- Arrêt du 17 décembre 2012

17/12/2012 - 2012/AA/113

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Ingeval zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, wordt de nietigheid van de opzegging niet gedekt, maar kan na een redelijke termijn aanvaard worden dat partijen afstand hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen. Het voortzetten van de arbeidsrelatie zonder enige opmerking of voorbehoud gedurende meer dan twee en een halve maand impliceert een afstand van het recht zich op de nietige opzegging te beroepen.

Het werkloosheidsbewijs C4 is geen akte zoals bedoeld in artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek; derhalve zijn de daarin vervatte regels betreffende het bewijs door getuigen daarop niet van toepassing.


Arrêt - Texte intégral

Tussenarrest op tegenspraak

get. verhoor eerste rechters -

toep.art.1072 Ger.W.

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

___________________

ARREST

A.R. 2012/AA/113

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

nv C

met zetel gevestigd te

appellante,

vertegenwoordigd door mr. B. Mergits, advocaat te 2018 Antwerpen,

tegen :

Y K,

wonende

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mevrouw N. Wens, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie met volmacht.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 17 januari 2012 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 14 februari 2012,

- de beschikking d.d. 5 maart 2012,

- de conclusie voor de heer K, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 5 april 2012,

- de conclusie voor de nv C, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 4 juni 2012,

- conclusie voor de heer K, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 3 augustus 2012,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 maart 2012 , 15 oktober 2012 en 26 november 2012.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met dagvaarding van 8 december 2010, vorderde de heer K de veroordeling van de nv C, hierna de NV genoemd, tot betaling van:

- 5.370,82 EUR bruto verbrekingsvergoeding,

- 22,47 EUR bruto loon voor feestdagen,

te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten, de kosten van het geding, de afgifte van de sociale documenten m.n.: een loonfiche, een individuele rekening, een fiscale steekkaart 281.10 m.b.t. de gevorderde bedragen en een verbeterd C4 formulier, onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging en per document.

Met conclusie van 1 april 2011 vorderde de NV de eis van de heer K ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de door de NV ingestelde tegenvordering ontvankelijk en gegrond;

bijgevolg de heer K te veroordelen tot terugbetaling van 65,55 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 8 december 2010 en de kosten van het geding.

De NV bood tevens het bewijs aan met alle middelen van recht getuigen inbegrepen dat: de NV en de heer K op 14 april 2010 overeenkwamen de arbeidsovereenkomst met wederzijdse toestemming te beëindigen mits betaling van het loon t.e.m. 30 april 2010, zonder verdere prestaties van de heer K.

Met conclusie van 20 juni 2011 vorderde de heer K enkel nog de bruto opzeggingsvergoeding van 5.370,82 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, de kosten van het geding en de afgifte van de sociale documenten.

De heer K vorderde de tegeneis van de NV ongegrond te verklaren.

Met vonnis van 17 januari 2012 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd de NV veroordeeld tot betaling van 5.370,82 EUR als opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 30 april 2010, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

De vordering m.b.t. het feestdagloon werd zonder voorwerp verklaard en de afgifte van de loonfiche, de fiscale fiche, een afschrift van de individuele rekening en een aangepast formulier C4 werd bevolen.

De tegeneis werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Tegen dit vonnis tekende de NV op 14 februari 2012 hoger beroep aan.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

In hoger beroep vordert de NV het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van de heer K ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, de heer K te veroordelen tot de kosten van het geding en alvorens ten gronde te beslissen de NV toe te laten met alle middelen van recht getuigen inbegrepen te bewijzen dat de NV en de heer K op 14 april 2010 overeenkwamen de arbeidsovereenkomst met wederzijdse toestemming te beëindigen mits betaling van het loon t.e.m. 30 april 2010 zonder verdere prestaties van de heer K.

Met syntheseconclusie van 3 augustus 2012 vordert de heer K het vonnis van 17 januari 2012 te bevestigen in al haar geledingen, dienvolgens de NV te veroordelen tot betalen van een opzeggingsvergoeding van 5.370,82 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 30 april 2010, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding vervolgens de afgifte te bevelen van de sociale documenten m.n.: de loonfiche vanaf de betaling van de toegekende bedragen, de fiscale fiche 281.10, een afschrift van de individuele rekening en een aangepast formulier C4 met correcte vermelding van de wijze en de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de aan de heer K toekomende opzeggingsvergoeding.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

Op 17 oktober 2007 trad de heer K als logistiek medewerker voor onbepaalde duur in dienst van de NV.

