- Arrêt du 7 novembre 2011

07/11/2011 - 2010/AA/15

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De vordering die er in hoofdorde toe strekt het OCMW te veroordelen om schadevergoeding te betalen wegens inkomenstenverlies en verlies van pensioenrechten als gevolg van het ten onrechte niet als statutair personeelslid tewerkgesteld te zijn geweest en wegens een ontslag in strijd met de statutaire bepalingen, valt niet onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank maar onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.


Arrêt - Texte intégral

Eindarrest op tegenspraak

(verzending naar hof van beroep te Antwerpen in toepassing van artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek)

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

___________________

ARREST

A.R. 2010/AA/15

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF

OCMW S.,

met maatschappelijke zetel te ,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. L. Van Goethem loco mr. C. Marynissen, advocaat te 2970 Schilde,

tegen :

A. ,

wonende te ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. K. Stappers, advocaat te 2000 Antwerpen.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 mei 2009 op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 8 december 2009 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 8 januari 2010

- de beschikking d.d. 4 mei 2010

- de conclusie van mevrouw A., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 juli 2010

- de conclusie van het OCMW S., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 19 oktober 2010

- de conclusie van mevrouw A., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 januari 2011

- de conclusie van het OCMW S., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 april 2011

- de conclusie van mevrouw A., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 juli 2011

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 1 februari 2010, 15 maart 2010, 19 april 2010 en 3 oktober 2011.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met dagvaarding van 29 juni 2006 vorderde mevrouw A. het OCMW S., hierna het OCMW genoemd, te veroordelen tot 1,00 EUR provisioneel als schadevergoeding, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten vanaf de respectieve data van opeisbaarheid en een deskundige aan te stellen met als opdracht:

"- een overzicht te maken van de vergoedingen waarop mevrouw A.

principieel recht had als deeltijds en vastbenoemd administratief bediende

vanaf haar indiensttreding op 29 maart 1999;

- een financiële analyse te maken van het nadeel dat mevrouw A.

heeft gekend en zal kennen ingevolge de niet-toepassing van de bepalingen in

verband met de statutaire tewerkstelling en ingevolge de voortijdige

beëindiging van haar dienstverband op 28 februari 2006, hierbij ook rekening

houdend met de theoretische en concrete dienstanciënniteit in hoofde van

mevrouw A. en de eventuele aantasting van haar

promotiemogelijkheden."

In ondergeschikte orde vorderde mevrouw A. het OCMW te veroordelen tot betaling van 5.823,50 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op de brutosom vanaf de respectieve data van eisbaarheid en de zaak te verzenden naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

Ten slotte vorderde mevrouw A. het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, ongeacht alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Met conclusie van 1 april 2009 vorderde mevrouw A. de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat zij op 29 maart 1999 als statutair personeelslid had moeten worden aangeworven, voor het overige handhaafde mevrouw A. haar vordering.

In ondergeschikte orde vorderde mevrouw A. het OCMW te veroordelen tot betaling van 6.274,23 EUR opzeggingsvergoeding, nog te vermeerderen in functie van de gegevens betreffende de werkgeversbijdrage voor de hospitalisatieverzekering en te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op de brutosom vanaf 28 februari 2006 resp. 11 september 2006.

Tevens het OCMW te veroordelen tot vergoeding van de bijkomende schade die mevrouw A. leed ingevolge de niet-toekenning van het statuut en te dien einde een deskundige aan te stellen met als opdracht zoals vermeld in de dagvaarding.

In uiterst ondergeschikte orde vorderde mevrouw A. de zaak te verzenden naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen, teneinde het OCMW te veroordelen tot betaling van 6.274,23 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen in functie van de gegevens betreffende de werkgeversbijdrage voor de hospitalisatieverzekering en het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op de brutosom vanaf 28 februari 2006 resp. 11 september 2006.

Ten slotte in iedere hypothese het OCMW op te dragen de nodige gegevens te verstrekken betreffende de werkgeversbijdrage aan de groepsverzekering.

