- Arrêt du 4 novembre 2011

04/11/2011 - 2010/AB/191

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer in de arbeidsovereenkomst de aansluiting bij een groepsverzekering onzorgvuldig is geformuleerd, moet de rechter de gemeenschappelijke wil van partijen zoeken, die kan afgeleid worden uit de wijze waarop de partijen zich ten aanzien van de overeenkomst hebben gedragen.

De bepalingen van een andere groepsverzekering kunnen niet in aanmerking genomen worden als minimumregels, omdat ze niet vastgelegd zijn in een hiërarchisch hogere rechtsbron dan de geschreven individuele arbeidsovereenkomst


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 NOVEMBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk bij toepassing van artikel 804, 2de lid

heropening der debatten

In de zaak:

MOLENBEEK BRUSSELS STROMBEEK VZW, met maatschappelijke zetel te 1080 BRUSSEL, Karel Malisstraat, 61,

appellante,

die ter zitting niet verschijnt en niet vertegenwoordigd wordt.

Tegen:

1. D. I.,

vertegenwoordigd door mr. DESAEDELEER Kristof loco mr. MAESCHALCK Johnny, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30.

2. AXA BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te

1170 BRUSSEL, Vorstlaan, 25,

tweede geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. DE SPIEGELEER Maika loco mr. THIRY Jean-Claude, advocaat te 1050 BRUSSEL, Franklin D. Rooseveltlaan 51.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 12 januari 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 15510/07).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 1 maart 2010;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 17 december 2010,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 10 mei 2010 en 7 september 2011;

- de conclusie voor de tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 30 juni 2010;

- de voorgelegde stukken;

De geïntimeerden vragen de behandeling van de zaak met verwijzing naar artikel 804, tweede lid. De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 14 oktober 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 27 juli 2004 ondertekenden de VZW FC Molenbeek Brussels Strombeek (hierna afgekort als Brussels) en de heer I. D. een arbeidsovereenkomst als betaalde sportbeoefenaar (voetbalspeler) voor twee seizoenen zijnde 2004-2005 en 2005-2006 of m.a.w. van 1 juli 2004 tot 30 juni 2006.

Op grond van artikel 9 van deze overeenkomst betaalde de club aan de speler een loon samengesteld uit een vast salaris, diverse premies en andere contractuele voordelen in natura, die verder gepreciseerd werden in artikel 10, dat o.m. bepaalde:

De club is gehouden, in een specifiek pensioenfonds eigen aan de voetbalspeler onderworpen aan de wet op de betaalde sportbeoefenaars, patronale bijdragen te storten waarvan de omvang proportioneel is aan het bedrag van de vergoedingen, vaste, variabele en andere voordelen die aan de spelers toekomen (vrije vertaling).

Artikel 17 en 18 van deze overeenkomst bepalen:

Artikel 17. De speler verbindt er zich toe aan te sluiten bij de door de L.B.V. bij AXA Belgium onderschreven groepsverzekering, op basis van het mandaat dat de club haar heeft gegeven.

Artikel 18. De bepalingen van het reglement van de groepsverzekeringen en van zijn bijlagen vormen een integraal deel van dit contract.

De club is ertoe gehouden ter informatie aan de spelers een trimesterieel overzicht van de aan de maatschappij gedane stortingen over te maken (vrije vertaling).

2. Voor het seizoen 2004-2005 sloot Brussels op 3 september 2004 een groepsverzekering met de de NV AXA Belgium.

Voor het seizoen 2005-2006 werd op 1 augustus 2005 een groepsverzekering afgesloten bij De Federale Verzekeringen.

3. Bij aangetekend schrijven van de vakorganisatie van de heer D. van 10 april 2007 werd Brussels in gebreke gesteld omdat er op basis van de fiches, verstrekt door AXA en De Federale onvoldoende premie werd betaald, ten bedrage van euro 14.979,62 voor het seizoen 2004-05 en euro 17.152,20 voor het seizoen 2005-06.

Dit standpunt werd hernomen in een brief van de raadsman van de heer D. van

2 mei 2007, waarna Brussels op 11 mei 2007 meedeelde dat zij het dossier had overgemaakt aan De Federale Verzekeringen.

4. Op 22 juni 2007 dagvaardde de heer D. Brussels voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van:

- premies groepsverzekering euro 32.131,82

- hospitalisatiekosten euro 727,58

- vakantiegeld euro 3.510,20

meer de vergoedende, moratoire en gerechtelijke intresten plus de kosten.

In ondergeschikte orde vroeg zij dat de club zou veroordeeld worden tot betaling van

euro 32.131,82 in het groepsverzekeringsfonds.

