- Arrêt du 11 février 2011

11/02/2011 - 2008/AA/127

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De werkgever beschikt niet over een subjectief recht op de vrijstelling of vermindering van de verschuldigde bijdrageopslag en interest ten aanzien van de R.S.Z. Het betreft een discretionaire beleidsbeslissing waarbij niet over een recht maar wel over een gunst wordt geoordeeld. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de rechter om aan de R.S.Z. een dergelijke afstand op te leggen.

De beslissing over de gebeurlijke vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en verwijlinterest in toepassing van artikel 55 van het K.B. van 28 november 1969, is een aspect van de verplichtingen betreffende de betaling van de bijdragen. De betaling van deze bijdrageopslagen en interest zijn uiteindelijk ook verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving betreffende de sociale zekerheid. De arbeidsrechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de werkgeversverplichtingen in verband met de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, zelfs wanneer de vordering gericht is tegen een bestuurshandeling met een discretionair karakter, zoals de weigering om af te zien van bijdrageopslagen en interest in toepassing van artikel 55 van het K.B. van 28 november 1969.

Zie ook arrest Raad van State van 24 februari 2010 - S.R.K. 2010 - blz. 315.

Zie ook arrest Cass. van 12 september 2005 - J.T.T. 2005 - blz. 457 + noot en R.W. 2007-2008 - blz. 1781 + noot


Arrêt - Texte intégral

Tussenarrest op tegenspraak, verzending naar de bijzondere rol.

Negende kamer

Sociale Zekerheid

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST A.R. nr. 2008/AA/127

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak:

*

met zetel gevestigd te, ,

eiser in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mr. K. RASSCHAERT en mr. K. LEIJNEN, advocaten te 1150 BRUSSEL,

tegen :

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ),

met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11,

verweerder in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mr. F. SELS, advocaat te 2018 ANTWERPEN.

Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.

Gelet op de zittingsbladen van 11 december 2009, 26 maart 2010, 26 november 2010 en van 10 december 2010;

Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na:

* het tussenarrest van 11 december 2009 waarmee de heropening van de debatten werd bevolen;

* de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op 5 januari 2010 op de griffie van het hof ontvangen;

* de conclusies voor eiser in hoger beroep, op 5 februari 2010 op de griffie van het hof neergelegd;

* de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op 19 februari 2010 op de griffie van het hof neergelegd;

* de conclusies voor eiser in hoger beroep, op 12 maart 2010 op de griffie van het hof neergelegd;

* de beschikking van 26 maart 2010 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek;

* de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op 7 juni 2010 op de griffie van het hof neergelegd;

* de conclusies voor eiser in hoger beroep, op 2 augustus 2010 op de griffie van het hof neergelegd;

* de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op 30 september 2010 op de griffie van het hof neergelegd;

* het schriftelijke advies van het openbaar ministerie, op de zitting van 10 december 2010 gelezen en neergelegd en aan partijen met toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek ter kennis gebracht;

* de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op 3 januari 2011 op de griffie van het hof per fax ontvangen en op 5 januari 2011 per gewone post;

* de repliekconclusies van verweerder in hoger beroep, op 7 januari 2011 op de griffie van het hof per aangetekende post ontvangen.

Gelet op de stukken van het administratief dossier.

Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen.

Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 26 november 2010.

Gehoord de lezing door het openbaar ministerie van het schriftelijke advies op de openbare terechtzitting van 10 december 2010.

Wat voorafgaat

Bij tussenarrest van deze kamer van 11 december 2009 werd beslist:

Recht doende op tegenspraak en het tussenarrest van 20 maart 2009 verder uitwerkende:

Verklaart het hoger beroep thans ook gedeeltelijk gegrond.

Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 2 oktober 2007 in zijn geheel, om redenen van duidelijkheid,

opnieuw wijzende, zegt voor recht:

dat de door de RSZ in het kader van dit geschil doorgevoerde regularisatie gehandhaafd blijft wat betreft de werknemers, gekend als de nummers 2, 5, 13, 15, 20, 22, 28, 31, 32, 37, 38, 39, 40, 48, 49, 51, 52, 53, 54 en 56 (de volgnummers zijn deze van het formulier F33 van de RSZ - zie administratief dossier);

dat de door de RSZ in het kader van dit geschil doorgevoerde regularisatie wordt verworpen met betrekking tot de werknemers, gekend als de nummers

