- Arrêt du 5 juillet 2011

05/07/2011 - 2011/AA/334

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De vordering ingesteld door de werkgever tot erkenning van de dringende reden tegen een lid van de vakbondsafvaardiging dat krachtens een ondernemings-cao het mandaat van personeelsafgevaardigde vervult in de ondernemingsraad en krachtens die collectieve arbeidsovereenkomst dezelfde bescherming tegen ontslag geniet als bepaald in de Wet Bijzondere Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden, is ontoelaatbaar omdat de betrokken werknemer niet de bescherming van die wet geniet en de vordering derhalve buiten de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten valt.

De subsidiair ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van de door de onderneming gesloten collectieve arbeidsovereenkomst en de vordering tot ontbinding van de individuele arbeidsovereenkomst zijn eveneens ontoelaatbaar wegens het uitzonderlijk karakter van de procedure geregeld door de Wet Bijzondere Ontslagbescherming Personeelsafgevaardigden en de aldaar strikt beperkte opdracht die aan de arbeidsgerechten werd toegekend.


Arrêt - Texte intégral

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST 2011/AA/334

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF JULI TWEEDUIZEND EN ELF

NV Q.R.,

appellante vertegenwoordigd door mr. A. V. advocaat te 1000 Brussel,

tegen :

1. M.W.

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw S. G. afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie,

2. ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (ABVV),

met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat, 42,

tweede geïntimeerde, niet vertegenwoordigd.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 17 mei 2011 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,

- het verzoekschrift, ter post neergelegd op 27 mei 2011 en ter griffie van het arbeidshof per aangetekende post ontvangen op 30 mei 2011, waarbij hoger beroep wordt aangetekend tegen het vonnis door de arbeidsrechtbank te Antwerpen tussen partijen gewezen op 17 mei 2011 (A.R. 11/1518/A),

- de beschikking d.d. 3 juni 2011,

- de conclusie voor de heer W., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 6 juni 2011,

- de conclusie voor de NV Q.R., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 17 juni 2011,

- de conclusie voor de heer W., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 23 juni 2011,

- het proces-verbaal van de buitengewone openbare terechtzitting van 28 juni 2011.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met verzoekschrift aangetekend verzonden op 25 februari 2011 en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 februari 2011 stelde de NV Q.R. een vordering in tegen de heer W. bij toepassing van artikel 4, §§ l en 2 van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede van de kandidaat-personeelsafgevaardigden, hierna de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden genoemd.

Bij beschikking van 7 maart 2011 stelde de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Antwerpen vast dat de poging tot verzoening niet was gelukt en dat er geen redenen waren om de arbeidsovereenkomst tijdens de duur van de procedure te schorsen tot erkenning van de dringende reden.

Met dagvaardingen zoals in kort geding van 9 maart 2011 vorderde de NV Q.R., hierna genoemd de NV, de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de partijen te verzoenen en, bij ontstentenis van verzoening, de zaak te verwijzen naar een kamer bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen en in hoofdorde dat de ten laste gelegde feiten zouden aangenomen worden als dringende reden, zodat de arbeidsovereenkomst van de heer W. kan beëindigd worden zonder opzeggingstermijn of vergoeding. In ondergeschikte orde vorderde de NV dat de arbeidsovereenkomst tussen de NV en de heer W. ontbonden zou worden ten laste van de heer W. en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van welk rechtsmiddel, zonder borgstelling of mogelijkheid tot kantonnement en de heer W. te veroordelen tot de kosten van het geding.

Bij beschikking van 22 maart 2011 stelde de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Antwerpen vast dat de poging tot verzoening niet was gelukt en werd de zaak verwezen naar de zitting van de derde kamer van 5 april 2011, op grond van artikel 8 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden.

