- Arrêt du 16 juin 2011

16/06/2011 - 2007/AB/49560

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De verjaring van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde socialezekerheidsbijdragen voor werknemers wordt gestuit door de schulderkenning door de RSZ in het bericht van wijziging van bijdragen.

De interestvoet voor de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde socialezekerheidsbijdragen wordt bepaald op grond van de wet op de lening tegen interest, als gewijzigd door art. 42 van de programmawet van 8 juni 2008.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN ELF.

7e KAMER

Sociale Zekerheidsrecht Werknemers- bijdragen werkgevers

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak :

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van Den Bossche I. loco meester De Greef Dirk, advokaat te Zellik,

tegen :

INDUSTRIAL PRODUCTS & PNEUMATICS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2610 Wilrijk (Antwerpen) , Biesthoevelaan 25,

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Vandermeersch S. loco meester Buyssens Herman, advocaat te Antwerpen .

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak, door de 4de kamer van het arbeidshof te Antwerpen op 22 oktober 2004;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak, door de 3de kamer van het Hof van Cassatie op 30 oktober 2006;

- de dagvaarding tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 21 februari 2007;

-de conclusies en aanvullende en syntheseconclusies, tweede aanvullende en syntheseconclusies, derde aanvullende en syntheseconclusies en vierde aanvullende en syntheseconclusies voor de appellante neergelegd ter griffie op 18 september 2007, 17 december 2008, 29 april 2010, 15 oktober 2010 en 1 februari 2011

- de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 28 december 2007, 23 oktober 2009, 16 augustus 2010, 15 december 2010 en 1 maart 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 17 maart 2011 , waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op de zitting van 28 april 2011 waarop ze verdaagd werd voor uitspraak op de openbare terechtzitting van 19 mei 2011 waarop de zaak werd verdaagd en voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

I. FEITEN

De heer Van der Voort werd op 12 juli 1990 benoemd tot afgevaardigd bestuurder van de NV Industrial Products & Pneumatics (hierna genoemd de NV) en was tevens actief als bediende van de NV met als functie algemeen directeur. Vanaf 12 maart 1993 werd deze arbeidsovereenkomst beëindigd.

Naar aanleiding van een door de inspectie van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (hierna genoemd de RSZ) op 3 maart 1994 uitgevoerd onderzoek, meldde de RSZ met brief van 28 april 1994 aan de NV beslist te hebben dat de heer Van der Voort voor de NV geen prestaties leverde in uitvoering van een arbeidsovereenkomst, en dat de voor hem ingediende aangiften geannuleerd zouden worden voor de niet verjaarde kwartalen. Dit werd gevolgd door een op 6 mei 1994 opgesteld bericht van wijziging der bijdragen, dat een bedrag in het voordeel van de NV van 1.973.245 BEF (48.915,47 EUR) vertoonde.

Met brief van 29 juli 1994 vroeg de NV aan de RSZ dit bedrag terug te storten op een nader aangeduide bankrekening.

Met brief van 10 oktober 1994 antwoordde de RSZ dat de bedragen die vrijgekomen waren naar aanleiding van de aangiften voor de heer Van der Voort in afwachting van het verloop van de strafprocedure zou geboekt worden naar de verlies- en winstrekening.

Intussen was inderdaad een strafprocedure lastens de heer Van der Voort gestart wegens bedrieglijke onderwerping aan de toepassing van de RSZ-Wet voor de correctionele rechtbank te Antwerpen. Deze strafprocedure werd beëindigd met arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 14 december 2000, waarbij de strafvordering vervallen werd verklaard door verjaring.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 13 december 1995 vorderde de NV voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen betaling door de RSZ van 1.973.245 BEF (48.915,47 EUR) onverschuldigde bijdragen, te verhogen met de verwijlintrest vanaf 6 mei 1994, minstens met de gerechtelijke intrest en de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding.

Zij vorderde tevens de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 17 juni 2002 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, en zij veroordeelde de RSZ tot betaling aan de NV van 44.278,27 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest sedert de dagvaarding. De RSZ werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding.

