- Arrêt du 20 avril 2012

20/04/2012 - 2011/AH/371

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De terugkeer tot beter fortuin moet geïnterpreteerd worden als een wezenlijke wijziging in de vermogenstoestand door het plots ontvangen van een aanzienlijke som geld en betreft een uitzonderingsbepaling.


Arrêt - Texte intégral

Eindarrest op tegenspraak t.o.v. appellant, eerste, tweede en vijfde geïntimeerde en bij verstek t.o.v. derde en vierde geïntimeerde

Achtste kamer

Collectieve Schuldenregeling

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

___________________

ARREST A.R. 2011/AH/371

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN TWAALF

1. ODBM, met maatschappelijke zetel te

appellant,

ter zitting verschijnend bij mr. MO, loco mr. FR, advocaat te

TEGEN:

1. FH, schuldenaar, wonende te

eerste geïntimeerde,

ter zitting verschijnend bij mr. MO, loco mr. AD, advocaat te

2. Mr. ORC Carine, schuldbemiddelaar, met kantoor te

tweede geïntimeerde,

ter zitting verschijnend in persoon,

3. FAG, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

derde geïntimeerde,

ter zitting niet verschijnend,

4. EH, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

vierde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. PN, advocaat te, ter zitting niet verschijnend,

5. BF, schuldeiser, wonende te

vijfde geïntimeerde,

ter zitting verschijnend bij mr. BP, advocaat te

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

1. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

Het arbeidshof heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, en meer in het bijzonder van:

- het verzoekschrift van mevrouw FH om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 14 april 2006;

- het afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid waarbij mr. COR als schuldbemiddelaar werd aangesteld, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 18 april 2006;

- het afschrift van het vonnis tot oplegging van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 28 mei 2008;

- het eensluidend afschrift van het vonnis tot beëindiging van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren op 18 november 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 22 december 2011;

- de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 17 februari 2012 en 16 maart 2012.

2. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Bij beschikking, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 18 april 2006, werd het verzoek van FH om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaard en werd mr. COR aangesteld als schuldbemiddelaar.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 28 mei 2008 werd een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd voor een duur van 5 jaar, beginnende vanaf de beschikking van toelaatbaarheid (zijnde 18 april 2006) om te eindigen op 18 april 2011, met volgende bijzonderheden:

- aan mevrouw F werd een leefgeld van 1200,00 euro per maand toegekend;

- pondspondsgewijze aanzuivering van de aanvaarde hoofdsommen van de drie schuldvorderingen door middel van een maandelijks beschikbare som van 200 euro, met inachtname van de gelijkheid der schuldeisers;

- opbouw van een reserve door de schuldbemiddelaar met het saldo van het inkomen;

- onmiddellijke pondspondsgewijze verdeling van een bedrag van 3000 euro uit de reserve onder de aanvaarde hoofdsommen van de drie schuldvorderingen, waarbij de gelijkheid tussen de schuldeisers gerespecteerd wordt.

In het vonnis werd tevens gestipuleerd dat na afloop van deze afbetalingsregeling, mits volledige en stipte naleving ervan en behoudens terugkeer van mevrouw F tot een beter fortuin voor het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, alle restschulden zullen worden kwijtgescholden, zowel in hoofdsom als in intresten, kosten en bijhorigheden.

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 18 november 2011 werd de gerechtelijke aanzuiveringsregeling als beëindigd beschouwd. Er werd vastgesteld dat de maandelijkse betalingen correct werden uitgevoerd en dat de gerechtelijke regeling door mevrouw F correct werd nageleefd. Er werd voor recht gezegd dat het saldo op de rubriekrekening op het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling toekomt aan mevrouw F.

Tegen dit vonnis gaat de ODB belastingen te M, appellant, in hoger beroep.

3. EISEN IN HOGER BEROEP

De vordering in hoger beroep van de ontvanger van de directe belastingen te M strekt ertoe het bestreden vonnis van 18 november 2011 uitgesproken door de arbeidsrechtbank van Tongeren te hervormen en opnieuw recht doende te zeggen voor recht dat mevrouw HF is teruggekeerd tot beter fortuin zoals bepaald in artikel 1675/13 Ger.W. en bijgevolg te bepalen dat het tegoed van 7937,22 euro dat zich op de rubriekrekening bevindt pondspondsgewijze moet uitbetaald worden aan de schuldeisers, waaronder de FOD F, ontvangkantoor M.

In ondergeschikte orde, de gerechtelijke aanzuiveringsregeling van 28 mei 2008 aan te passen op grond van artikel 1675/14 Ger.W. en te bepalen dat de opgebouwde reserve van 7937,22 euro toekomt aan de schuldeisers en pondspondsgewijze onder hen moet verdeeld worden.

Kosten als naar recht.

4. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

De ODB te M, hierna de o, vraagt de verwijzing van de zaak naar een kamer met drie rechters.