Met conclusie van 22 april 2011 vorderde de NV:

in hoofdorde de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, en te verklaren voor recht dat de ten laste gelegde feiten aangenomen worden als dringende reden, zodanig dat de arbeidsovereenkomst van M. W. kan beëindigd worden zonder opzeggingstermijn of vergoeding, en dit op basis van de feiten in deze conclusie, zoals deze bewezen werden door de stukken;

- haar minstens toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van volgende feiten:

1. dat de heer M.W. zich nooit met de fiets naar het werk begaf;

2. dat de heer M.W. het rapport Omniumbediende persoonlijk en bewust bewerkte, zodat hij als enige werknemer die een fietsvergoeding kreeg er nog in vermeld werd;

3. dat de heer M.W. als enige werknemer verhogingen doorvoerde die niet wettelijk verplicht waren, zonder instemming van zijn hiërarchische overste;

4. dat de heer M.W. niet het enige kaderlid van de centrale is zonder firmawagen;

5. dat de heer M.W. ten onrechte manipulaties doorvoerde bij het ingeven van dagen, om zo toch bepaalde vergoedingen te kunnen opstrijken;

in ondergeschikte orde te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden werd lastens de heer M.W. en hem te veroordelen tot betaling van 1 EUR provisioneel, ten titel van een schadevergoeding, en dit op basis van de feiten in deze conclusie, zoals deze bewezen werden door de stukken,

- minstens de NV toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van de hiervoor sub 1 tot 5 vermelde feiten;

- ten slotte vorderde de NV het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van welk rechtsmiddel, zonder borgstelling, noch mogelijkheid tot kantonnement en de heer W. te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met conclusie van 5 mei 2011 vorderde de heer W. de vordering tot erkenning van de dringende reden onontvankelijk te verklaren wegens niet-toepasselijkheid van de wet van 19 maart 1991, minstens de vordering ongegrond te verklaren.

De vordering tot gerechtelijke ontbinding eveneens onontvankelijk, minstens ogegrond te verklaren, en de NV te verwijzen in de kosten van het geding.

Minstens in ondergeschikte orde de heer W. toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, toe te laten het bewijs te leveren van volgende feiten:

- dat de heer W. minstens sedert 2004 thuis op bijna dagelijkse wijze werkte voor de NV,

- dat de heer W. in de periode tot einde 2008 wel degelijk met zijn fiets in het woon-werkverkeer voorzag.

Met vonnis van 17 mei 2011 werd de hoofdeis niet toelaatbaar verklaard en werd de in ondergeschikte orde gestelde vordering in gerechtelijke ontbinding niet ontvankelijk verklaard en werd de NV veroordeeld tot de kosten van het geding.

Tegen dit vonnis stelde de NV hoger beroep in met een aangetekend verzonden verzoekschrift d.d. 27 mei 2011, dat op 30 mei 2011 ter griffie van dit arbeidshof werd ontvangen.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

Met conclusie van 6 juni 2011 vordert de heer W. het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en de NV van haar vordering in graad van hoger beroep af te wijzen.

Verder het bestreden vonnis te bevestigen, de initiële boofdvordering niet toelaatbaar te verklaren en in ondergeschikte orde de initiële vordering tot gerechtelijke ontbinding onontvankelijk te verklaren.

Minstens de vordering tot erkenning van de dringende reden onontvankelijk te verklaren wegens niet-toepasselijkheid van de wet van 19 maart 1991.

In meer ondergeschikte orde de initiële vordering ongegrond te verklaren en de vordering tot gerechtelijke ontbinding ongegrond te verklaren.

Vervolgens de NV te verwijzen in de kosten van het geding en dit voor beide aanleggen.

Minstens in ondergeschikte orde de heer W. toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van volgende feiten:

- dat de heer W. minstens sedert 2004 thuis op bijna dagelijkse wijze werkte voor de NV,

- dat de heer W. in de periode tot einde 2008 wel degelijk met zijn fiets in het woon-werkverkeer voorzag.

