- Arrêt du 10 septembre 2012

10/09/2012 - 2011/AA/574

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Bij de omzetting van de graad van zuiver fysieke minderwaarde in een economische minderwaarde moet rekening worden gehouden met : de aard van de handicap, de leeftijd van de getroffene, en het daarmee verband houdend aanpassingsvermogen, het uitgeoefende beroep en de omscholingsmogelijkheid, de beroepsbekwaamheid en het concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt.

Er moet zo concreet mogelijk worden nagegaan wat het slachtoffer nog kan verdienen zonder het eventueel te mogen toetsen aan de praktijk.


Arrêt - Texte intégral

zevende kamer

eindarrest op tegenspraak

arbeidsongeval

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

afdeling Antwerpen

ARREST

AR 2011/AA/574

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

In de zaak:

E.D.,

wonende te 2060 Antwerpen, ...,

appellant,

verschijnend bij mr. A. Peiffer, advocaat te Antwerpen,

tegen:

1. NV AXA BELGIUM,

met maatschappelijke zetel gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, K.B.O. nummer (0)404 483 367,

eerste geïntimeerde,

verschijnend bij mr. A. Bluekens loco mr. A. Diercxsens, advocaat te Antwerpen,

2. NV MERCATOR VERZEKERINGEN,

met maatschappelijke zetel gevestigd te 2600 Berchem - Antwerpen, Posthofbrug 16, KBO nr. 0400.048.883,

tweede geïntimeerde,

verschijnend bij mr. M. Mattheessens loco mr. R. Mertens, advocaat te Wijnegem.

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest.

Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 14 november 2011 en 18 juni 2012.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer:

- de dagvaarding uitgaande van de E.D., betekend aan NV Axa Belgium door G. Vaes, plaatsvervanger voor R. Robert, gerechtsdeurwaarder te Ukkel, op 5 januari 2007;

- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 26 januari 2007 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard doch, alvorens verder recht te spreken, dr. R. Mathys werd aangesteld als geneesheer-deskundige;

- het definitief deskundig verslag van dr. R. Mathys, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 december 2009;

- het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van de NV Mercator Verzekeringen, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 december 2009;

- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 24 februari 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt bijgebracht;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, uitgaande van E.D., neergelegd ter griffie van dit hof op 26 oktober 2011 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de beschikking met toepassing van artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 14 november 2011;

- de conclusie voor eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit hof op 19 december 2011;

- de conclusie voor tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 januari 2012;

- de conclusie voor appellant, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 maart 2012.

Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 18 juni 2012 overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijke Wetboek.

De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 18 juni 2012, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.

1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.

2. Feiten en voorafgaande rechtspleging.

E.D. (hierna in dit arrest "het slachtoffer" genoemd) werd op 12 augustus 2005, getroffen door een arbeidswegongeval toen hij in dienst was van de NV R.B. als uitzendarbeider. Op de weg van zijn werk (de firma kippenfabriek V.H.) naar huis kwam hij met zijn motor in aanrijding met een bromfietser, mevrouw V.V.V.

Hij liep hierbij een trauma op aan het rechter onderbeen en een kneuzing aan de linkerschouder.

Hij werd overgebracht naar het Stuivenbergziekenhuis, waar bij een radiografisch onderzoek een trimalleolaire fractuurluxatie werd vastgesteld van de rechterenkel. Een gipsverband werd aangelegd.

Hij bleef tijdelijk volledig arbeidsongeschikt van 12 augustus 2005 tot en met 30 september 2005.

Op 4 oktober 2006 werd het slachtoffer geopereerd in het Stuivenbergziekenhuis na een MRI-onderzoek op 6 augustus 2006 waarbij een niet geconsolideerde breuk van de laterale malleolus met schuine afloop en mogelijke avasculaire botfragmenten ter hoogte van de distale tibia werden vastgesteld.

De NV Axa Belgium, de arbeidsongevallenverzekeraar van de NV R.B. (verder in dit arrest de wetsverzekeraar genoemd) erkende voormeld ongeval d.d. 12 augustus 2005 als een arbeidswegongeval en aanvaardde een arbeidsongeschiktheidsperiode van 12 augustus 2005 tot en met 30 september 2005.

Het herval vanaf 4 oktober 2006 werd geweigerd door de wetsverzekeraar bij gebrek aan causaal verband met voormeld arbeidswegongeval.