Met gewone brief van 29 januari 2010 die door de NV aan de heer K werd overhandigd en door beide partijen voor akkoord werd ondertekend, betekende de NV opzegging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een termijn van drie maanden, ingaande op 1 februari 2010. (stuk 2 van de heer K)

Met brief van 14 april 2010 deelde de NV aan de heer K het volgende mee:

"...

Antwerpen, 14 april 2010

Onderwerp: Beëindiging arbeidsovereenkomst in onderlinge overeenkomst

Geachte heer K, beste J,

Bij deze is in onderling overleg overeen gekomen dat u zich vanaf heden niet meer op de werkvloer dient te begeven. De lopende opzegtermijn tussen u en C N.V., welke nog tot 30 april 2010 loopt, zal verder worden uitbetaald zonder verdere prestaties.

Deze resterende dagen en vakantiedagen zullen u worden uitbetaald bij de eerstvolgende loonberekening.

Ik wens je veel succes in de toekomst en bedank je voor je getoonde inzet. Ik vertrouw erop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Opgemaakt in tweevoud te Antwerpen op 14 april 2010.

Hoogachtend, Handtekening voor akkoord

(getekend)

W B

I.O. K

Directeur voor ontvangst

C N.V. (met de hand geschreven en getekend)".

(stuk 3 van de heer K)

Die brief werd door de heer K ondertekend, voorafgegaan door een handgeschreven "voor ontvangst".

Tussen partijen wordt niet betwist dat de heer K na 14 april 2010 geen arbeidsprestaties meer heeft geleverd.

De heer K beweert dat de NV eind april 2010 een onvolledig ingevuld C4-formulier (werkloosheidsbewijs - arbeidsbewijs) overmaakte, waarop als einddatum van de tewerkstelling 30 april 2010 was vermeld en dat ingevolge een opzegging bij aangetekende brief.

Uit een brief van 1 juni 2010 blijkt dat de NV dit blijkbaar niet betwist. (eerste deel van stuk 4 en stuk 10 van de heer K)

Op 30 april 2010 werd door de NV een C4-formulier (werkloosheidsbewijs - arbeidsbewijs) opgemaakt en ondertekend waarop vermeld was: "de werknemer heeft vrijwillig het werk verlaten op 30 april 2010".

Als oorzaak van de werkloosheid werd vermeld: "in onderlinge overeenkomst" (stuk 4 van de heer K)

Met brief van 17 mei 2010 deelde de vakorganisatie van de heer K aan de NV het volgende mee:

"...

Mevrouw, Mijnheer,

Betrokkene heeft zich bij ons aangeboden om een werkloosheidsdossier te laten opmaken.

Om het dossier te kunnen vervolledigen, verzoeken wij u nog een maand opzeg uit te betalen. Volgens de afgeleverde C4 heeft u immers de opzegging per aangetekende brief verstuurd op 29/01/2010. Dit houdt in dat de betekening hiervan ingaat vanaf 03/02/2010. De opzegperiode gaat dan ten vroegste de eerste van de volgende kalendermaand in. In dit geval dus vanaf 01/03/2010. Bijgevolg dient er nog opzeg betaald te worden voor de maand 05/2010.

Gelieve dan ook de kopie van de C4 in bijlage aan te passen en de correctie te handtekenen, te dateren en af te stempelen.

..."

(stuk 9 van de heer K)

Daarop antwoordde de NV in een brief van 1 juni 2010 het volgende:

"...

Betreft: Werkloosheidsdossier K - rijksreg.nr. 880425-473-71 - uw kenmerk:FDM/2010-40734

Geachte,

Verwijzende naar uw schrijven van 17 mei jl., sturen wij u in bijlage de benodigde info omtrent de uitdiensttreding van dhr. K.

In bijlage sturen wij u een kopie van de kennisgeving van de verbreking van het (de) arbeidsovereenkomst, welke op 29 januari 2010 werd ondertekend voor akkoord door de heer K. Hierin verklaart hij zich akkoord met de verbreking en de opzegtermijn van 3 maanden ingaande vanaf 1 februari 2010.