Met conclusie van l7 juni 2011 vordert de NV het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen als volgt:

in hoofdorde:

te verklaren voor recht dat de Wet van 19 maart 1991 van toepassing is op deze zaak;

te verklaren voor recht dat de ten laste gelegde feiten aangenomen worden als dringende reden, zodanig dat de arbeidsovereenkomst van de heer W.

kan beëindigd worden zonder opzeggingstermijn of vergoeding, en dit:

* op basis van feiten zoals deze bewezen worden door de stukken;

* de NV toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van volgende feiten:

1. dat de heer W. zich in de periode van 2004 tot op heden nooit met de fiets naar bet werk begaf. Zo zijn bijvoorbeeld de volgende werknemers bereid te getuigen dat de heer W. zich vanaf het moment van hun tewerkstelling bij Q. op de hoofdzetel nooit met de fiets is komen werken maar steeds met de wagen:

- B.B., Verantwoordelijke Opleiding, Recrutering en Selectie, in dienst sinds 1 maart 2004;

- D.L., Nationaal Marketing Manager Belux, in dienst sinds 1 augustus 2005;

- U.M., Field Marketing Manager Belux, in dienst sinds 1 december 2005;

- S.G., Medewerkster Dienst Payroll Belux, in dienst sinds 1 maart 2005.

2. dat de heer W. het rapport omniumbediende (stuk 12) persoonlijk bewerkte, zodat hij als enige werknemer die een fietsvergoeding kreeg er nog in vermeld werd;

3. dat de heer W., in tegenstelling tot zijn collega's P.G. en G.S. en als enige werknemer, verhogingen doorvoerde die niet wettelijk verplicht waren, zonder instemming van zijn hiërarchische overste;

4. dat de heer W. niet het enige kaderlid van de centrale is zonder firmawagen, maar dat ook andere kaderleden, vermeld in stuk 15, niet over een firmawagen beschikken;

6. dat de heer W. manipulaties doorvoerde bij het ingeven van dagen en zo bepaalde vergoedingen kreeg die hij zonder manipulatie niet had gekregen (bijvoorbeeld voor 16 en 22 januari 2009, 12 februari 2009, lO maart 2009, 3, 7 en 16 september 2010 en 10 december 2010) en dat hij hiervoor geen toestemming had. De externe medewerkster die toen aanwezig was als receptioniste,

M.G., is bijvoorbeeld bereid om te getuigen dat de heer Wendelen niet aanwezig was op 10 december 2010;

6. dat kaderleden van graad 16 en 17 geen recht hebben op ADV- dagen. De HR Manager, B.V., is bereid dit te komen getuigen en zijn verklaring (stuk 28) zo te bevestigen.

in ondergeschikte orde, indien het arbeidshof van mening is dat de Wet van 19

maart 1991 niet van toepassing is op deze zaak:

- te verklaren voor recht dat de CAO van 31 maart 2008 integraal nietig is wegens strijdigheid met de Wet van 19 maart 1991;

- te verklaren voor recht dat het arbeidshof bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in gerechtelijke ontbinding samen met de vordering tot schadevergoeding, wegens samenhang met de vordering in hoofdorde;

- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden lastens de heer W. en hem te veroordelen tot het betalen van 1 EUR provisioneel ten titel van een schadevergoeding, en dit:

* op basis van feiten zoals deze bewezen worden door de stukken;

* de NV toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van dezelfde in hoofdorde sub l tot 6 aangehaalde feiten;

in meer ondergeschikte orde, indien het arbeidshof van mening is dat de Wet van 19 maart 1991 niet van toepassing is op deze zaak en dat het arbeidshof bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in gerechtelijke ontbinding op grond van samenhang, maar niet bevoegd is o kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding, wegens gebrek aan samenhang:

- te verklaren voor recht dat de CAO van 31 maart 2008 integraal nietig is wegens strijdigheid met de Wet van 19 maart 1991;

