- Arrêt du 14 janvier 2011

14/01/2011 - 2009/AB/052741

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Omwille van de arbeidsovereenkomst wordt de werkgever eigenaar van een dienstuitvinding, omdat de uitvinding niets anders is dan het product van de bedongen arbeid van de werknemer, waardoor deze in beginsel geen aanspraak kan maken op een bijzondere vergoeding voor het doen van de uitvinding. Hij wordt immers geacht voor deze taken te zijn vergoed door het overeengekomen loon.

Ook als men ervan uitgaat dat octrooieerbare rechten aanvankelijk ontstaan in het vermogen van de uitvinder, aanvaardt men bij dienstuitvindingen dat tengevolge van zijn inventieve opdracht er een vermoeden is dat de werknemer stilzwijgend heeft ingestemd met de overdracht van de rechten op zijn uitvinding.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 JANUARI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

PH. J. , wonende te [xxx],

appellant,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. DERYCKERE Jonas, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/12.

Tegen:

ANHEUSER-BUSCH INBEV NV, met zetel te

1000 BRUSSEL, Grote Markt, 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. WOUTERS Olivier en mr. BOUCIQUE Ward, advocaten te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan, 280.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 5 november 2009 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 08/1321/A).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 2 december 2009;

- de conclusies, de aanvullende en syntheseconclusie voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 2 april 2010 en 5 juli 2010,

- de conclusie, de aanvullende en syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 maart 2010, 4 juni 2010 en 3 september 2010;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 17 december 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer Ph. J. kwam op 5 oktober 1987 in dienst van de N.V. Brouwerij Piedboeuf met een stagecontract van 6 maanden eindigend op 4 april 1988. Hij bleef nadien in dienst.

Op 24 september 1990 werd zijn arbeidsovereenkomst overgenomen door de N.V. Cobrew, met behoud van zijn anciënniteit vanaf 5 oktober 1987 en van zijn contractuele voordelen. Hij werkte als ingenieur in de research van het Ariane project, waarbij men zocht naar een optimalisering van het filteringproces bij het bierbrouwen.

Op 3 december 2002 volgde nogmaals een overname door de N.V. Interbrew, waardoor de heer Ph. J. met ingang van 3 januari 2003 tewerkgesteld wordt in het juridisch departement als European Patent Council; vanaf 1 januari 2005 krijgt hij de titel van Patent Liaison Officer.

De heer Ph. J. ontkent niet dat hij in die hoedanigheid meewerkte aan de octrooiaanvraag voor een uitvinding die hij samen met de heer Adam en de heer Haselaars deed in het kader van het Ariane-project. Voor deze uitvinding deed men op 18 mei 2004 een zgn. prioriteitaanvraag; het octrooi zelf werd aangevraagd op 18 mei 2005.

2. Bij aangetekende brief van 5 juli 2007 werd de arbeidsovereenkomst van de heer Ph. J. beëindigd met onmiddellijke vrijstelling van prestaties en met aankondiging dat een redelijke opzeggingsvergoeding zou worden uitbetaald; tevens werd hij geïnformeerd over zijn recht op outplacementbegeleiding.

Er werd hem in eerste instantie een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 12 maanden uitbetaald.

Na onderhandelingen tussen partijen, waarbij de heer Ph. J. zich liet vertegenwoordigen door zijn raadsman, kwam er geen akkoord, maar werd de opzeggingsvergoeding door AB Inbev opgetrokken tot 20 maanden.

3. Partijen kwamen aldus niet tot een volledige overeenstemming en op 4 juli 2008 dagvaardde de heer Ph. J. de N.V. Anheuser-Busch Inbev (hierna afgekort als AB Inbev) voor de arbeidsrechtbank te Leuven en hij vorderde uiteindelijk:

- een bijkomende opzeggingsvergoeding van 4 maanden of euro 34.351,37

- een CAO-premie van euro 47.360

- een saldo bonus van euro 1.261,16

- een vergoeding voor vormingskosten van euro 20.000

- een morele schadevergoeding van euro 1 provisioneel

- een outplacement vergoeding

- een vergoeding voor een gedane uitvinding van aanvankelijk euro 100.000, in de loop van de procedure aangepast tot euro 12.296.296 en in ondergeschikte orde van euro 1 miljoen provisioneel, waarbij hij de aanstelling van een deskundige vroeg voor verdere waardering

bedragen te vermeerderen met wettelijke, moratoire en gerechtelijke intresten vanaf 5 juli 2007 en de gerechtskosten.

