- Arrêt du 16 décembre 2011

16/12/2011 - 2011/AB/261

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer de werkgever een beschermde werknemer re-integreert, maar tezelfdertijd de geldigheid van de kandidatenlijst betwist en daarbij opmerkt dat de re-integratie geen nadeel kan toebrengen aan de gerechtelijke vordering betreffende de lijsten van kandidaten voor de sociale verkiezingen, stelt hij geen voorwaarde aan de re-integratie, zodat de werknemer bij nietigverklaring van de kandidatenlijst niet kan terugvallen op het ontslag gegeven voor de re-integratie en evenmin op die basis een opvergoeding kan vragen. Evenmin kan hij schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon vragen voor de periode tussen dit ontslag en de re-integratie


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 DECEMBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

N. C. J. E.,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. VAN HERREWEGHEN J. loco mr. VIERIN Thierry, advocaat te 1050 BRUSSEL, Marsveldplein 2.

Tegen:

D. M. L.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. CORTVRIENDT Louise loco mr. VANDEN ABEELE Antoine, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 166.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 14 oktober 2004 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 12e kamer (A.R. 12182/01).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 juli 2007;

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 12 augustus 2011 en 7 oktober 2011;

- de conclusie, de aanvullende en syntheseconclusies voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 15 juni 2011, 8 september 2011 en 17 oktober 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 november 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 15 juli 1998 ondertekenden de heer E. N. en de bvba HER Network Services rechtsvoorganger van Ebone Network Services een voltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd voor bedienden, waardoor de heer N. met ingang van 3 augustus 1998 werd aangeworven als Network Infrastructure Engineer.

Mtr. D. M. werd aangesteld als curator van het faillissement van de bvba Ebone Network Services.

2. Op 17 februari 2000 kondigde de bvba aan over te gaan tot het houden van sociale verkiezingen voor haar personeel, welke zouden plaatsvinden op 14 september 2000.

3. Bij aangetekende brief van 30 mei 2000 werd de heer N. ontslagen met melding dat een opzeggingsvergoeding van 6 maanden zou worden uitbetaald.

Deze betaling zal uiteindelijk niet plaatsvinden.

Bij aangetekende brieven van 18 juli 2000 lieten de heer N. en zijn vakorganisatie LBC-NVK aan de werkgever weten dat de heer N. kandidaat zou zijn bij de sociale verkiezingen; de kandidatenlijst werd aangetekend verzonden op vrijdag 14 juli 2000 met een correctie, aangetekend verzonden op 18 juli 2000.

Bij aangetekende brief van 31 juli 2000 vroeg de vakorganisatie de re-integratie van de heer N. .

4. Bij aangetekend schrijven van 10 augustus 2000 meldde de bvba aan de heer N. dat zij hem met ingang van 17 augustus 2000 zou re-integreren.

Ze vermeldde hierbij:

Deze reïntegratie brengt geen nadeel toe aan de gerechtelijke vordering betreffende de lijsten van kandidaten voor de sociale verkiezingen 2000 (Arbeidsrechtbank Brussel).

5. De bvba had immers op 7 augustus 2000 een geding ingeleid om de kandidatenlijsten van LBC -NVK nietig te horen verklaren, omdat deze niet ingediend waren door een inter-professionele werknemersorganisatie.

Bij vonnis van 28 augustus 2000 verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel deze vordering gegrond en zegde voor recht dat de twee kandidatenlijsten van 14 en 18 juli 2000 als nietig en onbestaande moesten worden beschouwd.

6. Bij aangetekende brief van 31 augustus 2000 verwees de bvba naar het ontslag van 30 mei 2000 en naar de nietigverklaring van de kandidatenlijst door de arbeidsrechtbank te Brussel en beëindigde zij op grond van dezelfde motieven die aan de basis lagen van het schrijven van 30 mei 2000 de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke uitwerking op 31 augustus 2000 en met betaling van een opzeggingsvergoeding van 6 maanden.

7. De heer N. ontving aldus een opzeggingsvergoeding van euro 24.726,36 wegens ontslag op 31 augustus 2000. Hij is echter van mening dat hij ook recht heeft op een opzeggingsvergoeding van 6 maanden voor het eerdere ontslag op 30 mei 2000 of minstens op het gederfde loon tussen dit ontslag en de re-integratie op 17 augustus 2000. Tevens betwist hij de berekening van het basisloon voor de opzeggingsvergoeding. Hij maakt ook aanspraak op betaling van achterstallig overloon en het vakantiegeld hierop.