Van de beroepen tegen vonnissen inzake collectieve schuldenregeling wordt overeenkomstig artikel 104 Ger.W. evenwel kennis genomen door een kamer die bestaat uit één raadsheer bij het arbeidshof.

Er kan dan ook niet ingegaan worden op het verzoek om de zaak toe te wijzen aan een kamer met drie rechters.

5. TEN GRONDE

Bij vonnis van de beslagrechter van 28 mei 2006 werd een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd die zou eindigen op 18 april 2011. Hierbij werd een leefgeld bepaald, een bedrag dat maandelijks aan de schuldeisers werd betaald en werd tevens gesteld dat er een reserve diende opgebouwd te worden door de schuldbemiddelaar met het saldo van het inkomen. Deze reserve zou aan het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling 7.937, 22 euro bedragen en kwam tot stand door de beperkte loonsverhogingen van mevrouw F tijdens de procedure van de collectieve schuldenregeling zonder dat het leefgeld verhoogd werd.

Overeenkomstig artikel 1675/13, §1 Ger. W. bepaalde de beslagrechter dat na afloop van de afbetalingsregeling en mits volledige en stipte naleving ervan en behoudens terugkeer tot beter fortuin voor het einde van de aanzuiveringsregeling, alle restschulden werden kwijtgescholden. Over het lot van de reserve werd niets bepaald.

Artikel 1675/13, §1 Ger.W. bepaalt dat indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, de rechter, op vraag van de schuldenaar, kan besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder bepaalde voorwaarden. Er is geen discussie dat mevrouw F aan deze voorwaarden heeft voldaan en dus in aanmerking komt voor de kwijtschelding.

Voormeld artikel vervolgt dat naast het voldoen aan alle voorwaarden, de kwijtschelding niet verworven is in geval van een terugkeer door de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.

De ontvanger stelt dat mevrouw F tot beter fortuin is teruggekeerd door het bezit van de reserve waardoor de kwijtschelding van de restschulden niet verworven is en de gelden op de rubriekrekening aan de schuldeisers toekomen.

5.1. Terugkeer tot beter fortuin

Enkel wanneer de schuldenaar tot beter fortuin is teruggekeerd, kan de kwijtschelding van de restschulden in vraag gesteld worden.

Principes

De terugkeer tot beter fortuin wordt niet gedefinieerd in de wet en kan enkel beschouwd worden als een uitzonderingssituatie waarbij de schuldenaar opnieuw in het bezit is van een fortuin wat wijst op een aanzienlijke vermeerdering van haar vermogen.

In de voorbereidende werken wordt dit als volgt omschreven: "Dit laatste concept moet geïnterpreteerd worden als een wezenlijke wijziging van de vermogenstoestand van de schuldenaar." (Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen en het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 628 en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek, Parl. St. Kamer 1996-97, nr. 1073/1 en nr. 1074/1, 46).

Elders in de voorbereidende werken wordt er op gewezen dat de wetgever met het begrip "terugkeer tot beter fortuin" een fundamentele wijziging in de toestand van de schuldenaar beoogde. "Het gaat niet om het eenvoudig verkrijgen van een baan, maar om een gelukkige gebeurtenis die de schuldenaar moet toelaten zeer snel aan al zijn verplichtingen te voldoen. Men bedoelt bijvoorbeeld winnen bij een loterij, een belangrijke erfenis, de goede afloop van een proces waardoor de schuldenaar opnieuw beschikt over een aanzienlijke som geld, enz".(Verslag namens de commissie voor het bedrijfsleven, het wetenschapsbeleid, het onderwijs, de nationale wetenschappelijke en culturele instellingen, de middenstand en de landbouw, Parl. St. Kamer 1996-97, nr. 1073/11, 75-76).

De terugkeer tot beter fortuin kan dan ook enkel geïnterpreteerd worden als een wezenlijke wijziging in de vermogenstoestand door het plots ontvangen van een aanzienlijke som geld.

De stelling van de ontvanger als zou er hierdoor een voorwaarde worden toegevoegd aan artikel 1675/13 Ger.W., is niet correct. De bepaling "terugkeer tot beter fortuin" is immers niet gedefinieerd waardoor de rechter dit moet interpreteren en moet toepassen op de gegevens van de zaak. De voorbereidende werken kunnen hierbij gelden als een gezaghebbende bron.

Het arbeidshof is van mening dat het begrip enkel kan wijzen op een uitzonderingsbepaling en dus op een gebeurtenis die uitzonderlijk is waardoor de schuldenaar een aanzienlijk bedrag in korte tijd verwerft. Anders had de wetgever geen gebruik gemaakt van het begrip "fortuin".

De interpretatie die de ontvanger aan de bepaling geeft, met name als zou dit ook gelden voor personen die op het einde van de regeling een spaarcent zouden hebben, kan dan ook niet aanvaard worden.