Met conclusie van 6 april 2009 vorderde het OCMW:

- de hoofdvordering niet-toelaatbaar, onontvankelijk te verklaren wegens

materiële onbevoegdheid en de zaak te verwijzen naar de arbeidsrechtbank te

Antwerpen;

- akte te verlenen van de bereidheid van het OCMW tot indiening van het

dossier van mevrouw A. ter bevestiging bij de RVA;

- in ondergeschikte orde de vordering van mevrouw A. ongegrond te verklaren;

- haar tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren, en mevrouw A. te

veroordelen tot betaling van 5.000,00 EUR provisioneel,

schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, te vermeerderen met

de gerechtelijke intresten vanaf heden en tot de kosten van het geding.

Met vonnis van 12 mei 2009 werd de zaak verwezen naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen en werd de beslissing over de gerechtskosten overgelaten aan de bevoegde rechter.

Met vonnis van 8 december 2009 werd de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd het OCMW veroordeeld tot betaling van 6.274,23 EUR bruto opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf 28 februari 2006 en de gerechtelijke intrest op het brutobedrag.

Het resterend gedeelte van de vordering werd ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging werd afgewezen.

De tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard en het OCMW werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

Met conclusie van 19 april 2011 vordert het OCMW het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beslissing voor zover het OCMW veroordeeld werd tot betaling van 6.274,23 EUR opzeggingsvergoeding te vernietigen en opnieuw recht sprekend, de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding ongegrond te verklaren.

Vervolgens het incidenteel beroep van mevrouw A. tot betaling van een opzeggingsvergoeding ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met conclusie van 19 juli 2011 vordert mevrouw A. akte te verlenen van het incidenteel beroep dat zij instelt tegen het bestreden vonnis en dit incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het hoger beroep van het OCMW ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het vonnis gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw recht sprekend in hoofdorde:

- te zeggen voor recht dat mevrouw A. op 29 maart 1999 als

statutair personeelslid had moeten worden aangeworven minstens vanaf 1 april

2000 en bijgevolg het OCMW te veroordelen tot betaling van 1,00 EUR

provisioneel, als schadevergoeding, te vermeerderen met de vergoedende en

de gerechtelijke intresten vanaf de respectieve data van opeisbaarheid;

- een deskundige aan te stellen met als opdracht:

"- een overzicht te maken van de vergoedingen waarop mevrouw A.

principieel recht heeft als deeltijds en vast benoemd administratief bediende

vanaf haar indiensttreding op 29 maart 1999;

- een financiële analyse te maken van het nadeel dat mevrouw A.

heeft gekend en zal kennen ingevolge de niet-toepassing van de bepalingen in

verband met de statutaire tewerkstelling en ingevolge de voortijdige

beëindiging van haar dienstverband op 28 februari 2006, hierbij ook rekening

houdend met de theoretische en concrete dienstanciënniteit in hoofde van

mevrouw A. en de eventuele aantasting van haar promotiemogelijkheden."

- het OCMW te veroordelen tot de kosten van het geding.

In ondergeschikte orde:

- het OCMW te veroordelen tot betaling van 6.364,98 EUR bruto

opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke

intresten op de brutosom vanaf 28 februari 2006 resp. 11 september 2006;

- het OCMW tevens te veroordelen tot vergoeding van 1,00 EUR als

bijkomende schade die mevrouw A. leed ingevolge de niet-

toekenning van het statuut en een deskundige aan te stellen met dezelfde

opdracht zoals hierboven vermeld.

- het OCMW te veroordelen tot de kosten van het geding.

Het OCMW in iedere hypothese op te dragen de nodige gegevens te verstrekken betreffende de werkgeversbijdrage aan de groepsverzekering.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

De ter zake relevante feiten werden door de eerste rechters in het bestreden vonnis (blz. 3-4, sub "2. Feiten") op correcte wijze uiteengezet.

Het arbeidshof verwijst naar die uiteenzetting en aanziet ze hierbij als herhaald.

2. De beoordeling

2.1. de materiële bevoegdheid

Op grond van artikel 607 van het Gerechtelijk Wetboek neemt het arbeidshof kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en de voorzitters van de arbeidsrechtbanken.