5. Bij verstekvonnis van 2 oktober 2007 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd het vonnis uitvoerbaar verklaard.

Op 29 oktober 2007 tekende Brussels verzet aan tegen dit vonnis en vroeg dat de vordering van de heer D. ongegrond zou worden verklaard; in ondergeschikte orde werd de NV AXA Belgium in tussenkomst en vrijwaring gedagvaard met betrekking tot alle veroordelingen die in deze zaak ten laste van Brussels zouden worden uitgesproken.

Na een tussenvonnis van 28 november 2008 waarbij het verzet en de tussenkomst en vrijwaring reeds ontvankelijk werden verklaard, werd bij eindvonnis van 12 januari 2010 van de arbeidsrechtbank te Brussel het verzet gedeeltelijk gegrond verklaard in de zin dat Brussels veroordeeld werd tot betaling van

- euro 32.131,82 ten titel van premies groepsverzekering meer de wettelijke en gerechtelijke interesten en

- de wettelijke en gerechtelijke intresten tot 7 november 2007 op het bedrag van euro 3.510,20 (vakantiegeld).

De vordering met betrekking tot de hospitalisatiekosten werd ongegrond verklaard.

De vordering in tussenkomst en vrijwaring werd ongegrond verklaard en Brussels werd veroordeeld tot de gerechtskosten.

Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad met uitsluiting van de mogelijkheid van borgstelling, zekerheidstelling en kantonnement.

Omwille van de uitvoerbaarverklaring ging Brussels tot betaling over.

Partijen maken melding van de betekening van dit vonnis op 2 februari 2010.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 1 maart 2010, tekende Brussels hoger beroep aan en vroeg de volledige afwijzing van de vordering van de heer D. , minstens de gegrondverklaring van haar vordering in tussenkomst en vrijwaring.

Er worden geen grieven aangebracht in verband met de interesten op het vakantiegeld.

Er is geen incidenteel beroep, zodat de betwisting in beroep beperkt blijft tot de betaling van de achterstallige groepsverzekeringspremies.

II. BEOORDELING.

1. Gelet op de voorgehouden betekening van het bestreden vonnis op 2 februari 2010, is het hoger beroep van 1 maart 2010 alleszins tijdig. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

Welke groepsverzekering?

2. Ongeacht de groepsverzekeringen, afgesloten door Brussels, zoals hierboven beschreven in randnummer I.2, beoogt de heer D. de toepassing van de groepsverzekeringsregeling die op 14 februari 1985 en 4 december 1986 werd overeengekomen tussen een aantal clubs vertegenwoordigd door de VZW Liga Beroepsvoetbal en de NV Assubel Leven.

Als gevolg van de bijlage van 4 december 1986 bij deze polis dienen de groepsverzekeringspremies te worden berekend op basis van de jaarlijkse bezoldiging vermeerderd met de premie zelf.

In de polis van de NV AXA Belgium wordt bepaald dat het referteloon het geheel van de vaste en variabele bezoldigingen is, zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst.

In de polis van De Federale Verzekeringen wordt een onderscheid gemaakt tussen het referentieloon en het effectieve loon, waarbij het referentieloon gebruikt wordt om de bijdragen te berekenen en gelijk is aan het brutosalaris geschat door de organisator tijdens het voetbalseizoen op jaarbasis, en meegedeeld aan de verzekeraar.

Het effectieve salaris is het brutosalaris gedurende het voetbalseizoen vermeerderd met de vergoedingen ontvangen voor rekening van de voetbalbond als gevolg van internationale ontmoetingen.

Brussels legt uit dat hierdoor zowel voor de polis AXA als voor de polis Federale Verzekeringen enkel rekening gehouden wordt met het vaste en variabel loon ingevolge de arbeidsovereenkomst, zodat de werkgeversbijdragen aan de groepsverzekering en de voordelen in natura niet in de berekening van de groepsverzekeringspremies moeten opgenomen worden (wat dus wel het geval is in de polis Assubel - LBV) (zie besluiten hoger beroep neergelegd op 17 december 2010, p. 11).

3. De contractuele afspraken tussen de partijen werden vastgelegd in de spelersovereenkomst van 27 juli 2004, tengevolge waarvan de speler zich in artikel 17 engageert om toe te treden tot de groepsverzekering die de Liga Beroepsvoetbal heeft afgesloten bij AXA Belgium krachtens het mandaat door de club gegeven.

