- Arrêt du 17 novembre 2011

17/11/2011 - 2001/AB/42.162

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Uit het woord inzonderheid in de aanhef van artikel 46 §1 van het werkloosheidsbesluit volgt dat de opsomming in deze bepaling ten titel van voorbeeld werd gegeven

Uit deze opsomming volgt dat een vervangingsinkomen dat een patrimoniaal nadeel in de zin van een inkomensverlies wil dekken, gefinancierd door de werkgever in de groepsverzekering en dat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 46 §1 om beschouwd te worden als een aanvulling van de werkloosheidsuitkering, een loon is in de zin van artikel 44 van het werkloosheidbesluit.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 NOVEMBER 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIEING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. I. VANDEN BOSSCHE loco mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

tegen:

U. W.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het arrest alvorens recht te doen van dit arbeidshof en deze kamer van 27 mei 2010, waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen

- de conclusies,

- de voorgelegde stukken.

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 30 september 2011 door advocaat-generaal J.-J. ANDRÉ,

- de repliek op het advies van het openbaar miniserie, neergelegd ter griffie op 19 oktober 2011 door de partij U. ,

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 22 september 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 30 september 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De termijn om een repliek op dat advies ter griffie neer te leggen verstreek op 20 oktober 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

VOORGAANDEN

1. In het tussenarrest van 27 mei 2010 werden de feiten en rechtspleging weergegeven en hiernaar kan worden verwezen.

De heer U. genoot van een gunstige uitstapregeling als voormalig tewerkgestelde bij de ASLK. In het kader van een groepsverzekeringsreglement ontving hij vanaf zijn 55e jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar, of van 1 april 1998 tot 31 maart 2003 een maandelijkse rente van euro 893,20. Op 1 april 2003 bekwam hij zijn wettelijk pensioen. Op 23 oktober 1998 vroeg de heer U. werkloosheidsuitkeringen aan.

2. In het tussenarrest werd vastgesteld dat de heer U. door het aanvaarden van deze gunstige uitstapregeling, die steunde op de CAO's van 28 mei 1993 en van 24 januari 1994, vrijwillig werkloos was, zodat hij een passende dienstbetrekking had verlaten zonder wettige reden, waardoor hij van het recht op werkloosheidsuitkering werd uitgesloten gedurende een periode van 26 weken.

Of hij vervolgens, gelet op de voordelen van de uitstapregeling, nog werkloos zonder loon was, diende nog te worden onderzocht en er werd aan de RVA gevraagd om een onderzoek te doen naar de juiste omstandigheden van de uitstapregeling, meer bepaald naar de vraag of deze lastens de werkgever werd uitgekeerd.

De RVA is op deze vraag niet ingegaan, omdat zij meent dat de uitstapregeling niet het gevolg is van de normale liquidatie van de groepsverzekering en dat de voordelen een inkomen uitmaken, die voortvloeien uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

VERDERE BEOORDELING

3. Er moet worden uitgegaan van artikel 44 en 46 van het KB van 25 november 1991 ( werkloosheidbesluit) - en niet van de definitie in de loonbeschermingswet, waarnaar de heer U. verwijst.

Art. 44 bepaalt dat de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn.

Artikel 46 (in de versie, zoals van toepassing van 1 april 1998 tot 31 maart 1999) voegde daaraan toe:

§1. Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd:

1° het loon gewaarborgd door de wetgeving met betrekking tot de arbeidsovereenkomsten, door een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt en door de wetgeving betreffende de bezoldiging door een openbare overheid;

2° het loon voor feestdagen, ...

3° het vakantiegeld

4° de bezoldiging voor een schoolvakantieperiode, ontvangen door de leerkracht...

5° de vergoeding of de schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst

6° het voordeel dat wordt toegekend aan de werknemer in het kader van een opleiding, studies over een leertijd.

...

§1,5° werd door artikel 1 van het KB van 9 maart 1999 ( BS 19 maart 1999 en inwerking getreden op 1 april 1999) vervangen als volgt:

5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering.

Verder werd artikel 46 §1 o.m. aangevuld met volgende toelichting:

Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, wordt beschouwd als een vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering, de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding, toegekend ingevolge de uitdiensttreding van een onvrijwillig werkloze, indien de navermelde voorwaarden vervuld zijn:

- de vergoeding werd door de partijen niet als opzeggingsvergoeding aangemerkt;

- de vergoedingen of het gedeelte van de vergoeding kan niet in de plaats treden van de voordelen toegekend in het kader van een normale ontslagregeling, aangezien deze laatste voordelen daadwerkelijk werden toegekend

4. Uit het woord inzonderheid in de aanhef van artikel 46 §1 volgt dat de opsomming in deze bepaling ten titel van voorbeeld werd gegeven ( Arbh. Brussel 5 januari 2011 inzake RVA/M., AR 2002/AB/43.096) en dus niet exhaustief is ( Arbh. Brussel 13 april 2011 inzake RVA/Vander Heijden, AR 2008/AB/51.288)