De bevoegdheid van de rechter in hoger beroep wordt echter niet alleen bepaald ten aanzien van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, maar ook ten aanzien van het voorwerp van het geschil. (Cass. 3 februari 1972, JT 1972, 228; conclusie adv.-gen. HENKES, vóór Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F, www.juridat.be, op datum)

Volgens artikel 9, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht die bepaald wordt naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisende karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen.

De regels betreffende de volstrekte bevoegdheid zijn van openbare orde, zodat de rechter ambtshalve moet nagaan of hij bevoegd is. (Cass. 13 oktober 1997, AC 1997, 966; JTT 1997, 483; Cass. 2 november 1994, AC 1994, 911)

Ook de rechter in hoger beroep moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan, ook al is het hoger beroep beperkt tot de grondslag van de vorderingen die bij de eerste rechter aanhangig waren gemaakt. (Cass. 4 november 2002, RW 2004-2005, 100; Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F, concl. adv.-gen. Henkes, www.juridat.be, op datum)

De materiële bevoegdheid van een rechtscollege wordt niet beoordeeld op het tijdstip waarop het uitspraak moet doen, doch op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld. (Cass. 22 oktober 1981, RW 1982-83, 2457; JT 1982, 295)

Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet niet worden uitgegaan van het werkelijke door de rechtbank op te sporen voorwerp van het geschil, maar van de vordering, in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld. (Cass. 13 juni 2003, C.01.0320.N, www.juridat.be, op datum; Cass. 13 oktober 1997, AC 1997, 401; Cass. 6 maart 1987, AC 1986, 894; Cass. 19 december 1985, AC 1985-86, 589; RW 1986-87, 279; JT 1986, 281, concl. proc.-gen.

E. KRINGS)

Het arbeidshof stelt vast dat de vordering, zoals ingeleid bij dagvaarding van 29 juni 2006, in hoofdorde ertoe strekt het OCMW van de gemeente S. te veroordelen om aan mevrouw A. 1,00 EUR provisioneel te betalen als schadevergoeding ter dekking van de schade die zij zou geleden hebben bestaande uit inkomstenverlies en verlies van pensioenrechten omdat zij ten onrechte niet als statutair personeelslid voor de periode van 29 maart 1999 tot 28 februari 2006 werd tewerkgesteld en zij, in strijd met de statutaire bepalingen werd ontslagen.

In tegenstelling tot wat de rechtbank van eerste aanleg in haar vonnis van 12 mei 2009 oordeelde, is dit geen vordering zoals bedoeld in artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek waarvoor de arbeidsgerechten bevoegd zijn.

De rechtbank van eerste aanleg (die overigens volheid van bevoegdheid heeft) heeft zich bijgevolg ten onrechte onbevoegd verklaard, temeer daar de arbeidsgerechten - behoudens de in deze niet van toepassing zijnde uitzonderingen - geen uitsluitende bevoegdheid hebben. (J. LAENENS, "Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank", in Sociaal Procesrecht, G. VAN LIMBERGHEN (ed.), Maklu Uitgevers, Antwerpen - Apeldoorn, 1995, blz. 125, met verwijzingen)

Evenmin is er enige andere wettelijke bepaling voorhanden op grond waarvan de arbeidsgerechten bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van die vordering.

Bijgevolg zijn de arbeidsgerechten niet bevoegd om van die vordering kennis te nemen en moet de zaak in toepassing van artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek naar de bevoegde rechter in hoger beroep worden verzonden, die in dit geval het hof van beroep te Antwerpen is.

BESLISSING

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het vonnis van 8 december 2009 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt vernietigd.

Het arbeidshof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de zaak en verzendt deze voor verdere afhandeling, met inbegrip van de beslissing over de kosten, naar het hof van beroep te Antwerpen.

Aldus gewezen door:

de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter,

de heer K. MAGERMAN, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

de heer L. LAUWERYSEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw W. HAES, griffier.

Mots libres

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • volstrekte bevoegdheid

  • arbeidsgerechten

  • vordering tot schadevergoeding

  • overheidsdienst

  • geen tewerkstelling als statutair personeelslid

  • rechtbank van eerste aanleg