Uit deze beslissing weerhoudt het arbeidshof dat de arbeidsrechtbank aanvaardde dat het bericht van wijziging van bijdragen van 6 mei 1994 als een schulderkenning moet worden beschouwd, dat de vordering met betrekking tot het eerste kwartaal 1991 als verjaard werd beschouwd en dat enkel de gerechtelijke intrest werd toegekend.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 6 september 2002 tekende de RSZ hoger beroep aan tegen dit vonnis; zij vorderde dit vonnis te hervormen en de oorspronkelijke vordering van de NV ongegrond te verklaren, met verwijzing van de NV tot de kosten van het geding.

e.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 16 april 2004, tekende de RSZ incidenteel beroep aan tegen het vonnis, waarbij zij in hoofdorde vorderde dat haar volledige oorspronkelijke vordering toegekend zou worden.

f.-

Met arrest van 22 oktober 2004 verklaarde het Arbeidshof te Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. De RSZ werd veroordeeld tot terugbetaling aan de NV van 48.915,47 EUR, te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 30 juli 1994 en met de gerechtelijke intrest. De kosten van beide aanleggen werden ten laste gelegd van de RSZ.

g.-

Met voorziening, ingediend ter griffie van het Hof van Cassatie op 29 maart 2005, vorderde de RSZ de vernietiging van voornoemd arrest en de verwijzing naar een ander arbeidshof.

h.-

Met arrest van 30 oktober 2006 vernietigde het Hof van Cassatie het bestreden arrest en verwees het de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.

i.-

Met akte van 30 januari 2007 betekende de NV het arrest van het Hof van Cassatie aan de RSZ met dagvaarding om te verschijnen voor het Arbeidshof te Brussel. Zij vorderde in hoofdorde haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren en de RSZ te veroordelen tot betaling van 44.278,27 EUR, en bijgevolg het bestreden vonnis te hervormen waar het stelt dat de terugvordering voor wat het eerste kwartaal van 1991 verjaard is zodat een bijkomend bedrag van 4.637,20 EUR, en op al deze bedragen de intrest toe te kennen vanaf 30 juli 1994; in ondergeschikte orde de RSZ te veroordelen tot terugbetaling van 44.278,27 EUR; in nog meer ondergeschikte orde vorderde zij de veroordeling van de RSZ tot terugbetaling van alle bijdragen betaald tussen 13 december 1992 en maart 1993 voor de heer Van der Voort.

Tevens vorderde zij de veroordeling van de RSZ tot de kosten van alle aanleggen.

In de verdere procedure begrootte de NV haar vordering in uiterst ondergeschikte orde op 11.634,10 EUR. Zij vorderde in elke hypothese intrest vanaf 29 juli 2004, tevens in elke hypothese dat de intrest vanaf 1 januari 2009 dient te worden berekend aan 7 % per jaar en de kapitalisatie toe te staan van de op datum van 15 december 2010 reeds vervallen intrest.

j.-

De RSZ vordert in hoofdorde de oorspronkelijke vordering van de NV ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde akte te verlenen aan de RSZ dat hij zich naar de wijsheid van het hof gedraagt voor wat het saldo betreft van 11.634,01 EUR; in beide hypotheses vordert hij de NV te veroordelen tot de kosten van alle aanleggen.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn.

IV. BEOORDELING

1. De verjaring van de vordering

a.-

Artikel 42 van RSZ-wet, zoals van toepassing op de aan het arbeidshof voorgelegde betwisting, bepaalt dat de vorderingen ingesteld tegen de RSZ tot terugbetaling van niet verschuldigde bijdragen, verjaren na drie jaar vanaf de dag van de betaling.

Deze regel geldt slechts in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor betaling werd verricht.

(vgl. Cass. 24 januari 2000, Arr. Cass. 2000, nr. 59)

De beslissing van de RSZ tot annulering van de aangifte die een werkgever heeft gedaan voor een persoon die geen werknemer is, maakt geen latere gebeurtenis uit die de bijdrageplicht van de werkgever verandert.

