- Arrêt du 29 septembre 2011

29/09/2011 - 2010/AB/537

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer een partij de vraag opwerpt of een wettelijke bepaling in overeenstemming te brengen is met artikel 170 van de Grondwet, doordat zij het legaliteitsbeginsel opgenomen in deze bepaling schendt, dan dient het Grondwettelijk Hof noodzakelijk te onderzoeken of de wettelijke bepaling al dan niet een belasting instelt in de zin van artikel 170 van de Grondwet. Wanneer bij een betwisting over de verenigbaarheid van een wettelijke bepaling met artikel 170 van de Grondwet voor de feitenrechter de vraag gesteld wordt of de bewuste bepaling al dan niet een belasting instelt, is het met de geest van de bevoegdheidsverdeling tussen de gewone rechter en het Grondwettelijk Hof moeilijk verenigbaar te oordelen dat de feitenrechter de bevoegdheid heeft om te beslissen of de betwiste wettelijke bepaling al dan niet een belasting instelt. Aldus zou deze immers in feite de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof inperken.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 SEPTEMBER 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - andere

tegensprekelijk

prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof

In de zaak:

1. A.V. GUMUCHDJIAN NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Pelikaanstraat 62, ondernemingsnummer 0404.959.954,

2. AMDIAM NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Schupstraat 18 , ondernemingsnummer 0869.591.637,

3. ARARAT DIAMOND COMPANY NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Pelikaanstraat 62, ondernemingsnummer 0437.694.781,

4. ARJAV ASSOCIATES NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Schupstraat 18, ondernemingsnummer 0456.697.378,

5. ARJAV DIAMONDS NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Schupstraat 18, ondernemingsnummer 0421.848.545,

6. ARJAV MANUFACTURING NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Schupstraat 18, ondernemingsnummer 0448.427.337,

7. ARSLANIAN CUTTING WORKS NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Schupstraat 1/7, ondernemingsnummer 0417.379.023,

8. B&S ANTWERP NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Lange Herentalsestraat 62-70, ondernemingsnummer 0404.931.943,

9. BELADAMAS NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Pelikaanstraat 62, ondernemingsnummer 0444.052.736,

10. DIAMANTHANDEL ASPIRA BVBA, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Pelikaanstraat 78, ondernemingsnummer 0404.989.945,

11. DIAMOND TRADING NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Pelikaanstraat 62, ondernemingsnummer 0455.632.655,

12. DIMINCO NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovenierstraat 30, ondernemingsnummer 0424.006.004,

13. MISHAL MANUFACTURING NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovenierstraat 2, ondernemingsnummer 0436.734.085,

14. MISHAL NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovernierstraat 2, ondernemingsnummer 0476.307.810,

15. PARAS GEMS NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovenierstraat 2, ondernemingsnummer 0424.588.695,

16. HARSH DIMON NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovenierstraat 30, ondernemingsnummer 0425.950.160,

17. JAYAM NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovenierstraat 50, ondernemingsnummer 0404.965.892,

18. JOGDIAM BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hovenierstraat 2, ondernemingsnummer 0442.026.525,

appellanten,

allen vertegenwoordigd door mr. D'HOOGHE David, advocaat te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25

tegen:

1. INTERN COMPENSATIEFONDS VOOR DE DIAMANTSECTOR, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Hoverniestraat 22, ondernemingsnummer 0867.620.953, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. GOOSSENS Leen, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99

2. BELGISCHE STAAT, VERTEGENWOORDIGD DOOR DE MINISTER, BEVOEGGD VOOR WERK, wier kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7, tweede geïntimeerde,

3. FOD WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAL OVERLEG, met zetel te 1070 BRUSSEL, Ernest Blerotstraat 1, derde geïntimeerde,

beiden vertegenwoordigd door mr. PEETERS Patrick, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6, derde geïntimeerde,

beiden vertegenwoordigd door mr. PEETERS Patrick, advocaat te 1000 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 120.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19-03-201 0door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 13527/08),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 juni 2010,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 7 juli 2011 door advocaat-generaal J.-J. André,

- de conclusies inhoudende repliek op dit schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 30 augustus 2011 en op 1 september 2011.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 30 juni 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 7 juli 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 1 september 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Appellanten zijn firma's met als activiteit de handel in diamanten. Als dusdanig vallen zij binnen het toepassingsgebied van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector.