Toepassing

Er is geen betwisting dat de reserve werd opgebouwd door de niet-indexering of de niet-verhoging van het leefgeld terwijl het loon van mevrouw F tijdens de procedure van de collectieve schuldenregeling af en toe licht verhoogd werd waardoor er doorheen de jaren kleine bedragen naar de reserve overgeheveld werden.

Het sparen van een dergelijk bedrag, kan niet beschouwd worden als het terugkeren tot een beter fortuin maar is slechts het gevolg van het behouden van een tewerkstelling. Er is immers geen sprake van een wezenlijke wijziging in de vermogenstoestand door het ontvangen van een aanzienlijke som geld.

De stelling als zou er toch sprake zou zijn van de terugkeer tot een beter fortuin omdat mevrouw F bij het begin van de collectieve schuldenregeling niets bezat en enkel schulden had en nu zou beschikken over een aanzienlijk bedrag, kan in het licht van de hierboven gegeven interpretatie niet gevolgd worden. Er is immers geen aanzienlijke vermogenswijziging nu mevrouw F tijdens de aanzuiveringsregeling steeds is blijven werken en steeds de afgesproken bedragen aan de schuldeisers heeft betaald. Het loutere feit dat zij naast de afbetaling aan de schuldeisers ook een bedrag heeft kunnen sparen, betekent dan ook niet dat er sprake is van een terugkeer naar een beter fortuin.

Er is geen sprake van de terugkeer tot een beter fortuin en evenmin zijn er andere redenen op basis waarvan de kwijtschelding van de restschulden ongedaan kan gemaakt worden.

5.2. Reserve komt toe aan mevrouw F

Nu vastgesteld werd dat er geen terugkeer is tot beter fortuin, kan de reserve, naar het oordeel van het arbeidshof en rekening houdend met alle elementen van het dossier, enkel aan mevrouw F toegekend worden (B. WYLLEMAN en E. VAN ACKER, Praktische gids voor schuldbemiddelaars, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 218, nr. 430).

De stelling van de ontvanger als zouden deze gelden aan de schuldeisers moeten uitgekeerd worden omdat anders het evenwicht tussen de rechten van de schuldenaar en van de schuldeisers zou geschonden worden, kan niet aanvaard worden.

Er werd immers een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd waarin aan de schuldeisers een vooraf gekend bedrag werd toegekend bij het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling. Indien dit bedrag betaald werd, hetgeen niet betwist wordt, werden de restschulden kwijtgescholden en is deze regeling door de ontvanger aanvaard geweest. Althans werd tegen het vonnis dat de gerechtelijke aanzuiveringsregeling heeft opgelegd, geen beroep aangetekend.

Weliswaar is er geen wettelijk beletsel om de gelden alsnog aan de schuldeisers over te maken maar aangezien de schuldeisers akkoord waren met het in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling vooropgestelde bedrag, komt het door de schuldenaar gespaarde bedrag, aan hem toe. Te meer daar mevrouw F tijdens de ganse procedure van de aanzuiveringsregeling nooit enig extra bovenop haar leefgeld heeft ontvangen en dus steeds is moeten toekomen met een beperkt leefgeld dat bovendien nooit verhoogd werd.

Het loutere feit dat aan de o, die naar eigen zeggen op 15 februari 2011 de stand van de reserve zou opgevraagd hebben en pas op 19 april 2011 het bedrag van de reserve zou ontvangen hebben, wijzigt dit niet.

Op de vraag om alsnog de gerechtelijke aanzuiveringsregeling te herzien omdat de ontvanger de afbetalingscapaciteit van mevrouw F onderschat zou hebben, kan niet ingegaan worden.

Niet alleen is de ontvanger akkoord gegaan met de oorspronkelijke regeling en kon hij tijdens het ganse verloop van de aanzuiveringsregeling de nodige informatie opvragen maar bovendien zijn er geen aanwijzingen dat de inkomenssituatie van mevrouw F dermate gewijzigd is dat er tot een herziening diende overgegaan te worden. Er worden trouwens geen redenen gegeven waaruit kan blijken dat een herziening van de regeling zich opdrong.

Ten overvloede kan opgemerkt worden dat bij een herziening enkel zal blijken dat het inkomen van mevrouw F licht verhoogd werd waardoor er waarschijnlijk een hoger leefgeld had toegekend dienen te worden. De nu opgespaarde reserve had dan reeds in loop van de procedure aan mevrouw F toegekomen.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Doet uitspraak op tegenspraak ten opzichte van appellant, eerste, tweede en vijfde geïntimeerde.

Doet uitspraak bij verstek ten opzichte van derde en vierde geïntimeerde.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 18 november 2011.

Stelt vast dat aan deze procedure geen gerechtskosten verbonden zijn.

Aldus gewezen door:

Mots libres

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • collectieve schuldenregeling

  • einde gerechtelijke regeling

  • terugkeer tot beter fortuin

  • begrip

  • niet-indexering of niet-verhoging van het leefgeld