Aangezien partijen over de gevolgen van het arbeidswegongeval niet tot een overeenstemming konden komen, dagvaardde het slachtoffer de wetsverzekeraar op 5 januari 2007 voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde de veroordeling van de wetsverzekeraar tot de betaling van 1 EUR provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf het ogenblik van de opeisbaarheid en de gerechtelijke intresten.

E.D. vorderde verder, alvorens ten gronde te oordelen, over te gaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige met de opdracht na te gaan of de letsels waarover hij zich beklaagt in oorzakelijk verband staan met het hem overkomen arbeidsongeval op 12 augustus 2005 en te zeggen met welke graad van waarschijnlijkheid dit kan worden bepaald. In bevestigend geval verzocht het slachtoffer opdracht te geven aan de gerechtsdeskundige om de gevolgen van het arbeidsongeval te bepalen.

Met tussenvonnis d.d. 26 januari 2007 verklaarden de eerste rechters de vordering van E.D. ontvankelijk en stelden, gelet op de medische betwisting tussen partijen, alvorens verder recht te spreken, dr. R. Mathys aan als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen.

Op 7 december 2009 ontving de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen het definitief deskundig verslag van dr. R. Mathys waarin hij de zaak als volgt bespreekt:

"De heer E.D. was op 12.08.05 betrokken in een arbeidsongeval waarbij hij een trauma heeft opgelopen van rechterenkel en van linkerschouder.

De kneuzing van linkerschouder ging gepaard met tijdelijke pijn en functiebeperking. Dit wordt ondermeer nog gemeld door Dr. Janssens op 15.10.07. Er wordt echter nergens melding gemaakt van traumatische letsels. Momenteel is de heer D. op dit vlak zo goed als klachtenvrij. Men mag aannemen dat hij hersteld is van de kneuzing van linkerschouder.

Het trauma van de rechterenkel ging gepaard met een trimalleolaire fractuurluxatie. Deze werd eerst conservatief behandeld door middel van reductie en gips. Nadien volgde kinesitherapie. De beeldvorming heeft echter aangetoond dat er geen volledige consolidatie werd bereikt. Dit steunt ondermeer op het MRI onderzoek van 08.06.06. Dit was aanleiding tot een heelkundige ingreep uitgevoerd door Dr. Janssens op 04.10.06. Nadien werd de consolidatie bereikt. Het osteosynthesemateriaal werd verwijderd op 20.02.08. Het meest recente controleonderzoek dateert van 17.07.09. Het betreft een radiografisch onderzoek van beide enkels. Dit toont een duidelijke posttraumatische arthrose ter hoogte van het rechterenkelgewricht met osteosynthese sequelen en vernauwing van de tibiotalaire gewrichtsruimte. De breuk is wel volledig geconsolideerd.

Bij het klinisch onderzoek weerhouden een beperking van de dorsieflexie met 5° en van de plantaire strekking met 0 tot 5°. Er is een beperking van de beweeglijkheid van het subtalaar gewricht en in mindere mate van het middenvoetgewricht.

De klachten van pijn zijn te verklaren door de posttraumatische arthrose.

Op basis van deze gegevens kan de blijvende fysieke minderwaarde op 6 % worden geraamd. Dit betekent eveneens een reële aantasting van zijn arbeidsgeschiktheid."

De gerechtsdeskundige besluit:

- De persoon van eisende partij, D. E., wordt onderzocht.

- De toestand in verband met de letsels waarvoor hij zich beklaagt wordt beschreven.

- Deze letsels zijn het gevolg van het relaas van de feiten door hem gegeven, betreffende het ongeval van 12 augustus 2005. Deze letsels zijn niet uitsluitend toe te schrijven aan een vooraf bestaande toestand.

- Tijdelijke arbeidsongeschiktheid:

van 12.08.2005 tot 31.12.2006: 100 %

van 20.02.2008 tot 15.03.2008: 100%

- Datum van consolidatie: 16.03.2008

- Blijvende zuiver fysieke minderwaarde: 6%

- De weerhouden fysieke minderwaarde heeft een directe weerslag op de functionele werking van het getroffen lichaamsdeel. Belasting van de rechterenkel gaat gepaard met pijn en functiebeperking. Het beklimmen van tuigen, ladders en het dragen van zware lasten is eveneens hinderlijk.