1, 3, 7, 10, 11, 14, 18, 19, 21, 24, 26, 27, 29, 33, 36, 41, 42, 45, 47, 50, 55 en 57 (de volgnummers zijn deze van het formulier F33 van de RSZ - zie administratief dossier);

dat de door de RSZ in het kader van dit geschil doorgevoerde regularisatie gedeeltelijk wordt verworpen met betrekking tot de werknemers, gekend als de nummers 4, 6, 8, 9, 12, 16, 17, 23, 25, 30, 34, 35, 43, 44 en 46 en wel in de volgende zin: zijn aanvaard als reële kostenvergoedingen en dienen uit de regularisatie te worden verwijderd:

10.000 BEF voor de werknemer, gekend als nr. 25,

8.000 BEF voor de werknemer, gekend als nr. 16,

6.000 BEF voor de werknemers, gekend als nummers 4, 6, 8, 9, 12, 17, 23, 30, 34, 35, 43, 44 en 46 (de volgnummers zijn deze van het formulier F33 van de RSZ - zie administratief dossier).

Heropent de debatten om de RSZ toe te laten een aangepaste en herleide eindafrekening over te maken en om de ... toe te laten deze nieuwe eindafrekening na te kijken en te becommentariëren.

Verdaagt de uitspraak over de vereffening van de kosten.

Stand van de vorderingen na het tussenarrest van 11 december 2009

In zijn syntheseconclusies van 30 september 2010 vraagt de RSZ om de ... te veroordelen enerzijds tot betaling van een herleid bedrag van 151.898,62 euro, te vermeerderen met de wettelijke intrest aan 7% in sociale zaken vanaf 28 mei 2010 op een bedrag van 73.618,39 euro tot de dag van volledige betaling, en anderzijds tot betaling van de kosten.

In hoofdorde volhardt de ... in haar vraag tot afwijzing van de vordering van de RSZ.

Ondergeschikt vraagt zij het hof om zich bevoegd te verklaren in de kwestie over de vermindering van de bijdrageopslagen en intresten, minstens over deze kwestie een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Nog meer ondergeschikt vraagt zij om de RSZ te veroordelen tot (terug)betaling van de bedragen aan bijdrageopslagen en intresten bij wijze van schadevergoeding, gegrond op de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Verder te zeggen voor recht dat de wettelijke intrest enkel kan verschuldigd zijn op het bedrag der bijdragen.

De kosten van het geding om te slaan.

De ... toe te staan de verschuldigde bedragen af te betalen gespreid over 24 maandelijkse betalingen.

Verdere beoordeling

Het hof stelt vast dat ingevolge de beslissingen, die in het tussenarrest van 11 december 2009 werden genomen, de partijen het er over eens zijn dat de ... uiteindelijk in de relevante periode aan de RSZ een bedrag verschuldigd blijft van 73.618,39 euro aan bijdragen.

Artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, tot uitvoering van de RSZ-wet van 27 juni 1969, bepaalt dat op deze bijdragen een bijdrageopslag van 10% verschuldigd is in geval van laattijdige betaling. Dit is hier het geval.

Dit artikel 54 bepaalt verder dat er bijkomend een verwijlintrest verschuldigd is van 7%, te rekenen vanaf het verstrijken van de betalingstermijnen tot op de dag waarop de betaling plaats heeft. De partijen betwisten niet en het hof beaamt dat deze intresten enkel verschuldigd zijn op het bedrag van de bijdragen.

De RSZ rekende voor dat aldus een bijdrageopslag verschuldigd is van 7.361,76 euro en een bedrag van 70.512,19 euro aan intresten tot 28 mei 2010 (dag waarop hij zijn laatste recapitulatieve staat afsloot). Vanaf die datum vordert de RSZ de verdere betaling van de intresten aan 7% op het bedrag van 73.618,39 euro tot op de dag van betaling.

De ... betwist niet dat dit artikel 54 op haar van toepassing is maar ze wijst er op dat de RSZ-reglementering in een mogelijkheid voorziet om een vrijstelling of vermindering van de bijdrageopslagen en verwijlintresten te bekomen.

Zij verwijst naar de toepassing van artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (zie wat de tekst betreft: punt 3.2 op bladzijde 3-4 van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie van 10 december 2010).

Wat de betekenis van dit artikel betreft en betreffende de vraag wie er over de vrijstelling of vermindering beslist, verwijst het hof naar de uiteenzetting door het openbaar ministerie op bladzijde 4 en 5 bovenaan van zijn schriftelijke advies van 10 december 2010. Het hof sluit zich daarbij aan.

De ... is van oordeel dat er dwingende billijkheidsredenen voorhanden zijn op grond waarvan in dit geval de gevorderde bijdrageopslagen en (vooral) de verwijlintresten moeten worden verminderd.

