- Arrêt du 16 février 2011

16/02/2011 - 2011/AB/124

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Niet iedere arbeidsprestatie wordt noodzakelijk verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst. Bij het onderzoek naar de vraag of het gaat om een arbeidsovereenkomst, en naar de vraag of een loon betaald wordt als tegenprestatie van deze arbeidsovereenkomst, moet rekening gehouden te worden met het doel en de oorzaak van de prestaties. Is niet onderworpen aan de maatschappelijke zekerheid der werknemers de "vrijwilligers"activiteit die niet tot doel heeft enige vorm van inkomstenverwerving, maar er in hoofdzaak toe strekt een boeiende invulling van de vrije tijd te bekomen, zelfs indien aan de vrijwilliger bepaalde voordelen worden toegekend, zoals de gratis toegang tot een concert en gratis drank en eten tijdens de activiteit.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 FEBRUARI 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

ICARUS VZW, met maatschappelijke zetel te 2200 HERENTALS, Lierseweg, 66, appellante, vertegenwoordigd door mr. VANGOMPEL A. loco mr. CARLIER Piet, advocaat te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131

tegen:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANDENBORRE Tine, advocaat te 2260 WESTERLO, Loofven 18.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 26 januari 2006 door de Arbeidsrechtbank te Turnhout, 2e kamer (A.R. 76.836),

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest dat werd uitgesproken op tegenspraak op 21 december 2007 door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, 4e kamer, (A.R. 2060205),

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest dat werd uitgesproken op 18 oktober 2010 door de derde kamer van het Hof van Cassatie (S.10.0023.N/1),

- de dagvaarding na Cassatie, betekend op 27 januari 2011,

- de ter griffie neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 19 januari 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De vzw Icarus verzorgt voor een aantal optredens en andere evenementen een aantal ondersteuningstaken, zoals de controle op tickets en interne op de toegang tot bepaalde plaatsen die gereserveerd zijn aan een bepaald publiek. Zij schakelt daarvoor een aantal "vrijwilligers"in, lid van de vzw. Deze ontvangen, naast de gratis toegang tot het evenement dat georganiseerd wordt (meestal muziekevenementen) en een aantal bonnetjes voor drank en voedsel, nog een activiteitsbon. Normaal gaat het om één bon per evenement. De waarde van deze activiteitsbon zou circa 12,50 euro bedragen, maar daarover bestaat betwisting. Met deze bonnen konden de vrijwilligers deelnemen aan een aantal activiteiten die georganiseerd worden door de vzw, zoals reizen. Met deze bonnen konden zij blijkbaar ook bepaalde producten, zoals T-shirts en cd's aankopen.

De vzw Icarus verspreidt voor haar leden een tweemaandelijks ledenblad. Daarin worden de evenementen beschreven waaraan de vzw zal meewerken. Verder wordt in dit ledenblad informatie uitgewisseld over de leden en worden ontspanningsactiviteiten, die voor de leden georganiseerd worden, (en die losstaan van de evenementen waaraan de vzw Icarus haar medewerking en support verleent) aangekondigd. Daarover wordt ook verslag uitgebracht. De leden die als "vrijwilliger" wensen mee te werken aan een evenement, kunnen daarvoor inschrijven via een speciaal inschrijvingsformulier, dat gevoegd is bij het ledenblad.

De vzw Icarus stelde de prestaties van deze vrijwilligers (en wellicht ook andere activiteiten die niet het voorwerp uitmaakten van het onderzoek) op commerciële basis ter beschikking van de organisatoren (voornamelijk het sportpaleis Antwerpen), wat inhield dat de activiteiten van de vrijwilligers gefactureerd werden.

2.

Op 22 februari 2002 werd door de sociale inspectie een controlebezoek uitgevoerd in het sportpaleis te Antwerpen. Daarbij werden de medewerkers van de vzw Icarus ondervraagd die op dat ogenblik in het sportpaleis actief waren, essentieel voor ticketcontrole en backstage controle. Op basis van deze ondervragingen, en de ondervraging van de verantwoordelijke van de vzw Icarus, kwam de sociale inspectie tot de conclusie dat de tewerkstelling van de vrijwilligers tijdens de evenementen diende beschouwd te worden als prestaties in ondergeschikt verband in het kader van een arbeidsovereenkomst. Deze prestaties zouden aldus onderworpen zijn aan het sociaal statuut van de werknemers. De sociale inspectie steunde zijn bevinding op het feit dat de betrokken vrijwilligers werkten volgens de instructies van de vzw Icarus en dat zij als tegenprestatie voor hun activiteit een loon ontvingen, in de vorm van een gratis toegang tot het concert, bonnetjes voor drank en etenen activiteitenbonnen.

