- Arrêt du 10 juin 2011

10/06/2011 - 2010/AB/370

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De omstandigheid dat de opzeggingstermijn de wettelijke minimumtermijn

overschrijdt doet er niet aan af dat de termijn bepaald wordt met inachtname van

artikel 82 §2. De werknemer kan na het verstrijken van een opzeggingsvergoeding,

overeenstemmend met een dergelijke opzeggingstermijn, aanspraak maken op zijn

recht op brugpensioen.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 JUNI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

V. E.,

appellant,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. SCHEYS Veerle loco mr. NULENS Johan, advocaat te 3500 HASSELT, Kolonel Dusartplein 34 bus 1.

Tegen:

REGIONAAL ZIEKENHUIS HEILIG HART TIENEN VZW, met zetel te 3300 TIENEN, Kliniekstraat 45,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANDEN POEL Isabelle loco mr. VAN ROEYEN Wim, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat 3.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 1 april 2010 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 09/1001/A).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 16 april 2010;

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 20 oktober 2010 en 25 februari 2011,

- de conclusies en syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 1 september 2010, 31 januari 2011 en 1 april 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 13 mei 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 30 juli 2008 ondertekenden de heer V. E. en de VZW Algemeen Ziekenhuis Heilig Hart een bediendecontract, waardoor de heer V. met ingang van 1 mei 1985 voltijds in dienst kwam als adjunct van de algemene directrice van het ziekenhuis.

Hij oefende de functie uit van directeur.

Als gevolg van een herschikking van de directiefuncties werd hij op 16 oktober 2008 ontslagen door middel van een gerechtsdeurwaarderexploot, waarin de onmiddellijke verbreking van een arbeidsovereenkomst werd bevestigd met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding, die nadien door de werkgever zou betaald worden op basis van 26 maanden.

Op het C4 formulier wordt aangeduid dat zijn tewerkstelling nog zou lopen tot 31 oktober 2008 en wordt een verbrekingsvergoeding vooropgesteld die de periode dekt van 1 november 2008 tot en met 21 maart 2011.

2. Via schrijven van zijn raadsman van 28 november 2008 stelt de heer V. de VZW in gebreke in betaling van een saldo opzeggingsvergoeding van euro 66.659,44. Hij verwijst voor de termijn van 29 maanden naar het C4 formulier en hij herberekent het basisloon.

Tevens maakt hij aanspraak op brugpensioen op grond van de CAO nr. 17 van de NAR.

Deze aanspraken worden betwist in een antwoordschrijven van de raadsman van het ziekenhuis, waarbij tevens terugbetaling gevraagd wordt van het loon voor de periode van 16 oktober tot 30 oktober 2008 of euro 2.541,21.

3. Uit de verdere briefwisseling volgt dat de partijen niet tot overeenstemming komen, zodat de heer V. bij tegensprekelijk verzoekschrift een vordering inleidt tegen de VZW in betaling van een saldo opzeggingsvergoeding van euro 66.659,44, te vermeerderen met intresten en kosten en afgifte van een C4 brugpensioen plus de overeenstemmende sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

Bij besluiten van 23 december 2009 vraagt hij nog veroordeling tot een bedrag van euro 1 provisioneel als aanvullende vergoeding brugpensioen op grond van de CAO nr. 17 en breidt hij zijn vordering in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding in hoofdorde uit tot het bedrag van euro 88.844,49.

De VZW Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart stelt bij besluiten van 8 en 15 oktober 2009 een tegenvordering in terugbetaling van euro 2.931,03 wegens ten onrechte ontvangen loon en het vakantiegeld hierop.

4. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 1 april 2010 worden de vorderingen ontvankelijk verklaard en wordt de vordering in betaling van een saldo opzeggingsvergoeding gedeeltelijk gegrond verklaard ten belope van euro 2.856, berekend op een totaal van 26 maanden, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten; de tegenvordering in terugbetaling van euro 2.931 te vermeerderen met gerechtelijke intresten wordt eveneens gegrond verklaard; voor de vorderingen in verband met het brugpensioen worden de debatten heropend.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 16 april 2010, tekent de heer V. hoger beroep aan, waarbij hij in hoofdorde een aanvullende opzeggingsvergoeding op basis van 32 maanden vordert of euro 88.844,49 en in ondergeschikte orde euro 66.659,44, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten; tevens herneemt hij zijn vorderingen in verband met brugpensioen (aanvullende vergoeding ten bedrage van euro 1 provisioneel en afgifte van het formulier C4 brugpensioen onder verbeurte van een dwangsom), doch hij steunt deze vorderingen op de bedrijfs-CAO van 18 december 2006; ten slotte vraagt hij afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom en afwijzing van de tegenvorderingen van de VZW met veroordeling van de VZW tot de kosten van beide aanleggen.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

De opzeggingsvergoeding

2. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereen-komstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

3. Partijen hebben betwisting over de samenstelling van het basisloon, wat betreft het in aanmerking nemen van de leeftijdstoeslag en de weerslag hiervan op vakantiegeld en eindejaarspremie, de waardering van het privaat gebruik van de firmawagen en de GSM.

