- Arrêt du 15 novembre 2011

15/11/2011 - 2011/AA/135

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Om recht te hebben op een leefloon moet de aanvrager werkbereid zijn. Om deze werkbereidheid aan te tonen, moet de aanvrager voorafgaandelijk in Vlaanderen de Nederlandse taal leren. Het weigeren van het leren van de Nederlandse taal ondanks een verblijf in België van meer dan 10 jaar, kan als een gebrek aan werkbereidheid worden beschouwd, waardoor het leefloon mocht geweigerd worden.


Arrêt - Texte intégral

Vierde kamer

Eindarrest op tegenspraak

Leefloon

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST A.R. 2011/AA/135

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak van:

x,

wonende te,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. J. Van Raemdonck, advocaat te 2000 Antwerpen,

tegen:

O,

gevestigd te,

geïntimeerde,

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken.

Gelet op de zittingsbladen van 6 april 2011 en 18 oktober 2011.

Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer:

* het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 2 februari 2011 uit-gesproken door de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., aan X ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 4 februari 2011;

* het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 3 maart 2011 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 3 maart 2011;

* de conclusies voor O, per gewone post ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 22 juni 2011;

* de conclusies voor X, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 9 september 2011.

Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2011.

1. Ontvankelijkheid

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 3 maart 2011, tekende X hoger beroep aan tegen een vonnis van 2 februari 2011 (A.R. 10/4.723/A) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

Het vonnis werd aan X ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 4 februari 2011.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.

2. Feiten en voorafgaande procedure

X, 61 jaar en Belgische, is afkomstig uit ex-Joegoslavië. Zij kwam in 1999 via gezinshereniging naar België, na een loopbaan van 25 jaar als hotelmanager in haar thuisland. Op de Belgische arbeidsmarkt kon zij tot op heden slechts ongeveer één jaar werken, als schoonmaakster.

X is sinds 30 november 2009 uit de echt gescheiden en is sindsdien alleenstaande. Sinds 7 december 2009 ontvangt zij leefloon van O op voorwaarde dat ze zich inschrijft voor Nederlandse lessen.

Op de zitting van 31 mei 2010 besliste het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand aan X het leefloon te weigeren vanaf 1 mei 2010.

Als reden voor de beslissing werd opgegeven dat zij zich niet beschikbaar zou stellen om te werken.

Vanaf 6 september 2010 ontving X wel opnieuw leefloon.

X heeft op 23 juli 2010 beroep ingesteld tegen de administratieve beslissing van 31 mei 2010.

X vorderde:

- de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van 31 mei 2010 te vernietigen

- het recht van X op leefloon te erkennen vanaf 1 mei 2010

- de kosten ten laste te leggen van O.

X beriep zich op:

- het gebrek aan motivering van de bestreden beslissing, die een schending uitmaakte van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 62bis van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de motiveringsverplichting als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur

- de ongegrondheid van de bestreden beslissingen, aangezien X medisch ongeschikt is bevonden voor het verrichten van arbeid en het volgen van lessen, aangezien X binnen haar mogelijkheden aanzienlijke inspanningen levert om de Nederlandse taal beter te leren en aangezien, in uiterst ongeschikte orde, X 60 jaar oud is en om billijkheidsredenen kan worden vrijgesteld van het zoeken naar werk

- het feit dat X voldoet aan alle voorwaarden voor het recht op maatschappelijke integratie.

De arbeidsrechtbank heeft in haar vonnis van 2 februari 2011 de vordering van X ontvankelijk doch ongegrond verklaard, de bestreden beslissing bevestigd en de kosten van het geding ten laste van O gelegd.

Tegen het vonnis van 2 februari 2011 van de arbeidsrechtbank van Antwerpen tekende X op 3 maart 2011 hoger beroep aan.

3. Eisen in hoger beroep

Met verzoekschrift van 3 maart 2011 vordert X het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Bijgevolg het vonnis van de arbeidsrechtbank van Antwerpen van 2 februari 2011 te herzien, de beslissing van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van 31 mei 2010 te vernietigen en het recht van X op leefloon te erkennen vanaf 1 mei 2010 tot en met 5 september 2010.

