- Arrêt du 28 juillet 2011

28/07/2011 - 2010/AB/00804

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De vereiste van art. 48 § 1 al. 2 van het werkloosheidsbesluit dat de werknemer alleen een bijkomstige activiteit kan cumuleren met de werkloosheid indien hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer, en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaande aan de uitkeringsaanvraag, is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel in zoverre de werknemer, die een verbrekingsvergoeding ontvangt, anders behandeld wordt dan een werknemer die zijn opzeggingstermijn presteert.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JULI 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. KRUIJER V. loco mr. DE BOCK Ernest, advocaat te 1800 VILVOORDE, Xavier Buissetstraat 24,

tegen:

G.C. , wonende te [xxx],

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VAN DER STEICHEL F. loco mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 30-06-2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 9222/09),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 september 2010,

- de ter griffie neergelegde conclusie,

- de voorgelegde stukken,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 29 juni 2011door advocaat-generaal J.-J. André,

- de repliekconclusie op dit het schriftelijk advies, neergelegd op 6 juli 2011 door de geïntimeerde.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 23 juni 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 29 juni 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 14 juli 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw G.C. werd door haar werkgever ontslagen op 30 januari 2008. Zij ontving een verbrekingsvergoeding die de periode dekte van 1 februari 2008 tot en met 31 oktober 2009.

Op 10 november 2008 heeft mevrouw G.C. werkloosheidsuitkeringen aangevraagd. Bij haar aanvraag vermeldde zij dat zij vanaf 1 augustus 2008 een bijkomende activiteit van HR consulting voor eigen rekening uitoefende en dat zij deze activiteit verder zou uitoefenen tijdens haar periode van werkloosheid.

2.

Bij beslissing van 16 december 2008 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan mevrouw G.C. het recht op werkloosheidsuitkeringen geweigerd omdat de bijkomende activiteit die zij uitoefende niet beantwoordde aan de voorwaarden gesteld door artikel 48 § 1 al. 2 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 (verder genoemd het werkloosheidsbesluit). Meer in het bijzonder werd het recht op werkloosheidsuitkeringen geweigerd omdat de bijkomende activiteit niet reeds minstens drie maanden uitgeoefend werd tijdens een tewerkstelling als loontrekkende.

Na de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft mevrouw G.C. een einde gesteld aan haar bijkomstige activiteit. Vanaf 18 december 2008 heeft zij werkloosheidsuitkeringen ontvangen.

3.

Bij verzoekschrift van 25 juni 2009 heeft mevrouw G.C. de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 30 juni 2010, ter kennis gebracht op 8 juli 2010, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van mevrouw G.C. gegrond verklaard en de bestreden administratieve beslissing vernietigd.

4.

Bij verzoekschrift van 3 september 2010 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het beroep is eveneens tijdig ingesteld, rekening houdend met het feit dat overeenkomstig art. 50 al. 1 van het Gerechtelijk Wetboek, de beroepstermijn, die een aanvang neemt en eveneens beëindigd wordt tijdens het gerechtelijk verlof, verlengd wordt tot 15 september. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is in de eerste plaats van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte het beroep tegen de beslissing van 16 december 2008 ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening was dit beroep laattijdig.

Ten gronde betwist de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het vonnis van de eerste rechter in zoverre deze oordeelt de bepaling van artikel 48 § 1, al. 2 van het werkloosheidsbesluit niet te kunnen toepassen, omdat deze bepaling een ongrondwettelijke discriminatie inhoudt tussen de werknemers die ontslagen worden met een opzeggingstermijn, die zij dienen te presteren (en die wel onder de toepassing van artikel 48 § 1 al. 2 vallen wanneer zij hun bijkomende activiteit aanvatten tijdens deze opzeggingstermijn), en de werknemers die ontslagen worden met betaling van een verbrekingsvergoeding, die de opzeggingstermijn compenseert.

Mevrouw G.C. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. In ondergeschikte orde wijst zij erop dat zij, ingevolge het standpunt van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan haar bijkomende activiteit een einde heeft gesteld op 1 november 2008, zodanig dat zij in ieder geval aanspraak kon maken op werkloosheidsuitkeringen vanaf die datum.

2.

De eerste rechter heeft terecht het verzoekschrift van mevrouw G.C. ontvankelijk verklaard. De bestreden beslissing is, volgens de eigen verklaring van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet bij aangetekend schrijven betekend geworden, zodat de datum van kennisgeving niet kan vastgesteld worden. Dat mevrouw G.C. op voldoende wijze in kennis gesteld werd van de bestreden beslissing, wordt niet aangetoond door het loutere feit dat mevrouw G.C. na de bestreden beslissing een nieuwe aanvraag indiende. Mevrouw G.C. houdt immers voor dat zij van het probleem met betrekking tot de erkenning van haar activiteit als bijkomende activiteit kennis nam bij gelegenheid van het verhoor door de Gewestelijk directeur op 12 december 2008. Zulks wordt bevestigd door de weergave van haar verhoor. Een dergelijke kennisname is niet van aard om de beroepstermijn te doen lopen vermits zij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld door artikel 14 van de wet van 11 april 1995 houdende het Handvest van de Sociaal Verzekerde.

3.