Daar er op het C4-document enkel de keuze bestaat tussen het aanvinken van ‘aangetekende brief' ofwel ‘deurwaardersexploot', werd er geopteerd voor de keuze ‘aangetekende brief' met de datum van ondertekening door de heer K.

Wij zijn ervan overtuigd dat de opzegperiode correct is verlopen, en hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

(getekend)

T

Finance & HR België

CN.V."

(stuk 10 de heer K)

Met brief van 14 juni 2010 deelde de vakorganisatie van de heer K aan de NV het volgende mee:

"...

Geachte heer T,

Betreft: YK

(...)

Wij worden geraadpleegd door Y K die ons verzoekt zijn belangen te behartigen.

Onze aangeslotene heeft in uw dienst gewerkt van 17/10/2004 tot en met 30/04/2010 als bediende.

Het bruto maandloon bedroeg laatste 1.543,34 euro .

De arbeidsovereenkomst met Dhr. K werd door u beëindigd, zonder de wettelijke vormvereisten te respecteren. Art.37, §1, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalt dat de opzegging door de werkgever, op straffe van nietigheid, enkel kan geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer de nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.

Ingevolge de nietigheid van de door u gegeven opzegging, verzoeken wij u dan ook om Dhr. K een verbrekingsvergoeding te betalen van drie maanden loon.

Onder voorbehoud van alle rechten van betrokkenen verzoeken wij u het overeenstemmende nettobedrag te storten (...)

Gelieve eveneens de erop betrekking hebbende sociale en fiscale documenten af te leveren.

(...)

(stuk 11 van de heer K)

Vermits de NV daarop niet reageerde dagvaardde de heer K de NV voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde wat hiervoor sub II is vermeld.

2. De beoordeling

2.1. de wijze waarop de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen

De heer K vordert de betaling van een opzeggingsvergoeding omdat de NV op 30 april 2010 op onregelmatige wijze de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door afgifte van een C4-formulier waarop duidelijk vermeld was dat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd op 30 april 2010.

De NV op haar beurt voert aan dat geen opzeggingsvergoeding verschuldigd is omdat de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord werd beëindigd.

De eerste rechters hebben de visie van de heer K bijgetreden en hebben het aanbod van de NV om door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van het feit dat de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord was beëindigd op 14 april 2010, afgewezen op grond van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt.

De partij bij een arbeidsovereenkomst die beweert dat zijn medecontractant op onregelmatige wijze de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd en een opzeggingsvergoeding verschuldigd is, moet het bewijs van die onregelmatige beëindiging leveren.

Krachtens artikel 37, §1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, heeft ieder der partijen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur het recht die overeenkomst te beëindigen door opzegging aan de andere.

Krachtens artikel 37, §1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, kan de kennisgeving van de opzegging, indien deze uitgaat van de werkgever, op straffe van nietigheid enkel geschieden bij aangetekende brief die uitwerking heeft de derde dag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.

De nietigheid van de opzegging tast evenwel de geldigheid van het ontslag niet aan.

Geen enkele wetsbepaling maakt de geldigheid van het ontslag immers afhankelijk van bepaalde vormen.

Wanneer de opzegging nietig is, bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum.

In geval evenwel zowel de werkgever als de werknemer zich na de krachtens artikel 37, §1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet ongeldige kennisgeving van de daardoor nietig zijnde opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, kunnen de partijen door de rechter na een redelijke termijn beschouwd worden als afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen.

De arbeidsovereenkomst blijft dan voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd.

Het staat de partij die door een dergelijke nietige opzegging onmiddellijk ontslag heeft gekregen, vrij zich al dan niet op de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst te beroepen.

Het afzien van het inroepen van het onmiddellijk ontslag houdt geen afstand in van de in voormeld artikel 37, §1, vierde lid, bepaalde absolute nietigheid van de opzegging of van het recht die in te roepen.

Het arbeidshof stelt in deze vast dat de NV met gewone brief van 29 januari 2010, door de heer K mede ondertekend, de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met voormeld artikel 37, §1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet (geen kennisgeving bij aangetekende brief of bij gerechtsdeurwaardersexploot).