(vgl. Cass. 30 oktober 2006, S.05.0034.N)

Met toepassing van deze principes moet principieel worden aanvaard dat de vordering van de NV tot terugbetaling van niet verschuldigde bijdragen voor de prestaties van de heer Van der Voort, voor zover deze ingesteld is meer dan drie jaar vanaf de respectievelijke data van betaling, verjaard is, voor zover de verjaring niet gestuit of geschorst werd.

b.-

Artikel 2248 BW bepaalt dat de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring stuit.

Schulderkenning bestaat van zodra de schuldenaar te kennen geeft dat hij een bedrag verschuldigd is.

Met brief van 28 april 1994 meldde de RSZ aan de NV beslist te hebben dat de heer Van der Voort voor de NV geen prestaties leverde in uitvoering van een arbeidsovereenkomst, en dat de voor hem ingediende aangiften geannuleerd zouden worden voor de niet verjaarde kwartalen.

Naar het oordeel van het arbeidshof is deze brief geen schulderkenning zoals hoger omschreven, vermits de RSZ in deze brief niet erkent een bedrag aan de NV verschuldigd te zijn.

Dit werd gevolgd door een op 6 mei 1994 opgesteld bericht van wijziging der bijdragen, dat een bedrag in het voordeel van de NV van 1.973.245 BEF (48.915,47 EUR) vertoonde.

Naar het oordeel van het arbeidshof is dit bericht van wijziging van bijdragen wel degelijk een schulderkenning zoals hoger omschreven: de vermelding 'bedrag in uw voordeel' kan op geen andere wijze worden uitgelegd dan als een erkenning door de RSZ van het feit dat zij aan de NV een bedrag verschuldigd is van 1.973.245 BEF (48.915,47 EUR).

c.-

Ten onrechte argumenteert de RSZ dat een eventuele schulderkenning door de RSZ slechts als stuitinggrond kan gelden vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 42, 3° van de RSZ-wet, en niet onder de vigeur van het oude artikel 42, 3° van de RSZ-wet, van toepassing op het ogenblik van de feiten.

Inderdaad moet worden aanvaard dat ook vóór de wijziging van de RSZ-wet in 1999 de verjaring van de vordering tot terugbetaling van niet verschuldigde RSZ-bijdragen geschorst en gestuit kon worden door de schorsings- en stuitinggronden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.

(vgl. A. Lindemans, Verjaring in het socialezekerheidsrecht, RSR 38, Kluwer rechtswetenschappen, Deurne 1994, 72; M. Dumont, La prescription, in: J.-F. Neven en S. Gilson (eds.), La sécurité sociale des travailleurs salariés, Larcier, Brussel 2010, 307)

Reeds met betrekking tot artikel 2 van de Besluitwet van 6 september 1976 tot wijziging van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders werd gesteld dat de verjaring van 3 jaar overeenkomstig artikel 2248 BW door een schuldbekentenis kan worden gestuit.

(vgl. Cass. 16 januari 1954, Arr. Cass. 1954, 337; Cass. 1 juli 1954, Arr. Cass. 1954, 716)

Uit het feit dat het oude artikel 42, 3° van de RSZ-wet enkel de schorsing (bedoeld wordt: stuiting) van de verjaring door de betekening van het dwangbevel vermeldt kan niet worden afgeleid dat geen toepassing kan worden gemaakt van de stuitinggronden vermeld in het Burgerlijk Wetboek: dergelijke vermelding is inderdaad te verklaren door het enkele feit dat het Burgerlijk Wetboek het dwangbevel niet kent.

d.-

Evenzeer ten onrechte argumenteert de RSZ dat er geen stuiting door schulderkenning kan zijn wanneer het gaat om een verjaring die de openbare orde raakt.

In het cassatiearrest van 30 oktober 2006, gewezen in de betwisting tussen partijen, stelt het Hof van Cassatie terecht dat, wanneer bij de RSZ aangifte doet van een persoon die geen werknemer is, die aangifte overeenkomstig artikel 21 van de RSZ-wet niet verantwoord is en geen bijdrageplicht tot gevolg kan hebben. Het is dit element dat het Hof van Cassatie tot de conclusie brengt dat er geen 'latere gebeurtenis' is: de annulering van de aangifte verandert de niet bestaande bijdrageplicht immers niet.

