- Arrêt du 25 novembre 2011

25/11/2011 - 2010/AA/383

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De rechter is gebonden door het "beschikkingsbeginsel". Hij mag het algemeen beginsel dat de partijen de grenzen van het burgerlijk geschil bepalen niet miskennen. Om die redenen mag de rechter de feitelijke grondslag van of de oorzaak van de eis niet ambtshalve wijzigen.

In het arrest wordt er ook op gewezen dat de "oorzaak" van de eis het geheel van rechtsfeiten en/of rechtshandelingen betreft die het voorwerp van de eis schragen, maar niet de juridische grondslag van de eis.

Wanneer de vordering niet gesteund is op een feit of een handeling die in de initiële dagvaarding werd aangevoerd is er sprake van een nieuwe eis. De vordering in vrijwaring die gesteund op de bestuursaansprakelijkheid, terwijl de grondslag van de oorspronkelijke vordering in vrijwaring bestond in de contractuele verbintenis welke de verweerder in die vordering op zich had genomen, berust niet op een feit of een akte die in de oorspronkelijke vordering werd aangevoerd. Het is dus een nieuwe vordering die voor het eerst in graad van hoger beroep wordt geformuleerd en die onontvankelijk is nu dit middel van onontvankelijkheid ook wordt opgeworpen door de verweerder in deze vordering.


Arrêt - Texte intégral

Rep. nr.

Eindarrest op tegenspraak

Negende kamer

Sociale Zekerheid

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST

A.R. nr. 2010/AA/383

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak:

X ,

wonende te X, X,

eiser in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mr.X loco mr. X, advocaat te X,

tegen :

1) X,

wonende te X, X ,

eerste verweerder in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mr. X, advocaat te X,

2) X,

met zetel gevestigd te X, X,

tweede verweerder in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mr. loco mr. X, advocaat te X.

Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.

Gelet op de zittingsbladen van 10 september 2010 en van 9 september 2011.

Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na:

* het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 13 februari 2006, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen;

* het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 juni 2010 en vervolgens, zoals artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft, op 1 juli 2010 ter kennis gebracht aan wie het behoort;

* het verzoekschrift, op de zitting neergelegd op 10 september 2010, waarmee beide partijen in hoger beroep vragen om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek);

* de beschikking van 10 september 2010 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek;

* de conclusies voor eerste verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 1 december 2010;

* de conclusies voor tweede verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 21 januari 2011;

* de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 22 maart 2011;

* de conclusies voor eerste verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 24 mei 2011;

* de conclusies voor tweede verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 15 juni 2011;

* het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 23 september 2011 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek;

* de repliekconclusies van eerste verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 21 oktober 2011.

Gelet op de stukken van het administratief dossier.

Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen.

Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 9 september 2011;

Gehoord de lezing van het schriftelijk advies door het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 23 september 2011.

De ontvankelijkheid

Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.

Feiten en wat voorafgaat

Op 27 juni, 25 juli, 12 december 2001 en 17 oktober 2002 dagvaardde de X de vzw X te Antwerpen in betaling van achterstallige X bijdragen met aankleven.

Deze club liet zich in met samenwerking en opvang van Polen in België. De vordering had betrekking op tewerkstelling van een aantal mensen, waarvan de vzw voorhield dat ze cursisten waren.

Het hoofdbestanddeel van de vordering van de X heeft betrekking op de periode: derde kwartaal 1995 tot en met 1999 en het eerste kwartaal 2000 en bedraagt 406.362,06 euro.

De vzw X dagvaardde op 4 oktober 2011 X in tussenkomst en vrijwaring en zij vroeg dat deze laatste haar zou vrijwaren voor alle bedragen, waartoe zij zou worden veroordeeld, die op de periode vóór 1 februari 2000 slaan.

Deze dagvaarding in tussenkomst steunde op de volgende overweging: ‘aangezien hierna gedaagde, die de vorige bestuurder van de vzw was, op 2 februari 2000 een verklaring ondertekende waarbij hij zich ertoe verbond om alle problemen die verwijzen of ontstaan waren in de periode voor 1 februari 2000 voor zijn rekening te nemen, wat in werkelijkheid echter niet gebeurde'.

