatbaar verklaard en (2) vooraleer verder recht te spreken Dr. Katja DE MUNNYNCK uit Rotselaar aangesteld als deskundige met een welomschreven opdracht.

1.3. In hoger beroep verzoekt appellante (1) in hoofdorde, de vordering ongegrond te verklaren en (2) ondergeschikt, de vordering slechts deels gegrond te verklaren gelet op de eigen verantwoordelijkheid van mevrouw V..

1.4. Geïntimeerden vragen - in het beschikkend gedeelte van hun conclusie - het bestreden vonnis te willen bevestigen in al zijn onderdelen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerden op 11 maart 2009 een bezoek brachten aan de DELHAIZE winkel gelegen te Haacht.

Aan de ingang van de winkel wou mevrouw V. een persoon die uit de tegenovergestelde richting kwam doorlaten en zette zij een stap opzij.

Hierdoor is zij gestruikeld over een ijzeren staaf (= "U - baar") die in de grond verankerd was om winkelkarren aan te bevestigen en kwam zij ten val.

Door die val liep zij een breuk op aan de rechterschouder en de rechterpols en een snijwonde ter hoogte van het rechteronderbeen.

III. Bespreking.

3.1. De vordering is gesteund op artikel 1382 e.v. B.W.

Appellante betwist haar aansprakelijkheid. Ondergeschikt vraagt zij slechts deels aansprakelijk te worden gesteld gelet op de eigen onvoorzichtigheid/onzorgvuldigheid begaan door mevrouw V..

3.2. Over de feitelijke omstandigheden van het ongeval bestaat geen betwisting tussen partijen.

Het staat bijgevolg vast dat mevrouw V. gestruikeld is over een "U - baar" die een breedte heeft van 25 cm en 18 cm uit de grond steekt.

Aan die "U - baar" hangt een karretje vast waarvan het de bedoeling is het niet mee te nemen. Ingeval dat karretje er gestaan had - wat de bedoeling was - had mevrouw V. over die "U - baar" niet kunnen struikelen. Het laatste karretje was blijkbaar op een niet - efficiënte manier gehecht aan de "U - baar" waardoor het weggehaald kon worden.

Wat ook vaststaat is dat mevrouw V. opzij is moeten gaan omdat uit de tegenovergestelde richting ook een klant met kar afkwam en de toegangsdeur blijkbaar niet toelaat om met tweeën door die deur te gaan gelet ook nog op de aanwezigheid van winkelkarren aan de beide zijden van die toegang.

3.3. Van een grootwarenhuis - dat bovendien een erkende keten is - mag verwacht worden dat zij minstens elke hindernis of gevaarssituatie zodanig aanduidt waardoor het rechtmatig vertrouwen van de klanten niet verschalkt wordt.

Van appellante mag derhalve verwacht worden dat zij de nodige voorzorgsmaatregelen neemt teneinde te verhinderen dat het laatste karretje - dat eigenlijk niet voor gebruik bestemd is - niet kan weggehaald worden waardoor dergelijke valpartijen uitgesloten zijn.

Appellante is derhalve tekortgeschoten aan haar algemene zorgvuldigheidsplicht die verwacht mag worden van elke persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Zonder deze fout zou het ongeval zich niet hebben voorgedaan zoals het zich in concreto heeft voorgedaan.

Appellante heeft derhalve een fout begaan in oorzakelijk verband met de door geïntimeerden geleden schade.

De eerste rechter heeft appellante dan ook terecht aansprakelijk gesteld voor het schadegeval op grond van artikel 1382 e.v. B.W.

In het licht hiervan dient niet nagegaan te worden of er tevens een inbreuk werd gepleegd op artikel 1384, lid 1 B.W. (= gebrek aan de zaak) gezien dit geen aanleiding zou kunnen geven tot een ruimere schadeloosstelling.

3.4. Aan mevrouw V. kan geen enkele fout verweten worden.

De algemene zorgvuldigheidsplicht die op elke voetganger rust mag niet tot gevolg hebben dat zij steeds met de ogen gericht naar de grond moeten stappen.

Gezien blijkbaar de toegangsdeur niet toeliet dat twee klanten elkaar konden kruisen waardoor mevrouw V. verplicht werd een klant uit de tegenovergestelde richting te laten voorbijgaan, moest zij zich bovendien in de gegeven omstandigheden er niet aan verwachten dat zij bij het opzij gaan ook nog zou kunnen struikelen over een hindernis.

De eerste rechter heeft dan ook even terecht beslist dat mevrouw V. in de concrete omstandigheden zoals ze zich hebben voorgedaan geen enkele fout heeft begaan in oorzakelijk verband met de ondergane schade.

3.5. In het bestreden vonnis werd tenslotte terecht een onderzoeksmaatregel (= aanstelling van Dr. Katja DE MUNNYNCK als gerechtelijke deskundige) bevolen.

Er werd geen provisie toegekend.

Geïntimeerden vragen enerzijds de bevestiging van het bestreden vonnis in al zijn onderdelen maar in het motiverend gedeelte van hun conclusie bespreken zij anderzijds provisionele vergoedingen die hen zouden kunnen toegekend worden in hun onderscheiden hoedanigheden.

Gezien deze berekeningen niet overgenomen worden in het beschikkend gedeelte van hun conclusie, zij geen akte vragen van hun incidenteel beroep en zij enkel nadrukkelijk de bevestiging vragen van het bestreden vonnis "in al zijn onderdelen" wordt aangenomen dat de gemaakte berekeningen enkel bedoeld zijn als toelichting omtrent het werkelijk bestaan van schade in hunnen hoofde.

3.6. Het bestreden vonnis wordt dan ook integraal bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.7. Appellante raamt de rechtsplegingsvergoeding op 1.320 euro zijnde het geïndexeerd basisbedrag voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Er is geen reden om af te wijken van het basistarief.

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerden samen als de in het gelijk gestelde partijen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, lid 2 Ger.W. opnieuw naar de eerste rechter.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding) en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/03/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Mots libres

  • Grootwarenhuis. Buitencontractuele aansprakelijkheid. Fout. Zorgvundigheidplicht. Toegang tot het grootwarenhuis. Omvang van de deuropening. Geen mogelijkheid van passage voor twee karretjes tegelijkertijde, één dat binnenkomt, en één dat buitenkomt. Mede-aansprakelijkheid van het slachtoffer.