- Arrêt du 20 décembre 2011

20/12/2011 - 2011/AA/424

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer een asielzoeker op eigen verzoek de toewijzing aan een opvangcentrum laat beëindigen waarna hij wordt ingeschreven in het wachtregister in een gemeente, is het OCMW van die gemeente bevoegd om steun te verlenen. Aangezien de asielzoeker in het opvangcentrum een leven kon leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, moet het OCMW geen steun verlenen.


Arrêt - Texte intégral

Vierde kamer

Eindarrest op tegenspraak

Leefloon

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST

A.R. 2011/AA/424

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak van:

X,

wonende te ,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. T. Debaene, advocaat te 2600 Berchem,

tegen:

Y,

gevestigd te ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken.

Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2011 en 15 november 2011.

Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer:

* het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 1 juni 2011 uit-gesproken door de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., aan X ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 8 juni 2011;

* het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 7 juli 2011 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 8 juli 2011;

* de conclusies voor Y, per gewone post ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 13 september 2011;

* De beroepsconclusie voor X, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 4 november 2011.

Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 15 november 2011.

1. Ontvankelijkheid

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 7 juli 2011, tekende X hoger beroep aan tegen een vonnis van 1 juni 2011 (A.R. 10/7.358/A) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

Het vonnis werd aan X ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 8 juni 2011.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.

2. Feiten en voorafgaande procedure

X, die afkomstig is van Nigeria, verblijft in België sedert 2005. Zijn eerste asielaanvraag werd in november 2009 definitief afgewezen door de Raad van State.

Op 3 december 2009 heeft X een aanvraag ingediend tot regularisatie van verblijf en op 8 juni 2010 diende hij een tweede asielaanvraag in.

Naar aanleiding van deze tweede asielaanvraag werd hij toegewezen aan het opvangcentrum van Sint-Pieters-Woluwe.

Begin augustus 2010 werd deze toewijzing gesupprimeerd omdat X niet was opgedaagd en omdat zijn advocaat om de schrapping van de toewijzing had verzocht.

Op 10 augustus 2010 doet X een eerste aanvraag voor financiële hulp bij Y aangezien hij aldaar staat ingeschreven.

Het Bijzonder Comité dd. 25 augustus 2010 besliste om het equivalent leefloon voor X te weigeren met ingang van 10 augustus 2010.

Tegen deze beslissing tekende X beroep aan bij de arbeidsrechtbank.

Op 16 december 2010 doet X een heraanvraag voor financiële hulp.

Het Bijzonder Comité d.d. 2 februari 2011 besliste om het equivalent leefloon voor X te weigeren met ingang van 16 december 2010.

Tegen deze beslissing werd geen beroep aangetekend.

Op 1 juni 2011 velt de arbeidsrechtbank een vonnis waarbij de beslissing van het bestuur van Y van 25 augustus 2010 wordt bevestigd.

Op 7 juli 2011 tekende X beroep aan tegen dit vonnis.

Uit een raadpleging van het rijksregister blijkt dat de asielaanvraag van X werd geweigerd op 15 april 2011 en hem op 5 mei 2011 een bevel werd betekend om het grondgebied te verlaten.

3. Eisen in hoger beroep

X vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende, Y te veroordelen tot betaling van een equivalent leefloon aan X voor de periode van 10 augustus 2010 tot en met 15 december 2010.

Ten slotte Y te veroordelen tot de kosten van het geding.

Y vraagt het vonnis van 1 juni 2011 te bevestigen.

4. Ten gronde

Vooreerst dient opgemerkt dat de betwiste periode beperkt is van 10 augustus 2010 tot en met 15 december 2010 zoals ook door X in conclusies wordt bevestigd. Bij beslissing van 2 februari 2011 werd het equivalent leefloon immers geweigerd vanaf 16 december 2010 en tegen deze beslissing werd geen beroep ingesteld.

X heeft een aanvraag ingediend tot het bekomen van een regularisatie van verblijf overeenkomstig artikel 9bis vreemdelingenwet maar het indienen van deze aanvraag geeft geen recht op verblijf of op financiële steun (Cass. 21 april 1997, Soc. Kron. 1997, 500 en Cass. 19 maart 2001, JTT 2001, 347). Dit wordt door X niet betwist.