8. Op 30 mei 2001 dagvaardde hij zijn werkgever in betaling van:

- een opzeggingsvergoeding van 6 maanden voor het eerste ontslag op 31 mei 2000 of euro 33.155,88, ondergeschikt een schadevergoeding van euro 9.773,10

- een aanvullende opzeggingsvergoeding voor het tweede ontslag op 31 augustus 2000 van euro 8.429,52

- overloon van euro 8.212,02

- vakantiegeld hier op van euro 1.246,58

meer de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Hij vroeg tevens de afgifte van aangepaste sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

9. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 oktober 2004 werd de vordering enkel gegrond verklaard voor een saldo opzeggingsvergoeding van

euro 3.995,47 wegens het ontslag van 31 augustus 2000, meer de wettelijke, gerechtelijke intresten en de kosten; tevens werd de bvba veroordeeld tot afgifte van de aangepaste sociale documenten. De zaak werd verzonden naar de rechtbank van koophandel te Brussel voor opname in het bevoorrecht passief van het faillissement.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat door de nietigverklaring van de ingediende kandidatenlijst de verplichte re-integratie eindigde op 31 augustus 2000 en dat de bvba geen enkele vergoeding verschuldigd was, daar de heer N. zich niet kon steunen op de artikelen 14 en 15 van de wet van 19 maart 1991, omdat hij geen rechtmatige kandidaat was.

Het basisloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding van 31 augustus 2000 werd aangepast; het overloon en het vakantiegeld hierop werd niet toegekend wegens gebrek aan bewijs.

10. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 juli 2005, tekende de heer N. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat hij de opzeggingsvergoeding voor het eerste ontslag berekende op euro 32.895,85 en de aanvullende opzeggingsvergoeding voor het tweede ontslag op euro 8.169,49.

De curator tekende incidenteel beroep aan in zoverre de aanvullende opzeggingsvergoeding voor het ontslag van 31 augustus 2000 werd toegekend. Tevens vraagt hij dat eventuele intresten zouden toegekend worden op netto.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep van de heer N. tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

De opzeggingsvergoeding als gevolg van het ontslag van 31 mei 2000

2. De bvba heeft in haar schrijven van 10 augustus 2000 de re-integratie van de heer N. bevestigd en zij stelde hierbij: Deze reïntegratie brengt geen nadeel toe aan de gerechtelijke vordering betreffende de lijsten van kandidaten voor de sociale verkiezingen 2000 (Arbeidsrechtbank Brussel).

De heer N. houdt voor dat zijn re-integratie aldus verbonden is aan een ontbindende voorwaarde, erin bestaande dat de re-integratie ontbonden zou worden bij een nietigverklaring van de kandidatenlijst van LBC-NVK. Hierdoor zou het ontslag van 30 mei 2000 onverkort blijven gelden, zodat hij aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding voor dit ontslag.

De heer N. houdt voor dat door het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 28 augustus 2000 deze ontbindende voorwaarde zich heeft gerealiseerd.

3. Op grond van artikel 1168 B.W. is een verbintenis voorwaardelijk, wanneer men deze doet het afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze te niet te doen naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft.

De onzekerheid moet een objectief gegeven zijn. Indien bij het tot stand komen van een overeenkomst reeds uitgemaakt is dat een gebeurtenis zal plaatsvinden, kan er geen sprake zijn van een voorwaarde (B. Claessens en N. Peeters, Verbintenis onder voorwaarde in Bestendig handboek Verbintenissenrecht, september 2010, III. 1-2, 2501).

4. In de clausule waarnaar de heer N. verwijst, wordt enkel gesproken over de gerechtelijke vordering betreffende de lijsten van kandidaten voor de sociale verkiezingen 2000 (Arbeidsrechtbank Brussel).

Deze procedure was reeds ingeleid op 10 augustus 2000, zodat het geen toekomstige en onzekere gebeurtenis was.

5. In de clausule wordt helemaal niet gesproken over het resultaat van deze procedure. Evenmin wordt in deze clausule verwezen naar een mogelijk resultaat van vernietiging van de kandidatenlijst en nog minder wordt dit dan als voorwaarde gesteld om de toegekende re-integratie teniet te doen.

Deze clausule had klaarblijkelijk alleen maar tot doel om te verhinderen dat men in de procedure voor de arbeidsrechtbank over de geldigheid van de kandidatenlijst zou opwerpen dat de re-integratie een impliciete erkenning van de werkgever van de kandidatenlijst van LBC-NVK zou zijn.

6. Anders dan de heer N. voorhoudt, betreft deze clausule dan ook niet een ontbindende voorwaarde. Hij kan zich op deze clausule niet steunen om een opzeggingsvergoeding op te eisen voor zijn ontslag van 31 mei 2000 dat door de re-integratie werd tenietgedaan.

Doordat hij deze re-integratie zelf had gevraagd en er ook mee ingestemd had door in antwoord op het aanbod van de werkgever van 10 augustus 2000 het werk te hervatten op 17 augustus 2000, werd het ontslag in onderling akkoord ongedaan gemaakt.