Wanneer, zoals te dezen, de opzegging absoluut nietig is, bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling, zodat, zoals hiervoor reeds vermeld, de arbeidsovereenkomst dus in beginsel onmiddellijk beëindigd is.

De nietigheid van de aldus gegeven opzegging kan niet worden gedekt door enige handeling van de heer K.

De arbeidsovereenkomst eindigt immers pas wanneer de geadresseerde van de nietige opzegging zich op de nietigheid van de opzegging beroept en het onrechtmatig ontslag door de ontslaggevende partij vaststelt.

Weliswaar kan de absolute nietigheid door de werknemer niet gedekt worden, maar deze kan het recht verliezen om later nog het ontslag in te roepen, wanneer hij dit niet doet binnen een redelijke bedenktijd, meer bepaald na de overhandiging van de opzeggingsbrief.

Ingeval zowel de werkgever als de werknemer zich na de kennisgeving van de ongeldige opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, wordt de nietigheid van de opzegging niet gedekt (of in geval van artikel 37, §1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet kan die nietigheid zelfs niet worden gedekt), maar kan na een redelijke termijn aanvaard worden dat partijen afstand hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen. (Cass. 11 april 2005, S.04.0113.N, Cass. 25 april 2005, S.03.0101.N, Cass. 30 mei 2005, S.04.0115.N, Cass. 28 januari 2008, S.07.0097.N, www.cass.be, op datum)

In deze omstandigheden blijft de arbeidsovereenkomst gewoon voortduren totdat zij op een andere wijze wordt beëindigd.

In deze zaak stelt het arbeidshof vast dat geen van de partijen, binnen een redelijke bedenktijd, de nietigheid van de opzegging en het daaruit voortspruitende onmiddellijk ontslag hebben ingeroepen, wel integendeel.

Partijen hebben zich gedurende meer dan twee en een halve maand na de ongeldige opzegging gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag had plaatsgevonden.

Door het voortzetten van de arbeidsovereenkomst na de nietige opzegging wordt het door de NV gegeven ontslag op 29 januari 2010 ongedaan gemaakt.

De heer K heeft immers de redelijke termijn binnen dewelke hij zich op de onregelmatigheid van het ontslag diende te beroepen kennelijk overschreden en heeft afstand gedaan van het recht de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 29 januari 2010 in te roepen.

Rest tenslotte de vraag door wie en op welke wijze de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk werd beëindigd.

De heer K beweert dat de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan tot 30 april 2004, zij het onder gewijzigde voorwaarden, meer bepaald dat vanaf 14 april 2010 tot 30 april geen arbeidsprestaties meer moesten geleverd worden en dat het loon werd doorbetaald tot 30 april 2010.

Op 30 april 2010 zou de NV door afgifte van een C4-formulier de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze hebben beëindigd.

De NV op haar beurt voert aan dat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen in onderling akkoord en als bewijs daarvan verwijst zij naar de door de heer K ondertekende brief van 14 april 2010.

Het arbeidshof stelt echter vast dat de heer K die brief slechts "voor ontvangst" heeft ondertekend, waaruit dus niet zonder meer zijn instemming met de inhoud van die brief kan afgeleid worden.

Verder voert de NV aan dat het bestaan van de verbintenis bewezen wordt door de uitvoering ervan, zodat het feit dat de heer K van het werk is weggebleven na 14 april 2010 het bewijs vormt van het tussen partijen gesloten akkoord.

Het arbeidshof kan ook die visie niet helemaal delen, nu het stopzetten van de arbeidsprestaties evengoed kan uitgelegd worden als de uitvoering van het akkoord van de heer K met de vrijstelling van arbeidsprestaties, lopende de arbeidsovereenkomst tot 30 april 2010, zoals kan blijken uit de bewoordingen van de brief van 14 april 2010.

De geschreven verklaring naar dewelke de NV verwijst en die werd ondertekend door de heren B, T en P, vormen slechts een feitelijk vermoeden, dat voor het arbeidshof op zich echter niet volstaat als afdoende bewijs van de beëindiging van de overeenkomst in onderling akkoord.

