- Arrêt du 14 octobre 2011

14/10/2011 - 2010/AB/1025

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De werkgever maakt de rechtvaardigingsgrond van dwaling aannemelijk, zodat de financieel directeur/bediende de bewijslast heeft ivm het moreel bestanddeel van het de misdrijven verbonden aan de niet indexering van zijn loon, wanneer hij binnen de organisatie instond voor de financiële verwerking van de loonmassa/kost, tussenkwam m.b.t. de toepassing van de CAO's van het PC 218, aan de bedrijfsrevisor en aan het moederbedrijf bevestigde dat er na het opstellen van de jaarrekening, waarin de loonkost verwerkt was, geen potentiële claims te verwachten waren, waardoor er geen aanleg van een provisie nodig was.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 OKTOBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

ITT WATER & WASTEWATER BELGIUM BVBA, met maatschappelijke zetel te 1930 ZAVENTEM, Vierwinden 5b,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. BRASSEUR Frederic loco mr. LIEVENS Eddy, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106.

Tegen:

M. V.,

geïntimeerde,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. HEYLEN Dirk loco mr. MICHIELS Geert, advocaat te 2230 HERSELT, Kerkstraat 65.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 24 juni 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 8503/09).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 november 2011;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 31 mei 2011,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 1 maart 2011 en 2 augustus 2011;

-

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 september 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer V. M. was als financieel directeur (Controller) in dienst van de bvba ITT Water & Wastewater Belgium (hierna afgekort als ITT) van 9 augustus 1982 tot 31 augustus 2008.

2. Als financieel directeur had hij een controlefunctie in verband met alle financiële aangelegenheden en ressorteerde hij onmiddellijk onder de algemene directeur (Managing Director) de heer X., die tevens de functie van verkoopdirecteur (Marketing Manager) vervulde. In het organigram is de personeelsmanager ingeschaald in een lager niveau; deze rapporteert aan de verkoopdirecteur (de heer X.) en aan de financieel directeur (de heer Y.).

Als financieel directeur ondertekende de heer Y. de jaarrekeningen van de onderneming. Hij diende na te gaan of er provisies moesten worden aangelegd voor kosten die in het volgend boekjaar verwacht werden en aldus diende hij elk jaar aan de revisor en aan de financiële directeur van de moedermaatschappij te bevestigen of er potentiële vorderingen tegen de vennootschap bekend waren.

Op 1 januari 2007, 19 april 2007 en 25 januari 2008 bevestigde de heer Y. aldus dat hem geen potentiële vorderingen tegen de vennootschap bekend waren.

Alle verplichtingen van de vennootschap waarvan we ons bewust zijn, zijn opgenomen in de jaarrekening op balansdatum. Er zijn geen

1. Schendingen of mogelijke schendingen van wetten of reglementen waarvan het gevolg zou moeten opgenomen worden in de jaarrekeningen of die als basis zouden dienen voor het opnemen van een voorziening voor een verlies.

2. Vorderingen die nog niet opgeëist werden of beoordelingen waarvan onze jurist ons geadviseerd heeft dat ze kans lopen opgevorderd te worden en dienen opgenomen te worden overeenkomstig...

3. Andere verplichtingen of voorzieningen voor winst of verlies (met inbegrip van diegene met betrekking tot mondelinge garanties) die dienen geboekt of opgenomen te worden onder FASB n° 5

...

De vennootschap heeft in alle aspecten haar contractuele verplichtingen nageleefd die een relevante impact zouden hebben op de jaarrekening in geval van niet-naleving.

Op 28 juli 1999 deed de heer Y. aan alle bedienden een mededeling in verband met de toekenning van een premie als gevolg van de CAO van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor bedienden. (stuk 21 van ITT) Hij keurde ook de aanpassing van de salarisschalen als gevolg van de indexatie goed per 1 mei 2004, 2 november 2005 en 1 januari 2006 (stukken 22 tot en met 24 van ITT).