Dit compensatiefonds heeft als opdracht enerzijds het financieren, het toekennen en het uitbetalen van bijkomende sociale voordelen aan de diamantarbeiders (art. 2, 1° van de wet van 12 april 1960) en anderzijds het financieren en het uitbetalen van interne compensatieuitkeringen aan de werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant.

Met betrekking tot de tweede opdracht van het compensatiefonds bepaalt artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960, zoals ingevoerd door artikel 86 de wet van 26 maart 1999 betreffende het actieplan voor de werkgelegenheid, (en later nog gewijzigd):

"Alle natuurlijke of rechtspersonen, die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben, zijn gehouden tot de betaling van een compensatie-bijdrage, bestemd om het Fonds toe te laten de opdracht te vervullen waarmee het door artikel 2,2° is belast. Het bedrag van de door deze personen verschuldigde bijdrage is maximaal gelijk aan 0,10 % van de waarde van elke transactie van diamant. De Koning bepaalt het toepasselijke percentage. Het jaarlijks totaalbedrag aan bijdragen kan evenwel het bedrag van 5.000.000 euro niet overschrijden. De Koning bepaalt eveneens het bedrag van de transacties dat niet aan de bijdrage is onderworpen. Dit bedrag is gelijk voor alle ondernemingen maar kan niet hoger zijn dan 5 000 000 euro per onderneming over een periode van één jaar.

De Koning bepaalt wat onder transactie moet verstaan worden en kan het bijhouden opleggen van de boeken, registers en documenten die Hij nodig acht voor de toepassing van deze wet."

Deze bepaling heeft, zoals blijkt uit de toelichtingen van de partijen en de voorbereidende werken van de wet van 26 maart 1999 als uitgangspunt dat het behoud van de sector van de eigenlijke diamantbewerking, die sinds het jaar 1980 een belangrijke achteruitgang had gekend en niet meer concurrentieel was ten aanzien van andere landen, de solidariteit vereiste van heel de sector en in het bijzonder van de sector van de diamanthandel, die geen dergelijke moeilijkheden kende. Het door de wet ingestelde mechanisme komt er, door tussenkomst van het compensatiefonds, op neer dat de werkgevers, die actief zijn in de diamantverwerkende nijverheid, een tussenkomst ontvangen die hen moet toelaten de last te dragen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de door hen tewerkgestelde arbeiders.

De wettelijke regeling, zoals deze tot stand kwam, gebeurde zo niet op initiatief, dan toch minstens in ruim overleg met de verschillende partners actief in de diamanthandel. Ze werd oorspronkelijk reeds ingevoerd in het jaar 1999, maar de uitvoering ervan werd opgeschort nadat de Commissie van de Europese Unie geoordeeld had dat de regeling niet in overeenstemming was met de Europese wetgeving inzake de steun aan ondernemingen. In de actueel toepasselijke versie van de wet werd, om tegemoet te komen aan het bezwaar van de commissie van de Europese Commissie, een beperking ingevoerd ten aanzien van het maximale bedrag dat elke onderneming, die een compensatieuitkering ontvangt, per jaar kan ontvangen.

2.

Appellanten hebben bij dagvaarding van 9 september 2008 een vordering ingesteld voor de arbeidsrechtbank te Brussel tegen het intern compensatiefonds en tegen de Belgische staat, geïntimeerden. Zij vorderden de terugbetaling van de compensatiebijdragen, provisioneel begroot op 5.000 euro per kwartaal per eisende partij. Zij waren van oordeel dat de heffing die hen werd opgelegd strijdig was met het legaliteitsbeginsel inzake belastingen, zoals dat vastgelegd is in artikel 170 van de Grondwet. Zij gingen er daarbij van uit dat de bijdrage, zoals die werd ingevoerd door artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960 diende beschouwd te worden als een belasting in de zin van artikel 170 van de Grondwet. Appellanten waren verder van mening dat, ook indien deze heffing niet diende beschouwd te worden als een belasting in de zin van de grondwet, zij toch nog ongrondwettelijk was, omdat zij een schending van het gelijkheidsbeginsel inhield doordat enkel de firma's, actief in de diamantverwerking een compensatiebijdrage kunnen ontvangen met uitsluiting van de diamanthandelaars.

Zij voerden verder aan dat bij de vaststelling van het percentage van de compensatiebijdragen het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden.

Appellanten vroegen aan de arbeidsrechtbank dat deze, vooraleer recht te doen over de grond van de vordering, twee prejudiciële vragen zou stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de door hen aangevoerde middelen.

