- Arrêt du 7 novembre 2011

07/11/2011 - 2011/AB/00549

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De toebedeling van de woning in het kader van een vereffening en verdeling na echtscheiding, waarbij een kleiner deel aan de aanvrager collectieve schuldenregeling wordt uitbetaald ter compensatie van de onderhoudsregeling kinderen, maakt niet dat de aanvrager kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkt.


Arrêt - Texte intégral

ep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

BESCHIKKING UITGESPROKEN IN RAADKAMER OP 7 NOVEMBER 2011.

11de KAMER

Collectieve schuldenregeling - vorderingen collectieve schuldenregeling

Definitief + verzending Arbeidsrechtbank Brussel

Rechtsprekend op éénzijdig verzoekschrift.

In de zaak:

De Heer D.

Appellant, vertegenwoordigd door Mter De Smet loco Mter Van de Gucht, advocaat te 1840 Londerzeel;

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- de beschikking van niet toelaatbaarheid gewezen door de Arbeidsrechtbank

van Brussel dd. 16 mei 2011 (R.V. nr. 11/293/B);

- het eenzijdig verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het

Arbeidshof te Brussel op 9 juni 2011;

- de voorgelegde stukken;

Gehoord appellante partij in haar middelen en beweringen in raadkamer op 3 oktober 2011, waarna de debatten gesloten werden, de zaak in beraad genomen werd en voor uitspraak werd gesteld op heden.

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING.

1. Op 15 maart 2011 legde de heer P. D. B. bij de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel een verzoekschrift neer om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Bij brief van 4 april 2011 vroeg de arbeidsrechtbank te Brussel bijkomende stukken en informatie in verband met de samenwoonst van de heer D. B. en in verband met de vereffening en verdeling na echtscheiding, waardoor hij m.b.t. een onroerend goed, geschat op euro 200.000, slechts euro 12.500 toebedeeld kreeg.

2. Bij beschikking van 16 mei 2011 werd dit verzoek niet toelaatbaar verklaard, omdat hij de gevraagde informatie niet tijdig overmaakte.

De heer D. B. deed dit wel bij schrijven van zijn raadsman van 19 mei 2011 en hij liet weten dat hij bij de heer D. B. op zijn adres niet meer samenwoont, wat hij aantoonde met een attest van samenstelling van gezin. De toebedeling van euro 12.500 wegens de verkoop van het onroerend goed werd verantwoord doordat het overgrote deel van de opbrengst aan de kinderen werd geschonken.

3. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 juni 2011, tekende de heer D. B. hoger beroep aan en hij vroeg dat zijn verzoek om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling toch toelaatbaar zou worden verklaard, gelet op de thans ter beschikking zijnde informatie.

II. BEOORDELING.

1. Het hoger beroep van de heer D. B. werd tijdig ingesteld en voldoet aan de ontvankelijkheidvereisten, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.

2. Op grond van artikel 1675/2 Ger. W. kan de collectieve schuldenregeling worden toegestaan aan een natuurlijke persoon, die niet in staat is, om op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd.

3. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp, dat tot deze bepaling heeft geleid, wordt aangegeven dat de beperking ‘voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd' opgenomen werd, omdat de uitgewerkte procedure niet mag gebruikt worden door een solvabele schuldenaar om te ontsnappen aan het vereffenen van zijn schulden. (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1, 17)

Er is duidelijk bewerking van onvermogen, enerzijds wanneer de schuldenaar bedrieglijke handelingen heeft verricht ter benadeling van de rechten van zijn schuldeisers, of elementen uit zijn vermogen op bedrieglijke wijze onttrokken heeft, maar anderzijds vermeldt de Memorie van Toelichting dat de rechter oplettend {zal} zijn voor een hele reeks elementen die, alleen of gecombineerd, zouden toelaten te denken dat de schuldenaar zijn onvermogen bewerkt heeft. Voorbeelden daarvan zijn... het tegen een te lage prijs of gratis liquideren van elementen uit zijn vermogen met het oog op het verkleinen van het actief, enz. (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1, 17).

De rechter moet niettemin steeds het bewerkstelligen van het onvermogen beoordelen in functie van alle concrete omstandigheden, zoals ze in het verzoekschrift, zoals aangevuld met de bijkomende inlichtingen, worden aangebracht.

De niet toelaatbaarheid van het verzoek tot collectieve schuldenregeling kan maar uitgesproken worden, wanneer de verzoekers één of meer handelingen hebben verricht met het opzet zich onvermogend te maken (Cass., 21 juni 2007, JLMB 2008,81).

4. De heer D. B. was gerechtigd op zijn deel in de toebedeling van het onroerend goed gelegen te L. waarvan hij samen met zijn ex-echtgenote onverdeeld eigenaar was (gehuwd onder het wettelijk stelsel) ingevolge de vereffening en verdeling na echtscheiding.

Dit huis werd toebedeeld aan zijn ex-echtgenote; het werd geschat op euro 200.000, de ex- echtgenote betaalde de hypothecaire lening af en deed een opleg aan de heer D. B. van euro 12.500.

Er was in hoofde van de ex-echtgenote een vervreemdingsverbod gedurende een periode van 15 jaar met als sanctie dat zij bij wijze van schenking euro 15.000 diende te storten aan elk van de kinderen, te blokkeren tot zij de leeftijd van 21 jaar zullen hebben bereikt.

Uit het schrijven van de raadsman van de heer D. B. van 7 september 2011 blijkt dat deze hypothese zich heeft voorgedaan en dat het bewijs van schenking aan de kinderen door de raadsman werd opgevraagd.

De heer D. B. dient geen onderhoudsgeld te betalen.

Uit deze omstandigheden kan niet afgeleid worden dat de heer D. B. zich met opzet onvermogend zou hebben gemaakt door het aanvaarden van deze regeling.

5. Anderzijds blijkt uit de neergelegde stukken dat er een structurele schuldenlast is die grotendeels verklaard wordt door medische kosten als gevolg van diverse operaties aan de knie met revalidatieperiodes, waardoor telkens zijn inkomen terugvalt.

De heer D. B. voldoet aldus aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Het hoger beroep is gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende na éénzijdig verzoekschrift;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt de bestreden beschikking,

Verklaart het verzoek van de heer D. B. tot het verkrijgen van collectieve schuldenregeling toelaatbaar,

Stelt advocaat Jeroen Pinoy, Oudemanstraat 25 bus 3 te 1840 Londerzeel ( tel. 052/30. 82. 77) aan als schuldbemiddelaar met verzoek zo snel mogelijk contact op te nemen met verzoekende partij om het verdere verloop van de procedure te bespreken.

Beveelt dat vanaf heden alle inkomsten van de verzoekende partij in handen van de schuldbemiddelaar dienen toe te komen.

Verzendt de zaak voor verdere afhandeling naar de arbeidsrechtbank te Brussel.

Aldus gewezen en uitgesproken in de raadkamer van de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 november 2011, waar aanwezig waren:

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,

Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. HERREGODTS, L. LENAERTS.

Mots libres

  • Schuldoverlast --Ger. W. art. 1675/2 Ger. W. toelaatbaarheid collectieve schuldenregeling Niet kennelijk zijn onvermogen hebben bewerkstelligd