Uit de in het werkloosheidbesluit opgenomen opsomming volgt dat een vervangingsinkomen dat een patrimoniaal nadeel in de zin van een inkomensverlies wil dekken en dat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 46 §1 om beschouwd te worden als een aanvulling van de werkloosheidsuitkering, een loon is in de zin van artikel 44 van het werkloosheidbesluit. (zie de hierboven aangehaalde rechtspraak)

5. De heer U. ontving als gevolg van de gunstige uitstapregeling tussen zijn 55 en 60 jaar maandelijks een maandelijkse rente, omdat hij in die periode nog geen aanspraak kon maken op zijn wettelijk pensioen. Deze toekenning betreft een vervangingsinkomen, dat juist zoals het wettelijk pensioen, bestemd is om zijn inkomstenverlies te dekken. Het betreft dus geen morele schadevergoeding, maar een uitkering die tijdelijk in de plaats komt van het wettelijk pensioen en dus niet toegekend wordt als aanvulling op de werkloosheidsuitkering. Deze vergoeding wordt toegekend in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Dit voordeel is een bijkomend voordeel dat hij bekwam naast het hem toekomende kapitaal als gevolg van de normale liquidatie van de groepsverzekering.

6. Gelet op de verklaring van Fortis Bank van 19 november 2004 kon er twijfel rijzen of de maandelijkse rente lastens de werkgever werd uitbetaald, zodat het Openbaar Ministerie in een schrijven van 3 mei 2007 bijkomende toelichting heeft gevraagd, waarop Fortis Bank niet heeft willen reageren. Uit de groepsverzekeringsregeling volgt dat de verklaring van Fortis niet accuraat is; het heeft geen zin en het is evenmin nodig om in de huidige stand nog bijkomend onderzoek naar de voorstelling door Fortis te doen.

Samen met het Openbaar Ministerie stelt het hof immers vast dat van het bijkomend voordeel dat de heer U. tussen zijn 55 en 60 jaar heeft bekomen dankzij de aanpassing van het groepsverzekeringsreglement, het WPA bedrag in toepassing van artikel 4.2 ( nieuw) van het reglement, werd gefinancierd door bijkomende afnamen uit het Financieringsfonds, die op hun beurt gecompenseerd worden door bijkomende dotaties van de werkgever, zoals bepaald is in afdeling III van de bijlage bij het groepsverzekeringsreglement van 31 januari 1994.

Uit artikel 16 van het groepsverzekeringsreglement kan afgeleid worden dat de bedoelde dotatie een patronale dotatie was die bovenop de jaarlijkse patronale dotatie van 15% van het geheel van de referentiebezoldiging (voor het basisplan) door de werkgever diende gestort te worden aan het Participatiefonds.

Hieruit volgt dat de uitbetaling van het voordeel mogelijk was omwille van het financieel engagement van de werkgever, met het kennelijke doel om de nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsrelatie tot de pensioenleeftijd te ondervangen.

Het gaat hier uiteindelijk om een bedrag in geld ter compensatie van het door de werknemer geleden nadeel, die ermee akkoord ging de onderneming vroegtijdig - dit is voor het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd - te verlaten op een leeftijd waar een eventuele wedertewerkstelling problematisch was geworden. De uitstapregeling ging uit van een vervroeging van de pensioenleeftijd naar 55 jaar, waarvan de financiële last via de groepsverzekering bij de werkgever terecht kwam.

7. Gelet op de opsomming, aangehaald in artikel 46 §1 van het werkloosheidbesluit en meer bepaald art. 46 §1, 5° en de toelichting hierbij, zijn deze financiële voordelen in het kader van een herstructurering van de vennootschap, vergoedingen waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, zonder dat zij beschouwd kunnen worden als een vergoeding wegens morele schade of een vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering.

Dit volstaat om vast te stellen dat de heer U. in de vermelde periode niet zonder loon was in de zin van de art. 44 en 46 van het werkloosheidsbesluit en dat hij deze vergoedingen niet kon cumuleren met werkloosheidsuitkeringen.

De tweede beslissing van de RVA van 4 mei 1999 dient dan ook te worden bevestigd, zodat het hoger beroep gegrond is.

De overige beschouwingen van de heer U. kunnen hieraan geen afbreuk doen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal JJ André van 30 september 2011, waarop heer U. op 19 oktober 2011 heeft gerepliceerd;

Het tussenarrest van 27 mei 2010 verder uitwerkend,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer U. tot vernietiging van de beslissing van de RVA van 4 mei 1999 met kenmerk C29/72422/46/180343/RD/588 ongegrond en bevestigt deze beslissing.

Veroordeelt bij toepassing van artikel 1017 tweede lid Ger. W. de RVA tot de gerechtskosten, deze aan de zijde van de heer U. vereffend als volgt:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 120,25

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 160,36

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN, Hedwig SILON,

Christian LAURIERS, Lieven LENAERTS.

De heer Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door Lieven LENAERTS, raadsheer, voorzitter en Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 17 november 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Lieven LENAERTS.

Mots libres

  • Arbeidsvoorziening

  • Werkloosheid

  • K.B. 25 november 1991, art. 44 en 46 Loonbegrip