Bij schrijven van 29 april 2003 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de vzw Icarus medegedeeld dat hij op basis van het verslag van de sociale inspectie overging tot de ambtshalve aangifte van de prestaties en de lonen van de vrijwilligers, en dit voor een periode die zich uitstrekte van het 1e kwartaal 1998 tot en met het 2e kwartaal 2002. Uit de conclusies van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid blijkt dat als looncomponenten uiteindelijk enkel de bonnen voor drank en eten en de activiteitsbonnen in aanmerking werden genomen.

Op 20 juni 2003 werd de afrekening toegezonden van de verschuldigde bijdragen.

3.

Vermits de vzw Icarus de onderwerping betwiste en derhalve niet tot een minnelijke regeling overging heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 15 juli 2003 de vzw Icarus gedagvaard in betaling van een bedrag van 95.321,14 euro , te vermeerderen met de lopende intresten.

Bij vonnis van 26 januari 2006 heeft de arbeidsrechtbank te Turnhout de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en de vzw Icarus veroordeeld tot betaling van de som van 95.321,14 euro , vermeerderd met de wettelijke intresten. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat alle constitutieve elementen voor een arbeid in ondergeschikt verband voorhanden waren.

De vzw Icarus heeft tegen dit vonnis beroep aangetekend voor het arbeidshof te Antwerpen.

Bij arrest van 21 december 2007 heeft het arbeidshof te Antwerpen het vonnis van de arbeidsrechtbank hervormd en heeft dit hof de oorspronkelijke vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid afgewezen. Het arbeidshof onderzocht de kwalificatie van de overeenkomst in het licht van de criteria, opgesomd in de arbeidsrelatiewet van 27 december 2006 te weten de uitvoering van de overeenkomst volgens de wil van de partijen, de vrijheid van organisatie van de werktijd, de vrijheid van organisatie van het werk en de mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen. Na afweging van de resultaten van zijn onderzoek oordeelde het arbeidshof uiteindelijk dat er geen sprake was van een tewerkstelling in ondergeschikt verband. Het hof liet zich daarbij essentieel leiden door de vaststelling dat de vzw Icarus niet kon beschikken over de inzet van de arbeid van de personen met wie zij samenwerkte omdat deze geheel vrij waren al dan niet in te gaan op het aanbod van werk

4.

Bij arrest van 18 oktober 2010 heeft het Hof van Cassatie, op verzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het arrest van het arbeidshof te Antwerpen verbroken. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de omstandigheid dat de uitvoerder van het werk over de vrijheid beschikt om al dan niet in te gaan op een werkaanbod, niet verhindert dat, van zodra deze het werkaanbod heeft aanvaard, de werkgever kan beschikken over de arbeid van de werknemer en deze arbeid volgens de bepalingen van de arbeidsovereenkomst kan regelen.

5.

Bij exploot van 27 januari 2011 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het arrest van het Hof van Cassatie aan de vzw Icarus betekend en heeft hij dagvaarding gegeven aan de vzw Icarus om te verschijnen voor het arbeidshof te Brussel teneinde uitspraak te doen over het door de vzw Icarus ingestelde beroep.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het arbeidshof te Antwerpen heeft het hoger beroep reeds ontvankelijk verklaard en werd op dit punt niet verbroken.

De zaak werd na het arrest van het Hof van Cassatie rechtsgeldig bij dit hof aanhangig gemaakt door de dagvaarding van 27 januari 2011.

III. BEOORDELING.

1.

De vzw Icarus stelt in de eerste plaats dat de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om tot ambtshalve onderwerping over te gaan nietig is omdat deze onvoldoende gemotiveerd is.

Wat de grond van de betwisting betreft stelt de vzw Icarus dat, in overeenstemming met de arbeidsrelatiewet van 27 december 2006, de voorrang dient gegeven te worden aan de kwalificatie die door de partijen zelf aan hun overeenkomst gegeven werd, in casu een vrijwilligersovereenkomst. Het komt, aldus de vzw, in toepassing van dit principe aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe om het bewijs bij te brengen dat de wijze waarop uitvoering gegeven werd aan deze vrijwilligersovereenkomst, niet in overeenstemming is met de kwalificatie die daaraan door de partijen gegeven werd.