Ondergeschikt, eerst een medisch deskundigenonderzoek te bevelen met als opdracht, aan de hand van medische attesten uit die periode en een professionele inschatting op basis van een onderzoek van de huidige medische toestand van X, na te gaan of X in de betrokken periode van 1 mei 2010 tot en met 5 september 2010 ongeschikt was om arbeid te verrichten en Nederlandse of andere lessen te volgen.

Ten slotte O te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

4. Ten gronde

Vooreerst dient opgemerkt dat er geen beroep wordt aangetekend in zoverre de bestreden beslissing niet zou voldoen aan de motiveringsverplichting. Zelfs indien dit ambtshalve zou onderzocht moeten worden, kan enkel vastgesteld worden dat de beslissing van de eerste rechters desbetreffend bevestigd kan worden en dat de bestreden beslissing voldoet aan de voorwaarden van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en aan de voorwaarden van de OCMW-Wet.

X vordert leefloon voor de periode van 1 mei 2010 tot en met 5 september 2010.

Om recht te hebben op leefloon moet voldaan zijn aan de voorwaarden vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, hierna RMI-Wet.

Artikel 2 RMI-Wet bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke integratie. Aangezien eiser de Belgische nationaliteit heeft en in Antwerpen verblijft valt zij onder het toepassingsgebied van de RMI-Wet (zie artikel 3, 1° en 3° RMI-Wet). Opdat er recht is op leefloon (of maatschappelijke integratie) mag de aanvrager bovendien niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken noch er aanspraak op kunnen maken (artikel 3, 4° RMI-Wet) en moet hij zijn rechten laten gelden op uitkeringen (artikel 3, 6° RMI-wet). Het wordt niet betwist en uit het sociaal verslag blijkt dat X aan deze voorwaarden voldoet.

O stelt evenwel dat zij niet voldoet aan de voorwaarde van werkbereidheid (artikel 3, 5° RMI-Wet).

4.1. Werkbereidheid

Om recht te hebben op leefloon moet de aanvrager blijk geven van de bereidheid om werk te zoeken. Bovendien kan van een aanvrager die de Nederlandse taal niet beheerst, verwacht worden Nederlands te leren.

Het kennen van de Nederlandse taal is immers een voorafgaande en noodzakelijke voorwaarde om werk te kunnen vinden in Antwerpen.

Hoewel X sedert 1999 in België verblijft, is het onduidelijk of zij het Nederlands voldoende beheerst om werk te kunnen zoeken en vinden.

Kennis van het Nederlands onvoldoende

Hoewel X stelt voldoende Nederlands te kennen, was haar kennis van het Nederlands bij haar aanvraag op 7 december 2009 blijkbaar toch te beperkt want het leefloon werd op dat ogenblik enkel verleend op voorwaarde dat ze Nederlandse les zou volgen en tegen deze beslissing werd nooit beroep aangetekend.

Bovendien wordt in het sociaal verslag vermeldt dat de dochter van X steeds tolkt waaruit O mocht afleiden dat de kennis van het Nederlands toch nog te beperkt was.

Weliswaar worden er een aantal verklaringen voorgelegd waaruit onder meer blijkt dat de consultatie bij de dokter in het Nederlands verloopt, dat ze minstens de neiging heeft om Nederlands te praten en dat het Nederlands "aardig lukt" (stuk 10, bundel X).

Het loutere feit dat X zich in het Nederlands tracht uit te drukken in gesprekken met buren of met dokters, betekent evenwel niet dat zij voldoende Nederlands spreekt om ook werk te zoeken en te vinden.

O mocht dan ook de voorwaarde opleggen dat X Nederlands moest leren.

Gevolgde Nederlandse lessen

Uit de neergelegde stukken blijkt dat X werd ingeschreven voor de Nederlandse les in september 2002 en januari 2003 en dat ze deze modules met vrucht beëindigd heeft op 25 april en 30 juni 2003 (stuk 4, bundel X).

Blijkbaar werden er vervolgens geen lessen meer gevolgd en heeft ze zich pas ingeschreven voor de Nederlandse les op 23 februari 2010 nadat dit als voorwaarde werd opgelegd om leefloon te kunnen ontvangen.

Haar stelling dat ze voldoende inspanningen doet om Nederlands te leren, onder meer door te kijken naar Nederlandstalige televisie en te luisteren naar Nederlandstalige radio, het lezen van Nederlandstalige kinderboeken, enzovoort wordt niet bewezen. Bovendien is dit onvoldoende om hieruit ernstige inspanningen af te leiden om Nederlands te leren.