AB Inbev stelde een tegenvordering in teruggave van vertrouwelijke bedrijfsdocumenten onder verbeurte van een dwangsom.

4. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 5 november 2009 werd deze hoofdvordering ontvankelijk doch niet gegrond verklaard en werd de tegenvordering ontvankelijk en gegrond verklaard in de zin dat de heer Ph. J. alle bedrijfsdocumenten en vertrouwelijke documenten betreffende het Ariane project toebehorend aan AB Inbev diende terug te geven, in het bijzonder de stukken 6, 17a, 17b. en 18 van zijn dossier.

De heer Ph. J. werd ook nog veroordeeld tot de gerechtskosten.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 2 december 2009, tekende de heer Ph. J. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering met uitzondering van zijn vraag voor outplacement, waarbij hij tevens betaling vroeg van de intresten op het bedrag van euro 68.702,74 opzeggingsvergoeding betaald op 24 december 2008, en dit voor de periode van 5 juli 2007 tot 24 december 2008;

op een zelfde wijze vroeg hij intresten voor het bedrag van euro 7.881,84 dat op 24 december 2008 werd uitbetaald als bonus.

Naast de aanstelling van een deskundige vroeg hij ook nog de voorlegging van een aantal documenten.

Ten slotte vroeg hij dat de tegenvordering van Inbev zou worden afgewezen als zijnde onontvankelijk, minstens ongegrond.

Ter zitting van 17 december 2010 verklaart de heer Ph. J., wat betreft de tegenvordering, zich bereid om de stukken die in zijn bezit zijn over het Ariane project en de eruit voortvloeiende octrooiaanvraag, enkel aan te wenden in het kader van huidige procedure en ze nadien terug te geven aan AB Inbev.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

De opzeggingsvergoeding

2. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de partijen vastgesteld bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

3. De heer Ph. J. neemt een dubbelzinnig standpunt in over de begroting van de opzeggingsvergoeding. Enerzijds vraagt hij dat de rechter deze zou bepalen op 24 maanden, anderzijds houdt hij voor dat hij met zijn voormalige werkgever tot een gedeeltelijke overeenkomst is gekomen, die zou inhouden dat de opzeggingstermijn in akkoord vastgesteld werd op 23 maanden. Hij verwijst hiervoor naar zijn stukken 13 en 14.

Indien dit laatste juist zou zijn, dan kan de rechter de opzeggingstermijn niet meer vaststellen, daar deze dan voortvloeit uit de overeenkomst tussen partijen.

Terecht wijst AB Inbev erop dat de stukken 13 en 14 geen overeenkomst inhouden. De e-mail van 2 maart 2008, uitgaande van mevrouw Aurélie Piette van AB Inbev vermeldt immers - in hoofdletters - dat men een vertrouwelijk voorstel doet dat de partijen niet bindt. Ook op de becijfering van de opzeggingsvergoeding volgens de formule Claeys door AB Inbev wordt uitdrukkelijk vermeld "niet bindend voor de partijen".

Ten onrechte wil de heer Ph. J. dan ook uit het schrijven van zijn raadsman van 11 april 2008 afleiden dat hierin een gedeeltelijke aanvaarding plaatsvond van een aanbod van zijn voormalige werkgever. De e-mail en de berekening wijzen enkel op niet bindende en dus aftastende besprekingen, doch niet op een aanbod. Bovendien werd in het schrijven van de raadsman van 11 april 2008 het niet bindend onderhandelingvoorstel niet eens volledig aanvaard.

