- Arrêt du 13 septembre 2012

13/09/2012 - 2011/AA/457

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De aan de sociaal verzekerde in gemeen recht toegekende forfaitaire schadevergoeding ‘RVT Toekomst' dient beschouwd te worden als een vergoeding voor de noodzakelijk geachte ‘hulp van derden', zodat het cumulverbod voorzien in artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004 van toepassing is. Bijgevolg moet, zoals ook voorzien in de bestreden administratieve beslissing, het aan de sociaal verzekerde toekomende maximale bedrag van het PAB verminderd worden met het jaarlijks bedrag van deze vergoeding in gemeen recht, jaarlijks verhoogd met de kapitalisatierente van 3%, dit tot uitputting van het totale bedrag van deze schadepost in gemeen recht.

De door het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap in de praktijk toegepaste cumulregel op basis waarvan eerst het volledige kapitaal van de in gemeen recht voor de ‘hulp van derden' toegekende schadevergoeding dient uitgeput te worden alvorens de sociaal verzekerde opnieuw aanspraak kan maken op het PAB wordt door het arbeidshof verworpen omdat deze toepassing afwijkt van de door het VAPH genomen en bestreden beslissing.


Arrêt - Texte intégral

zesde kamer

eindarrest op tegenspraak

mindervaliden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

afdeling Antwerpen

ARREST AR nr. 2011/AA/457

OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

In de zaak:

VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP

met zetel gevestigd te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 30,

appellante, incidenteel geïntimeerde,

verschijnend bij mr. B. Mailleux, advocaat te Genk,

tegen:

M.R.,

wonende te ...,

geïntimeerde, incidenteel appellant,

verschijnend bij mr. L. Dockx loco mr. J. Bijttebier, advocaat te Antwerpen.

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest.

Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 13 oktober 2011, 10 mei 2012 en 14 juni 2012.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift uitgaande van M.R., aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14 februari 2008 (AR 08/1241/A);

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 17 december 2008 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard en de heropening der debatten werd bevolen;

- het verzoekschrift uitgaande van M.R., neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 februari 2009 (AR 09/1212/A);

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 16 februari 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij de zaken gekend onder AR nrs. 08/1241/A en 09/1212/A werden gevoegd onder AR nr. 08/1241/A, de zaak met AR nr. 09/1212/A ontvankelijk werd verklaard en de heropening der debatten werd bevolen;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 22 juni 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, betekend op 28 juni 2011 aan partijen met toepassing van artikel 972, al. 2 en 3 van het Gerechtelijk Wetboek;

- het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (kort: VAPH), aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van dit hof op 22 juli 2011 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de beschikking d.d. 13 oktober 2011 met toepassing van artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de conclusie voor M.R., neergelegd ter griffie van dit hof op 8 december 2011;

- de conclusie voor het VAPH, aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van dit hof op 10 februari 2012;

- de syntheseconclusie voor M.R., ontvangen ter griffie van dit hof op 12 maart 2012.

Gelet op de regelmatige oproeping van partijen met toepassing van artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting d.d. 10 mei 2012.

De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 10 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten.

De heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, legde zijn schriftelijk advies neer ter griffie van dit hof op 14 juni 2012, dat aan partijen werd ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 767, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, waarop M.R. repliceerde op 19 juli 2012 en het VAPH op 30 juli 2012 (buiten de voorziene termijn - cfr. PV zittingsblad d.d. 10 mei 2012) en waarna het hof de zaak in beraad nam.

Het hof merkt op dat het hof geen acht kan slaan op de laattijdig neergelegde repliek van het VAPH, ontvangen ter griffie van dit hof op 30 juli 2012 (uiterlijke datum cfr. PV zittingsblad d.d. 10 mei 2012 werd bepaald op 20 juli 2012).

1. Ontvankelijkheid.

Het hoger beroep van het VAPH werd regelmatig ingesteld naar vorm en termijn, zodat het ontvankelijk is.

Het incidenteel beroep van M.R. werd eveneens regelmatig ingesteld en is bijgevolg eveneens ontvankelijk.

2. Feiten en voorgaanden.

M.R., inmiddels een 64-jarige man (geboren op 23 augustus 1947) is ten gevolge van een verkeersongeval in november 2003 verlamd tot onder de oksels en is aangewezen op de hulp van derden. Hij heeft "een handicap" in de zin van artikel 2, 2° van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" (kort: VAPH).

In 2006 werd hem een persoonlijk assistentiebudget (kort: PAB) toegewezen van 24.789,35 EUR op jaarbasis. Op 25 juli 2007 deed de heer M.R. een herzieningsaanvraag tot verhoging van het PAB. De deskundigencommissie besprak deze aanvraag op haar zitting van 26 november 2007 en besliste om het budget op te trekken tot 30.520,51 EUR op jaarbasis (met indexaanpassing). Deze beslissing werd aan M.R. ter kennis gebracht met aangetekende brief verzonden d.d. 13 december 2007.

M.R. kon zich hiermee niet akkoord verklaren en tekende beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van het Vlaams Agentschap met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14 februari 2008 (AR 08/1241/A).