Er is evenmin betwisting dat hij geen recht heeft op leefloon. X is immers ingeschreven in het wachtregister. Om recht te hebben op leefloon moet de aanvrager voldoen aan de voorwaarden vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en meer bepaald aan artikel 3. Aangezien hij niet erkend is als vluchteling of als staatloze en niet ingeschreven is in het bevolkingsregister, voldoet hij niet aan deze voorwaarden.

Wel meent hij recht te hebben op maatschappelijke dienstverlening omdat de verplichte plaats van inschrijving werd opgeheven en hij als asielzoeker recht zou hebben op een equivalent leefloon bij Y.

4.1. X is asielzoeker

Naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag op 8 juni 2010, werd hij toegewezen aan een opvangcentrum overeenkomstig artikel 10 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, hierna opvangwet.

Dit artikel bepaalt dat de instelling die instaat voor de opvang van asielzoekers (Fedasil) een verplichte plaats van inschrijving toewijst aan vreemdelingen:"1° die het Rijk binnengekomen zijn zonder te beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en een asielaanvraag hebben ingediend;

2° die een asielaanvraag ingediend hebben, nadat hun verblijfsvergunning was verlopen."

X viel onder deze bepaling waardoor hij automatisch werd toegewezen aan het opvangcentrum van Sint-Pieters-Woluwe.

De maatschappelijke dienstverlening is door het OCMW in dat geval niet langer verschuldigd overeenkomstig artikel 57ter OCMW-wet.

4.2. Schrapping code 207

Evenwel dient vastgesteld dat de toewijzing aan het opvangcentrum (de code 207 in het wachtregister) geschrapt werd hetgeen ook door het OCMW erkend wordt.

Deze schrapping gebeurde door toepassing van artikel 13 opvangwet dat bepaalt: "Het Agentschap kan de verplichte plaats van inschrijving die overeenkomstig voorgaande artikelen is toegewezen in bijzondere omstandigheden opheffen. De Koning bepaalt de procedure betreffende deze opheffing."

In geval van opheffing van de verplichte plaats van inschrijving wordt de bevoegdheid voor de toekenning van de maatschappelijke dienstverlening vastgesteld door artikel 2, §5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn dat bepaalt: "In afwijking van artikel 1, 1°, is bevoegd om maatschappelijke dienstverlening aan een kandidaat-vluchteling of aan een persoon die van de tijdelijke bescherming geniet in het kader van de massale toestroom van ontheemden toe te kennen, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn:

a) van de gemeente waar hij in het wachtregister is ingeschreven, voor zover deze inschrijving niet het adres van de Dienst Vreemdelingenzaken of het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen betreft."

Aangezien niet betwist wordt dat X te Antwerpen verblijft en daar ook ingeschreven is in het wachtregister, is Y in principe bevoegd om steun te verlenen.

Er moet vervolgens onderzocht worden of het OCMW gehouden is tot betaling van een equivalent leefloon.

4.3. Schrapping op eigen initiatief

Uit de neergelegde stukken blijkt dat X zelf gevraagd heeft om tot opheffing van de verplichte plaats tot inschrijving over te gaan zoals blijkt uit het schrijven van Fedasil ("Ik heb uw verzoek d.d. 7 juli 2010 tot opheffing van de verplichte plaats van inschrijving (code 207) voor uw cliënt, X in goede orde ontvangen": brief Fedasil, stuk 3, bundel X). Dit wordt door X trouwens niet ontkend.

In deze zaak dient vastgesteld dat X kon verblijven in het toegewezen opvangcentrum, hij geeft althans geen enkele reden waarom hij er niet kon verblijven, maar dat hij verkoos om de aangeboden materiële steun niet te aanvaarden en in Antwerpen te verblijven.

4.4. Geen recht op maatschappelijke dienstverlening

X vordert een equivalent leefloon voor de periode van 10 augustus 2010 tot en met 15 december 2010.