4. Bij gebreke aan een duidelijke overeenkomst, moet voor de begroting van de opzeggingsvergoeding rekening gehouden worden met volgende elementen:

- anciënniteit: in dienst 5 oktober 1987 - ontslag 5 juli 2007:

19 jaar en 9 maanden

- leeftijd: geboren 24 september 1960: 46 jaar en 9,5 maanden

- functie: Patent Liaison Officer

- jaarloon: euro 103.054,11.

Rekening houdend met deze gegevens, de elementen eigen aan de zaak en de wederzijdse belangen van partijen raamt het hof de kans van de heer Ph. J. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden op 23 maanden.

Er werd hem in totaal al een opzeggingsvergoeding uitbetaald van 20 maanden, zodat hij recht heeft op een bijkomende vergoeding van drie maanden of

euro 103.054,11 x 3/12 = euro 25.763,52, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op bruto vanaf 5 juli 2007.

Hierbij werd in rekening gebracht dat de heer Ph. J. na zijn ontslag uitbetaling bekwam van een opzeggingsvergoeding van 12 maanden en dat er op 24 december 2008 een bijkomende betaling plaatsvond van euro 68.702,74; voor deze laatste betaling heeft hij recht op betaling van de wettelijke intresten voor de periode van 5 juli 2007 tot 24 december 2008.

Deze wettelijke intresten zijn verschuldigd bij toepassing van artikel 10 van de loonbeschermingswet van 12 april 1965. Het tijdsverloop van de onderhandelingen kan aan deze wettelijke bepaling geen afbreuk doen.

In die mate is het hoger beroep gegrond.

De conventionele vertrekpremie

5. Op 13 juni 2006 ondertekenden AB Inbev en de vakorganisaties een bedrijfs-CAO als gevolg van een sociaal plan wegens herstructurering.

Artikel 1.1 van deze CAO bepaalt het toepassingsgebied als alle werknemers (mannelijke en vrouwelijke), in dienst bij Inbev op 30 november 2005 in het raam van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die geen deel uitmaken van het directiekader (Hay I tot IV) ...

De heer Ph. J. voldoet aan deze omschrijving.

In artikel 1.2 worden niettemin een aantal werknemers uitgesloten, waaronder

de werknemers wegens redenen niet verbonden aan een herstructurering zoals aangekondigd aan de ondernemingsraad.

AB Inbev wil zich beroepen op deze uitzondering, maar zij toont deze niet aan; zij brengt niet de aankondiging aan de ondernemingsraad voor, waaruit zou kunnen blijken dat de heer Ph. J. niet verbonden was aan de herstructurering.

AB Inbev spreekt evenmin tegen dat de octrooiaanvraag verder werden uitbesteed aan een extern bureau.

De redenen, die AB Inbev thans voor het ontslag aanbrengt, doen aan de toepassing van de CAO geen afbreuk.

Als gevolg van artikel 7.3.1 van deze CAO hebben de bedienden die onder het toepassingsgebied vallen van artikel 1 en die niet gekozen hebben om te kunnen toetreden tot een interne transfer of tot het brugpensioen, recht op een buitengewone vertrekpremie van euro 16.000 netto indien de werknemer vijf jaar anciënniteit heeft en euro 500 netto bijkomend voor elk begonnen jaar anciënniteit vanaf het zesde jaar.

Als gevolg van deze bepaling maakt de heer Ph. J. aanspraak op een vertrekpremie van euro 47.360 ( euro 23.500 netto), waarvan de becijfering door AB Inbev niet wordt betwist.

Zijn hoger beroep is op dit punt gegrond.

De bonus 2007

6. AB Inbev heeft op 24 december 2008 de bonus betaald ten bedrage van euro 7.881,84.

De heer Ph. J. houdt voor dat er nog een saldo verschuldigd zou zijn, maar hij toont de gegrondheid van zijn bijkomende eis niet aan. Hij beperkt zich er immers toe te verwijzen naar zijn stukken 13, die hierboven in randnummer 3 al werden besproken en waarbij vastgesteld werd dat zij, anders dan de heer Ph. J. meent, geen overeenkomst tussen partijen inhouden. Evenmin deed de werkgever een eenzijdige erkenning, daar deze stukken onderhandelingsdocumenten zijn, waarbij AB Inbev uitdrukkelijk stelde dat ze vertrouwelijk zijn en dat ze haar niet definitief binden.