Tevens is er discussie over de anciënniteit.

Het basisloon

De leeftijdstoeslag

4. De CAO van 26 oktober 2005 tot vrijstelling van arbeidsprestaties in het kader van de eindeloopbaanproblematiek, afgesloten in het paritair comité 305 (thans 330) (KB 1 oktober 2008, B. S. 27 november 2008) voorziet in zijn artikel 6 §1 voor personeelsleden, zoals de heer V. , die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, in de toekenning van vrijstelling van prestaties van de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd onder de vorm van 288 betaalde uren per jaar.

Artikel 6 §2 maakt het echter mogelijk dat bepaalde personeelsleden opteren voor het behoud van hun prestaties conform hun contractuele wekelijkse arbeidstijd, waarbij ze dan een premie bekomen gelijk aan 15,78% van het loon. Vanaf 1 oktober 2005 verliezen de werknemers deze keuzemogelijkheid met uitzondering van het verpleegkundig personeel, de verpleegkundige diensthoofden en de adjunct diensthoofden.

Niet betwist wordt dat de heer V. deze keuzemogelijkheid niet benutte hij genoot van de vrijstelling van prestaties onder de vorm van 288 betaalde uren per jaar.

De heer V. houdt voor dat zijn basisloon niettemin moet worden vermeerderd met de premie die hij zou hebben genoten bij het niet opnemen van de vrijstelling van prestaties.

Op die wijze tracht de heer V. tweemaal een voordeel voor hetzelfde te bekomen.

Bij de door hem gekozen vrijstelling van prestaties bekomt hij betaling van 288 niet gepresteerde uren per jaar. De CAO voorziet dat in dat geval geen premie wordt betaald, zodat de heer V. deze leeftijdstoeslag en het vakantiegeld hierop niet aan zijn basisloon kan toevoegen als lopend loon of als voordeel verworven krachtens de overeenkomst. Ook voor de berekening van de eindejaarspremie kan met dit niet bestaande voordeel geen rekening worden gehouden.

Het door hem ingeroepen cassatiearrest van 5 oktober 2009 (JTT 2010, 86 met noot) heeft betrekking op de mogelijke verlenging van de opzeggingstermijn en heeft geen relevantie in verband met de begroting van het basisloon.

Het privaat gebruik van de bedrijfswagen met tankkaart en de GSM

5. Op 31 maart 1998 ondertekenden partijen een overeenkomst in verband met de bedrijfswagen, die in artikel 9 voorziet dat deze ter beschikking blijft van de werknemer.

Niettegenstaande in artikel 2, 3 en 6 voorzien wordt in een budget van 700.000 frank exclusief BTW, bevestigen partijen dat deze limiet niet in acht genomen werd bij de aankoop in juni 2008 van de laatste bedrijfswagen Volvo V70.

Het voordeel van het privaat gebruik dient te worden geraamd op basis van het reële voordeel en rekening houdend met de ter beschikking gestelde tankkaart, waardeert het arbeidshof dit voordeel op euro 500/maand - euro 144,75 = euro 355,25.

6. Er kan aangenomen worden dat de heer V. ook zijn GSM privaat kon gebruiken, daar de werkgever de integrale GSM factuur betaalde, wat niet wordt betwist.

Dit voordeel kan worden geraamd op euro 50 per maand.

7. Het bruto jaarloon in de zin van artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet bedraagt dan ook:

- vast loon en dubbel vakantiegeld euro 4870,66 x 12,92 euro 62.928,93

- eindejaarspremie euro 1.766,44

- privaat gebruik firmawagen euro 355,25 x 12 euro 4.263,00

- privaat gebruik GSM euro 600,00

- werkgeversbijdrage groeps- en hospitalisatieverzekering euro 3.099,36

totaal euro 72.657,73

De anciënniteit

8. Ten onrechte wil de heer V. uit de loondocumenten afleiden dat er een conventionele anciënniteit zou zijn toegekend vanaf 1 januari 1978.

Op de loondocumenten wordt als datum van indiensttreding vermeld: 1 augustus 1984.

De ruimere anciënniteit die voor de loonberekening in acht wordt genomen heeft geen weerslag op de anciënniteitperiode, die bepalend is voor de begroting van de opzeggingstermijn.

Dit is des te meer zo daar voor de loonberekening in de ziekenhuissector rekening wordt gehouden met de baremieke anciënniteit, die binnen bepaalde grenzen de tewerkstelling in de sector in acht neemt.

De heer V. had dan ook een anciënniteit van 24 jaar en 2,5 maanden.

9. Rekening houdend met deze anciënniteit, de leeftijd van bijna 59 jaar, de directiefunctie en het jaarloon van euro 72.657,73 en de gegevens eigen aan de zaak raamt het hof de kans voor de heer V. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden op een periode van 29 maanden.