- Blijvende arbeidsongeschiktheid: 6% waarbij werd rekening gehouden met de fysische ongeschiktheid, de leeftijd, de vakkundigheid, de mogelijkheid van aanpassing en omscholing en concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt."

Er werden geen opmerkingen ontvangen van partijen op het voorverslag van dr. R. Mathys.

Met verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 december 2009, verzocht de NV Mercator Verzekeringen, als verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid (kort: BA-verzekeraar) van de verantwoordelijke voor het verkeersongeval op 12 augustus 2005 (mevrouw V.V.V.) akte te verlenen van haar vrijwillige tussenkomst in de procedure tussen E.D. en de NV Axa Belgium en dienvolgens het tussen te komen vonnis aan haar gemeen te verklaren.

Met eindvonnis van 24 februari 2011 sloten de eerste rechters zich aan bij de medische bevindingen van dr. R. Mathys en verklaarden de vordering van het slachtoffer in de volgende mate gegrond:

- tijdelijke arbeidsongeschiktheid:

- van 12 augustus 2005 tot 31 december 2006: 100%;

- van 20 februari 2008 tot 15 maart 2008: 100%;

- datum consolidatie: 16 maart 2008;

- blijvende economische arbeidsongeschiktheid: 6%;

- basisloon: - voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid: 21.612,82 EUR;

- voor de blijvende arbeidsongeschiktheid: 25.202,70 EUR.

De wetsverzekeraar werd veroordeeld tot betaling van de wettelijke vergoedingen op voormelde basis, onder aftrek van de eventueel reeds gedane uitkeringen, te vermeerderen met de verwijlintresten op alle verschuldigde bedragen vanaf hun vervaldatum tot de datum van de inleidende dagvaarding, 5 januari 2007, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

De heer D. werd afgewezen van het meergevorderde.

Voormeld vonnis werd gemeen verklaard aan de NV Mercator Verzekeringen.

Tenslotte werd het vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad en zonder borgstelling.

E.D. kon zich niet akkoord verklaren met voormeld vonnis van 24 februari 2011 van de arbeidsrechtbank van Antwerpen en stelde hoger beroep in met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 26 oktober 2011.

3. Eisen in hoger beroep

- E.D., appellant, vordert zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren dienvolgens de wetsverzekeraar te veroordelen tot betaling van de wettelijke vergoedingen. Te zeggen voor recht dat de blijvende arbeidsongeschiktheid 12% bedraagt. Te zeggen voor recht dat de reeds vervallen uitkeringen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke data van eisbaarheid tot de datum van algehele betaling.

In ondergeschikte orde vordert appellant een ergoloog aan te stellen teneinde de graad van economische arbeidsongeschiktheid te bepalen.

Tenslotte vordert appellant geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten in beide aanleggen.

- De NV AXA Belgium, eerste geïntimeerde, vordert het bestreden vonnis te bevestigen in alle onderdelen en derhalve te zeggen voor recht dat de gevolgen van het arbeidsongeval van 12 augustus 2005 dienen vergoed te worden op volgende basis:

- tijdelijke arbeidsongeschiktheid:

- 100% van 12 augustus 2005 tot 31 december 2006;

- 100% van 20 februari 2008 tot 15 maart 2008;

- datum consolidatie: 16 maart 2008;

- blijvende economische arbeidsongeschiktheid: 6%;

- basisloon: - voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid: 21.612,82 EUR;

- voor de blijvende arbeidsongeschiktheid: 25.202,70 EUR.

"Kosten als naar recht, basisbedrag rpv".

- De NV Mercator Verzekeringen, tweede geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het tussen te komen arrest "gemeen/tegenstelbaar" te verklaren aan de NV Mercator Verzekeringen.

4. Beoordeling.

Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag welke de gevolgen zijn van het arbeidswegongeval waarvan E.D. het slachtoffer werd op 12 augustus 2005; meer bepaald zijn partijen het oneens over de graad van blijvende (economische) arbeidsongeschiktheid vanaf de consolidatiedatum, zijnde 16 maart 2008.

De eerste rechters hebben daartoe een geneesheer-deskundige aangesteld, met name dr. R. Mathys, die besloot tot een blijvende zuiver fysieke minderwaarde van 6% en een blijvende economische minderwaarde van 6% vanaf 16 maart 2008.