Het bestreden vonnis

De eerste rechters voegden in een tussenvonnis van 12 september 2005 alle zaken samen en ze vroegen onder andere dat het origineel van de verklaring van 2 februari 2000 zou worden voorgelegd.

In een eindvonnis van 13 februari 2006 stelden de eerste rechters vooreerst vast dat de verschillende vorderingen van de X in feite door niemand werden betwist. De enige vraag die overbleef was: wie moet er betalen?

Vervolgens stelden de eerste rechters vast dat van de bewuste verklaring geen origineel exemplaar kon worden voorgelegd zodat met de kopie ervan geen rekening kon worden gehouden. Bovendien was dit stuk van valsheid beschuldigd.

Desondanks oordeelden de eerste rechters dat X ertoe gehouden was de vzw X te vrijwaren van de veroordelingen van 406,362,06 euro en 935,22 euro, vermeerderd met de intresten.

Zij motiveerden deze beslissing in de volgende zin: "Bij gebreke aan kwijting van zijn bestuur is de heer X wel degelijk gehouden tot betaling van de X-bijdragen vóór 1 februari 2000".

Op de terechtzitting van 9 september 2011 zijn de raadslieden van partijen het er over eens dat het vonnis lastens X werd betekend op 23 juni 2010.

Eisen in hoger beroep

Op 30 juni 2010 tekende X hoger beroep aan, enkel tegen het eindvonnis van 13 februari 2006.

Hij betrekt bij dit beroep de X en X, de gerechtelijk vereffenaar van de vzw.

Hij vraagt om het bestreden vonnis beperkt te vernietigen en de oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en de nieuwe vordering van de vereffenaar, gegrond op de bestuurdersaansprakelijkheid, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

Zijn tegenvordering gegrond te verklaren en de vereffenaar te veroordelen wegens misbruik van proces ten belope van 3.000 euro.

De X vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen.

Ook de vereffenaar vraagt om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, appellant ervan af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen. De tegenvordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en appellant alleszins te veroordelen tot de kosten.

Ondergeschikt indien de vzw X in vereffening zou worden veroordeeld, quod non, de opname in het gewoon passief te bevelen.

Volgens het recht

Voorwerp van het hoger beroep

Over de vorderingen van de X, die de veroordeling van de vzw beogen tot betaling van achterstallige bijdragen, vakantiebijdragen, regularisatiebij-dragen en gewijzigde vakantiebijdragen, meer bijdrageopslagen en interest, bestaat er geen discussie.

Deze vorderingen zijn trouwens in het vonnis van de eerste rechters gegrond verklaard.

Het hoger beroep van X beoogt enkel de vernietiging van het vonnis in de mate dat dit uitspraak doet over de oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring enerzijds en anderzijds over zijn oorspronkelijk ingestelde tegenvordering in schadevergoeding, gericht tegen de vzw, terwijl er door de vereffenaar op geen enkel ogenblik incidenteel beroep wordt ingesteld tegen het vonnis, bij zoverre dit uitspraak over de initiële vorderingen van de X had gedaan.

Aldus is het eindvonnis van de arbeidsrechtbank, waarbij de vorderingen van de X gegrond werden verklaard, definitief. Deze vorderingen maken dus geen deel meer uit van een mogelijke betwisting in hoger beroep.

De initiële vordering in tussenkomst en vrijwaring

De oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring was louter gesteund op een schriftelijke overeenkomst van 2 februari 2000, waarmee X zich zou geëngageerd hebben "om alle problemen die verwijzen of ontstaan waren in de periode voor 01/02/2000 voor zijn rekening te nemen." (zie dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van 4 oktober 2001)

Het moge duidelijk zijn dat deze verklaring noch in origineel, noch in kopie aan het hof wordt voorgelegd. Bij gebrek aan effectief bewijs over het bestaan ervan kan het hof er bijgevolg geen rekening mee houden, wat partijen of andere rechters over de betekenis en waarde ervan ook hebben beslist.