De vzw Icarus wijst erop dat een arbeidsovereenkomst steeds intuïtu personae wordt aangegaan, waarbij de hoedanigheid van de werknemer voor de werkgever doorslaggevend is voor het afsluiten van de overeenkomst. Daarom wordt, aldus de vzw Icarus, iedere aanwerving in het kader van een arbeidsovereenkomst voorafgegaan door een selectieprocedure, waarbij de werkgever bepaalt met welke partij hij een overeenkomst wil afsluiten. Een dergelijke selectieprocedure was, steeds volgens de vzw Icarus, in de huidige betwisting helemaal niet voorhanden omdat het in feite de vrijwilligers zelf waren die, door in te schrijven voor een bepaalde activiteit, bepaalden of zij al dan niet aan deze activiteit deelnamen. Verder was er volgens de vzw Icarus ook geen sprake van arbeid in de zin van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. Volgens de vzw Icarus is er slechts sprake van beroepsarbeid in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet zodra inkomensverwerving de doorslaggevende beweegreden is voor het aangaan van de overeenkomst. Zulks zou in casu niet het geval geweest zijn. De vzw Icarus verwijst daarbij naar de verklaringen van een aantal ondervraagde werknemers die stelden dat de door hen uitgeoefende activiteit in essentie een vorm van ontspanning of van hobby was in plaats van arbeid. De vzw Icarus maakt daarbij de link naar de andere activiteiten die in het kader van de vzw werden aangeboden en die voor de betrokkenen eveneens bepalend waren voor hun aansluiting bij de vzw. Volgens de vzw Icarus was er ook geen sprake van een loon. De activiteitenbonnen, die de vrijwilligers ontvingen, waren volgens de vzw Icarus een loutere vrijgevigheid, waartoe zij niet verplicht was en waarvan, in tegenstelling met wat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanvoert, het bedrag niet vaststond. De vzw Icarus betwist ook dat zij over haar leden een gezag zou uitgeoefend hebben dat vergelijkbaar was met het gezag in het kader van een arbeidsovereenkomst. Tenslotte verwijst de vzw Icarus naar een vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 19 juni 2006 in een volledig vergelijkbare zaak, waarin de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van zijn vordering werd afgewezen en in deze beslissing berust heeft.

2.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt in de eerste plaats dat haar schrijven van 29 april 2003, waarbij aan de vzw Icarus werd medegedeeld dat tot een ambtshalve onderwerping aan de sociale zekerheid van de werknemers werd overgegaan, geen bestuurshandelingen is in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 op de formele motivering van bestuurshandeling zodanig dat deze kennisgeving niet diende te voldoen aan de geldigheidvoorwaarden van deze wet.

Voor wat betreft de grond van de zaak verwijst de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de eerste plaats naar het economisch opzet dat bij de vzw Icarus voorlag, ondanks haar structuur van vzw. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid baatte de vzw Icarus duidelijk een commerciële activiteit uit vermits zij de prestaties van haar vrijwilligers factureerde aan het sportpaleis of aan een eventuele andere organisator van het evenement. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wijst er daarbij op dat de vzw Icarus, ondanks haar structuur, onderworpen was aan de vennootschapsbelasting.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overloopt dan de elementen van het dossier volgens de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst. Hij stelt dat de omstandigheid dat geen echte selectieprocedure voor de vrijwilligers aanwezig was geen determinerend element is om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ontvingen de vrijwilligers wel degelijk een loon in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet, met name in de vorm van gratis kledij, het gratis mogen bijwonen van de show, gratis drank en voedsel en de activiteitenbonnen. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waren de vrijwilligers ook onderworpen aan het gezag van de vzw Icarus en dit zowel voor wat betreft de vrijheid van organisatie van de werktijd, als voor wat betreft de vrijheid van organisatie van de arbeid, en was er wel degelijk een mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is ten slotte de omstandigheid dat sommige betrokkenen verklaarden dat zij de activiteit eerder als een vorm van ontspanning of hobby uitoefenden geen reden om te oordelen dat het niet om een arbeidsprestatie zou gaan.

3.1.

Overeenkomstig artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepalen. Van dat bedrag wordt de werkgever per aangetekende brief in kennis gesteld. Overeenkomstig artikel 40, 1e lid van dezelfde wet kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de hem verschuldigde bijdragen bij dwangbevel invorderen, "onverminderd zijn recht om voor de rechter te dagvaarden".

Overeenkomstig artikel 580,1° van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers voor de betaling van de bedragen opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid.