De heer Ph. J. toont dan ook de rechtsgrond van zijn vordering voor een hogere bonus niet aan.

Wat betreft de bijkomende vordering in betaling van wettelijke intresten op euro 7.881,84 voor de periode van 5 juli 2008 tot 24 december 2008 beroept AB Inbev zich terecht op de verjaring van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet, daar de heer Ph. J. deze vordering meer dan een jaar na het einde van zijn arbeidsovereenkomst stelde.

Hij kan zich evenmin beroepen op de verjaringstermijn van artikel 26 V.T. W. Sv., omdat artikel 42 van de loonbeschermingswet de overtreding van artikel 10 van deze wet niet strafbaar stelt.

Zijn hoger beroep is voor dit onderdeel dan ook ongegrond.

De vormingskosten

7. Opnieuw wil de heer Ph. J. zich voor dit onderdeel van zijn vordering steunen op zijn stukken 13. Er kan hiervoor verwezen worden naar wat al gezegd werd in de randnummers 3 en 6.

Terecht stelt AB Inbev dat de heer Ph. J. in gebreke blijft om een deugdelijke rechtsgrond voor deze vordering aan te tonen, temeer daar hij zelf na zijn ontslag deze vorming blijkt te hebben stopgezet, zodat men niet inziet welke onkosten AB Inbev nog zou kunnen verschuldigd zijn.

Anders dan hij nog wil voorhouden, betreft de terugbetaling van deze kosten, geen deel van het lopend loon, noch een voordeel verworven krachtens de overeenkomst, daar het hier om onkosten eigen aan de werkgever gaat.

Morele vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht

8. Zoals van elk recht kan ook van het ontslagrecht misbruik worden gemaakt.

Anders dan voor werklieden, voor wie artikel 63 van de arbeidsovereenkomstwet geldt, bestaat voor bedienden geen vergelijkbare uitdrukkelijke wetsbepaling, maar dit verhindert niet dat het misbruik van ontslagrecht kan worden ingeroepen, wanneer er een kennelijk misbruik is waarbij de regel van artikel 1134, 3° lid van het Burgerlijk Wetboek ernstig wordt geschonden; op basis van deze bepaling moeten overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd (cfr. Cassatie, 19 september 1983, R.W. 1983-1984, 1480).

Rechtsmisbruik in verband met het ontslag vloeit dan ook voort uit de uitoefening van dit recht op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van het ontslagrecht door een voorzichtig en bedachtzame werkgever te buiten gaat (Cassatie, 12 december 2005, JTT 2006, 155).

De opzeggingsvergoeding heeft bovendien een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade (Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410).

Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69).

9. Gelet op de herstructurering, waardoor de heer Ph. J. aanspraak kan maken op een aanvullende CAO vergoeding (zie randnummer 5), kan hij niet voorhouden dat AB Inbev haar ontslagrecht op een kennelijk onredelijke wijze zou hebben uitgeoefend. De opzeggingsvergoeding dekt forfaitair alle materiële en morele schade die uit dit ontslag voortvloeit.

Het stopzetten van de vorming na het ontslag berust op een eigen en latere keuze van de heer Ph. J. en is geen omstandigheid die aan de werkgever kan toegedicht worden. De heer Ph. J. kan op basis daarvan geen bijkomende morele vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht vorderen.

Dit onderdeel van zijn hoger beroep is evenzeer ongegrond.

De vergoeding voor de vermogensrechten op zijn uitvinding

10. De heer Ph. J. verwijst hiervoor naar de internationale patentaanvraag, ingediend door Inbev en gepubliceerd op 1 december 2005, waarin hij samen met de heren Adam en Haselaars wordt aangeduid als uitvinder (zijn stuk 7). Hij houdt voor dat zijn medewerking aan deze uitvinding niet kaderde in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, zodat ze niet als dienstuitvinding kan worden gekwalificeerd.

Hij brengt daarbij in dat hij op het ogenblik van de aanvraag van het patent werkzaam was op de juridische dienst en dat zijn taak dan ook niet meer bestond in onderzoek en ontwikkeling.