3. ITT ressorteert onder het paritair comité 218 (Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden) Artikel 6 van de CAO van 29 mei 1989 in verband met de arbeids- en beloningsvoorwaarden (KB 6 augustus 1990, BS 31 augustus 1990) voorziet in de indexering van de effectief uitbetaalde lonen, waarbij de werkgevers ook de mogelijkheid hebben om de lonen van de bedienden te doen schommelen overeenkomstig het systeem van koppeling aan het indexcijfer van de consumptie-prijzen dat wordt toegepast voor de werklieden van hun onderneming.

ITT ressorteert voor de arbeiders onder het paritair comité 149.04 (paritair subcomité voor de metaalhandel) en in deze sector wordt ook voorzien in een koppeling van de effectief uitbetaalde lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals kan afgeleid worden uit de opeenvolgende CAO's, die neergelegd worden door ITT; niet betwist wordt dat de regeling voor de arbeiders voor ITT geen voordeliger systeem gaf.

4. Omdat hij op 11 augustus 2008 de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar bereikte, beëindigde de heer Y. op 28 februari 2008 zijn arbeidsovereenkomst door middel van een opzeggingstermijn van 6 maanden, aanvangend op 1 maart 2008 en eindigend op 31 augustus 2008.

Op 14 maart 2008 verzond de heer Y. een aangetekende brief naar ITT, waarin hij aanspraak maakte op loonachterstallen wegens ontbrekende indexatie over een periode van 14 jaar (1992 - 2006), en dit ten bedrage van euro 239.222.

Op 17 april 2008 betwistte de raadsman van ITT deze vordering wegens verjaring en wegens het feit dat de heer Y. zich niet kon beroepen op zijn eigen foutief handelen. Tevens werd het bestaan van enige schade betwist en werd gewezen op het jaarlijks afsluiten van een nieuwe overeenkomst met betrekking tot het contractueel overeengekomen loon; ook de berekening werd betwist en in uiterst ondergeschikte orde werd voorbehoud gemaakt voor een tegenvordering wegens zware fout als financieel directeur.

In officiële brieven van 8 mei 2008 en 28 april 2009 beantwoordde de raadsman van de heer Y. deze argumenten en werd de vordering aangepast tot euro 321.728,63.

5. De betwisting bleef, zodat de heer Y. op 2 juni 2009 ITT dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Brussel en betaling vorderde van

- euro 1 provisioneel ten titel van achterstallig loon, eindejaarspremie en vakantiegeld vanaf 1992 meer de verwijlsintresten op de brutobedragen vanaf de eisbaarheid en minstens ten titel van schadevergoeding meer de vergoedende intresten vanaf de eisbaarheid

- euro 1 provisioneel ten titel van schadevergoeding tengevolge van de negatieve impact van de achterstallen op de pensioenrechten meer de vergoedende intresten

dit alles meer te gerechtelijke intresten op bruto en de gerechtskosten.

Tevens vorderde de heer Y. de aanstelling van een deskundige.

Bij conclusies neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 27 augustus 2009 stelde ITT een tegenvordering in betaling van euro 1 provisioneel ten titel van schadevergoeding wegens bedrog.

6. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 24 juni 2010 werd de hoofdvordering, zoals gesteld in verband met de schadevergoeding wegens de achterstallen ontvankelijk en gegrond verklaard; de tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

De debatten werden heropend om partijen toe te laten de schadevergoeding wegens het niet betalen van de achterstallen correct te begroten en om de heer Y. toe te laten de zaak in staat te stellen met betrekking tot de ingeroepen verjaring en de schadevergoeding tengevolge van de negatieve impact van de niet-betaling van de achterstallen op de pensioenrechten.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 november 2010, tekende ITT hoger beroep aan in de mate dat de vordering door de eerste rechter gegrond werd verklaard.

De heer Y. tekende incidenteel beroep aan op 28 februari 2011, omdat uit de motivering van de eerste rechter volgt dat de schadevergoeding wegens loonachterstallen toegekend werd op nettobasis, terwijl hij van oordeel is dat de berekening dient uit te gaan van de bruto bedragen; hij vraagt dat er gezegd wordt voor recht dat de vordering met betrekking tot de pensioenrechten niet verjaard is en dat ITT zou veroordeeld worden tot euro 1 provisioneel ten titel van schadevergoeding wegens het niet correct berekenen en betalen van het aanvullend pensioen. Ondergeschikt vraagt hij opnieuw de aanstelling van een deskundige.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Anders dan de heer Y. wil voorhouden, bevat het verzoekschrift tot hoger beroep van 9 november 2010 wel degelijk grieven tegen het bestreden vonnis.