- te verklaren voor recht dat het arbeidshof bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in gerechtelijke ontbinding zonder de vordering tot schadevergoeding, wegens samenhang van de vordering in gerechtelijke ontbinding met de vordering in hoofdorde;

- de zaak, voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding te verwijzen naar de bevoegde rechter en de vordering in gerechtelijke ontbinding aan te houden;

- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt

ontbonden lastens de heer W., en dit:

* op basis van feiten zoals deze bewezen worden door de stukken;

* de NV toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van dezelfde hiervoor sub 1 tot 6 in hoofdorde aangehaalde feiten;

in meest ondergeschikte orde, indien het arbeidshof van mening is dat de Wet van 19 maart 1991 niet van toepassing is op deze zaak en dat het arbeidshof bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in gerechtelijke ontbinding op grond van samenhang, maar niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding, wegens gebrek aan samenhang niet de vordering in hoofdorde;

- te verklaren voor recht dat de CAO van 31 maart 2008 integraal nietig is wegens strijdigheid met de Wet van 19 maart 1991;

- de zaak, voor wat betreft de vordering in gerechtelijke ontbinding en de vordering tot schadevergoeding, te verwijzen naar een bevoegde rechter.

Ten slotte vordert de NV de heer W. te veroordelen tot de kosten van het geding. In meest ondergeschikte orde de kosten aan te houden zodat de rechter naar wie de zaak wordt verwezen hierover uitspraak kan doen.

Met conclusie van 23 juni 2011 handhaaft de heer W. zijn vordering maar vordert het bestreden vonnis te bevestigen, de initiële hoofdvordering niet toelaatbaar te verklaren en in ondergeschikte orde de initiële vordering tot gerechtelijke ontbinding onontvankelijk te verklaren alsook de vordering tot schadevergoeding. Daarenboven de ingestelde vordering tot het nietig verklaren van de CAO van 31 maart 2008 ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren. Minstens de vordering tot erkenning van de dringende reden onontvankelijk te verklaren wegens niet-toepasselijkheid van de wet van 19 maart 1991 en de vorderingen tot gerechtelijke ontbinding, schadevergoeding en vernietiging van de CAO van 31 maart 2008 onontvankelijk te verklaren.

In meer ondergeschikte orde de initiële vordering ongegrond te verklaren en de vordering tot gerechtelijke ontbinding, schadevergoeding en nietigverklaring van de CAO van 31 maart 2008 ongegrond te verklaren.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

1. De feiten

De heer W. is op l oktober 1980 als Compensation & Benfits Manager in dienst getreden van de NV in haar vestiging te Antwerpen.

Hoewel de heer W. nooit kandidaat geweest is voor de sociale verkiezingen in

2008 (en uiteraard ook nooit verkozen geweest is), maakt hij deel uit van de

werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en in het comité voor

preventie en bescherming op het werk, én van de vakbondsafvaardiging.

Hij werd hiertoe voorgedragen door het ABVV.

Binnen de NV werd op 31 maart 2008 een collectieve arbeidsovereenkomst

gesloten met het ABVV en het ACV.

Artikel 5 van die collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt:

"Vanaf de datum van ondertekening van onderhavige C.A.0. tot aan de

volgende nationale sociale verkiezingen zullen een aantal vacante mandaten

voor werknemersafgevaardigden ingevuld kunnen worden door de leden van de syndicale delegatie. " (stuk 1 van de NV)

Artikel 9 van die collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt:

"Vanaf de aanstelling als effectieve of als plaatsvervangende afgevaardigde

geniet het aangeduide personeelslid dezelfde bescherming als deze voorzien

voor personeelsafgevaardigden in de artikelen 2 tot en met 13 van de wet van 19 maart 1991.

Dit houdt in dat de bedoelde werknemers slechts ontslagen zullen worden hetzij om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd hetzij om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend.

Wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de

bij de artikelen 2 tot 11 van de wet van 19 maart 1991 bedoelde voorwaarden

en procedures na te leven, kan de werknemer of de organisatie die zijn

kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie in de onderneming aanvragen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor de beëindiging van de overeenkomst genoot, onder de in artikel 14 van de wet van 19 maart 1991 gestelde voorwaarden en binnen de gestelde termijn.

Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn reïntegratie niet heeft aangevraagd binnen de bij artikel 14 van voornoemde wet vastgestelde termijnen, moet de werkgever hem, uitgezonderd in het geval dat de verbreking heeft plaatsgehad voor de indiening van de kandidaturen, een vergoeding voor materiële of morele schade betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van:

- twee jaar zo hij minder dan tien jaar in de onderneming telt

- drie jaar zo hij tien, doch minder dan twintig jaar in de ondeneming telt

- vier jaar zo hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt (artikel 16)

Wanneer de reïntegratie wordt aangevraagd doch deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, moet deze werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 van de wet van 19 maart 1991 bedoelde vergoeding betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel" (stuk 1 van de NV)

Op 6 mei 2008 werd in uitvoering van deze collectieve arbeidsovereenkomst de syndicale afvaardiging aangesteld voor de invulling van de mandaten, waarbij de heer W. werd aangewezen als effectief lid. (stuk 2 van de heer W.)

Dit werd op 9 mei 2008 door de NV aanvaard. (stuk 3 van de heer W.)

Met aangetekende brieven van 25 februari 2011 gericht aan de heer W. en aan het ABVV deelde de NV haar voornemen mee om een procedure bij de arbeidsrechtbank op te starten strekkende tot erkenning van een ontslag om dringende reden.

Met verzoekschrift ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 februari 2011, werd de aangekondigde procedure aanhangig gemaakt.

Op 9 maart 2011 dagvaardde de NV de heer W. en het ABVV voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank en vorderde hetgeen hiervoor sub II is vermeld.

Er moet worden opgemerkt dat, hoewel daarvan geen sprake was in het verzoekschrift, in die dagvaarding tevens een in ondergeschikte orde gestelde eis in ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt ingesteld.

Met beschikking van 22 maart 2011 verklaarde de voorzitter van de arbeidsrechtbank zich bevoegd om kennis te nemen van de vordering en verzond zij

de zaak naar een kamer van de arbeidsrechtbank voor behandeling ten gronde.

Met vonnis van 17 mei 2011 verklaarden de eerste rechters de hoofdeis niet toelaatbaar en de in ondergeschikte orde gestelde eis strekkend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet ontvankelijk.

Tegen dit vonnis tekende de NV op 30 mei 2011 hoger beroep aan.

Met beschikking van 3 juni 2011 verzond de eerste voorzitter van dit arbeidshof, in toepassing van artikel 11 § 2, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, de zaak naar deze kamer van het arbeidshof en bepaalde tevens de termijnen voor het neerleggen van de stukken en de conclusies.

2. De beoordeling

2.1. met betrekking tot de hoofdvordering: de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en de toelaatbaarheid van de vordering

Overeenkomstig artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek is de volstrekte

bevoegdheid de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen.

Zij kan niet worden uitgebreid, tenzij de wet anders bepaalt.

De regels betreffende de volstrekte bevoegdheid zijn van openbare orde, zodat de rechter ambtshalve moet nagaan of hij bevoegd is. (Cass. 13 oktober 1997, AC 1997, 966; JTT 1997, 483; Cass. 2 november 1994, AC 1994, 911)

Ook de rechter in hoger beroep moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan, ook al is het hoger beroep beperkt tot de grondslag van de vorderingen die bij de eerste rechter aanhangig waren gemaakt. (Cass. 4 november 2002, RW 2004-2005, 100; Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F, concl. adv.-gen. Henkes, www.cass.be, op datum)

De materiële bevoegdheid van een rechtscollege wordt niet beoordeeld op het tijdstip waarop het uitspraak moet doen, doch op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld. (Cass. 22 oktober 1981, RW 1982-83, 2457; JT 1982, 295)

De wil van de wetgever is duidelijk: de wettelijke rechter is degene die in de wet inzake de rechterlijke organisatie wordt aangegeven en, behoudens uitzondering, kunnen de partijen niet over die organisatie beschikken.