Dat zij 61 jaar is, is niet relevant. Van elke aanvrager van het leefloon mag immers een inspanning verwacht worden om Nederlands te leren en zo naar werk te kunnen zoeken indien ze hiervoor medisch geschikt is. Bovendien verblijft ze reeds meer dan tien jaar in België.

Haar inspanningen om sedert 1999 Nederlands te leren, zijn op het ogenblik van de aanvraag dan ook bijzonder beperkt en onvoldoende om te voldoen aan de voorwaarde van werkbereidheid.

Het loutere feit dat ze tussen 16 september 2010 en 9 december 2010 en vervolgens vanaf 16 december 2011 opnieuw Nederlandse les heeft gevolgd, doet hieraan geen afbreuk nu de betwiste periode beperkt is tot 5 september 2010.

Medische ongeschiktheid om Nederlandse les te volgen

Hoewel X zich in februari 2010 had ingeschreven om Nederlandse les te volgen, diende ze deze lessen naar eigen zeggen te beëindigen om gezondheidsredenen. Zij verwijst hiervoor naar drie medische attesten waaruit de ongeschiktheid om lessen te volgen blijkt voor een periode van 13 april 2010 tot en met 15 juli 2010 (stukken 6 t.e.m. 8, bundel X).

Deze medische attesten worden tegengesproken door een medisch attest van dokter Rossaert, aangesteld door O, die X wel geschikt achtte om de lessen te volgen op 5 mei 2010 en 21 juni 2010 (stuk 9, bundel X).

De medische vaststellingen van dokter Rossaert worden in vraag gesteld door X die een klacht zou neergelegd hebben tegen de medische onderzoeken van dokter Rossaert bij de Orde van Geneesheren. In deze klacht worden vooral grieven geuit ten aanzien van een onderzoek van 25 maart 2011 maar dit onderzoek valt buiten de betwiste periode. Bovendien wordt enkel gesteld dat aan de klacht het gepaste gevolg werd gegeven (stuk 24, bundel X) waardoor hieruit alvast niet kan afgeleid worden dat de medische vaststellingen van dokter Rossaert op 5 mei en 21 juni 2010 weerlegd of nietig verklaard werden. Te meer daar uit het medisch attest van 21 juni 2010 blijkt dat er tijdens deze consultatie een genuanceerd advies wordt gegeven waarbij langdurig stilzitten wordt afgeraden maar waardoor ze wel de lessen kan volgen. Hieruit blijkt toch een ernstig onderzoek hetgeen alvast niet weerlegd wordt. Met deze attesten kan dan ook rekening gehouden worden.

Aangezien de medische attesten zich tegenspreken, kan hieruit niet afgeleid worden dat X ongeschikt was om in voormelde periode de lessen Nederlands te volgen.

Geen aanstelling van een deskundige

X vraagt de aanstelling van een medisch deskundige om na te gaan of ze in de betwiste periode, met name van 1 mei 2010 tot en met 5 september 2010 fysiek en psychisch ongeschikt was om Nederlandse les te volgen of arbeid te verrichten.

Op deze vraag wordt niet ingegaan.

De voorgelegde medische attesten zijn immers niet gemotiveerd en uit het gemotiveerde attest van 1 juli 2010 (stuk 8, bundel X) kan enkel afgeleid worden dat ze niet in staat zou zijn om enige intellectuele inspanning te leveren.

Nochtans is ze in september 2010 opnieuw begonnen om Nederlandse les te volgen.

Ook in latere attesten wordt door dezelfde artsen verklaard dat het voor X onmogelijk zou zijn om intellectuele inspanningen te doen en dus om Nederlandse les te volgen en dit voor onbepaalde tijd (stukken 15, 16, 19 en 25, bundel X) hoewel ze ook in die periode Nederlandse les is blijven volgen. Bij deze medische attesten kunnen dan ook vragen gesteld worden.

