- Arrêt du 20 octobre 2011

20/10/2011 - 2009/AA/172

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De loopbaanonderbreking en het daaruit voortvloeiende recht op onderbrekingsuitkeringen wordt automatisch beëindigd bij de aanvang van de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

De overstap van een regeling van gedeeltelijke loopbaanonderbreking naar een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen houdt bijgevolg het verlies in van het recht op onderbrekingsuitkeringen.

De terugvordering van ten onrechte ontvangen onderbrekingsuitkeringen kan bij gebreke aan wettelijke bepalingen die daarin voorzien niet verminderd of herleid worden op basis van goede trouw. Hiervoor kan geen beroep gedaan worden op artikel 169, 2de lid van het K.B. van 25 november 1991, dat in een beperking van de terugvordering voorziet tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning wanneer vaststaat dat de werkloze te goeder trouw was, omdat deze bepaling enkel geldt in het geval van terugvordering van ten onrechte ontvangen werkloosheidsuitkeringen.

Noot : Het arrest vernietigd een vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen waarbij de terugvordering van de onderbrekingsuitkeringen werd beperkt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning op grond van de goede trouw van de betrokkene.


Arrêt - Texte intégral

Rep. Nr.

Eindarrest op tegenspraak.

Vierde kamer.

Werkloosheid.

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST

A.R. 2009/AA/172

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,

appellant op hoofdberoep,

geïntimeerde op incidenteel beroep,

op de zitting vertegenwoordigd door mr. H. J., advocaat te 2500 Lier,

tegen:

Y. A.,

geïntimeerde op hoofdberoep,

appellante op incidenteel beroep,

op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. K., loco mr. L. D. S., advocaat te 2018 Antwerpen.

Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

1. Procedure

Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging:

- het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 mei 2009, 24 februari 2011 en 15 september 2011;

- het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 19 februari 2009 (A.R. nr. 08/825/A);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 maart 2009;

- de ‘beroepsconclusie' voor geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 augustus 2009;

- de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt door de voorzitter van de kamer op 31 maart 2011 en ter kennis gebracht van partijen op dezelfde datum;

- de ‘beroepsconclusies' voor appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen per fax op 28 april 2011 en per gewone post op 29 april 2011;

- de ‘aanvullende en syntheseberoepsconclusie' voor geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 26 mei 2011.

Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van:

- het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Mechelen);

- de stukkenbundel van de raadsman van Y. A. bestaande uit 11 genummerde stukken, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 5 september 2011;

- de stukkenbundel van de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bestaande uit 3 formulieren C61C-VB, nl. deze van 1.9.2000, 1.9.2001 en 1.9.2002, neergelegd ter openbare terechtzitting van 15 september 2011.

Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 15 september 2011. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.

2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep

Met een verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 maart 2009, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 19 februari 2009 (A.R. nr. 08/825/A)

Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 24 februari 2009.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.

Met conclusies neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 augustus 2009 stelde mevrouw Y. A. incidenteel beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 februari 2009.

Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.

3. Feiten en voorgaande rechtspleging

Bij beslissing d.d. 13 maart 2008 (C62) van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen werd overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 het recht op onderbrekingsuitkeringen, voorheen toegekend voor de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2005, vanaf 1 september 2005 herzien, met als reden dat het systeem TBS 58+ niet cumuleerbaar is met onderbrekingsuitkeringen.

Bij beslissing d.d. 15 april 2008 (C62) van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen werden overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 de onderbrekingsuitkeringen ontvangen voor de periode van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 teruggevorderd.

Met schrijven van 15 april 2008 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van de beslissing C62 van 15 april 2008, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen loopbaanonderbrekinguitkeringen terug te betalen van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 ten bedrage van 8.571,68 euro (stuk 1 administratief dossier: terugvordering C31 nr. 712/2008/00528).

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 11 juni 2008, tekende Y. A. beroep aan tegen de beslissing C62 van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening d.d. 15 april 2008.

Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 februari 2009 werd(en):

- de vordering van Y. A. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard;

- de administratieve beslissing van 15 april 2008 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen vernietigd;

- opnieuw recht doende, bij toepassing van artikel 149, §1, 4° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 voor recht gezegd dat Y. A. in de periode van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 ten onrechte onderbrekingsuitkeringen heeft ontvangen gezien zij in deze periode niet voldeed aan alle vereisten om deze uitkeringen te genieten, daar zij haar gedeeltelijke loopbaanonderbreking heeft stopgezet met ingang van 1 september 2005 en dus niet langer voldeed aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-cociale centra;

- voor recht gezegd dat overeenkomstig artikel 169, tweede lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 de terugvordering van de ten onrechte genoten onderbrekingsuitkeringen voor de periode van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 dient te worden beperkt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning;

- de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de proceskosten, die aan de zijde van Y. A. werden begroot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding.

Met een verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 maart 2009, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.

4. Eisen in hoger beroep

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert:

- het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen binnen de perken van het beroep en, opnieuw recht doende, de bestreden administratieve beslissing integraal te bevestigen;

- het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en appellante op incidenteel beroep daarvan af te wijzen.

Y. A. (geïntimeerde) vordert:

- het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en dienvolgens:

* appellant ervan af te wijzen en te veroordelen tot de kosten van het geding, die aan haar zijde worden begroot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank en 160,36 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof;

- het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en vervolgens:

* in hoofdorde, het vonnis a quo te hervormen en de administratieve beslissing C62 d.d. 13 maart 2008 te vernietigen bij gebrek aan wettelijke grondslag en, opnieuw recht doende, te oordelen dat de onderbrekingsuitkeringen niet kunnen teruggevorderd worden;

* in ondergeschikte orde, indien het arbeidshof zou oordelen dat de onderbrekingsuitkeringen kunnen teruggevorderd worden, het vonnis a quo integraal te bevestigen en de terugvordering te herzien en het bedrag te herleiden tot de laatste 150 dagen ofwel het bedrag van 1.660,00 euro op grond van de goede trouw.

5. Ten gronde

5.1 Situering van het geschil in hoger beroep

Mevrouw Y. A. (°21 juni 1949) was als vastbenoemde onderwijzeres werkzaam in de Vrije Basisschool ‘Sint-Bernadus' te Bornem.

Op 27 augustus 1999 heeft zij een onbeperkte gedeeltelijke loopbaanonderbreking aangevraagd (GLBO 50+) met ingang van 1 september 1999; zij verbond zich ertoe om van dit stelsel van loopbaanonderbreking gebruik te maken tot het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.

Bij beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Mechelen van 20 september 1999 werd haar het recht op onderbrekingsuitkeringen toegekend voor de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2009 met een uitkering van 11.692 BEF (zie stuk 10 administratief dossier: C 62 toekenning d.d. 20.09.1999).

Op 28 februari 2005 heeft Y. A. een aanvraag om een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan haar rustpensioen ingediend en dit met ingang op 1 september 2005.

De gedeeltelijke loopbaanonderbreking 50+ werd aldus vroegtijdig beëindigd op 1 september 2005.

Naar aanleiding van deze vroegtijdige beëindiging van de GLBO 50+ heeft de directeur van het werkloosheidsbureau Mechelen bij beslissing van 13 maart 2008 het recht op onderbrekingsuitkeringen herzien op grond van artikel 9 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991.

De onderbrekingsuitkeringen ontvangen voor de periode van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 werden teruggevorderd ten bedrage van 8.571,68 euro (zie stukken 1 en 2 administratief bundel: terugvordering C31 d.d. 15.04.2008 en C62 van 15.04.2008).

Mevrouw Y. A. stelde verhaal in tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Mechelen van 13 maart 2008 met verzoek deze beslissing te vernietigen, minstens in ondergeschikte orde de terugvordering te herleiden tot een bedrag van 1.660 euro op basis van goeder trouw.

Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 februari 2009 werd de beslissing C62 van 13 maart 2008 van de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vernietigd en gezegd voor recht:

- dat Y. A. in de periode van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 ten onrechte onderbrekingsuitkeringen heeft ontvangen daar zij haar gedeeltelijke loopbaanonderbreking heeft stopgezet met ingang van 1 september 2005 en dus niet langer voldeed aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-cociale centra;

- dat overeenkomstig artikel 169, tweede lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 de terugvordering van de ten onrechte genoten onderbrekingsuitkeringen dient te worden beperkt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening acht zich gedeeltelijk gegriefd door dit vonnis en stelt dat er geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit; vermits er in het kader van de reglementering geen specifieke bepaling is terug te vinden in verband met de terugvordering van de ten onrechte betaalde onderbrekingsuitkeringen dient de algemene regel inzake de algehele terugbetaling te worden toegepast zoals voorzien in artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek.

Ook mevrouw Y. A. acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en heeft incidenteel beroep ingesteld. Het incidenteel beroep strekt er in hoofdorde toe het vonnis te hervormen en te horen zeggen voor recht dat de RVA-beslissing van 13 maart 2008 nietig is bij gebreke aan wettelijke grondslag en opnieuw rechtdoende, de terugvordering ongegrond te verklaren.

Indien het arbeidshof zou oordelen dat de loopbaanonderbrekingen onterecht werden uitbetaald dan vordert Y. A. in ondergeschikte orde de bevestiging van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 februari 2009.

5.2. Beoordeling

5.2.1. Het recht op onderbrekingsuitkeringen

De loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van het onderwijs en voor de centra voor leerlingenbegeleiding is geregeld bij:

- het koninklijk besluit van 4 juni 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

- het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding.

Deze besluiten bevatten niet alleen de regeling voor een gewone volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking, maar ook voor het ouderschapsverlof in het kader van loopbaanonderbreking, de loopbaanonderbreking om een beroepsopleiding te volgen, de loopbaanonderbreking voor medische bijstand en de loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen.

Overeenkomstig artikel 3 van het KB van 4 juni 1999 kunnen personeelsleden van het onderwijs van zodra zij de leeftijd van 50 jaar bereikt hebben en die hun beroepsloopbaan gedeeltelijk onderbreken ‘onderbrekingsuitkeringen' genieten zonder beperking in tijd.

Voor de personeelsleden die hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken bedraagt het maandbedrag van de onderbrekingsuitkeringen een gedeelte van 10.504 BEF berekend volgens het aantal uren waarmee de opdracht verminderd wordt in verhouding tot het aantal uren van een volledige opdracht (artikel 4, §2 KB van 4 juni 1999).

In afwijking van §2 wordt, voor de personeelsleden die de leeftijd van 50 jaar bereikt hebben en zich, volgens de voorwaarden en de modaliteiten bepaald door de bevoegde Gemeenschap, engageren hun loopbaan gedeeltelijk te onderbreken tot aan hun pensionering, het maandbedrag van de onderbrekingsuitkeringen vastgesteld op een gedeelte van 21.008 BEF, berekend volgens het aantal uren waarmee de opdracht verminderd wordt in verhouding tot het aantal uren van een volledige opdracht, zonder dat dit bedrag hoger mag liggen dan 10.504 BEF (artikel 4, §2 KB van 4 juni 1999).

Overeenkomstig artikel 5 van het KB van 12 augustus 1991 worden de onderbrekingsuitkeringen uitbetaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

Ook in artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 wordt bepaald dat voor de prestaties waarvoor het personeelslid zijn beroepsloopbaan onderbreekt, hij geen wedde krijgt maar wel een onderbrekingsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991.

Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt dat Y. A. op 27 augustus 1999 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking heeft aangevraagd (GLBO 50+) met ingang van 1 september 1999 tot het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.

Bij beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Mechelen van 20 september 1999 werd haar het recht op onderbrekingsuitkeringen toegekend voor de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2009 (11.692 BEF per maand).