11. De rechtsleer wijst erop dat er een wettelijke regeling ontbreekt in verband met het eigendomsrecht over uitvindingen gedaan door werknemers in dienstverband (M.C. Jansens, Uitvindingen van werknemers - Een "notoire" lacune in de Belgische wetgeving - pleidooi voor een wettelijke regeling, RW 1996 -97, 865 e.v.; P. De Wulf en S. Diels, Overdracht van intellectuele rechten en de arbeidsovereenkomst, Or. 2008,145; H. Van Hoogenbemt, De arbeidsovereenkomst en het vermogen van de werknemer in Sociaal Recht: niets dan uitdagingen, Gent 1996, 245 e.v., meer bepaald nrs. 306-408).

Deze laatste auteur benadrukt dat de wetgeving betreffende de octrooien ternauwernood houvast biedt bij het bepalen van wie de eigenaar is van een uitvinding gedaan door de werknemer. Het recht op een octrooi komt naar Belgisch recht immers niet noodzakelijk toe aan de uitvinder en de wetgever beschermt veeleer de uitvinding zelf dan de uitvinder. Wie eigendomsrechten kan laten gelden ter zake van de uitvinding gedaan door een werknemer dient dan ook te worden afgeleid uit de contractuele afspraken, die moeten worden bekeken vanuit de bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet (H. Van Hoogenbemt, a.w., nr. 408).

De rechtsleer gaat daarbij uit van een indeling van de uitvindingen in drie categorieën, met name:

- de dienstuitvindingen of de uitvindingen die door de werknemer worden gedaan ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst;

- de afhankelijke uitvindingen of de uitvindingen gedaan door een werknemer die hiervoor geen specifieke onderzoeksopdracht had, maar die niettemin een zekere band vertoont met de arbeidsovereenkomst, al was het maar omdat de werknemer gebruik heeft gemaakt van de bedrijfsmiddelen, de knowhow en de hulp van zijn collega's;

- de vrije uitvindingen of de uitvindingen die geen enkele band hebben met de arbeidsovereenkomst.

12. Hoewel de octrooiaanvragen van AB Inbev op zich enkel de uitvinding beschermde, verwijst de heer Ph. J. terecht naar randnummer 75 van deze aanvraag waarin hij als mede-uitvinder wordt aangeduid. Hierbij toont de heer Ph. J. echter nog niet aan welk zijn aandeel was in de uitvinding en in welke periode hij zijn bijdrage hiertoe heeft geleverd. Immers in de door hem ondertekende verklaring van 30 november 2006 wordt de heer Adam aangeduid als eerste uitvinder en worden de heren Haselaars en Ph. J. betiteld als co-uitvinder van het filteringproces bij het bierbrouwen.

Tot einde 2002 werkte de heer Ph. J. binnen de NV Cobrew als ingenieur in de research van het Ariane project in het kader waarvan de uitvinding ontstaan is.

Uit de e-mail van 27 november 2002 van de hoofduitvinder, Adam Pierre, aan zijn equipe, waaronder de heer Ph. J. (stuk 16 AB Inbev) blijkt dat het concept en de proeven met de filtering volop gevoerd werden, maar dat nog technische verbeteringen en onderzoekingen nodig waren.

Aangezien de heer Ph. J. in die periode als ingenieur tewerkgesteld was in de researchafdeling, maakt zijn bijdrage aan de uitvinding tot dan toe alleszins deel uit van zijn normale arbeidstaak, zodat deze bijdrage onderdeel is van een dienstuitvinding en waarbij zijn loon de tegenprestatie was van de door hem in het kader van zijn arbeidsovereenkomst uitgevoerde arbeid (H. Van Hoogenbemt, 418-419; P. De Wulf en S. Diels, a.w., 147, nr. 1.3).

13. Bij zijn overgang naar de N.V. Interbrew met ingang van 3 januari 2003 werd hij tewerkgesteld in het juridisch departement als European Patent Council; vanaf 1 januari 2005 kreeg hij de titel van Patent Liaison Officer.