De NV biedt echter aan het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van het feit "dat de NV en de heer K op 14.04.2010 overeenkwamen de arbeidsovereenkomst met wederzijdse toestemming te beëindigen mits betaling van het loon t.e.m. 30.04.2010, zonder verdere prestaties van de heer K".

De eerste rechters hebben het door de NV geformuleerde bewijsaanbod afgewezen omdat "(...) de NV uitdrukkelijk op het formulier C4 vermeld (heeft) dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd geworden op 30 april 2010 ook al is de vermelding dat dit in onderlinge overeenkomst is gebeurd onjuist en alleszins niet bewezen" en "omdat het geschrift niet kan weerlegd worden door verklaringen van derden of getuigen".

Het arbeidshof is van mening dat de NV niet het recht kan ontzegd worden het bestaan en de inhoud te bewijzen van de door haar aangevoerde overeenkomst, vermeld in de brief van 14 april 2010 en waarvan zij het bewijs door getuigen aanbiedt.

Dat het door de NV afgeleverde C4-formulier vermeldt dat de arbeidsovereenkomst op 30 april 2010 een einde heeft genomen in onderling akkoord verhindert niet dat het gevraagde bewijs door getuigen wordt toegestaan, zelfs indien dit strijdig is met de vermeldingen op het C4-formulier.

Wanneer de wet de bewijsvoering door getuigen niet verbiedt, oordeelt de rechter in feite en derhalve op onaantastbare wijze of een getuigenbewijs dienstig kan worden geleverd, mits hij het principieel recht om zodanig bewijs te leveren niet miskent. (Cass. 11 mei 2009, S.08.0143.F, www.juridat.be, op datum; Cass. 20 januari 2003, S.02.0067.N, www.juridat.be, op datum; Cass., 17 september 1999, A.C. 1999, 468; Cass. 20 juni 1997, A.C. 1997, 289)

Artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

"(...); het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR."

Artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

"De hiervoor bepaalde regels lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.

Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt."

Nu het C4-formulier geen akte is zoals bedoeld in artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de daarin vervatte regels betreffende het bewijs door getuigen daarop niet van toepassing. (Arbh. Brussel, 13 november 1995, R.W. 1995-96, 781; Arbh. Luik 15 februari 1996, J.L.M.B. 1996, 1401; Arbh. Gent 5 maart 1997, J.T.T. 1997, 433; Arbh. Luik 12 maart 1997, J.T.T. 1997, 431; MERGITS, B., "Documenten bij het einde van de arbeidsovereenkomst", A.T.O., O 803-10; D. CUYPERS, Misbruik van ontslagrecht en willekeurig ontslag, Bibliotheek Sociaal recht Larcier, Larcier 2002, 224-226)

Daaruit volgt dat, nu de wet de bewijsvoering door getuigen niet verbiedt, de NV kan worden gemachtigd tot het door haar gevraagde getuigenbewijs.

Vooraleer verder recht te spreken over de gevorderde opzeggingsvergoeding en de af te leveren sociale documenten wordt de NV, op grond van de hiervoor vermelde motieven, gemachtigd om het door haar gevraagde bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen.

BESLISSING

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het vonnis van 17 januari 2012 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt vernietigd, maar vooraleer verder recht te spreken machtigt het arbeidshof de NV om het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen van volgend feit:

"Dat de NV en de heer K op 14.04.2010 overeenkwamen de arbeidsovereenkomst met wederzijdse toestemming te beëindigen mits betaling van het loon t.e.m. 30.04.2010, zonder verdere prestaties van de heer K".

Het arbeidshof verzendt in toepassing van artikel 1072 van het Gerechtelijk Wetboek de zaak naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen voor uitvoering van de bij dit arrest bevolen onderzoeksmaatregel en houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen door:

de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter,

de heer P. AERTS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw L. PELEMANS, griffier,

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 17 december 2012.

Mots libres

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT : arbeidsovereenkomst

  • opzegging

  • onregelmatige kennisgeving

  • absolute nietigheid

  • afstand van recht

  • redelijke termijn

  • verdere uitvoering van de overeenkomst gedurende meer dan twee en een halve maand

  • werkloosheidsbewijs C4

  • bewijswaarde

  • getuigenbewijs tegen vermeldingen van C4