Appellant kan niet instemmen met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 6% en argumenteert dat hij lijdt aan posttraumatische arthrose van de rechterenkel, met daarnaast nog steeds hinder aan de rechterknie. Volgens appellant heeft dr. R. Mathys met de rechterknieproblematiek ten onrechte geen rekening gehouden, en merkt op dat recent specialistisch onderzoek uitwees dat de blijvende klachten aan het rechterbeen aanleiding geven tot een blijvende invaliditeit van 12%. Volgens appellant is het aangewezen dat dr. Mathys kennis zou nemen van deze onderzoeksresultaten.

Bovendien argumenteert appellant dat het voorgestelde percentage blijvende arbeidsongeschiktheid van 6% door dr. Mathys onvoldoende beantwoordt aan de reële fysieke en professionele beperkingen van het slachtoffer: getroffene is tot op heden werkloos. Hij was 48 jaar op datum van consolidatie en is slechts beperkt geschoold (hij volgde lager onderwijs in Ghana tot de leeftijd van 15 jaar); als ongeschoold arbeider is hij aangewezen op handenarbeid, waarbij staand werk, heffen etc... meestal onvermijdelijk zijn.

Appellant is van mening dat de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid 12% bedraagt.

In ondergeschikte orde verzoekt appellant het hof om een ergoloog aan te stellen teneinde de graad van economische arbeidsongeschiktheid te bepalen.

De wetsverzekeraar (eerste geïntimeerde) daarentegen is van mening dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de besluitvorming van dr. Mathys, hierin gevolgd door de eerste rechters.

Het eenzijdig medisch verslag van dr. D'Eer d.d. 11 augustus 2011 (stuk 1 - bundel appellant) bevat volgens de wetsverzekeraar op medisch gebied geen enkel nieuw element.

Tevens merkt de wetsverzekeraar op dat de raadgevend geneesheer van het slachtoffer (dr. Van Noten) expliciet de besluitvorming van dr. Mathys ondersteunde.

De wetsverzekeraar is van oordeel dat dr. Mathys zich naar behoren heeft gekweten van zijn opdracht, dat hij rekening heeft gehouden met de terzake dienende criteria voor de bepaling van de aantasting van het economisch potentieel, zodat er geen enkele reden is om een ergoloog aan te stellen.

De BA-verzekeraar, tweede geïntimeerde, sluit zich aan bij het standpunt van de wetsverzekeraar, verwijst naar twee brieven van dr. Van Noten d.d. 30 juli 2009 en 27 oktober 2009 en vraagt het hof om het tussen te komen arrest aan haar gemeen/tegenstelbaar te verklaren.

Het hof stelt vast dat het deskundig verslag van dr. R. Mathys volledig en nauwgezet werd opgesteld en omstandig werd gemotiveerd, zodat het hof zich aansluit bij de medische bevindingen van dr. R. Mathys.

Anders dan appellant voorhoudt, heeft dr. Mathys de rechterknie wel onderzocht; dr. Mathys vermeldt in zijn verslag naar aanleiding van het klinisch onderzoek: "De beweeglijkheid van de knieën is normaal."

Het medisch verslag van dr. I. D'Eer d.d. 11 augustus 2011, bijgebracht door appellant naar aanleiding van de procedure in hoger beroep, betreft een klinisch onderzoek met betrekking tot de rechterenkel op basis waarvan deze arts besluit tot een blijvende invaliditeit van 12%. In dit verslag worden geen nieuwe medische gegevens bijgebracht waarvan gerechtsdeskundige dr. Mathys nog geen kennis zou genomen hebben. Dit verslag van dr. D'Eer kan het medisch goed onderbouwd deskundig verslag van dr. Mathys niet weerleggen.

De wetsverzekeraar stelt terecht dat dr. Van Noten (raadsgeneesheer van het slachtoffer) in zijn schrijven d.d. 27 oktober 2009 (stuk 2 - bundel tweede geïntimeerde) de besluitvorming van gerechtsdeskundige dr. Mathys meende te moeten aanvaarden. Dr. Van Noten schreef: "Eerstdaags volgt er dus een eindverslag in wet, door deskundige dokter R. Mathys. Ik meen dat we deze besluiten moeten aanvaarden ook al is 6% blijvende zuiver fysieke minderwaarde en een blijvende arbeidsongeschiktheid van 6% aan de karige kant (...)"