Om recht te hebben op een equivalent leefloon moet de aanvrager voldoen aan artikel 1 OCMW-Wet dat bepaalt dat de maatschappelijke dienstverlening tot doel heeft om iedereen de mogelijkheid te bieden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het criterium is dus niet het leiden van een menswaardig bestaan maar de mogelijkheid daartoe (RvS. nr. 39.761, 19 juni 1992, Arr. RvS. 1992).

Er kan enkel vastgesteld worden dat X een menswaardig bestaan kon leiden in het opvangcentrum waaraan hij was toegewezen. Alvast wordt er geen enkel argument aangehaald waaruit het tegendeel blijkt.

Hij kon dus een menswaardig bestaan leiden en heeft dit, door te vragen om de toewijzing aan het opvangcentrum te schrappen, op eigen initiatief opgegeven.

Aangezien hij een menswaardig bestaan kon leiden door gebruik te maken van de aangeboden steun in het opvangcentrum, voldoet hij niet aan de voorwaarden van artikel 1 OCMW-Wet en heeft hij geen recht op een equivalent leefloon. Het recht op een equivalent leefloon is immers een residuair recht.

Het loutere feit dat hij zich integreerde in het maatschappelijk leven, hij zelfstandig een huurovereenkomst afsloot en op een bepaald ogenblik steun zou ontvangen hebben van het OCMW van Halle, wijzigt dit niet. Te meer daar er geen enkele reden wordt gegeven waarom X de steun in het opvangcentrum niet zou kunnen aanvaarden.

Uit de verklaring van het OCMW van Halle blijkt dat Y in principe bevoegd is om steun te verlenen (stuk 14, bundel X), maar hieruit kan niet afgeleid worden dat X automatisch recht heeft op een equivalent leefloon. Bovendien kan het OCMW van Halle geen beslissingen nemen voor wat betreft het verlenen van steun door Y.

Ook de vaststelling van Y dat X mag terugkomen wanneer zijn code 207 geschrapt wordt en Fedasil niet langer bevoegd is, wijzigt voormelde vaststelling niet (stuk 1, bundel X). Dit document kan immers niet beschouwd worden als een belofte van Y om bij terugkomst en na schrapping steun te verlenen.

De vermelding in het schrijven van Fedasil van 3 augustus 2010 (stuk 3, bundel X) dat X recht heeft op maatschappelijke dienstverlening bij een OCMW, bindt het arbeidshof niet aangezien Fedasil geen bevoegdheid heeft ten aanzien van het geven van steun door het OCMW. Bovendien kan hieruit enkel afgeleid worden dat een persoon na een schrapping van de toewijzing aan een opvangcentrum, terecht kan bij het OCMW waar hij ingeschreven is in het wachtregister hetgeen een toepassing is van de wet van 2 april 1965.

Aangezien er geen recht is op een equivalent leefloon, moet niet onderzocht worden of X werkbereid of behoeftig is. Er werd immers vastgesteld dat hij een menswaardig bestaan kon leiden door zijn toewijzing aan het opvangcentrum te aanvaarden en geen valabele reden geeft waarom hij deze toewijzing geweigerd heeft.

Ter zitting vordert de raadsman van X de basisrechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering hetgeen toegekend kan worden. Overeenkomstig artikel 4 van het KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag 160,36 euro.

BESLISSING OP TEGENSPRAAK

Het arbeidshof heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 15 november 2011, waarover partijen mondeling hun opmerkingen geven.

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 1 juni 2011 en dus de administratieve beslissing van 25 augustus 2010 worden bevestigd zij het op andere gronden.

Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van Y.

Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door:

de heer D. Torfs, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer M. Verheyen, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

de heer C. Horemans, raadsheer in sociale zaken als werknemer,

bijgestaan door mevrouw M. Dockx, griffier, toegevoegd (art. 329 Ger. W.),

Mots libres

  • SOCIALE VOORZORG

  • WET BETREFFENDE HET TEN LASTE NEMEN VAN DE STEUN VERLEEND DOOR DE OCMW

  • maatschappelijke dienstverlening

  • opvangcentrum

  • schrapping op eigen verzoek

  • bevoegd O.C.M.W.

  • geen steun