In huidig geding hebben de vakorganisaties ABVV en ACV enerzijds en de NV anderzijds bij overeenkomst van 31 maart 2008 (een ondernemings-CAO) gesloten waarbij in artikel 5 is voorzien dat tot aan de volgende nationale sociale verkiezingen een aantal vacante mandaten voor werknemerafgevaardigden ingevuld kunnen worden door leden van de syndicale delegatie.

Verder bepaalt artikel 9 dat het personeelslid vanaf zijn aanstelling als effectieve of als plaatsvervangende afgevaardigde geniet van dezelfde bescherming als voorzien in de artikelen 2 tot 13 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden van 1991.

Ten onrechte voert de NV aan dat de heer W. in de zin van artikel 1 § 1, l°, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden als "gewoon lid die het personeel in de ondernemingsraad en in het comité vertegenwoordigt" moet

worden beschouwd omdat hij, net zoals zijn verkozen collega's effectief in de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk zetelt, zodat de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden op hem van toepassing is. (Cass. 23 november 1981, A.C. 1981-82, 40)

Het kan naar het oordeel van het arbeidshof niet worden betwist dat de werknemers bedoeld in artikel 5 van die ondernemings-CAO niet onder het toepassingsgebied van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden (artikel l) vielen en derhalve evenmin genoten van in die wet voorziene bijzondere bescherming.

Er anders over oordelen zou de ondernemings-CAO van 31 maart 2008 immers zonder voorwerp maken.

De bescherming voorzien in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden geldt immers voor de gewone personeelsafgevaardigden alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden.

In de zin van artikel 1 § 1, 1° en 2°, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden dienen onder personeelsafgevaardigden te worden verstaan de gewone en plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraden en de comité's voor preventie en bescherming op het werk vertegenwoordigen. Kandidaat-personeelsafgevaardigden zijn de kandidaten voor de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel in diezelfde organen.

De in voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst voorziene bescherming kan niet tot gevolg hebben dat een bij wet vastgestelde uitzonderlijke gerechtelijke procedure die behoort tot de volstrekte bevoegdheid van de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de arbeidsgerechten, bij overeenkomst toepasselijk wordt gemaakt op personen waarop die bescherming en de daaraan verbonden strikte en uitzonderlijk te volgen wettelijk voorgeschreven procedure niet van toepassing is.

Aldus wordt, met schending van artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek, het toepassingsgebied van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden toepasselijk gemaakt op of uitgebreid tot anderen dan die welke door de wet op exclusieve wijze zijn aangewezen. (Arbb. Antwerpen 14 juli 1992, Soc. Kron. 1994, 395; Arbrb. Brussel 13 september 1995, Soc. Kron. 1997; A. VAN REGENMORTEL, "Aard van de bepalingen: van openbare orde of dwingend recht?", in: Het statuut van de beschermde werknemer : een stand van zaken in het nieuwe millenium, J. GOEMANS (ed.), Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, blz. 38-39, nr. 40; BALTHAZAR, T., Nieuwe wet op de ontslagbescherming van personeelsafgevaardigden, Leuven -Apeldoorn, Garant, 1992, 22, nrs. 22-44; MERGITS, B., De bijzondere ontslagregeling voor de (kandidaat-) personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en de veiligheidscomité's, in Actuele problemen van het Arbeidsrecht J., RIGAUX, M., (ed.), Antwerpen -Apeldoorn, Maklu Uitgevers, 1993, nr. 604)

De vordering van de NV, ingesteld op grond van de in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voorziene uitzonderingsprocedure, waarbij de bevoegdheid van de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de arbeidsgerechten wordt uitgebreid tot het instellen van een vordering waarvoor die procedure niet bestemd is, is bijgevolg niet toelaatbaar.