De vordering voor zover zij gesteund was op deze verbintenis werd dan ook door de eerste rechter terecht afgewezen.

Het hof sluit zich aan bij het advies van het openbaar ministerie in verband met het gezag ‘erga omnes' van het vonnis van 2 februari 2004:

Voor de volledigheid moet er op gewezen worden dat de argumentatie van eerste geïntimeerde gesteund op het gezag erga omnes van het vonnis van de correctionele rechtbank d.d. 2 februari 2004 om voor te houden dat niet langer de echtheid betwist kan worden van de overeenkomst d.d. 2 februari 2000, niet kan aanvaard worden.

Vooreerst moet de aandacht gevestigd worden op het feit dat de strafprocedure betreffende de beweerde valsheid in geschrifte beëindigd werd door het arrest van het Hof van Beroep d.d. 15 december 2004.

Vervolgens dient gemeld te worden dat het strafrechtelijk gewijsde van het vonnis of het arrest gewezen in strafzaken, dat is afgeleid uit artikel 4 Voorafgaande Titel WvS., slechts bindend is voor de burgerlijke rechter met betrekking tot wat de strafrechter, uitspraak doende over de strafvordering, noodzakelijk en zeker heeft beslist over het bestaan van de ten laste gelegde feiten. Met ‘noodzakelijk' wordt bedoeld alles wat in rechte vereist is om de beslissing van de strafrechter te motiveren, zodat het gezag van gewijsde niet enkel verbonden is aan het beschikkend gedeelte van het strafvonnis, maar ook aan de noodzakelijke motieven die eraan ten grondslag liggen. Wat met ‘zekerheid' is beslist, betreft datgene dat de strafrechter werkelijk heeft gezegd.( Zie NELISSEN, R., "Sociaalrechtelijke aspecten omtrent de adagia ‘Le criminel tient le civil en état' en ‘Le criminel emporte le civil'", R.W. 2004-2005, 1332 (en de daar geciteerde rechtspraak en rechtsleer).

Een eenvoudige lezing van het kwestieuze vonnis van de correctionele rechtbank en het arrest van het Hof van Beroep maakt onmiddellijk duidelijk dat vrijspraak wegens valsheid in geschrifte te wijten is aan het feit dat het origineel van de kwestieuze overeenkomst niet werd voorgelegd zodat het technisch onderzoek daarvan betreffende de beweerde valsheid niet kon gevoerd worden.

Conclusie

De oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring, gesteund op het engagement van X van 2 februari 2002, is ongegrond bij gebrek aan bewijs.

De vordering in tussenkomst en vrijwaring, gesteund op de burgerlijke aansprakelijkheid van X

Het hof sluit zich volledig aan bij het advies van het openbaar ministerie van 23 september 2011, dat als volgt luidt:

De eerste rechter verklaarde de vordering in vrijwaring gedeeltelijk gegrond op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid van de heer X.

Appellant laat gelden dat door de vordering in vrijwaring gedeeltelijk gegrond te verklaren op basis van de aansprakelijkheidsregels voor bestuurders, zijnde een feitelijke grondslag van deze vordering die door de eiser helemaal niet ter sprake was gebracht, de arbeidsrechtbank een oordeel velde in strijd met het beschikkingsbeginsel.

De rechter is gebonden door het ‘beschikkingsbeginsel' of met andere woorden de formulering of de omschrijving van de aanspraak. De rechter mag het algemene beginsel dat de partijen de grenzen van het burgerlijke geschil bepalen niet miskennen.1 De eiser bepaalt vrij het voorwerp en de oorzaak van zijn eis. Noch de verweerder noch de rechter mag zijn vrijheid op dit punt beperken.2

Het ‘voorwerp' van de eis is wat effectief gevorderd wordt.