3.

Bij vonnis van 19 maart 2010 heeft de arbeidsrechtbank de vordering als ongegrond afgewezen. De arbeidsrechtbank oordeelde dat de heffing, die opgelegd werd door artikel 3bis van de wet van 12 april 1960niet kon beschouwd worden als een belasting maar diende beschouwd te worden, als een sociale zekerheidsbijdrage, zodanig dat artikel 170 van de Grondwet daarop geen toepassing vindt. Verder was de arbeidsrechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk was een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof in verband met ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens de arbeidsrechtbank had het Grondwettelijk Hof zich reeds in een vroeger arrest over een gelijkaardige vraag in negatieve zin had uitgesproken. Tenslotte oordeelde de arbeidsrechtbank dat er geen schending was van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.

Bij verzoekschrift van 4 juni 2010 hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het vonnis van de arbeidsrechtbank zodanig dat het beroep moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

Appellanten zijn van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte de heffing die hen opgelegd werd als sociale bijdrage gekwalificeerd heeft en niet als een belasting. Zij wijzen erop dat om te bepalen of een heffing als een belasting dan wel als een sociale bijdrage moet worden gekwalificeerd, rekening dient gehouden te worden met een geheel van criteria die betrekking hebben op de besteding van de heffing, de wijze van heffing, de bestemming van de heffing, het verplichtend karakter van de heffing en het eenjarigheidsbeginsel. In verband met de besteding van de heffing wijzen zij erop dat deze er niet op gericht is bijkomende sociale voordelen te creëren of bij te dragen tot de financiering van deze voordelen, maar dat zij er enkel toe strekt aan de werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen voor het eigenlijk bewerken van diamant extra middelen te verschaffen. Zij wijzen erop dat een sociale bijdrage gekenmerkt wordt door het feit dat de bijdrageplichtige een bepaald voordeel verwerft, terwijl een dergelijke tegenprestatie niet aanwezig is bij een belasting. Met betrekking tot de bestreden heffing is er, volgens appelanten, geen enkele tegenprestatie voorhanden. In verband met de wijze van heffing stellen zij dat de heffing gebeurt op de omzet van de onderneming en dus gelijkgesteld kan worden met een werkelijke omzetbelasting. Met betrekking tot de besteding van de heffing stellen appellanten, met verwijzing naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat een sociale zekerheidsbijdrage bestemd is voor de financiering van stelsels van tegemoetkomingen ter vervanging of aanvulling van het inkomen uit arbeid, hetgeen in casu niet het geval is, vermits, zelfs indien de heffing geïnd wordt door het intern compensatiefonds, zij aangewend wordt om aan bepaalde werkgevers voordelen toe te kennen. Appellanten verwijzen verder naar het verplichtend karakter van de heffing en merken tenslotte op dat op de heffing het eenjarigheidsbeginsel wordt toegepast, waarbij ieder jaar opnieuw het percentage van de bijdrage wordt vastgesteld, hetgeen precies kenmerkend is voor een belasting

Appellanten zijn aldus van oordeel dat de opgelegde heffing ongetwijfeld een belasting uitmaakt waarop artikel 170 van de Grondwet van toepassing is. Deze bepaling zou geschonden zijn doordat de wet de vaststelling van de belastbare grondslag voor de compensatieheffing aan de uitvoerende macht heeft overgelaten (door te voorzien dat de koning de bevoegdheid heeft om het begrip transactie, waarop de heffing geheven wordt vast te stellen) en verder door het feit dat de wet aan de uitvoerende macht de bevoegdheid delegeert om de toepasselijke aanslagvoet vast te stellen.

Appellanten volharden in hun vraag, zoals geformuleerd voor de eerste rechter om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

" Schendt artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector, zoals ingevoerd bij wet van 26 maart 1999 betreffende het actieplan voor de werkgelegenheid 1998, artikel 170 van de Grondwet dat bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de staat kan worden ingevoerd dan door de wet, in zoverre artikel drie bis aan de koning opdracht geeft wezenlijke bestanddelen (belastbare grondslag en toepasselijke aanslagvoet) van de compensatiebijdrage te bepalen.