Het personeelslid dat gebruik maakt van een onbeperkte gedeeltelijke loopbaanonderbreking kan er een einde aan stellen en een deeltijdse of volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen vanaf het ogenblik dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet.

Een loopbaanonderbreking, en aldus ook het recht op onderbrekingsuitkeringen, neemt een einde op de vooravond van de dag waarop voor het personeelslid een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen aanvangt.

In voorliggend geschil kwam er een einde aan de gedeeltelijke loopbaanonderbreking van Y. A. doordat zij op 1 september 2005 vrijwillig is overgestapt naar het stelsel van een terbeschikkingstelling wegens persoon-

lijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs (TBS 56+ met einddatum 31 augustus 2007 en vanaf 1 september 2007 voltijdse TBS 58+: zie stukken 4a, 4c en 4d bundel Y. A.).

Het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de CLB's, legt de modaliteiten van de uitstapregeling vast.

De uitstapleeftijd is vanaf 1 september 2002 58 jaar (behalve voor de personeelsleden die uitsluitend vastbenoemd titularis zijn van een betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer of kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming; de uitstapleeftijd bedraagt voor deze personeelsleden 56 jaar).

Op deze uitstapregeling bestaat een uitzondering voor de personeelsleden die geboren zijn na 31 augustus 1947 en vóór 1 september 1954. Zij kunnen als gevolg van een overgangsmaatregel gedurende een aantal maanden een bijkomende terbeschikkingstelling krijgen. Dat aantal maanden laat hen toe om vóór hun 58ste verjaardag (56ste verjaardag voor de personeelsleden die uitsluitend titularis zijn van het ambt van kleuteronderwijzer of kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming) volledig, maar ook gedeeltelijk uit te stappen. Deze bijkomende terbeschikkingstelling wordt bonus genoemd. De bonus moet onmiddellijk vóór de volledige terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen vanaf de leeftijd van 58 of 56 jaar, of vóór het pensioen worden opgenomen.

Op verzoek van het personeelslid kent de inrichtende macht of de bevoegde hiërarchische meerdere de terbeschikkingstelling en de bonus toe.

Uit het overzicht van het uitstapplan (zie stuk 4b bundel Y. A.: bijlage IV uitstapplan) blijkt dat de omvang van de bonus voor Y. A. berekend werd op 25 maanden en dat zij deze bonus volledig heeft opgenomen zodat zij in de periode van 1 september 2005 tot 31 augustus 2007 geen prestaties meer heeft geleverd; vanaf 1 september 2007 valt zij onder het stelsel van de volledige terbeschikkingstelling (TBS 58+).

Het personeelslid dat een bonus of een volledige terbeschikkingstelling (VTBS58+) wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, geniet een wachtgeld of wachtgeldtoelage.

Het bedrag van het wachtgeld of wachtgeldtoelage is gedurende de hele periode van deze bonus of deze terbeschikkingstelling, gelijk aan zoveel vijfenvijftigsten of zestigsten (= de pensioenbreuk) van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage als het personeelslid op de datum van zijn terbeschikkingstelling dienstjaren telt, naargelang de breuk voor de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen 1/55 of 1/60 is (zie artikel 6, §1 van het besluit van 11 februari 2000 van de Vlaamse regering betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding).

Het Ministerie van Onderwijs en Vorming garandeert een tijdige afhandeling van het wachtgeld indien de inrichtende macht de aanvraagformulieren minstens 3 maanden voor de aanvangsdatum van de bonus of de terbeschikkingstelling indient.

Samenvattend besluit het arbeidshof dat Y. A. - door haar overstap van een regeling van gedeeltelijke loopbaanonderbreking naar een regeling van een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen - vanaf 1 september 2005 geen aanspraak meer kan maken op een onderbrekingsuitkering lastens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs is dit besluit immers enkel van toepassing op personeelsleden van het onderwijs die hun loopbaan ‘onderbreken' op grond van de reglementaire bepalingen vastgelegd door de bevoegde Gemeenschap onder dewelke ze ressorteren.