De ‘oorzaak' van de eis zijn de feitelijke gegevens die aan de eis ten grondslag liggen. Het betreft het geheel van rechtsfeiten en/of rechtshandelingen die het voorwerp van de eis schragen. Het betreft helemaal niet de juridische grondslag van de eis, vermits het aan de rechter behoort, onder eerbiediging van de rechten van de verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten de rechtsregels toe te passen bij de toewijzing of afwijzing van de eis.3

De rechter moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusies het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen eerbiedigt.4

De rechter mag dus niet de feitelijke grondslag van of de oorzaak van de eis wijzigen. Een treffend voorbeeld uit de rechtspraak is terug te vinden in het zogenaamde Citadelarrest5: de rechter die een vordering tot betaling van een schadevergoeding toekent op grond van artikel 544 B.W. terwijl de eisende partij helemaal niet de verstoring van het evenwicht tussen de naburige eigendommen en enkel een aquiliaanse fout aanvoerde, wijzigt ambtshalve de oorzaak van de eis.6

In de oorspronkelijke vordering in vrijwaring werd deze gesteund op de door de heer X op 2 februari 2000 onderschreven verbintenis om de schulden van de VZW X die ontstaan waren in de periode voor 1 februari 2000 persoonlijk ten laste te nemen. De feitelijke grondslag van de eis was daarom deze door de verweerder op de vordering in vrijwaring aangegane verbintenis. Van bestuurdersaansprakelijkheid was er helemaal geen sprake.

Wanneer bijgevolg de eerste rechter de vordering in vrijwaring toekende op basis van de bestuurdersaansprakelijkheid van de heer X dan wijzigde hij ambtshalve de feitelijke grondslag van of de oorzaak van de oorspronkelijke vordering. Door dergelijke uitspraak te doen werden de artikelen 702 en 807 Ger. W. en het zogenaamde ‘beschikkingsbeginsel' geschonden.

Om die redenen dient het vonnis a quo voor zover zij deze vordering in vrijwaring gedeeltelijk gegrond verklaarde vernietigd te worden.

Het hof vernietigt omwille van de aangehaalde redenen het vonnis van de eerste rechters op dit punt. Er is nooit een duidelijke stellingname geweest om de vordering ook te steunen op de bedoelde bestuurdersaansprakelijkheid.

De vordering in vrijwaring gesteund op de bestuurdersaansprakelijkheid van X in graad van hoger beroep

Ook wat de beoordeling van dit onderdeel betreft, sluit het hof zich bij het openbaar ministerie aan:

In graad van hoger beroep meent eerste geïntimeerde zijn oorspronkelijke vordering in vrijwaring te kunnen uitbreiden en steunt zij daarbij haar vordering eveneens op de aansprakelijkheid van de heer X als bestuurder van de VZW in de periode gelegen voor 1 februari 2000.

Artikel 807 Ger. W. voorziet dat een vordering die voor de rechter aanhangig is kan worden uitgebreid of gewijzigd indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

Er is dus sprake van een nieuwe eis als de vordering niet gesteund is op een feit of een handeling die in de initiële dagvaarding werd aangevoerd.

Hoger werd al duidelijk vastgesteld dat in de oorspronkelijke dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring de bestuurdersaansprakelijkheid van de heer X als feitelijke grondslag van de vordering in vrijwaring in eerste aanleg nooit ter sprake is gekomen. De feitelijke grondslag van die vordering in eerste aanleg bestond in de contractuele verbintenis welke de heer X op zich had genomen betreffende de betaling van schulden van de VZW X ontstaan in de periode voor 1 februari 2000.

De vordering in vrijwaring gesteund op de bestuurdersaansprakelijkheid berust derhalve niet op een feit of een akte die in de dagvaarding werd aangevoerd en is ook niet begrepen in die oorspronkelijke vordering in vrijwaring. Het is dus een nieuwe vordering die voor het eerst in graad van hoger beroep wordt geformuleerd en bijgevolg onontvankelijk is, te meer omdat dit middel van onontvankelijkheid ook wordt opgeworpen door appellant in graad van hoger beroep. (K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 290 (nr. 637).

Daarenboven wordt door appellant terecht voorgehouden dat nu deze vordering in vrijwaring gesteund op de bestuurdersaansprakelijkheid beschouwd moet worden als een nieuwe vordering, zij ook verjaard is.