In ondergeschikte orde, en meer bepaald in de hypothese dat het hof van oordeel zou zijn dat de bestreden heffing geen belasting uitmaakt maar een sociale zekerheidsbijdrage, volharden appellanten in hun subsidiaire vraag om aan het Grondwettelijk Hof de vraag voor te leggen of de regeling die uitgewerkt wordt door artikel 2 en 3 bis van de wet van 12 april 1960 geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt door het feit dat enkel compensatiebijdragen toegekend worden aan de ondernemingen die werklieden of werksters tewerkstellen aan het bewerken van diamant, terwijl geen enkele bijdrage wordt toegekend aan de werkgevers die bedienden tewerkstellen in de diamanthandel, terwijl deze werkgevers eveneens verplicht zijn de bijdragen te betalen. Appellanten zijn het daarbij oneens met het standpunt van de eerste rechter dat over deze vraag in feite reeds een antwoord gegeven werd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 2001/1 van 10 januari 2001.

2.

Geïntimeerden vragen de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter. Zij werpen op dat de heffing wel degelijk besteed wordt aan de financiering van de sociale zekerheid, in die zin dat zij een vorm van alternatieve financiering van sociale zekerheid uitmaken. Geïntimeerden verwijzen daarbij naar sommige arresten van het Grondwettelijk Hof, die een alternatieve financiering van de sociale zekerheid, zoals de bijdrage van de farmaceutische sector voor de ziekteverzekering, beschouwen als een sociale bijdrage. Volgens geïntimeerden is het criterium dat aan een heffing voor sociale zekerheid steeds een tegenprestatie beantwoordt, niet kenmerkend voor een sociale bijdrage. Zij onderlijnen dat het Belgisch socialezekerheidsstelsel niet enkel een verzekeringssysteem is maar ook een systeem van solidariteit, waarbij in diverse gevallen aan een bijdrage geen correlerende prestatie beantwoordt. Volgens geïntimeerden wijst de wijze van heffing van de compensatiebijdrage er eerder op dat het om een sociale bijdrage gaat, vermits deze werd ingebed in een sociale zekerheidsstructuur, en de wijze van heffing een intrinsieke en onverbreekbare band aantoont tussen de compensatiebijdrage en de werkgeversbijdrage in het algemeen stelsel van sociale zekerheid. De heffing kan volgens hen niet geassimileerd worden met een omzetbelasting. Voor wat betreft het criterium van de besteding van de heffing stellen geïntimeerden dat het hoofddoel van de compensatiebijdrage erin bestaat om de sociale lasten van de ondernemingen die in de nijverheid van de diamantbewerking actief zijn te verlichten, wat erop wijst dat de besteding van de bijdrage wel degelijk verband houdt met de sociale zekerheid. Het verplichtend karakter van de heffing en de omstandigheid dat het bedrag van de heffing jaarlijks wordt vastgesteld zijn volgens geïntimeerden geen dienende elementen om aan de heffing het karakter van een belasting te geven.

Volgens geïntimeerden maakt de betwiste heffing dan ook geen belasting uit zodanig dat artikel 170 van de Grondwet daarop geen toepassing vindt. Ook wanneer het hof zouden oordelen dat de betwiste bijdragen wel een belasting zouden uitmaken is het volgens geïntimeerden niet noodzakelijk dat het hof een prejudiciële vraag zou stellen. De bepalingen van de wet van 12 april 1960 zijn volgens hen klaarblijkelijk niet strijdig met artikel 170 van de Grondwet. De heffingsgrondslag is voldoende in de wet zelf van 12 april 1966 bepaald met de omschrijving " de waarde van elke transactie van diamant", terwijl de bepaling in artikel 3 bis van de wet dat het bedrag van de bijdrage maximaal gelijk is aan 0,10% van de waarde van de transactie, een voldoende vaststelling van de aanslagvoet inhoudt.

Geïntimeerden stellen ten slotte dat de in ondergeschikte orde geformuleerde prejudiciële vraag met betrekking tot de ongelijke behandeling van de diamanthandelaars, die geen beroep kunnen doen op een compensatiebijdrage in tegenstelling met de diamantbewerkers, niet aan het Grondwettelijk Hof dient gesteld te worden, omdat ze volkomen gelijkaardig is aan de vraag die reeds door het Grondwettelijk Hof, naar aanleiding van een vroegere betwisting tussen dezelfde partijen, ontkennend beantwoord werd.

3.