De delictuele vordering

2. De eerste rechter heeft correct vastgesteld dat voor de periode van augustus 1982 tot 31 december 1991 het loon van de heer Y. volgens de regels van de CAO geïndexeerd werd, maar dat de heer Y. een vordering ex delicto stelt wegens de niet indexering sinds 1 januari 1992. Hij houdt voor dat zijn werkgever zich hierbij schuldig gemaakt heeft aan een voortgezet misdrijf.

Waar de niet-betaling van loon een misdrijf vormt als gevolg van artikel 42 van de loonbeschermingswet, kan de werknemer een vordering tot herstel van de door dat misdrijf veroorzaakte schade instellen, ook al bestaat de vergoeding van de geleden schade in de betaling van het loon zelf; dergelijke rechtsvordering verjaart volgens de bij de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalde voorschriften.

Op grond van de artikelen 9 en 42 van de loonbeschermingswet leidt de niet-betaling van het loon op gezette tijden tot een misdrijf.

Bij niet-betaling van het loon, is dit loon ook niet betaald op het daartoe vastgestelde tijdstip. Dergelijk verzuim wordt strafbaar gesteld door artikel 42, 1 van de loonbeschermingswet (Cass. 17 juni 1996, JTT 1996, 3 131; Cass. 2 februari 2004, Soc. Kron 2004, 873).

Op grond van art. 56 van de CAOwet van 5 december 1968 is de werkgever strafbaar die zich schuldig maakt aan de overtreding van een algemeen verbindend verklaarde CAO.

Ook de niet betaling van vakantiegeld wordt strafbaar gesteld door art 54, 2° van de op 28 juni 1971 gecoördineerde vakantiewetten.

Voor lonen, eindejaarspremies en vakantiegeld roept de heer Y. in dat geen rekening werd gehouden met de indexeringsclausule van art. 6 van de CAO van 29 mei 1989 in verband met de arbeids- en beloningsvoorwaarden afgesloten in het paritair comité 218.

Enkel wanneer het materieel en het moreel bestanddeel van het misdrijf aangetoond is, laat de heer Y. terecht zijn vorderingen in betaling van achterstallig commissieloon en achterstallig vakantiegeld steunen op een burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf. Het hof zal eerst nagaan of het moreel element van het misdrijf aanwezig kan zijn, gelet op de verantwoordelijkheden van de heer Y. in de onderneming en zijn bevestigingen rond de financiële situatie.

Het moreel bestanddeel

3. De onachtzaamheid of het gebrek aan voorzichtigheid volstaat voor de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van het niet opzettelijk misdrijf.

Bij de niet opzettelijke misdrijven, zoals de meeste sociaalrechtelijke misdrijven, bestaat het moreel bestanddeel uit de volwaardige wil van de dader om de materiële handeling of nalatigheid te stellen; wanneer de werkgever een rechtvaardigingsgrond inroept en wanneer deze bewering niet ontbloot is van elk element van geloofwaardigheid, staat het aan degene die zich op dit misdrijf beroept, om de onjuistheid van deze rechtvaardigingsgrond aan te tonen (Cass. 4 januari 1994, A.C., 1994; Cass. 30 september 1993, A.C. 1993, nr. 389; W. Rauws, Sociaalrechtelijke misdrijven en hun strafbaarstelling, in Sociaal Strafrecht, Maklu, 1998 p 73).

Rechtvaardigingsgronden zijn deze die elke fout in hoofde van de betrokkene uitsluiten, zoals overmacht, onoverwinnelijke dwaling, of een noodtoestand (J.F. Goffin, Responsabilités des dirigeants de sociétés, Larcier, 2004, p 371).

Dwaling kan slechts dan een schulduitsluitingsgrond opleveren wanneer zij onoverkomelijk is en ze kan bijgevolg slechts worden aanvaard wanneer uit de feitelijke omstandigheden kan worden afgeleid dat de beklaagde heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtige persoon zou hebben gedaan.