Om die reden stuurde de ... op 12 maart 2010 een brief aan de RSZ met een vraag tot vermindering van de bijdrageopslagen en intresten (haar stuk 6). Tot dusver antwoordde de RSZ niet op dit verzoek, naar eigen zeggen omdat de eindafrekening door het hof nog niet is bekrachtigd.

Omdat het bedrag van de intresten hoog oploopt, ziet de ... het liefst gebeuren dat de RSZ zich eerst uitspreekt over haar vraag tot vermindering, zodat ze finaal enkel de bedragen moet betalen die het resultaat zijn van haar vraag tot vermindering.

Met dit scenario voor ogen vraagt zij het hof om de vordering van de RSZ met betrekking tot de bijdrageopslagen en de intresten naar de rol te verwijzen in afwachting van de beslissing van de RSZ over haar vraag tot vermindering.

Deze vraag impliceert dat de ... er van uitgaat dat het hof nog over enige rechtsmacht beschikt om in de kwestie van de vermindering van de bijdrageopslagen en intresten tussen te komen.

De RSZ is van oordeel dat het arbeidshof onbevoegd is om in de beslissing tot vrijstelling of vermindering van de bijdrageopslagen en intresten tussen te komen. De bevoegdheid daartoe is een discretionaire bevoegdheid van de RSZ.

Wat deze bevoegdheid betreft, oordeelde de Raad van State in een arrest van 24 februari 2010 in de volgende zin:

De artikelen 55, §2 en 55, §3, 1e en 2e van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepalen:

"§2. Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis met ten hoogste 50pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald.

(...)

§3. De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen en/of vaste vergoeding bedoeld in artikel 54 bis met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 pct. worden gebracht:

1e wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut, beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967;

2e wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang bij wijze van uitzondering, verantwoord is."

Artikel 580,1e van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

"De arbeidsrechtbank neemt kennis:

van geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, gezinsbijslag, werkloosheid, verplichte ziekte-en invaliditeitsverzekering, rust-en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, sluiting van ondernemingen en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend".

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat het de duidelijke wil van de wetgever was om het sociaal contentieux bij één rechtbank, de arbeidsrechtbank, onder te brengen. In het Verslag van de commissie Justitie van de Senaat (Parl. St. Senaat, 1964-65, 9 maart 1965, stuk nr. 170, p. 100) wordt het volgende gesteld:

"Artikel 580 moet alle betwistingen omvatten die kunnen voortkomen uit de toepassing van de wetsbepalingen betreffende de maatschappelijke zekerheid in haar ruimste betekenis, ongeacht of het gaat om verplichtingen van werknemers, de rechten en verplichtingen van de gerechtigden of hun rechthebbenden, of om betwistingen tussen verzekeringsorganismen of andere kassen".

Als orgaan van de rechterlijke macht behandelt de arbeidsrechtbank niet alleen de geschillen waarbij privaatrechtelijke betrekkingen op het spel staan maar neemt zij ook kennis van heel wat bestuursrechtelijke geschillen, hoofdzakelijk op het gebied van de sociale zekerheid.

De bestreden beslissing over de gebeurlijke vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en verwijlintresten, zoals bepaald door artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, is een aspect van de ruimere problematiek van de verplichtingen inzake de betaling van de bijdragen. De betaling van die bijdrageopslagen en intresten zijn immers ook verplichtingen die voortspuiten uit de "wetgeving inzake sociale zekerheid". Artikel 580,1e, van het Gerechtelijk Wetboek geeft een brede omschrijving van de geschillen die in het domein van de sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. Deze bepaling laat niet toe een onderscheid te maken tussen de betwistingen in verband met de vaststelling, de berekening en de inning van de bijdragen aan de ene kant en het afzien van bijdrageopslagen en intresten aan de andere kant, los van de vraag of de beslissingen die betrekking hebben op de werkgeversverplichtingen al dan niet een discretionair karakter hebben. Wanneer de werkgever het niet-afzien van de opslagen en interesten betwist, maakt hij een geschil aanhangig betreffende zijn werkgeversverplichtingen en de betaling van de verschuldigde bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, ook al is de vordering gericht tegen een bestuurshandeling met een discretionair karakter. De weigering van het afzien van bijdrageopslagen en verwijlintresten behoort tot de vordering van de verwerende partij tot betaling van de achterstallige bijdragen, inbegrepen de opslagen en intresten.