(Cass. 30 oktober 2006, overweging 4)

Met andere woorden: bij aangifte van een persoon die geen werknemer is, is er geen aanleiding om de RSZ-wet toe te passen, wat met zich brengt dat zich ook geen probleem van het al dan niet openbare orde karakter van de wet stelt.

e.-

Bij stuiting van de verjaring begint dezelfde verjaringstermijn opnieuw te lopen voor dezelfde duur als de gestuite termijn.

Nu aanvaard wordt dat de verjaringstermijn van de vordering van de NV tot terugbetaling van niet verschuldigde bijdragen gestuit werd door het bericht van wijziging van bijdragen van 6 mei 1994, en dagvaarding tot terugbetaling werd uitgebracht op 13 december 1995, is de vordering van de NV niet verjaard voor de betalingen die op het ogenblik van de dagvaarding minder dan drie jaar geleden waren verricht.

Het was dan ook terecht dat de eerste rechter de vordering van de NV gegrond verklaarde, met uitzondering van de betaling verricht voor het eerste kwartaal van 1991, die inderdaad op dat ogenblik reeds meer dan drie jaar betaald was.

Het hoger beroep dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

2. De intrest

a.-

Moratoire of verwijlintrest is de intrest wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Met toepassing van artikel 1153 BW bestaat de moratoire intrest in de wettelijke intrest, en begint hij te lopen vanaf de dag van de aanmaning tot betaling.

Uit de door partijen voorgebrachte stukken blijkt dat de RSZ met brief van 29 juli 1994 in gebreke werd gesteld door de NV om tot over te gaan tot terugstorting van het bedrag van 1.973.245 BEF (48.915,47 EUR).

De RSZ kan niet ernstig betwisten dat deze brief bestaat, daar zij op de brief van 29 juli 1994 aan de NV een antwoord heeft verzonden.

Vanaf voornoemde datum van 29 juli 1994 is dan ook verwijlintrest verschuldigd. Het feit dat de RSZ met brief van 10 oktober 1994 stelde dat de bedragen in afwachting van de afloop van de strafprocedure zou boeken op een verlies- en winstrekening staat hieraan niet in de weg, vermits de RSZ niet duidelijk maakt hoe dergelijke boeking zou kunnen gelden als betaling die het lopen van de intrest zou doen stoppen.

Het was dan ook ten onrechte dat de arbeidsrechtbank slechts gerechtelijke intrest toekende.

Het oorspronkelijke incidenteel beroep in dit verband is dan ook gegrond.

b.-

Met betrekking tot de intrestvoet vordert de NV vanaf 1 januari 2009 de toepassing van een intrestvoet van 7 %, en beroept zich hiervoor op artikel 2 § 3 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, dat bepaalt dat de wettelijke rentevoet in sociale zaken bepaald wordt op 7 %, zelfs indien de sociale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken, en voor zover er niet uitdrukkelijk in de sociale bepalingen, onder meer in de RSZ-wet, wordt van afgeweken.

Beide partijen beroepen zich op de parlementaire voorbereiding van deze tekst om te argumenteren dat deze wel of niet van toepassing is in de tussen hen gerezen betwisting.

De parlementaire voorbereiding van een wet kan echter niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan.

(vgl. Cass. 21 februari 1967, Arr. Cass. 1966-67, 789 ; Cass. 22 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1149; Cass. 30 juni 2006, C.050117.F)

Naar het oordeel van het arbeidshof geeft artikel 2 § 3 van de Wet van 5 mei 1968 betreffende de lening tegen intrest duidelijk aan hoe de intrestvoet in sociale zaken moet worden bepaald, en dient dan ook geen beroep te worden gedaan op de parlementaire voorbereiding.