Uit deze bepalingen volgt dat wanneer de rechter door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gevraagd wordt uitspraak te doen over een vordering tot de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, de rechter ertoe gehouden is om de arbeidsverhouding tussen partijen en de feitelijke elementen waarop de vordering steunt te onderzoeken en daaruit de wettelijke gevolgen te trekken (Cass. 27.10.2003 ,htpp:/juridat.just.fgov.be).

Wanneer aldus de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, in plaats van de bijdragen op te vorderen bij wijze van dwangbevel, zich tot de rechtbank wendt en aldus de verplichting tot betaling van bijdragen aan de beoordeling van de Arbeidsrechtbank onderwerpt, heeft de omstandigheid dat voorafgaandelijk een bericht van ambtshalve wijziging van de bijdragen werd opgesteld dat niet voldoet aan de verplichting tot motivering, opgelegd door de wet 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, geen gevolg voor de beoordeling van de aan de rechter voorgelegde betwisting.

3.2.

Ten overvloede dient daaraan toegevoegd te worden dat, anders dan de vzw Icarus voorhoudt, het bericht tot wijziging van de bijdragen, of de daaraan voorafgaande beslissing tot ambtshalve regularisatie, geen bestuurshandelingen zijn in de zin van de wet van 29 juli 1991.

Overeenkomstig artikel 1 van de vermelde wet van 29 juli 1991 wordt onder bestuurshandeling verstaan "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur".

Het begrip "eenzijdige rechtshandeling" in de zin van deze bepaling houdt in dat het gaat om een handeling die als dusdanig rechten en plichten doet ontstaan, zonder dat het noodzakelijk is zich daarvoor voorafgaandelijk tot de rechter te wenden. Het begrip rechtshandeling impliceert aldus de notie "uitvoerbaarheid" (cfr. J.Baert en G. Debersacques, Raad van State. 2. De ontvankelijkheid Brugge, Die Keure 1996, p. 8).

Het is in die zin dat het begrip bestuurshandeling ook kan omschreven worden als "een beslissing die directe rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbaar karakter heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens een beslissing te kunnen uitvoeren". (J.Vande Lanotte & E. Cerexhe, De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, 1993, p.23-24). Het gaat om een beslissing die bekleed is met het vermoeden van wettelijkheid.

Er dient aldus onderzocht te worden of het bericht tot wijziging van de bijdragen of de voorafgaandelijk beslissing tot ambtshalve onderwerping directe rechtsgevolgen teweegbrengen en aldus een uitvoerbaar karakter hebben.

Uit artikel 40, eerste lid van de wet van 27 juni 1969 blijkt dat het bericht tot wijziging van bijdragen, zoals bedoeld in artikel 22 van de wet, geen directe rechtsgevolgen heeft vermits de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die op basis van de ambthalve onderwerping de bijdragen wil innen zich hetzij tot de rechter moet wenden hetzij de bijdragen moet innen bij wijze van dwangbevel (Cass. 18.12.2000, J.T.T. 2001, p.181).

3.3.

Er is dan ook geen voldoende grondslag om de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid af te wijzen op grond van de vaststelling dat de beslissing tot ambtshalve onderwerping aan de sociale zekerheid niet voldoende gemotiveerd was.

4.1.

Overeenkomstig artikel 1 § 1 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers vindt die wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Overeenkomstig artikel 14 §§ 1 en 2 van dezelfde wet worden de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer, waarbij het begrip loon, onder voorbehoud van verruiming of beperking door de koning, bepaald wordt door art. 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Overeenkomstig art. 2, 1° van de wet van 12 april 1965 wordt onder loon verstaan het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

4.2.

Eén van de constitutieve elementen voor de onderwerping aan de sociale zekerheid der werknemers is aldus het bestaan van een (overeengekomen) loon waarop de werknemer, ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

Zoals prof. De Vos uiteen zet in zijn studie " Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht" (p.98-109, 136, 176-182 e.v.) wordt niet iedere arbeidsprestatie noodzakelijk verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, maar dient bij het onderzoek naar de vraag of het gaat om een arbeidsovereenkomst, en of een loon betaald wordt als tegenprestatie van deze arbeidsovereenkomst, rekening gehouden te worden met het doel en de oorzaak van de prestaties. Heel wat arbeidsprestaties worden immers verricht buiten het kader van een arbeidsovereenkomst, zoals de prestaties in het kader van een stageovereenkomst, een leerovereenkomst of een scholingsovereenkomst, of ook nog arbeid verricht op basis van vrijwilligheid, een au pair overeenkomst of "arbeid" verricht door bepaalde sportbeoefenaars.