De verbrekingsbrief bepaalde het einde van de tewerkstelling op 16 oktober 2008 te 9:00 uur. Nadien werd aan de heer V. nog loon uitbetaald tot 30 oktober 2008 of euro 4.870,66 x 14/30 = euro 2.272,97 en het vakantiegeld hierop of euro 2.272,97 x 15,34% = euro 348,67, hetzij samen euro 2.621,64.

Niet betwist wordt dat de heer V. reeds een opzeggingsvergoeding bekwam van euro 147.796,07.

Hij kan dus nog aanspraak maken op een saldo van:

euro 72.657,73 x 29/12 = euro 175.589,51

- uitbetaald voor oktober 2008 euro 2.621,64

- uitbetaalde opzeggingsvergoeding euro 147.796,07

blijft euro 25.171,80

Op die wijze heeft het hof ook de tegenvordering van de VZW ontmoet, zodat de afzonderlijke behandeling ervan zonder voorwerp wordt.

Devolutieve aard van het hoger beroep : het brugpensioen

10. Op 18 december 2006 werd een bedrijfs-CAO afgesloten in het kader van de CAO nr. 17 van 19 december 1974 van de Nationale Arbeidsraad betreffende brugpensioen - loopbaan in voltijdse regeling.

Deze CAO voorziet in een conventioneel brugpensioen voor werknemers van 58 jaar en ouder die worden ontslagen, behalve wegens dringende reden, op voorwaarde dat zij een beroepsverleden als loontrekkende kunnen rechtvaardigen van 25 jaar (artikel 2).

Niet betwist wordt dat de heer V. aan de voorwaarden van deze CAO voldoet, maar de VZW houdt voor dat hij van dit voordeel afstand heeft gedaan in het kader van voorafgaande besprekingen, waarbij hij geen vrede nam met de minimum opzeggingstermijn.

11. Een afstand van recht dient ondubbelzinnig te zijn en kan slechts afgeleid worden uit de feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn (Cass. 23 januari 2006, RABG 2006, 981 met noot V. Dooms).

Nergens blijkt uit dat de heer V. afstand zou gedaan hebben van zijn recht op brugpensioen. Alleszins bewijst de VZW de door haar ingeroepen (uitdrukkelijke of stilzwijgende) afstand niet.

Integendeel de heer V. was in bespreking en hij achtte het voorstel van zijn werkgever onvoldoende, omdat deze onvoldoende tegemoetkwam aan zijn recht op opzeggingsvergoeding.

Verkeerdelijk meent de VZW dat het recht op brugpensioen gebonden is aan een minimum opzeggingsvergoeding.

De omstandigheid dat de opzeggingstermijn de wettelijke minimumtermijn overschrijdt doet er niet aan af dat de termijn bepaald wordt met inachtname van artikel 82 §2 (Cass. 29 oktober 2007, JTT 2008, 255). De werknemer kan na het verstrijken van een opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met een dergelijke opzeggingstermijn, aanspraak maken op zijn recht op brugpensioen.

De bepaling van artikel 2, derde lid van de bedrijfs-CAO doet daar niets aan af.

12. De heer V. maakt in die omstandigheden terecht aanspraak op de afgifte van een formulier C4 brugpensioen en op de aanvullende vergoeding, die hij voorlopig begroot op euro 1.

De VZW bevestigt dat zij bereid is om het formulier C4 brugpensioen, alsook de andere sociale en fiscale documenten vrijwillig af te geven, zodat het niet nodig is om de veroordeling hiertoe te laten plaatsvinden onder verbeurte van een dwangsom. Immers nergens blijkt uit dat de VZW in het verleden op dit punt slordig of nalatig zou zijn geweest.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gedeeltelijk gegrond;

Veroordeelt de VZW Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart Tienen tot betaling aan de heer V. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 25.171,80, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 16 oktober 2008 en de gerechtelijke intresten.

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, zegt voor recht dat de heer V. na afloop van de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding aanspraak kan maken op de aanvullende vergoeding brugpensioen zoals voorzien in de bedrijfs-CAO van 18 december 2006 en veroordeelt de VZW tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 1.

Veroordeelt de VZW Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart Tienen tot afgifte van het formulier C4 brugpensioen, alsook tot afgifte van de met de aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmende sociale en fiscale documenten, zoals loonfiche, individuele rekening en fiscale fiche.

Stelt vast dat de tegenvordering zonder voorwerp is door opname in de berekening van de aanvullende opzeggingsvergoeding.

Compenseert de gerechtskosten bij gelijke helften, deze aan de zijde van beide partijen begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en hoger beroep telkens euro 3000,

doch door het hof wegens indexatie voor beide partijen vereffend op

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 3.300

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 3.300

totaal euro 6.600

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 10 juni 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN

  • Opzeggingstermijn

  • Brugpensioen