- Ordonnance du 29 juin 2011

29/06/2011 - 2011/AB/00483

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer men nalaat de medeschuldenaar van een hypothecaire lening, die het onroerend goed mede bewoont, te laten bijdragen in de afbetaling ervan en men zet geen stappen om uit de werkloosheid te geraken, dan toont men geen duurzame structurele schuldenlast aan, zodat het verzoek tot collectieve schuldenregeling niet toelaatbaar is.


Ordonnance - Texte intégral

ep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

BESCHIKKING UITGESPROKEN IN RAADKAMER OP 29 JUNI 2011.

11de KAMER

Collectieve schuldenregeling - vorderingen collectieve schuldenregeling

Definitief.

Rechtsprekend op éénzijdig verzoekschrift.

In de zaak:

Mevrouw M.M. , wonende te

[xxx],

Appellante, vertegenwoordigd door Mter A. De Ridder, advocaat te 1080 Brussel;

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- de beschikking van niet toelaatbaarheid gewezen door de Arbeidsrechtbank

van Brussel dd. 20 april 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof

te Brussel op 19 mei 2011;

- de voorgelegde stukken;

Gehoord appellante partij in haar middelen en beweringen in raadkamer op 20 juni 2011, waarna de debatten gesloten werden, de zaak in beraad genomen werd en initieel voor uitspraak werd gesteld op de buitengewone terechtzitting in raadkamer van 13 juli 2011. De zaak wordt op heden vervroegd uitgesproken.

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING.

1. Op 27 oktober 2010 legde mevrouw M.M. een verzoekschrift collectieve schuldenregeling neer bij de arbeidsrechtbank te Brussel.

Nadat de arbeidsrechtbank een aantal malen bijkomende inlichtingen had gevraagd aan mevrouw M.M., werd bij beschikking van 20 april 2011 dit verzoek niet toelaatbaar verklaard omwille van haar weigering om het onroerend goed te verkopen, waardoor er geen structurele schuldenlast kon worden vastgesteld. Tevens oordeelde de arbeidsrechtbank dat zij niet openstaat voor reflectie omtrent het verhogen van haar inkomsten en het verminderen van haar uitgaven.

2. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 19 mei 2011, tekende mevrouw M.M. hoger beroep aan tegen deze beschikking en hernam ze haar vraag tot toelaatbaarverklaring van haar verzoek tot collectieve schuldenregeling.

II. BEOORDELING.

1. Het hoger beroep van 19 mei 2011 tegen de beschikking van 20 april 2011 werd tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

2. Artikel 1675/2 Ger.W. bepaalt dat elke natuurlijke persoon, die geen koopman is, een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling kan indienen, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd.

Mevrouw M.M. is geen koopman en heeft niet kennelijk haar onvermogen bewerkstelligd.

3. Terecht weerhield de eerste rechter dat zij niet aantoont dat zij niet in staat is om op duurzame wijze haar opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen.

Zij verwijst hiervoor immers voornamelijk naar haar hypothecaire schuld voor de aankoop van haar woning met een saldo van euro 250.232,56 en een betaalachterstand van euro 2.993,82 en naar een woonkrediet voor verbouwingswerken met een saldo van euro 4.836,72, telkens aangegaan bij Record Bank.

Deze schulden zijn echter gemeenschappelijk met de heer Aziz Abid, van wie zij echt gescheiden is, maar met wie zij opnieuw samenwoont.

4. Betrokkenen hebben twee minderjarige kinderen, A.F. (° 12 september 1996) en A.A. (° 21 november 2002); tevens wonen de ex schoonouders van mevrouw M.M., de heer A.M. en mevrouw J.F., mee in de gemeenschappelijke woning; dezen hebben geen eigen inkomsten.

Terecht wees de eerste rechter er op dat op het ogenblik van de aanvraag tot collectieve schuldenregeling de heer A.A. reeds ingeschreven was bij mevrouw M.M. en dat dit element in de aanvraag verborgen werd gehouden.

Het is duidelijk dat de heer A.A. zijn verantwoordelijkheid dient te nemen in de afbetaling van de hypothecaire lening van het gemeenschappelijk goed en van het woonkrediet, temeer daar hij zijn ouders daar heeft ondergebracht en daar deze woning de gezinswoning is voor zijn minderjarige kinderen.

Nergens blijkt uit dat de heer A.A. een deel betaalt van de gemeenschappelijke schulden of dat hij een bijdrage betaalt in de lasten van de samenwoonst; integendeel in het verzoekschrift tot aanvraag collectieve schuldenregeling woonde hij zogezegd niet in het pand, maar wordt aangegeven dat hij zelfs geen onderhoudsgeld voor zijn kinderen betaalde.

Het gaat niet op om de verantwoordelijkheid voor deze gemeenschappelijke schulden uitsluitend af te wentelen op mevrouw M.M. en haar dan maar voor te stellen als iemand die in aanmerking komt voor collectieve schuldenregeling. Dit is des te meer zo daar door de samenwoonst de werkloosheidsuitkering van mevrouw M.M. verminderd wordt.

5. Zowel mevrouw M.M. als de heer A.A. zijn thans werkloos. Indien zij de huidige gezinswoning willen behouden, dan dienen zij actief stappen te zetten om hierin verandering te brengen. Zoniet, dan zullen ze de tering naar de nering moeten zetten en dan rest er geen andere mogelijkheid dan de gezinswoning te verkopen, waarbij kan verhuisd worden naar een plaats waardoor men door de nabijheid van openbaar vervoer niet meer afhankelijk is van de recent aangekochte wagen.

Betrokkenen dienen dan ook realistische keuzes te maken en bij gebreke daaraan kan niet vastgesteld worden dat mevrouw M.M. niet in staat zou zijn om op duurzame wijze haar(/hun) opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen.

De bijkomende elementen, die mevrouw M.M. inroept, kunnen daaraan in de huidige stand geen afbreuk doen.

Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat op dit ogenblik aan de voorwaarde voor het bekomen van collectieve schuldenregeling niet voldaan is, zodat het hoger beroep ongegrond is.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op éénzijdig verzoek,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beschikking.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en uitgesproken in de raadkamer van de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 29 juni 2011, waar aanwezig waren:

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,

Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. HERREGODTS, L. LENAERTS.

Mots libres

  • SCHULDOVERLAST

  • Niet toelaatbaar wegens onrealistische keuzes: geen bewijs duurzame structurele schuldenlast.