Uit het dossier blijkt niet dat Brussels aan de Liga Beroepsvoetbal een mandaat heeft gegeven om namens haar bij AXA Belgium een groepsverzekering af te sluiten. Evenmin blijkt dat de heer D. zou zijn toegetreden tot een groepsverzekeringsovereenkomst die de Liga Beroepsvoetbal namens Brussels heeft afgesloten.

Wel heeft Brussels voor het seizoen 2004-2005 op 3 september 2004 rechtstreeks een groepsverzekering met de NV AXA Belgium aangegaan.

Verder blijkt uit de stukken 5, 6 en 7 van de heer D. dat zijn vakorganisatie zowel bij AXA Belgium als bij De Federale Verzekeringen informatie heeft ingewonnen over de door Brussels bij deze verzekeringsmaatschappijen betaalde premies.

Vervolgens werd Brussels in gebreke gesteld in verband met te weinig betaalde premies.

De ingebrekestelling door de raadsman van de heer D. aan Brussels heeft betrekking op te weinig betaalde premies en vraagt het bewijs van de doorstorting aan de groepsverzekering.

In het beschikkend gedeelte van de inleidende dagvaarding van 22 juni 2007 wordt in ondergeschikte orde gevraagd Brussels te veroordelen om de som van euro 32.131,82 in het groepsverzekeringsfonds te storten; in de motivering van de dagvaarding wordt gezegd : Overeenkomstig artikel 9 en artikel 10.4 van de arbeidsovereenkomst en de overeenkomstig het groepsverzekeringsreglement - waarnaar in het contract tussen de partijen onder artikelen 17 en 18 wordt verwezen en uitdrukkelijk gesteld dat het integrerend deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen - en de polis afgesloten tussen gedaagde en de Federale verzekeringen was gedaagde gehouden

-... - patronale bijdragen te storten...

Hieruit blijkt dat de heer D. telkens het standpunt heeft ingenomen dat de aanvullende pensioenregeling beheerst werd door de polissen die door de club werden afgesloten, eerst bij AXA en dan bij De Federale Verzekeringen.

Nergens blijkt hierbij dat de heer D. het standpunt zou hebben ingenomen dat hij aangesloten was bij de groepsverzekering van Assubel, afgesloten door de Liga Beroepsvoetbal.

4. Krachtens artikel 1156 BW moet men in de overeenkomsten nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden.

Uitlegging van een overeenkomst kan worden gezocht in de wijze waarop de partijen de overeenkomst hebben uitgevoerd (Cass. 9 oktober 1952, Pas., 1953, I, 44).

5. Het is juist dat aan de letterlijke tekst van artikel 17 van de arbeidsovereenkomst een zekere dubbelzinnigheid kleeft, omdat enerzijds de Liga Beroepsvoetbal geen groepsverzekering met AXA heeft afgesloten en hiertoe ook niet gemandateerd was door Brussels, maar anderzijds Brussels wel rechtstreeks met AXA een dergelijk contract heeft afgesloten, later gewijzigd in een gelijkaardige overeenkomst met De Federale Verzekeringen.

De uitdrukkelijke verwijzing in artikel 17 naar een groepsverzekering met AXA Belgium wijst nochtans in de richting dat de heer D. akkoord ging met de aansluiting bij deze verzekeringsmaatschappij. Hij is daardoor ook gebonden door de polisvoorwaarden van deze maatschappij.

Het hof aanvaardt dat deze aansluiting de gemeenschappelijke bedoeling van partijen was, omdat de heer D. ook in verband met de uitvoering van dit deel van zijn arbeidsovereenkomst te rade ging bij AXA en bij De Federale Verzekeringen, en op geen enkele wijze voorhoudt dat hij diende aangesloten te worden bij Assubel (zie in dezelfde zin ook Arbh. Brussel 18 mei 2010 inzake VZW FC Molenbeek Brussels/N., AR 2009/AB/51991, waarin een identieke contractuele bepaling van toepassing was; in Arbh. Brussel 28 september 2010, AR 2009/AB/51890 wordt in de overeenkomst enkel bepaald dat de overeengekomen voorwaarden vastgesteld worden in de officiële overeenkomst van de Liga Beroepsvoetbal en was er blijkbaar geen specifieke verwijzing naar een welbepaalde verzekeringsmaatschappij).

Waren er minimumregels in verband met het afsluiten van een groepsverzekering?

6. Hoewel de heer D. bij de ondertekening van zijn spelersovereenkomst enkel verwezen heeft naar de polis bij AXA Belgium en niets er op wijst dat hij dan kennis zou gehad hebben van de polis van Assubel uit 1985 met de ploegen van de Liga voor het Beroepsvoetbal, wil hij thans deze laatste polis als minimumstandaard laten doorgaan, waarmee rekening zou moeten gehouden worden voor de toepassing van de polis met AXA.