De duidelijke tekst geeft aan van toepassing te zijn op sociale zaken, waarvan de terugvordering van niet verschuldigde socialezekerheidsbijdragen deel uitmaakt, en laat niet toe te concluderen dat deze bepaling enkel geldt in het voordeel van de RSZ, en niet in het voordeel van degene aan wie niet verschuldigde bedragen moeten worden terugbetaald.

Vanaf 1 januari 2009 moet de verschuldigde intrest dan ook worden bepaald met toepassing van artikel 2 § 3 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest.

c.-

Met toepassing van artikel 1154 BW kunnen vervallen intresten van kapitalen intrest opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning, ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, op voorwaarde dat de aanmaning of de overeenkomst betrekking hebben op intrest die ten minste voor een heel jaar verschuldigd is.

De neerlegging van een conclusie ter griffie geldt als een handeling die gelijkwaardig is aan de in artikel 1154 BW vereiste gerechtelijke aanmaning, wanneer in die conclusie de aandacht van de schuldenaar wordt gevestigd op de kapitalisatie van de intrest.

(vgl. Cass. 18 juni 1981, Pas. 1981, I 1200; Cass. 17 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 436)

De door de NV in haar conclusie van 15 december 2010 gevraagde kapitalisatie kan worden toegestaan, nu die aanmaning betrekking heeft op intresten die ten minste voor een jaar verschuldigd zijn.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Recht sprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep van de RSZ ontvankelijk doch ongegrond;

Verklaart het incidenteel beroep van de NV ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis voor zover het de vordering ontvankelijk verklaarde en de RSZ veroordeelde tot terugbetaling van 44.278,27 EUR;

Vernietigt het bestreden vonnis voor zover het slechts gerechtelijke intrest toekende sedert de dagvaarding en opnieuw recht doende, veroordeelt de RSZ tot betaling van de verwijlintrest op het bedrag van 44.278,27 EUR vanaf 29 juli 1994 tot 12 december 1995 en de gerechtelijke intrest op hetzelfde bedrag vanaf 13 december 1995;

Bepaalt verder dat de verschuldigde intrest vanaf 1 januari 2009 becijferd dient te worden met toepassing van artikel 2 § 3 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest;

Zegt voor recht dat de door de RSZ verschuldigde intrest wordt gekapitaliseerd op 15 december 2010 en dat de aldus gekapitaliseerde intrest bij de hoofdsom wordt gevoegd en opnieuw intrest afwerpt;

Verwijst de RSZ in de kosten van alle instanties, als volgt vereffend:

aan de zijde van de NV:

95,02 EUR kosten dagvaarding

196,33 EUR rechtsplegingvergoeding Arbrb. Antwerpen

297,45 EUR rechtsplegingvergoeding Arbh. Antwerpen

268,89 EUR rolrecht Hof van Cassatie

2.750,00 EUR rechtsplegingvergoeding Arbh. Brussel

aan de zijde van de RSZ op:

196,33 EUR rechtsplegingvergoeding Arbrb. Antwerpen

297,45 EUR rechtsplegingvergoeding Arbh. Antwerpen

268,89 EUR rolrecht Hof van Cassatie

2.750,00 EUR rechtsplegingvergoeding Arbh. Brussel.

Aldus gewezen door de zevende van het arbeidshof en ondertekend door:

D. Ryckx , raadsheer;

J. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

H. Silon, raadsheer in sociale zaken,als werknemer-arbeider;

Bijgestaan door

S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

D. Ryckx S. Van Landuyt

J. Boulogne H. Silon

De heer Silon, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door D. Ryckx, raadsheer en J. Boulogne, raadsheer in sociale zaken, als werkgever.

S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op 16 juni tweeduizend en elf door :

D. Ryckx raadsheer

Bijgestaan door

S. Van Landuyt afgevaardigd griffier

D. Ryckx S. Van Landuyt

Mots libres

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELING

  • Terugvordering

  • Verjaring

  • Stuiting

  • Schulderkenning

  • Bericht van wijziging

  • Verbintenis

  • Onverschuldigde betaling

  • Socialezekerheidsbijdragen

  • Moratoire rente

  • Lening tegen interest

  • Interestvoet.