4. ITT roept de onoverwinnelijke dwaling in als rechtvaardigingsgrond.

Ze verwijst daarbij naar:

- de verantwoordelijkheid van de heer Y., die binnen de organisatie instond om ervoor te zorgen dat geen misdrijf i.v.m. de financiële verwerking van de loonmassa/kost plaatsvond en die dienaangaande intern de nodige mededelingen en controle deed, zoals blijkt uit de stukken 21 tot 24, besproken in randnummer I.2, en die niettemin de regelgeving i.v.m. de indexatie verborgen hield ten aanzien van het Zweedse moederbedrijf

- de vertrouwdheid van de heer Y. met de indexeringsregeling, zoals blijkt uit de aanpassing van zijn eigen loon aan de spilindex tot en met 1991, uit zijn functie als lid van het remuneratiecomité voor het personeel dat niet tot het management behoorde en waardoor hij in functie van de evaluatie de juiste loonsverhoging diende te bepalen, alsook uit de stukken 21 tot 24.

- de bevestiging van de heer Y. aan de revisor en aan de financiële directeur van het moederbedrijf dat er geen potentiële vorderingen waren, zodat evenmin provisies moesten worden aangelegd en dit nog op 1 januari 2007, 19 april 2007 en 25 januari 2008, terwijl hij na zijn opzeg wegens aanstaande pensionering wegens gebrek aan indexering voor zichzelf een spaarpot wegens achterstallen vordert.

Het hof is van oordeel dat ITT de rechtvaardigingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling aannemelijk maakt, bezien vanuit het oogpunt dat de gedraging van ITT moet worden beoordeeld vanuit het criterium van de handelwijze van een vergelijkbaar redelijke en voorzichtige persoon.

5. Als vorderende partij moet de heer Y. in die omstandigheden aantonen dat de ingeroepen rechtvaardigingsgrond onjuist is. Hierin faalt hij.

Hij ontkent dat hij de indexeringsregeling intern verborgen hield; zodoende vergeet hij echter dat een dergelijke ontkenning niet wegneemt dat hijzelf de bewijslast draagt wat betreft de onjuistheid van de rechtvaardigingsgrond. Hij veronachtzaamt ook dat de opvolging van de juiste toepassing van de indexering tot zijn taken behoorde (vgl. de stukken 21 tot 24 en de stukken 7 tot 9 van ITT).

Ten onrechte wil de heer Y. een argument vinden in de mededelingen van het moederbedrijf over het loonpakket. Op basis hiervan ontving hij jaarlijks substantiële loonsverhogingen, die volgens hem grotendeels omwille van zijn verdiensten en slechts marginaal omwille van koopkrachtvermindering werden toegekend. Hij leidt hieruit af dat deze door de werkgever werden toegekend, en dat deze toekenningen dus niet onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Hij baseert zich hiervoor op de zinsnede in de mededeling dat de verhoging aan hem moet worden meegedeeld.

Deze documenten betreffen klaarblijkelijk stukken tussen het Zweedse moederbedrijf (vgl. de handtekeningen i.v.m. de goedkeuring) en ITT België; ze bepalen een bedrag van de globale loonkost. Ze betreffen geen overeenkomst tussen de heer Y. en zijn werkgever over het toe te passen brutoloon, want in dat geval dienden ze op straffe van absolute nietigheid in het Nederlands te zijn gesteld, daar ITT gevestigd is te Zaventem.

De globale loonkost moest dan volgens de Belgische sociale wetgeving worden omgezet in een maandelijks brutoloon, wat aangetoond wordt door het feit dat bij de omzetting rekening werd gehouden met dertiende maand en dubbel vakantiegeld

(: 13,92).

Deze globale correcte omzetting viel onder de verantwoordelijkheid, minstens de supervisie van de heer Y., zoals volgt uit de door ITT aangebrachte stukken 21 tot 24 en 7 tot 9.

Ten onrechte wil de heer Y. zich voor deze omzetting verschuilen achter de personeelsmanager; de stukken tonen zijn rechtstreekse betrokkenheid bij de problematiek, zijn controlebevoegdheid en verantwoordelijkheid.