Deze functies illustreren dat hij in die hoedanigheden meewerkte aan de octrooiaanvraag voor o.m. de uitvinding die hij samen met de heer Adam en de heer Haselaars had ontwikkeld in het kader van het Ariane-project.

Voor deze uitvinding deed men op 18 mei 2004 een prioriteitaanvraag; het octrooi zelf werd aangevraagd op 18 mei 2005.

Voor een octrooiaanvraag dient technische kennis te worden gecombineerd met een juridisch accurate omschrijving.

Het is duidelijk dat de inschakeling van de heer Ph. J. als ingenieur in het juridisch departement gericht was op de technische kennis, nodig voor een octrooiaanvraag, wat reeds voortvloeit uit de benaming van zijn functies, waarin telkens verwezen wordt naar het patent. (vgl. de verklaring van mevr. Noirfalisse, die bevestigt dat men een bewuste keuze had gedaan voor een ingenieur met een technische kennis - stuk 24a de heer Ph. J.).

In die functie bleef hij dus in relatie staan met de technische departementen, zoals ook uitgedrukt wordt in zijn functiebeschrijving (stuk 5 de heer Ph. J.).

Zo presenteerde de heer Ph. J. op 17 maart 2003 het Ariane-project aan de onderzoekséquipe met een reeks slides (stukken 14 en 17 AB Inbev).

Ook in zijn nieuwe functie werd de heer Ph. J. dus niet afgesneden van de technische ontwikkelingen in het project en het is volkomen normaal dat hij zelf zich ook verder betrokken voelde en daarbij tijdens de werkuren nog verder besprekingen had met de hoofduitvinder de heer Adam. Deze actieve betrokkenheid wordt overigens door AB Inbev gevaloriseerd en erkend doordat de heer Ph. J. in de prioriteitsaanvraag en in de octrooiaanvraag als mede-uitvinder wordt aangeduid.

De verdere activiteiten die hij aldus ontwikkelde, kaderden dan ook eveneens in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, zodat de resultaten in verband met de ontwikkelde uitvinding verder deel uitmaakten van de eerder geïnitieerde dienstuitvinding.

De nadruk die de heer Ph. J. hierbij wil leggen op het feit dat hij deel uitmaakte van het juridisch departement en dat dit departement een onderscheiden afdeling was van de dienst Techniek/Operaties, doet hieraan geen afbreuk.

Het hof volgt de heer Ph. J. dan ook niet in zijn stelling als zou hij slechts een afhankelijke uitvinding hebben gedaan, omdat zijn functie in het juridisch departement volledig los zou staan van de uitwerking van het octrooi. De uitvinding van het nieuwe filteringproces kaderde immers volledig in zijn opeenvolgende contractuele opdrachten.

14. De rechtsleer aanvaardt dat omwille van de arbeidsovereenkomst de werkgever eigenaar wordt van een dienstuitvinding, omdat de uitvinding niets anders is dan het product van de bedongen arbeid van de werknemer, (H. Van Hoogenbemt, 417 en de overvloedige rechtsleer geciteerd in voetnoot 34) waardoor deze in beginsel geen aanspraak kan maken op een bijzondere vergoeding voor het doen van de uitvinding. Hij wordt immers geacht voor deze taken te zijn vergoed door het overeengekomen loon (H. Van Hoogenbemt, 419; P. De Wulf en S. Diels, 147, nr. 1.3).

Ook als men ervan uitgaat dat octrooieerbare rechten aanvankelijk ontstaan in het vermogen van de uitvinder, aanvaardt men bij dienstuitvindingen dat tengevolge van zijn inventieve opdracht er een vermoeden is dat de werknemer stilzwijgend heeft ingestemd met de overdracht van de rechten op zijn uitvinding (M.C. Ph. J., RW 1996-97, 868-869, nr. 9; P. De Wulf en S. Diels, 147, nr. 1.2).

AB Inbev lag immers aan het initiatief tot het uitvoeren van de onderzoekstaak die aanleiding gaf tot de uitvinding; deze onderzoekstaak werd door de heer Ph. J. aanvaard en hij diende te weten dat hij de resultaten van zijn inventieve arbeid afstond aan AB Inbev, omdat dit deel uitmaakte van zijn contractuele opdracht.