De hoofdvordering van de heer N. werd op dit punt door de eerste rechter terecht ongegrond verklaard, zodat het hoger beroep op dit onderdeel eveneens ongegrond is.

7. Door de nietigverklaring van de kandidatenlijst bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 28 augustus 2000, verloor de heer N. zijn hoedanigheid van kandidaat, zodat de bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden als gevolg van de wet van 19 maart 1991 op hem niet van toepassing was.

Oordeelkundig heeft de eerste rechter vastgesteld dat artikel 15 van deze wet niet van toepassing is, zodat de heer N. evenmin aanspraak kon maken op het gederfde loon tussen de datum van ontslag en 10 augustus 2000.

Niet betwist wordt immers dat hij in de periode tussen 1 juni 2000 en 10 augustus 2000 geen prestaties heeft geleverd. Zonder arbeid kan hij geen aanspraak maken op loon.

Aangezien hij hierop geen aanspraak kan maken, is er geen fout in hoofde van de werkgever bij de niet-betaling van dit loon, zodat de heer N. ten onrechte schadevergoeding vraagt.

Ook zijn vordering in ondergeschikte orde is dus ongegrond, waardoor zijn hoger beroep op dit onderdeel ongegrond is.

Het saldo opzeggingsvergoeding voor het ontslag van 31 augustus 2000

8. De heer N. houdt voor dat bij de berekening van de uitbetaalde opzeggingsvergoeding als gevolg van het ontslag van 31 augustus 2000 onvoldoende rekening werd gehouden met de voordelen verworven krachtens de overeenkomst, zodat het basisloon onjuist werd becijferd.

De heer N. neemt in zijn basisloon overuren op ter waarde van euro 4.186,72; verder zal worden geoordeeld dat deze overuren niet bewezen zijn, zodat deze post niet in de berekening kan worden opgenomen.

Op grond van artikel 3 van de arbeidsovereenkomst werd aan de heer N. een bedrijfswagen ter beschikking gesteld waarvan de firma alle onderhoudskosten betaalde; volgens de Company Policy Level werd de waarde bepaald op 27.000 frank ( euro 669,31). Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat naar dit bedrag niet kan worden verwezen, daar enkel het voordeel in natura bestaande in het gebruik voor privé-doeleinden in aanmerking kan worden genomen.

Oordeelkundig heeft de eerste rechter dit geraamd op euro 371,84.

De heer N. verklaart zich akkoord met de beoordeling van de eerste rechter in verband met het dubbel vakantiegeld, dat niet moet worden berekend op het privégebruik van de bedrijfswagen, de overuren en de groepsverzekering.

De eerste rechter heeft dan ook een correcte afrekening opgemaakt, waarop geen cijfermatige kritiek wordt geleverd door de bvba.

Voor het toegekende saldo dienen de aanvullende sociale documenten te worden afgeleverd.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn op deze punten ongegrond.

De intresten

9. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente als gevolg van de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum).

Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd.

Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende loonbedragen dienen berekend te worden op de netto bedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 31 augustus 2000 zijnde voor 1 juli 2005.

Op dit punt is het incidenteel beroep gegrond.

Het overloon en het vakantiegeld hierop

10. Op grond van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst van 15 juli 1998 bedraagt de wekelijkse arbeidsduur 38 uur.

De heer N. houdt voor dat hij meer uren heeft gepresteerd en hij vordert op basis hiervan overloon.

Hij steunt zich hiervoor op zelf opgemaakte lijsten voor de jaren 1998 tot 2000.

Deze stukken worden door de werkgever betwist, zodat ze geen bewijs vormen voor de gepresteerde overuren.

De heer N. houdt voor dat dit overwerk nochtans verantwoord wordt door de reistoelatingen die hij bij zijn tabellen voegt. Deze toelatingen betreffen vliegreizen, maar er wordt niet aangetoond hoe deze reizen in de arbeidstijdregeling verwerkt worden. Geen van de partijen kan opheldering geven over de interne regeling hieromtrent binnen de onderneming.

Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat de overuren niet bewezen zijn, zodat dit onderdeel van de vordering ongegrond werd verklaard.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en enkel gegrond wat betreft de intresten.

Bevestigt het bestreden vonnis, met die wijziging dat de wettelijke en gerechtelijke intresten op het toegekende saldo opzeggingsvergoeding van euro 3.995,47 dienen te worden berekend op het overeenstemmende nettobedrag.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van de heer N. , deze aan de zijde van beide partijen begroot en door het hof vereffend op:

- rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 2.750.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 16 december 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • Organisatie van het bedrijfsleven Ontslagregeling van de wet van 19 maart 1991 Gevolg bij nietigverklaring kandidatenlijst