Overigens blijkt uit het organigram dat de personeelsmanager werkt onder zijn verantwoordelijkheid (zie stuk 2 van ITT - organigram).

Wanneer de heer Y. als financieel directeur, die tussenkwam m.b.t. de toepassing van de CAO's van het PC 218, aldus aan de bedrijfsrevisor en aan het moederbedrijf bevestigt dat er na het opstellen van de jaarrekening, waarin de loonkost verwerkt is, geen potentiële claims te verwachten zijn, waardoor er geen aanleg van een provisie nodig is, dan mocht ITT als redelijke en voorzichtige werkgever ervan uitgaan dat de omzetting van de loonkost naar de toepasselijke CAOregels over indexering correct was gebeurd, zeker in verband met het eigen loonpakket van de heer Y..

De heer Y. haalt terecht aan dat de verwerking door het sociaal secretariaat hier geen valabel argument kan zijn; dit geldt evenzeer t.a.v. de overschakeling naar SD-Worx in 2006, waarop hijzelf zich dan weer wil steunen; overigens dateren de bevestigingen van de heer Y. i.v.m. het ontbreken van potentiële vorderingen van1 januari 2007, 19 april 2007 en 25 januari 2008 en ook daarbij heeft de heer Meiers geen gevolg voorbehouden aan de verschillende verwerking door het sociaal secretariaat. Nochtans bevestigde hij uitdrukkelijk: De vennootschap heeft in alle aspecten haar contractuele verplichtingen nageleefd die een relevante impact zouden hebben op de jaarrekening in geval van niet-naleving.

De heer Y. faalt in de op hem rustende bewijslast in verband met de weerlegging van de ingeroepen rechtvaardigingsgrond. Het feit dat hij thans inroept dat hij de stukken 22 tot 24 slechts zou hebben ondertekend omwille van de ziekte van de personeelsmanager en de vakantie van de algemene directeur doet is zonder belang, maar tevens onwaarschijnlijk. Hij ondertekende dit zowel in 2004, als in 2005 en 2006.

Ook de andere ontkenningen en de verder niet aangetoonde beweringen weerleggen niet de rechtvaardigingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling, zoals die door ITT voldoende aannemelijk is gemaakt

De discussie tussen partijen over rechtsverwerking en rechtsmisbruik is in dit verband niet ter zake dienend.

6. Hieruit vloeit voort dat de heer Y. het moreel bestanddeel van zijn delictuele vordering niet bewijst, zodat zijn burgerlijke vordering ex delicto ongegrond is.

De overige discussiepunten tussen partijen zijn daardoor zonder belang. Overigens laat ITT haar verdere argumenten slechts gelden in ondergeschikte orde, voor zover de afwezigheid van materieel en moreel bestanddeel van het misdrijf niet zou worden aanvaard.

De tegenvordering van ITT strekt ertoe om haar te vrijwaren in verband met de schade, die zij zou lijden door het verzwijgen van zijn persoonlijke vordering; aangezien de hoofdvordering niet aangenomen wordt, is deze vrijwaring zonder voorwerp en alleszins bewijst ITT in die omstandigheden geen schade, zodat ze ongegrond is.

Aangezien de heer Y. geen aanspraak kan maken op achterstallen, toont hij evenmin schade aan in verband met zijn berekening aanvullend pensioen, daar voor de berekening van het normaal rustpensioen het pensioensalaris het gemiddelde is van het bruto basis jaarsalaris verhoogd met de door ITT toegekende bonus, commissies en gepresteerde overuren, en dit uitgaande van een gemiddelde over de laatste tien jaar.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en ongegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende.

Verklaart de oorspronkelijke vordering en de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond.

Wijzen partijen af van hun vorderingen.

Veroordeelt de heer Y. tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van ITT begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en beroep, telkens euro 1.200, doch door het hof vereffend op

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 165

Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 165

Totaal euro 330

En voor zover als nodig aan de zijde van de heer Y. begroot op euro 413,09.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 14 oktober 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • RECHTSWETENSCHAP

  • STRAFVORDERING

  • Burgerlijke vordering ex delicto

  • Geen bewijs moreel bestanddeel misdrijf