Ten overvloede kan er op gewezen worden dat deze overdracht overigens uitdrukkelijk bevestigd wordt in de door de heer Ph. J. ondertekende verklaring van 30 november 2006 (zijn stuk 15). Het is duidelijk dat deze verklaring betrekking heeft op de octrooiaanvraag; het feit dat het stuk niet mede door AB Inbev werd ondertekend is irrelevant, daar ook een eenzijdige wilsuiting bron van verbintenissen kan zijn; evenmin kan hij zich beroepen op gekwalificeerde benadeling, daar bij een dienstuitvinding het loon de tegenprestatie uitmaakt voor de gepresteerde arbeid en tot vergoeding van zijn bijdrage tot de uitvinding strekte.

Hij ondertekende zelf de verklaring. Als werknemer van de juridische dienst diende hij deze te begrijpen en hij kan zich niet beroepen op een ernstige benadeling voortvloeiend uit een groot onevenwicht, noch op misbruik van concrete omstandigheden.

Aangezien het hof van oordeel is dat de uitvinding van de heer Ph. J. een dienstuitvinding is, zijn zijn overige beschouwingen irrelevant, daar zij uitgaan van de foutieve hypothese dat hij een afhankelijke uitvinding zou hebben gedaan.

Er is geen reden om verder een deskundige aan te stellen of de voorlegging van bijkomende stukken te bevelen.

15. Terecht heeft de eerste rechter dan ook de vordering tot betaling van een bijkomende vergoeding voor de uitvinding afgewezen als zijnde ongegrond.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

Teruggave documenten

16. Ter zitting van 17 december 2010 verklaarde de heer Ph. J., wat betreft deze tegenvordering, zich bereid om de stukken die in zijn bezit zijn over het Ariane project en de eruit voortvloeiende octrooiaanvraag, enkel aan te wenden in het kader van huidige procedure en ze nadien terug te geven aan AB Inbev.

Deze toezegging is in overeenstemming met de vordering van AB Inbev.

Artikel 1385 bis Ger. W. bepaalt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd ten aanzien van vorderingen ter zake van de nakoming van arbeidsovereenkomsten; de vraag tot teruggave wordt gedaan als gevolg van artikel 17, 3° en 5° arbeidsovereenkomstenwet en betreft verplichtingen die kenmerkend zijn voor de arbeidsovereenkomst.

Intresten op de toegekende bedragen

17. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente als gevolg van de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum).

Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd.

Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen dienen berekend te worden op de brutobedragen, daar het ontslag dateert van 5 juli 2007 zijnde na 1 juli 2005.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Veroordeelt de NV Anheuser-Bush Inbev tot betaling aan de heer Ph. J. van:

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 25.763,52, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op bruto vanaf 5 juli 2007

- wettelijke intresten op euro 68.702,74 voor de periode van 5 juli 2007 tot 24 december 2008

- een vertrekpremie van euro 47.360, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op bruto vanaf 5 juli 2007

Geeft akte aan de heer Ph. J. van zijn toezegging om de stukken die in zijn bezit zijn over het Ariane project en de eruit voortvloeiende octrooiaanvraag, enkel aan te wenden in het kader van huidige procedure en ze nadien terug te geven aan AB Inbev en veroordeelt hem om deze toezegging te goede trouw na te leven.

Wijst al het meergevorderde af.

Compenseert de gerechtskosten en legt deze voor 2/3 ten laste van de heer Ph. J. en voor 1/3 ten laste van AB Inbev,

Deze aan de zijde van de heer Ph. J. vereffend op:

Dagvaarding euro 163,75

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 15.000,00

Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 15.000,00

Totaal euro 30.163,75

En aan de zijde van AB Inbev vereffend op

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 15.000,00

Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 15.000,00

Totaal euro 30.000,00

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Andre LEURS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 14 januari 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Dienstuitvinding

  • Eigendom werkgever

  • Buiten loon geen bijkomende vergoeding voor werknemer.