Blijkbaar werd in de procedure "gemeen recht" een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4% weerhouden.

Gelet op de voorliggende medische gegevens, besluit het hof dat de graad van blijvende zuiver fysieke minderwaarde van appellant 6% bedraagt en dat er geen redenen voorhanden zijn om af te wijken van de besluitvorming in dit verband van dr. Mathys.

Het komt aan de rechter toe om de graad van blijvende economische minderwaarde te bepalen.

Bij de omzetting van de graad van zuiver fysieke minderwaarde (6%) in een economische minderwaarde dient rekening te worden gehouden met:

- de aard van de handicap: deze werd beschreven in het deskundig verslag van dr. R. Mathys;

- de leeftijd van getroffene en het daarmee verband houdend aanpassingsvermogen;

- het uitgeoefende beroep en de omscholingsmogelijkheid;

- de beroepsbekwaamheid;

- het concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt.

De evaluatie van de blijvende arbeidsongeschiktheid dient uit te gaan van concrete elementen.

Er dient zo concreet mogelijk te worden nagegaan wat het slachtoffer nog kan verdienen zonder het eventueel te mogen toetsen aan de praktijk. (Zie W. Van Steenberg, Schade aan de Mens I, Evaluatie van de arbeidsongeschiktheid in het recht. Maklu Kluwer 75, 330).

Gelet op de forfaitaire evaluatiewijze is het niet relevant of de mogelijkheid tot het vinden van aangepast werk ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

De blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval bestaat in het verlies of de vermindering van de economische waarde van de getroffene. Daar waar de tijdelijke arbeidsongeschiktheid moet beoordeeld worden met inachtneming van het beroep dat de getroffene op het ogenblik van het arbeidsongeval uitoefende, dient bij het vaststellen van de blijvende arbeidsongeschiktheid daarentegen nagegaan te worden welk het verlies is aan economisch potentieel van de werknemer op de algemene arbeidsmarkt, meer bepaald in het licht van alle mogelijke beroepen die voor de betrokkene nog openstaan, gelet op een aantal aan hem eigen factoren (Cass. 3 april 1989, A.C. 1989-90, 863).

De vertrekdatum van de blijvende arbeidsongeschiktheid is de datum van consolidatie, hier: 16 maart 2008.

Overeenkomstig de voorliggende gegevens van het deskundig verslag van dr. Mathys werd E.D. geboren op 17 november 1959 in Ghana.

Hij verblijft in België sinds 1989. Hij heeft lager onderwijs gevolg tot de leeftijd van 15 jaar. Hij heeft gewerkt als verkoper in een handelszaak. Vanaf 2000 heeft hij ongeveer 5 jaar gewerkt in een bakkerij. Hij heeft een tweetal weken interim-werk gedaan in een fabriek als inpakker. Sinds het arbeidsongeval van 12 augustus 2005 is hij werkloos.

Op 1 augustus 2007 kwam hij ten laste van de RVA. Nadien was hij ten laste van de ziekenkas tot 24 september 2008. Sinds 25 september 2008 is hij opnieuw ten laste van de RVA.

Rekening houdend met hogervermelde parameters bij de beoordeling van de blijvende arbeidsongeschiktheid oordeelt het hof, zoals de eerste rechters, dat vanaf de consolidatiedatum (16 maart 2008) het economisch potentieel van de getroffene is aangetast met 6%. Er zijn geen redenen voorhanden om nog een ergoloog aan te stellen, zoals gevraagd door appellant.

Het hof bevestigt hiermee het bestreden vonnis.

Het hoger beroep komt ongegrond voor.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Rechtsprekend op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 24 februari 2011 (AR 06/394888/A).

Verklaart dit arrest gemeen aan de NV Mercator Verzekeringen (tweede geïntimeerde).

Verwijst de NV Axa Belgium in de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant op 320,65 EUR rechtsplegingvergoeding, met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007.

Laat de kosten aan de zijde van geïntimeerden onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegrotingen.

Aldus gewezen door:

M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken, als werknemer,

bijgestaan door P. DEVOCHT, griffier.

Mots libres

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVESECTOR

  • schadevergoeding

  • blijvende arbeidsongeschiktheid

  • economische ongeschiktheid en geen fysieke minderwaarde