Volgens deze auteur is, om te kunnen oordelen of er sprake is van arbeid in de zin van een arbeidsovereenkomst, het doel of de oorzaak van de prestatie bepalend (p.98). Het doel of de oorzaak van de prestatie is daarbij volgens hem de omstandigheid dat de werknemer arbeid verricht om in zijn levensonderhoud te voorzien: dit is de primaire beweegredenen voor het aangaan van de arbeidsverbintenis. Verder in zijn studie (p.100) preciseert hij dat de inkomensverwerving (in het algemeen) de doorslaggevende beweegreden is voor het aangaan van de arbeidsovereenkomst

De auteur verwijst daarbij naar twee cassatiearresten, weliswaar gewezen in het kader van de werkloosheidsreglementering met betrekking tot de vraag of de vergoeding, die in het kader van een leerovereenkomst wordt uitbetaald, als een beroepsinkomen moet beschouwd worden (Cass. 18.06.1990, Arr. Cass. 1989-1990, 1327 met conclusie advocaat-generaal Lenaerts en Cass. 29.10.1990, Arr. Cass. 1990-1991, 256). In het arrest van 18 juni 1990 oordeelde het Hof dat onder beroepsinkomen dient te worden verstaan het inkomen dat iemand geniet ingevolge het uitoefenen van zijn beroep en dat een beroep een maatschappelijke werkkring is die dient als bron van levensonderhoud. In zijn advies benadrukte advocaat-generaal Lenaerts dat de arbeid die verricht wordt in het kader van een leerovereenkomst er in de eerste plaats op gericht is een beroepskennis te verwerven die de leerling later in staat moet stellen in zijn onderhoud te kunnen voorzien, maar niet gericht is op zijn actueel levensonderhoud. Hij voegde eraan toe dat de vergoeding die in het kader van een dergelijke overeenkomst eventueel betaald wordt, ook niet kan beschouwd worden als een tegenprestatie van de verrichte arbeid, maar eerder als een aanmoediging voor het volgen van de opleiding.

4.3.

De geciteerde rechtspraak van het Hof van Cassatie kan uiteraard niet zonder meer overgeplaatst worden naar de huidige betwisting, maar ze geeft in ieder geval een nuttig denkkader voor de aflijning die noodzakelijk moet gemaakt worden (zoals prof.De Vos schrijft), tussen de arbeid die verricht wordt in het kader van de arbeidsovereenkomst, met een loon als tegenprestatie en de arbeid die verricht wordt in een aantal andere situaties, waarbij de toekenning van een vergoeding niet het doorslaggevend motief is geweest voor het opnemen van een "arbeidsprestatie" (maar die naar de inhoud dezelfde kan zijn dan deze die verricht wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst). Naast de "arbeid" die verricht wordt in het kader van het gereglementeerd vrijwilligerswerk (thans geregeld door de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van de vrijwilliger, die nog niet van toepassing was op het ogenblik van het ontstaan van de betwisting), bestaat er ongetwijfeld een zeer groot "aanbod" aan vrijwilligerswerk in het kader van (commerciële of niet commerciële) muziekfestivals, grote sportmanifestaties en allerlei culturele activiteiten van diverse omvang. In het kader van deze activiteiten bieden vaak vele jongeren op vrijwillige basis en zonder vraag tot vergoeding hun medewerking aan, met als beoogde tegenprestatie de mogelijkheid om gratis aan deze activiteit mee te doen en in het kader van deze activiteit een aantal contacten te realiseren of activiteiten te verrichten die zij buiten dit kader niet zouden verrichten. In de praktijk krijgen deze vrijwilligers wel een vergoeding voor een activiteit vermits zij gratis toegang hebben tot een evenement. Deze vergoeding wordt dan vaak en logisch aangevuld met de mogelijkheid om zich tijdens de activiteit zonder kosten te voeden, terwijl soms ook beperkte en eerder symbolische materiële voordelen worden toegekend.

Het is volgens het hof niet met de finaliteit van het sociale zekerheidssysteem voor werknemers te verenigen om al deze activiteiten, en de "vergoedingen" die daarvoor verkregen worden, verzekeringsplichtig te maken, terwijl de deelnemers aan deze activiteit helemaal geen inkomstenverwerving tot doel hebben, maar wel een boeiende invulling van de vrije tijd waarover ze beschikken en terwijl hun "arbeid", door zijn accessoir karakter hen ook nooit geen, of geen substantieel sociaal zekerheidsvoordeel zal opleveren.

4.4.