De overige door de NV aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk.

2.3. met betrekking tot de in ondergeschikte orde gestelde eisen

In ondergeschikte orde vordert de NV:

"- te verklaren voor recht dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 maart 2008 integraal nietig is wegens strijdigheid met de Wet van 1991

- te verklaren voor recht dat het arbeidshof bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in gerechtelijke ontbinding samen met de vordering tot schadevergoeding, wegens samenhang met de vordering in hoofdorde

- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden lastens M.W. en M.W. te veroordelen tot het betalen van 1 EUR provisioneel ten titel van schadevergoeding, en dit (...)".

De in de artikelen 2,4,5,6,7,8 ,9, 10, en 11 bedoelde procedure heeft uitsluitend tot voorwerp het als dusdanig bestaan van de ingeroepen dringende redenen en de afwezigheid van enige discriminatie bij het voorgenomen ontslag van een beschermde werknemer, zijnde de voorwaarden tot opheffing van de bijzondere bescherming.

Omwille van het uitzonderlijk karakter van de procedure en de strikt beperkte opdracht die aan de arbeidsgerechten werd toegekend op grond van het bepaalde in onder meer in de artikelen 2 en 4 tot 11 van de wet van 19 maart 1991, is het gelijktijdig instellen van andere, in ondergeschikte orde gestelde eisen, niet toegelaten. (vgl. m.b.t. ingestelde tussenvorderingen: Cass. 10 april 1995, RW 1995-96, 17)

Dit arbeidshof kan in het kader van deze procedure dan ook niet nagaan of het nog niet doorgevoerd, maar slechts voorgenomen ontslag van de werknemer die niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, maar op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op bedrijfsniveau geniet van de voordelen bedoeld in die wet, al dan niet in overeenstemming is met de bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst.

Het arbeidshof kan en mag in de huidige procesvoering dan ook niet ingaan op de door de NV gevraagde legaliteitstoets van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 maart 2008.

De vraag van de NV naar de verenigbaarheid van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 maart 2008 met de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden is bovendien voor de NV zonder rechtstreeks en dadelijk belang, meer nog betreft het in feite een vraag tot advies die niet behoort tot de bevoegdheid van de rechter.

Eenzelfde bemerking geldt de in ondergeschikte orde geformuleerde eis in ontbinding van de arbeidsovereenkomst (wat overigens werd bevestigd in de voorbereidende werken). (BALTHAZAR, T., Nieuwe wet op de onslagbescherming van personeelsafgevaardigden, Leuven-Apeldoorn, Garant, 1992, 35-36, nr. 50; VAN EECKHOUTTE,W., Sociaal Compendium 2010-2011, 3090-3091)

De in ondergeschikte orde gestelde eisen zijn dan ook niet toelaatbaar.

De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk.

Het hoger beroep is ongegrond,

BESLISSING

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond.

Het vonnis van 17 mei 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt bevestigd, zij het op deels gewijzigde gronden.

De NV Q. wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend:

- voor de NV:

1.320 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof

- voor de heer W.: nihil

- voor het ABVV: niet begroot

Aldus gewezen door

de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, voorzitter van de kamer,

de heer P. AERTS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, bijgestaan door de heer J. VERELST, griffier

Mots libres

  • COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN

  • COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • vakbondsafvaardiging

  • ontslag

  • dringende reden

  • collectieve arbeidsovereenkomst

  • conventionele bescherming personeelsafgevaardigden ondernemingsraad

  • gerechtelijke procedure erkenning dringende reden

  • ontbinding wegens wanprestatie

  • nietigverklaring CAO

  • ontoelaatbaarheid.