Dit kan niet weerhouden worden.

7. Bij de afsluiting van de polis Assubel op 14 februari 1985 trad de Liga Beroepsvoetbal weliswaar op als gemandateerde van o.m. R.W.D.M., maar deze club werd ontbonden bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 26 juli 2002 (BS 8 oktober 2002).

Brussels is dus niet de voortzetting van R.W.D.M., maar ontstond uit een fusie, waarbij het stamboek- en het ondernemingsnummer van KFC Strombeek werd overgenomen. Deze club was niet gebonden door de groepsverzekering Assubel.

8. De heer D. argumenteert dat dit van weinig belang is omdat in de preambule van de groepsverzekeringsovereenkomst met Assubel gezegd wordt dat de toepassing ervan zou uitgebreid worden tot iedere nieuwe club die lid wordt van de Liga.

Deze intentieverklaring hield helemaal geen automatisme van aansluiting bij Assubel in, want uit de talrijke rechterlijke uitspraken die partijen voorbrengen, kan afgeleid worden dat heel wat Ligaclubs bij andere maatschappijen aangesloten waren, waaronder niet alleen AXA en De Federale Verzekeringen, maar ook Mercator.

9. De heer D. toont verder niet aan dat er een afdwingbare sociale verplichting zou bestaan in de zin dat de polis Assubel door de clubs als referentiepolis moet worden beschouwd, wanneer zij bij een andere maatschappij een groepsverzekering afsluiten.

Het recht op aansluiting bij een groepsverzekering vloeit immers voort uit artikel 17 van de spelersovereenkomst, zijnde een geschreven individuele overeenkomst, die in de vierde rangorde staat in de hiërarchie van de verbintenissen in het arbeidsrecht, zoals bepaald in artikel 51 van de CAO-wet.

De heer D. zou dus een beroep moeten doen op een hogere rechtsnorm, ofwel een dwingende bepaling van een wet ofwel een collectieve arbeidsovereenkomst, waardoor zijn werkgever gebonden was.

Een dergelijke norm wordt niet ingeroepen, zodat de geschreven individuele spelersovereenkomst de hoogste norm is, waaraan de statuten van de Liga geen afbreuk kunnen doen, laat staan een groepsverzekeringsovereenkomst van een andere maatschappij dan deze die in de individuele overeenkomst wordt aangeduid.

10. Hierbij kan de heer D. zich ook niet baseren op de statutaire bepalingen in verband met de oprichting van de VZW Liga Beroepsvoetbal.

In artikel 8 van deze statuten verbinden de clubs zich ertoe om naast de statuten ook de reglementen van inwendige orde, de akkoorden die het sociale leven beheersen, de relaties en de sportieve en commerciële activiteiten te aanvaarden.

Los van het feit dat de groepsverzekeringspolis Assubel enkel geldt tussen de betrokken partijen en geen reglement van inwendige orde van de Liga is en evenmin een akkoord inhoudt dat het sociaal leven van de Ligaclubs beheerst, moet opgemerkt worden dat deze statuten van de Liga enkel een waarde van overeenkomst hebben tussen de aangesloten werkende leden en dat zijn enkel de clubs, maar niet de spelers.

Deze statuten hebben dan ook enkel contractuele waarde in de verhouding van Brussels tegenover de andere aangesloten clubs, maar zij genereren geen verbintenissen tussen Brussels en de heer D. .

Uit deze statutaire bepalingen kan evenmin een beding ten behoeve van een derde worden afgeleid in de zin dat er een verplichting zou zijn om de heer D. aan te sluiten bij de groepsverzekering Assubel of nog minder in de zin dat deze groepsverzekering als referentiepolis zou moeten dienen, wanneer een club bij een andere maatschappij een groepsverzekering afsluit.

Er is geen enkel bewijs geleverd wordt van enige verplichting of akkoord in die zin.

Het blijkt overigens dat de Liga ook nooit enige controle in die zin heeft uitgeoefend.

Evenmin blijkt dat Brussels aan de Liga Beroepsvoetbal een mandaat zou hebben gegeven om een groepsverzekering bij Assubel of een andere maatschappij namens haar af te sluiten, of toe te treden tot de bestaande polis Assubel 1985 in uitvoering van de preambule.

11. Hieruit vloeit voort dat enkel de contractuele bepalingen van de spelersovereenkomst van 27 juli 2004 gelden, waarbij in artikel 17 verwezen wordt naar de polis met de NV AXA Belgium. Niet betwist wordt dat voor het seizoen 2005-06 de polis met De Federale Verzekeringen gold.