Personeelsleden van het onderwijs die opteren voor het stelsel van een ‘volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen', zoals vastgelegd in het besluit van de Vlaamse regering van 22 februari 2002, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 2000, kunnen aanspraak maken op een wachtgeld of wachtgeldtoelage uitbetaald door de diensten van het Ministerie van Onderwijs.

De beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Mechelen van 13 maart 2008, waarbij het recht op onderbrekingsuitkeringen wordt herzien vanaf 1 september 2005 en de onrechtmatig genoten uitkeringen worden teruggevorderd, dient met gewijzigde motiveringsgrond, bevestigd te worden.

Het incidenteel hoger beroep ingesteld door Y. A. is ongegrond.

5.2.2. Terugvordering

In uitvoering van de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Mechelen van 15 april 2008 werden de onderbrekingsuitkeringen van 1 september 2005 tot en met 31 oktober 2007 ten bedrage van 8.571,68 euro teruggevorderd (zie stukken 1 en 2 administratief dossier: C31 d.d. 15.04.2008 en C62 d.d. 15.04.2008).

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt terecht dat in voorliggend geschil geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 169, tweede lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering hetwelk in een beperking van de terugvordering van onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning voorziet wanneer vaststaat dat de werkloze te goeder trouw was.

De verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 8 oktober 2007 (Cass., 8 oktober 2007, Nr. S.07.0012.F inzake R.V.A. tegen C.M. in aanwezigheid van Franse Gemeenschap van België, http://jure.juridat.just.fgov.be) is in voorliggend geschil niet dienend vermits het ten dezen gaat om de terugvordering en niet om de verjaring van onderbrekingsuitkeringen.

Uit lezing van het Cassatiearrest van 8 oktober 2007 alsook uit het zesde lid van artikel 7, §13 van de Besluitwet van 28 december 1944 blijkt dat de onderbrekingsuitkeringen slechts gelijkgesteld worden met werkloosheidsuitkeringen voor wat betreft de verjaringstermijnen en de wijze waarop de verjaring kan gestuit worden.

Vermits in de reglementering van de loopbaanonderbreking geen specifieke bepaling is terug te vinden in verband met de terugvordering van onrechtmatig of onverschuldigd betaalde onderbrekingsuitkeringen dienen de gemeenrechtelijke principes, vervat in de artikelen 1376 en 1235 van het Burgerlijk Wetboek, te worden toegepast:

- "Hij die bij vergissing of met zijn weten iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, is verplicht het terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was" (art. 1376 B.W.);

- "Iedere betaling onderstelt een schuld: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd" (artikel 1235 B.W.).

Er is evenmin een specifieke wettelijke basis die toelaat om de terugvordering van onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen te verminderen of te herleiden op basis van goeder trouw.

Het hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is gegrond.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 15 september 2011. De raadsman van mevrouw Y. A. werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. De raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies.

Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep van Y. A. ontvankelijk doch ongegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 19 februari 2009 (A.R. nr. 08/825/A), behalve wat de ontvankelijkheid van de vordering en de tenlastelegging en vereffening van de kosten betreft.

Opnieuw recht doende.

Verklaart de initiële vordering van Y. A. ongegrond.

Bevestigt dienvolgens de beslissingen van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen van 13 maart 2008 en 15 april 2008.

Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep.

Vereffent deze kosten aan de zijde van Y. A. op 160,36 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007, zoals geïndexeerd vanaf 1.3.2011).

Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend.

Aldus gewezen door:

G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

I AERTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van twintig oktober tweeduizend en elf.

Mots libres

  • Arbeidsvoorziening

  • werkloosheid

  • loopbaanonderbreking

  • onderbrekingsuitkeringen

  • terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden

  • beëindiging loopbaanonderbreking

  • terugvordering onderbrekingsuitkeringen

  • beperking wegens goede trouw