Het hof is er zich uiteraard van bewust dat de aflijning tussen wat dan beschouwd worden als beroepsarbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst en wat kan beschouwd worden als vrijwilligerswerk in de ruime omschrijving, die daarvan hierboven gegeven wordt, delicaat is en dat misbruiken mogelijk zijn. In ieder dossier dient daarom individueel onderzocht te worden welk voor de vrijwilliger het doorslaggevend motief geweest is om een bepaalde arbeid op zich te nemen: inkomstenverwerving of vrijetijdsbesteding.

4.5.

In het voorliggende dossier werden de betrokken ‘vrijwilligers' niet systematisch ondervraagd naar de beweegredenen van hun medewerking aan de georganiseerde evenementen. Uit de spontane verklaring van drie van hen (de heer De Cat, mevrouw Vandenbossche en de heer Verhaeghen) blijkt dat de medewerking aan de evenementen voor hen een vorm van ontspanning was, een hobby en een mogelijkheid om gratis naar een concert te kunnen gaan. De heer De Cat gaf er om die reden de voorkeur aan te werken als vrijwilliger binnen het kader van deze vzw, eerder dan werk aan te nemen als beveiligingsagent, dat wel betaald wordt.

Uit het geheel van de verklaringen blijkt ook dat er in feite weinig belang gehecht wordt aan de toegekende "activiteitenbonnen". Een aantal ondervraagden weet niet goed hoe het systeem werkt, weet niet op hoeveel bonnen zij recht hebben of wat zij waard zijn of wat er mee kan gedaan worden. Een aantal ondervraagden zegt geen gebruik te maken van de bonnen omdat zij niet geïnteresseerd zijn in de activiteiten die door de vzw georganiseerd worden (reizen naar het buitenland of naar andere evenementen).

Uit de afgenomen verklaringen blijkt verder dat de bonnen niet inwisselbaar waren tegen geld en wel degelijk gebruik dienden te worden het kader van de vzw (waarvan al de ondervraagden een lidkaart hadden), hetzij door de deelname aan activiteiten, hetzij door bepaalde beperkte aankoopmogelijkheden van cd's en T-shirts.

4.6.

Uit de studie van de voorgelegde stukken komt anderzijds naar voor dat de vzw Icarus wel duidelijk een commerciële activiteit ontwikkelde en zeker geen "zuivere" vzw was. Zij heeft zich akkoord verklaard met een onderwerping aan de vennootschapsbelasting. Uit de neergelegde boekhoudkundige stukken blijkt zij een belangrijke omzet realiseerde, die wellicht ook uit andere activiteiten moet bestaan hebben dan deze die thans ter discussie staan. Zulks is echter in rechte geen voldoende element om te oordelen dat het om een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst zou gaan. Uitgangspunt is immers, zoals hierboven ontwikkeld, de beweegreden in hoofde van de vrijwilliger om met de vzw samen te werken en deze beweegreden was volgens het hof niet in essentie inkomensverwerving.

Uit de studie van de voorgelegde stukken blijkt ook dat, alhoewel de vzw een belangrijke commerciële doelstelling had, het verenigingsaspect zeker reëel was en niet enkel de dekmantel om een commerciële activiteit te verbergen. De vzw Icarus had o.m. een eigen tijdschrift. Uit de lezing van de neergelegde tijdschriften blijkt dat er wel degelijk " verenigingsactiviteiten" voor de leden georganiseerd werden, zoals een aantal reizen naar het buitenland. Zulks wordt ook bevestigd door een aantal ondervraagde personen.

4.7.

Het hof komt aldus tot de bevinding dat de door de sociale inspectie vastgestelde arbeid niet kan gekwalificeerd worden als een arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst omdat in hoofde van de"vrijwilligers" de medewerking aan de activiteiten niet gericht was op het verwerven van een inkomen door arbeid, maar wel in essentie op het verrichten van een vrije tijdsactiviteit. De aan deze activiteit verbonden "vergoedingen" waren zo beperkt in omvang dat zij de kwalificatie van een vrijwilligersactiviteit niet tegenspreken.

Het hoger beroep wordt door het hof op deze basis gegrond bevonden, zonder dat het noodzakelijk is de andere door partijen aangevoerde argumenten te onderzoeken.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en wijst de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volledig af van zijn oorspronkelijke vordering voor de arbeidsrechtbank.

Veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden in hoofde van de vzw Icarus begroot op 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep en 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 16 februari 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELING- Toepassingsgebied. Wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid der werknemers. Artikel 1.