Overeenkomstig art. 44 van het werkloosheidsbesluit dient de werkloze zonder arbeid en zonder loon te zijn.

Overeenkomstig artikel 48 van het werkloosheidsbesluit kan echter de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45 van het besluit, met toepassing van artikel 130 van het besluit, uitkeringen genieten op voorwaarde o.m. dat (1) hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag, (2) hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer, en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaande aan de uitkeringsaanvraag.

Mevrouw G.C. oefende haar bijkomende activiteit niet uit tijdens een periode waarin zij tewerkgesteld was. Aan haar arbeidsovereenkomst was immers een einde gekomen op 30 januari 2008. (Zij ontving wel een compenserende verbrekingsvergoeding die de periode dekte 31 oktober 2008).

Zij beantwoordde bijgevolg niet aan de voorwaarden van artikel 48, § 1, 2e van het werkloosheidsbesluit, zoals overigens ook niet betwist wordt.

4.

Mevrouw G.C. houdt echter voor, en zij werd daarin gevolgd door de eerste rechter, dat de rechtbank en het hof geen toepassing kunnen maken van de voorwaarde opgenomen in artikel 48 § 1 al. 2 van het werkloosheidsbesluit omdat deze bepaling een discriminatie zou inhouden, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in vergelijking met de categorie van de werklozen, die hun vooropzeg presteren en derhalve wel aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 48 § 1 al. 2 voldoen, terwijl de situatie van beide groepen dezelfde zou zijn nu zij beiden een bijkomende activiteit aangevat hebben nadat zij kennis genomen hadden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Vooreerst dient opgemerkt te worden dat, in tegenstelling met wat de eerste rechter schijnt aan te nemen, het niet zo is dat de voorwaarde van artikel 48 zou gewijzigd zijn, zodanig dat op dit ogenblik de reglementering wel in de mogelijkheid zou voorzien om een activiteit die opgestart werd tijdens die periode gedekt, door een verbrekingsvergoeding, in aanmerking te nemen.

Ten gronde dient vastgesteld te worden dat de situatie van de werknemer die zijn vooropzeg presteert, en een bijkomende activiteit aanvat meer dan drie maanden voor de aanvraag van de werkloosheidsuitkeringen, niet zonder meer vergelijkbaar is met de situatie van de werknemer aan wiens arbeidsovereenkomst reeds een einde gesteld is, maar die nog geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen omdat deze uitkeringen niet kunnen gecumuleerd worden met de verbrekingsvergoeding waarvan hij geniet.

Ten aanzien van de eerste categorie van werknemers staat vast dat zij een bijkomende activiteit effectief gecumuleerd hebben met een hoofdactiviteit als werknemer en zij aldus de intentie hadden een hoofdactiviteit met een bijkomende activiteit te cumuleren. Ten aanzien van deze categorie van werknemers staat eveneens vast dat deze cumulatie ook effectief mogelijk was en dat bijgevolg deze activiteit duidelijk een bijkomend karakter vertoonde ten aanzien van de gewone arbeidsovereenkomst. Bij de tweede categorie van werknemers, waartoe mevrouw G.C. behoort, staat niet vast, of staat onvoldoende vast, dat zij de intentie hebben om een hoofdactiviteit met een bijkomende activiteit te cumuleren. Bij deze categorie werknemers staat ook niet vast dat een effectieve cumul van beide activiteiten mogelijk is, vermits zij zich, tijdens de duur gedekt door de verbrekingsvergoeding, voltijds konden wijden aan deze bijkomende activiteit.

Het hof is dan ook van oordeel dat beide categorieën van werknemers niet voldoende vergelijkbaar zijn om van een ongelijke behandeling te kunnen spreken, minstens dat voor het onderscheid in behandeling een objectief en redelijk verantwoord onderscheid voorhanden is.

De eerste rechter kan dan ook niet gevolgd worden waar hij de toepassingsvoorwaarden van artikel 48 § 1 van het werkloosheidsbesluit terzijde schuift omdat deze strijdig is met de Grondwet.

5.

Mevrouw G.C. heeft op 18 december 2008 een nieuwe uitkeringsaanvraag ingediend waarbij zij verklaarde dat zij aan haar bijkomende activiteit een einde gesteld had vanaf 1 november 2008.

Deze verklaring kan niet in aanmerking genomen worden. Bij haar oorspronkelijke aanvraag tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen van 3 november 2008 verklaarde mevrouw G.C. uitdrukkelijk dat zij op dat ogenblik een bijkomende activiteit uitoefende en dat zij de bedoeling had deze bijkomende activiteit verder uit te oefenen gedurende haar periode van werkloosheid. De verklaring van het sociaal zekerheidsfonds dat er een kennisgeving werd gedaan van ‘einde van activiteit' per 31 oktober 2008 houdt geen voldoende bewijs in van de effectieve stopzetting van de activiteit, vermits deze verklaring enkel steunt op de eigen verklaringen van mevrouw G.C..

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en wijst mevrouw G.C. af van haar vordering tot nietigverklaring van de administratieve beslissing van 16 december 2008 van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening waarbij haar het recht op werkloosheidsuitkeringen werd ontzegd vanaf 3 november 2008.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van mevrouw G.C. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van donderdag 28 juli 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • WERKLOOSHEID

  • Werkloosheidsreglementering.