Overeenkomstig artikel 26, §1, 1° van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet dit Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak over vragen omtrent : 3°de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Overeenkomstig art. 26 § 2 van dezelfde wet dient, indien een betwisting over de grondwettelijkheid van een norm wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college het Grondwettelijk Hof te verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

Overeenkomstig art. 170 § 1 van de Grondwet kan geen belasting ten behoeve van de Staat worden ingevoerd dan door een wet. Dit houdt in dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is. Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtige, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingsvrijstellingen (Grondwettelijk Hof 16 juni 2011, nr. 2011/103. ) Deze Grondwetsbepalingen gaan echter niet zo ver dat ze de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld (zelfde arrest).

4.

Wanneer voor een rechtscollege wordt opgeworpen dat een wettelijke bepaling een schending uitmaakt van artikel 170 van de Grondwet, is de rechter derhalve in de regel verplicht daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dit Hof heeft immers de exclusieve bevoegdheid te oordelen of een wettelijke bepaling al dan niet in overeenstemming is met de Grondwet. De gewone rechter kan daarover niet oordelen.

Wanneer een partij de vraag opwerpt of een wettelijke bepaling in overeenstemming te brengen is met artikel 170 van de Grondwet, doordat zij het legaliteitsbeginsel opgenomen in deze bepaling schendt dan dient het Grondwettelijk Hof noodzakelijk te onderzoeken of de wettelijke bepaling al dan niet een belasting instelt in de zin van artikel 170 van de Grondwet. Daaruit volgt dat wanneer bij een betwisting over de verenigbaarheid van een wettelijke bepaling met artikel 170 van de Grondwet voor de feitenrechter de vraag gesteld wordt of de bewuste bepaling al dan niet een belasting instelt, het met de geest van de bevoegdheidsverdeling tussen de gewone rechter en het Grondwettelijk Hof moeilijk verenigbaar is te oordelen dat de feitenrechter de bevoegdheid heeft om te oordelen of de betwiste wettelijke bepaling al dan niet een belasting instelt. Aldus zou deze immers in feite de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof inperken.

Het hof dient dan ook de vraag naar de verenigbaarheid van artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960 met artikel 170 van de Grondwet in al zijn aspecten aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen, tenzij het zou oordelen dat er klaarblijkelijk geen schending is van de Grondwet.

5.

Alle partijen hebben grondig hun standpunt uiteengezet over de verenigbaarheid van artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960 met artikel 170 van de Grondwet en hebben daarvoor dienstige en pertinente opmerkingen geformuleerd ter ondersteuning van hun respectieve standpunten. De rechtspraak zelf van het Hof, zoals die door partijen uitvoerig becommentarieerd wordt, laat zien dat het onderscheid tussen wat een belasting is en wat een sociale bijdrage is, die niet onder toepassing valt van artikel 170 van de Grondwet, erg delicaat is en in elke concrete betwisting dient onderzocht te worden in functie van de precieze aard van de bijdrage. In zijn reeds geciteerde arrest van 16 juni 2011 heeft het Grondwettelijk Hof het onderscheid tussen belastingen en sociale zekerheidsbijdragen, zoals het dit in vroegere arresten geformuleerd had, opnieuw hernomen. Hoewel belastingen en sociale zekerheidsbijdragen door hun verplichtend karakter gemeenschappelijke kenmerken kunnen hebben, zo stelt het Hof, zijn zij fundamenteel verschillend: de belastingen dienen om de algemene uitgaven van openbaar nut te dekken, terwijl de sociale zekerheidsbijdragen bij uitsluiting bestemd zijn voor de financiering van stelsels van tegemoetkomingen ter vervanging of aanvulling van het inkomen uit arbeid. Het Hof heeft daarbij zijn vroegere rechtspraak blijkbaar aangevuld of verfijnd, vermits het stelt dat in de betwisting die aan zijn beoordeling werd voorgelegd de betwiste bijdrage geen bijkomende rechten op het vlak van de sociale zekerheid deed ontstaan, element dat blijkbaar in vroegere beslissingen niet als doorslaggevend werd beschouwd ( cfr. het arrest 159/2001 van 19 december 2001, waarbij de bijzondere bijdragen die van de farmaceutische sector werd gevraagd voor de financiering van de ziekteverzekering niet als een belasting werd aanzien).