De aansprakelijkheidsvordering ten opzichte van de bestuurders van een VZW is immers een persoonlijke vordering die in overeenstemming met artikel 2262bis B.W. verjaart na verloop van tien jaar. Het mandaat van appellant als bestuurder van de VZW X werd per 1 februari 2000 beëindigd. De nieuwe vordering van eerste geïntimeerde gesteund op de bestuurdersaansprakelijkheid is ingesteld, voor zover ze al ontvankelijk zou verklaard kunnen worden, bij beroepsconclusies neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 1 december 2010, zijnde een ogenblik waarop de verjaring van deze vordering al bereikt werd.

Conclusie

In beroep is de vordering in vrijwaring van de vereffenaar, gesteund op de bestuurdersaansprakelijkheid van X, een nieuwe vordering en ze is daarom onontvankelijk.

Het hof verwerpt de stellingname van de vereffenaar dat een vordering die op deze aansprakelijkheid was gesteund, virtueel in de dagvaarding begrepen was.

Tenslotte wijst het hof de vordering van X in veroordeling van de vereffenaar tot betaling van een schadevergoeding wegens misbruik van proces af als ongegrond.

Het is niet omdat een vordering door de rechter als ongegrond wordt afgewezen dat er meteen sprake is van misbruik van proces.

Dit misbruik is enkel aanwezig indien een partij tegen een kennelijk ongegrond zijn van zijn vordering een geding aanspant tegen een tegenpartij enkel berustend op kwade trouw en bedoeld om deze tegenpartij te treffen.

Van een dergelijk misbruik is hier geen sprake.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de lezing door de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, van zijn gelijkluidend schriftelijke advies op de openbare terechtzitting van 23 september 2011.

Verweerder in hoger beroep repliceerde met conclusies neergelegd op de zetting van 21 oktober 2011.

Recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de volgende mate:

vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 13 februari 2006, bij zoverre het de vordering in tussenkomst en vrijwaring deels gegrond verklaarde en X in de kosten ervan veroordeelde.

opnieuw wijzende, wijst de oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring, zoals ingesteld bij dagvaarding van 4 oktober 2001, af als ongegrond en legt de kosten ervan ten laste van het passief van de vzw in vereffening.

bevestigt het vonnis voor het overige onder deze wijziging dat de bedragen waartoe destijds de vzw zelf werd veroordeeld thans ten laste zijn van het passief van de vereffening.

Legt de kosten die betrekking hebben op de vordering in tussenkomst en vrijwaring van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het passief van de vereffening.

Vereffent de kosten aan de zijde van

* X op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding beroep

* de X op 366,76 euro dagvaardingskosten, op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding beroep

* mr X, vereffenaar van X op 329,46 euro kosten betekening vonnis en op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding beroep.

Aldus gewezen door

de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer M.VAN HOECKE, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

de heer M.VANTHIELEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer,

bijgestaan door mevrouw L. VAN CALSTER, griffier

M. VAN THIELEN M. VAN HOECKE

L. VAN CALSTER J. VERHAVERT

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend en elf

1 Cass. 5 oktober 1984, Arr. Cass. 1984-85, 212 en R.W. 1985-86, 1029.

2 J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, 2de ed., Antwerpen, Intersentia, 2008, blz. 92-93.

3 Cass. 24 november 1978, Arr. Cass. 1978-79, 341 en R.W. 1978-79, 2877.

4 Cass. 18 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 202 en R.W. 1993-94, 124; Cass. 16 maart 2006, Pas. 2006, 615 en P&B 2006, 224.

5 Cass. 20 maart 1980, Arr. Cass. 1979-80, 903 en R.W. 1980-81, 1343.

6 J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, 2de ed., Antwerpen, Intersentia, 2008, blz. 96-97.

Mots libres

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • gerechtelijk recht

  • gerechtelijk privaatrecht

  • oorzaak van de vordering

  • ambtshalve wijziging

  • beschikkingsbeginsel

  • uitbreiding vordering

  • nieuwe vordering