In de medische attesten van februari, maart en augustus 2011 wordt immers uitdrukkelijk verklaard dat ze geen Nederlandse lessen kan volgen voor onbepaalde tijd, terwijl X vanaf april 2011 tot en met juni 2011 toch Nederlandse lessen heeft gevolgd en zelfs een getuigschrift heeft ontvangen na het volgen van een cursus van 240 uur die ze met vrucht volbracht heeft (stuk 21, bundel X). Ook voor september 2011 is ze opnieuw ingeschreven voor Nederlandse les.

Deze medische attesten die spreken van een onmogelijkheid om intellectuele inspanningen te doen voor onbepaalde tijd, worden derhalve tegengesproken door de vaststelling dat ze de gevolgde cursus "met vrucht" gevolgd heeft. Hieruit blijkt dat het toch mogelijk is, mits een minimale inspanning, om Nederlandse les te volgen en de cursus zelfs met vrucht te beëindigen. Haar bewering als zou ze de leerstof niet kunnen instuderen, wordt hierdoor eveneens weerlegd. Zelfs indien aanvaard wordt dat ze geen 3 uur na elkaar kan stilzitten, betekent dit niet dat ze geen inspanning zou kunnen doen om de cursussen te volgen hetgeen trouwens ook blijkt uit de vaststelling dat ze in de ganse periode Nederlandse les is blijven volgen.

Gelet op de weinig gemotiveerde medische attesten die bovendien weerlegd worden door andere medische attesten en door het volgen van Nederlandse lessen door X in periodes dat dit medisch niet mogelijk zou geweest zijn volgens haar eigen attesten, kan dan ook aanvaard worden dat er geen bewijs wordt geleverd dat X in de korte betwiste periode in de onmogelijkheid was om Nederlandse les te volgen.

Er wordt dan ook niet ingegaan op de vraag tot aanstelling van een deskundige. Te meer daar de deskundige zich in dat geval zou moeten uitspreken over een beperkte periode in het verleden.

4.2. Besluit

Vooreerst dient vastgesteld dat X nog steeds onvoldoende Nederlands spreekt om werk te zoeken. Hiervoor kan verwezen worden naar het sociaal verslag en dit wordt niet weerlegd door verklaringen van personen die stellen dat ze Nederlands spreken met X. Er is immers een verschil tussen het voeren van een gesprek in het Nederlands met buren en de kennis van het Nederlands om werk te zoeken. De povere kennis van het Nederlands wordt bovendien geïllustreerd door de vaststelling dat ze nog steeds Nederlandse les volgt en dat haar dochter steeds tolkt in de contacten met O.

Verder werd vastgesteld dat X, hoewel ze sedert 1999 in België verblijft, tot 2010 slechts gedurende tien maanden een inspanning heeft gedaan om Nederlandse les te volgen.

Op het ogenblik dat ze Nederlandse les moet volgen, legt ze een aantal medische attesten neer maar die worden tegengesproken door andere medische attesten en bovendien kunnen vragen bij deze attesten gesteld worden. Hoewel hierin gesteld wordt dat X geen Nederlandse les kan volgen, blijkt zij vanaf september 2010 wel lessen gevolgd te hebben. De latere attesten stellen zelfs een ongeschiktheid vast om lessen te volgen voor onbepaalde tijd hoewel ze in die periode een cursus van 240 uur heeft gevolgd en geslaagd is en vanaf september 2011 opnieuw is ingeschreven.

Uit de voorgelegde medische attesten kan niet afgeleid worden dat X in de onmogelijkheid was om, al was het maar deeltijds, Nederlandse les te volgen, waardoor in de betwiste periode enkel kan vastgesteld worden dat ze onvoldoende inspanningen heeft gedaan om werkbereid te zijn. Aangezien ze ook bij haar aanvraag haar wil om Nederlands te leren en dus om werkbereid te zijn niet aantoonde, mocht O het leefloon weigeren vanaf 1 mei 2010.

BESLISSING OP TEGENSPRAAK

Het arbeidshof heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2011, waarover de raadsman van appellante mondeling zijn opmerkingen geeft en geïntimeerde verklaart geen opmerkingen te hebben.

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Doet uitspraak op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 2 februari 2011 en dus de administratieve beslissing van 31 mei 2010.

Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van O.

Vereffent deze kosten aan de zijde van X op 160,36 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Mots libres

  • Sociale voorzorg

  • recht op maatschappelijke integratie

  • leefloon

  • werkbereidheid

  • kennis van de taal van het gewest

  • weigering van Nederlandse les.