Verder dient het hof vast te stellen dat, indien men het onderscheid tussen belasting en sociale zekerheidsbijdragen zoals het principieel gesteld wordt door het Grondwettelijk Hof (de belastingen dienen om de algemene uitgaven van openbaar nut te dekken, sociale zekerheidsbijdragen zijn bij uitsluiting bestemd voor de financiering van stelsels van sociale zekerheid), zich de vraag stelt of de heffing die in casu betwist wordt, in dit onderscheid kan ingepast worden. De ingestelde heffing lijkt prima facie niet ingesteld om algemene uitgaven van openbaar nut te dekken. De overheid haalt uit deze heffing immers geen enkel voordeel. Het zijn de firma's die arbeiders tewerkstellen in de diamantverwerkende nijverheid die een voordeel ontvangen doordat door de compensatiebijdragen die zij uitbetaald krijgen door het intern compensatiefonds, een deel van de sociale zekerheidsbijdragen waartoe zij gehouden zijn en die zij ook verder betalen, gecompenseerd worden door de solidariteit van anderen firma's. De ingestelde heffing lijkt in dit onderscheid prima facie ook niet gelijkgesteld te kunnen worden met een sociale zekerheidsbijdrage, vermits zij niet ingesteld is voor de financiering van een stelsel van tegemoetkoming ter vervanging of aanvulling van een inkomen uit arbeid. De sociale zekerheid wordt door het ingestelde heffingsmechanisme op geen enkele wijze bijkomend gefinancierd en dat ook geen bijkomende rechten op het vlak van de sociale zekerheid ontstaan.

Er kan derhalve niet geoordeeld worden dat artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960 klaarblijkelijk artikel 170 van de Grondwet niet schendt.

Het hof is dan ook van oordeel dat een prejudiciële vraag, zoals verder verwoord in het beschikkend gedeelte van het arrest, dient gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof.

6.

De subsidiaire stelling van appellanten, en de prejudiciële vraag die zij in dit verband formuleren, dat er een schending is van het gelijkheidsbeginsel omwille van het feit dat de diamanthandelaars wel dienen bij te dragen in de financiering van de sociale zekerheidslasten van de arbeiders en werksters in de diamant verwerkende nijverheid, doch niet het voordeel genieten van de compensatiebijdragen die uitbetaald worden door het intern compensatiefonds, dient in principe slechts behandeld te worden in zoverre het Grondwettelijk Hof van oordeel is hetzij dat de betwiste heffing geen belastingen uitmaakt in de zin van artikel 170 van de Grondwet, hetzij dat de betwiste heffing wel onder toepassing valt van deze bepaling, doch er niet strijdig mee is.

In het kader van een goede rechtsbedeling - en vermits de rechtsgang toch opgeschort wordt door de prejudiciële vraag betrekking tot de verenigbaarheid van de bijdrage met artikel 170 van de Grondwet, komt het het Hof aangewezen voor in het kader van een goede rechtsbedeling van nu af aan ook deze vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, zij het dat uiteraard deze vraag zonder voorwerp wordt indien het Hof zou oordelen dat de betwiste bepaling strijdig is met artikel 170 van de Grondwet.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk;

Alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van het hoger beroep,

Verwijst de zaak naar het Grondwettelijke Hof ten einde uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vragen:

(1)

" Schendt artikel 3 bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector, zoals ingevoerd bij wet van 26 maart 1999 betreffende het actieplan voor de werkgelegenheid 1998, artikel 170 van de Grondwet dat bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de staat kan worden ingevoerd dan door de wet, in zoverre artikel 3 bis van de wet aan de Koning opdraagt te bepalen wat onder het begrip transactie, waarop de bijdrage geheven wordt, verstaan moet worden en aan de Koning de opdracht geeft het toepasselijk percentage van de bijdrage vast te stellen."

(2)

"Schenden de artikelen 2 en 3 bis van de wet van 12 april 1960 tot de oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector, zoals ingevoerd bij wet van 26 maart 1999 betreffende het actieplan voor de werkgelegenheid 1998, ervan uitgaande dat de diamantsector één geheel vormt en de compensatiebijdrage als een sociale bijdrage wordt beschouwd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de daarin voorziene beginselen van gelijkheid en niet discriminatie, doordat zij enkel compensatiebijdragen toekennen aan de werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke werken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden het verstellen en het zagen van diamant in de diamantnijverheid en niet aan de werkgevers die bedienden tewerkstellen in de diamanthandel, terwijl de gehele diamantsector gehouden is de compensatiebijdragen te betalen."

Houdt de kosten aan.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 29 september 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Fernand KENIS Sven VAN DER HOEVEN

Mots libres

  • Grondwettelijk Hof. Bevoegdheid van de rechter ten gronde en van het Hof. Sociale bijdragen of belastingen. Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Artikel 66 § 2. Grondwet. Artikel 170.