De basis voor de premieberekening

12. Een pensioentoezegging wordt toegekend door de werkgever en wordt verder uitgevoerd door de groepsverzekeringsmaatschappij.

In artikel 10 van de spelersovereenkomst worden eerst de contractuele vergoedingen bepaald, zoals het vast loon, de variabele vergoedingen en diverse voordelen, zoals kledijkosten, verplaatsingsvergoedingen en verblijfskosten, de bedrijfswagen en de premies.

Vervolgens wordt onder ‘4. Patronale bijdragen' bepaald:

De club is gehouden, in een specifiek pensioenfonds eigen aan de voetbalspeler onderworpen aan de wet op de betaalde sportbeoefenaars, patronale bijdragen te storten waarvan de omvang proportioneel is aan het bedrag van de vergoedingen, vaste, variabele en andere voordelen die aan de spelers toekomen (vrije vertaling).

Op p. 5 van haar besluiten in hoger beroep, neergelegd op 17 december 2010 zegt Brussels dat krachtens dit artikel 10 de werkgever gehouden was tot het storten van werkgeversbijdragen in een pensioenfonds, waarvoor zij een groepsverzekering had afgesloten bij de NV AXA Belgium voor het seizoen 2004-2005, nadien opgevolgd door een groepsverzekering bij De Federale Verzekeringen voor het seizoen 2005-2006.

Het is dan ook duidelijk dat met dit artikel 10 rekening moet gehouden worden voor de bepaling van de omvang van de pensioentoezegging.

13. In het vierde lid van artikel 10 wordt in verband met de te betalen bijdrage uitdrukkelijk verwezen naar het bedrag van de vergoedingen, vaste, variabele en andere voordelen die aan de spelers toekomen.

Hieruit vloeit voort dat de bijdragen alleszins moeten worden berekend op de voordelen in natura.

Gelet op de pensioentoezegging van de werkgever, diende de door hem afgesloten polissen aan deze bepaling te voldoen; in de mate dit niet het geval is, draait Brussel hiervoor de verantwoordelijkheid.

De heer D. houdt voor dat de bijdragebetaling niet in overeenstemming is met deze contractuele toezegging en hij verwijst daarvoor naar zijn stukken 5 en 6, waarin de respectievelijke groepsverzekeringsmaatschappijen opgeven welk bedrag aan bijdragen door de club aan hen werd betaald.

Hieruit kan echter niet afgeleid worden hoe deze bedragen zijn samengesteld.

Weliswaar brengt de heer D. in zijn syntheseberoepsconclusie een berekening van de bijdragen voor, doch op het eerste gezicht worden in deze berekening de groepsverzekeringspremies zelf nog in het referteloon meegerekend, waarbij het niet ter zake zijnde systeem van de polis Assubel wordt toegepast.

De debatten dienen te worden heropend om deze berekening aan te passen en tevens om te verduidelijken op welke basis Brussels haar bijdragen aan AXA Belgium en aan De Federale Verzekeringen heeft betaald.

De vordering in tussenkomst en vrijwaring

14. Ongeacht de mogelijke verschillen tussen de pensioentoezegging in de arbeidsovereenkomst en de polisvoorwaarden, stelt AXA Belgium terecht dat zij enkel gehouden is tot wat in het groepsverzekeringscontract werd overeengekomen.

Zij houdt voor dat zij de groepsverzekeringspremies correct heeft berekend op grond van de door de werkgever verschafte gegevens.

Deze gegevens worden echter niet voorgelegd en evenmin de berekening die zij op basis van deze gegevens heeft uitgevoerd.

In stuk 5 van de heer D. wordt enkel een eindtotaal opgegeven. Hetzelfde geldt voor stuk 4 van AXA, waarin het maandelijks bedrag wordt vermeld, zonder uit te leggen hoe dit kan teruggekoppeld worden aan de polisvoorwaarden.

Ook hier dienen bijkomende stukken te worden neergelegd voor het verder nazicht van de vorderingen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak bij toepassing van artikel 804, tweede lid,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch alvorens verder ten gronde te beslissen, heropent de debatten teneinde partijen toe te laten te antwoorden op en de stukken voor te brengen in overeenstemming met wat in de randnummers 13 en 14 werd gezegd.

Houdt de kosten aan.

Stelt deze heropening vast op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof (zaal 0.6), Poelaertplein, 3 te 1000 Brussel op 3 februari 2012 om 14u30.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK , Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 4 november 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Aanvullende pensioenen

  • Groepsverzekering