De Raad van State achtte zich onbevoegd in deze kwestie en hij verklaarde de arbeidsgerechten bevoegd.

Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de Raad van State en bij het advies van het openbaar ministerie dat de arbeidsgerechten in principe bevoegd zijn om kennis te nemen van bezwaren of beroepen van werkgevers, die niet gediend zijn met het antwoord dat ze van de RSZ kregen op hun vraag tot vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en verwijlintresten.

Ter zake stelt het hof vast dat de RSZ nog geen beslissing heeft genomen over de vraag tot een zulkdanige vermindering, uitgaande van de ... .

De RSZ argumenteert dat, door de toepassing van artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, hij zich pas over de vraag tot vermindering van de ... kan buigen wanneer de bijdragen zijn betaald. De ... betaalde deze bijdragen tot op heden niet zodat zij (nog) geen belang heeft bij de vraag naar vermindering van bijdrageopslagen en intresten.

Het hof volgt de RSZ in het standpunt enerzijds dat de bevoegdheid om een vrijstelling of vermindering toe te staan een discretionaire bevoegdheid is van de RSZ, zodat hij de beslissing ter zake moet nemen en anderzijds dat de bijdragen moeten betaald zijn alvorens de vraag tot vermindering kan worden onderzocht.

Precies wat betreft de betaling van de bijdragen vraagt de ... afbetalingsfaciliteiten. Zij vraagt om de bedragen te mogen afkorten over een periode van 24 maanden.

Het hof neemt kennis van de argumentatie van de ... om deze afbetalingstermijnen te vragen en oordeelt dat haar, met respect voor artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, kan worden toegelaten het bedrag van de verschuldigde bijdragen, zijnde 73.618,39 euro af te betalen in twaalf gelijke termijnen te beginnen op 15 mei 2011.

Wat de bijdrageopslagen en intresten betreft, stelt het hof vast dat het bedrag ervan door de ... niet wordt betwist. Ambtshalve werpt het hof geen betwisting op. In principe zijn de opslagen en de intresten verschuldigd.

Het hof stelt vast dat de betaling van de opslagen en de intresten geen voorwaarde vormt om tot een beslissing aangaande de gevraagde vermindering te komen.

Bijgevolg kan de RSZ deze beslissing nemen nadat het bedrag aan bijdragen is betaald.

Om proceseconomische redenen is het verantwoord dat deze beslissing wordt afgewacht alvorens tot betaling te veroordelen. Het hof volgt desbetreffend het advies van het openbaar ministerie om de zaak wat deze onderdelen betreft, naar de bijzondere rol te verzenden.

Na de beslissing door de RSZ aangaande de vraag tot vermindering van de verschuldigde bijdrageopslagen en verwijlintresten, kan het hof verder beslissen.

Het hof zal alsdan beslissen over de precieze omvang van zijn rechtsmacht in verband met de vraag tot vermindering en de beslissing van de RSZ, die er het gevolg van is.

Vervolgens zal er verder moeten geoordeeld worden over de ingestelde vorderingen en over de vereffening van de kosten.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de lezing door de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 december 2010.

De RSZ repliceerde met conclusies ontvangen op de griffie van dit hof op 5 januari 2011.

De ... repliceerde met conclusies ontvangen op de griffie van dit hof op 7 januari 2011.

Recht doende op tegenspraak en het tussenarrest van 11 december 2009 verder uitwerkende,

Veroordeelt de ..., recht doende op het onderdeel betreffende de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen, tot betaling aan de RSZ van een bedrag van DRIEENZEVENTIGDUIZEND ZESHONDERDACHTTIEN euro en NEGENDERTIG eurocent (73.618,39 euro).

Laat de ... toe dit bedrag af te betalen in twaalf gelijke maandelijkse schijven, voor de eerste keer uiterlijk op 15 mei 2011.

Zegt dat zo de vervallen bedragen op de gestelde data niet betaald zijn, het verschuldigd blijvend saldo onmiddellijk invorderbaar zal zijn zonder ingebrekestelling.

Verzendt de zaak voor het overige naar de bijzondere rol van deze kamer.

Verdaagt de uitspraak over de vereffening van de kosten.

Aldus gewezen door

de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer M. VAN HOECKE, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

de heer M. VAN THIELEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer,

bijgestaan door mevrouw L. VAN CALSTER, griffier

Mots libres

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • gerechtelijk recht

  • sociale zekerheid werknemers

  • bijdrageplicht

  • bijdrageopslagen en interest

  • vrijstelling of vermindering

  • discretionaire bevoegdheid

  • bevoegde arbeidsrechter