Met tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 17 december 2008 werd deze beslissing d.d. 13 december 2007 vernietigd en werd de zaak vervolgens opnieuw verwezen naar de deskundigencommissie om in een nieuw gemotiveerde beslissing de budgethoogte te bepalen rekening houdend met de toename van de zorgbehoefte en de vermindering van de mantelzorg.

Op haar zitting van 8 oktober 2009 besliste de deskundigencommissie om aan M.R. op basis van een nieuw inschalingsverslag, de aard en de ernst van de handicap, alsook de verzwarende factor (alleenwonend) het (maximale) budget van 41.278,24 EUR (basisbedrag van 34.705,09 EUR dat geïndexeerd vanaf 2010 41.278,24 EUR bedraagt) op jaarbasis toe te kennen, dit met ingang van 1 januari 2010.

M.R. was echter ook gerechtigd op een vergoeding in gemeen recht op grond van artikel 1382 e.v. B.W. vanwege de aansprakelijke persoon voor het verkeersongeval. Medio 2007 werd een dading afgesloten met de verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke voor het verkeersongeval over de aan hem toekomende schadevergoeding. In uitvoering van deze dading werd in juli 2007 een totaalbedrag van 466.000 EUR als definitieve vergoeding voor alle door M.R. geleden schade betaald. Hierin was een bedrag begrepen van 230.931 EUR dat omschreven werd als vergoeding voor de schade "RVT Toekomst" (bundel VAPH - st. 3 en 5).

Met brief van 26 november 2008 ontving M.R. vanwege het VAPH het bericht dat zij kennis had gekregen van deze dading en van oordeel was dat gelet op artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004 het toegekende PAB alleszins verminderd diende te worden met de in gemeen recht uitgekeerde vergoeding voor hulp van derden. Met betrekking tot de toepassing van het cumulverbod werd het volgende meegedeeld:

"(...) Volgens de informatie die wij tot onze beschikking hebben, bedraagt uw schadevergoeding voor toekomstige hulp van derden (vanaf 24/09/2007) 230.931,00 euro. Voornoemd bedrag werd berekend aan de hand van een jaarlijkse vergoeding voor hulp van derden van 16.200 euro x coëfficiënt 14,255 (Tafels Schrijvers lijfrente 3%, leeftijd 60 jaar).

Uw PAB wordt verminderd met een basisbedrag van 16.200 euro, jaarlijks te vermeerderen met 3%. Omdat het PAB ook elk jaar stijgt, onder andere door indexatie, wordt ook het basisbedrag van 16.200 euro elk jaar met 3% verhoogd. Dit betekent dat uw PAB voor 2009 met 17.186,58 euro wordt verminderd.

Uw PAB wordt op voornoemde wijze verminderd tot de schadevergoeding van 230.931,00 euro is uitgeput. Let wel dat deze schadevergoeding werd gekapitaliseerd aan 3%, dit betekent dat er wordt verondersteld dat u uw schadevergoeding belegt aan een rentevoet aan 3%.

Binnenkort krijgt u een brief van de PAB-cel waarin u het bedrag wordt medegedeeld waar u in 2009 recht op hebt (...)."

Deze brief bevatte ook een bijlage waarin een overzicht werd gegeven van de bedragen welke tot en met het jaar 2023 aldus in mindering zouden gebracht worden op het PAB (bundel M.R., st. 4). Vanaf 2024 zou geïntimeerde aanspraak kunnen maken op het volledig toegekende PAB, zonder vermindering, omdat dan de gekapitaliseerde vergoeding in gemeen recht volledig opgeslorpt zou zijn door de jaarlijkse verminderingen.

Het VAPH richtte op 20 januari 2009 een schrijven aan M.R. met betrekking tot dezelfde problematiek, waarin verwezen wordt naar de beoordelingen van de deskundigencommissie in haar zittingen van 18 september 2006 en 26 november 2007 en de toekenning van een PAB van 31.325,21 EUR op jaarbasis, met de vaststelling dat door de deskundigencommissie bij het besluit betreffende dit budget geen rekening werd gehouden met de toegekende vergoeding voor hulp van derden in gemeen recht. In deze brief wordt ook nog het volgende medegedeeld (bundel M.R. - st. 5):

"Het VAPH stelt aan de hand van de ingestuurde stukken vast dat u vanwege de verzekeringsmaatschappij een tegemoetkoming krijgt voor hulp van derden. Deze tegemoetkoming dekt een zelfde behoefte als het PAB.

Hierdoor moet het VAPH het PAB verminderen met de tegemoetkoming die u van de verzekeraar krijgt.

Uw PAB-budget zal dus verminderd worden met het bedrag dat u ontvangt voor hulp van derden. Dit betekent dat uw PAB budget met 17.186,58 EUR wordt verminderd.

Dit houdt in dat u in plaats van 32.432,90 EUR recht hebt op 15.246,32 EUR (+ 50 EUR die u kan besteden aan de betaling van het lidgeld bij één van de erkende budgethoudersverenigingen of aan de betaling van bijkomende assistentie) in 2009. Per kwartaal komt dit neer op 3.811,58 EUR."

Met verzoekschrift (AR 09/1212/A), neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 februari 2009, tekende M.R. beroep aan tegen deze beslissing van het VAPH d.d. 20 januari 2009.

Met tussenvonnis d.d. 16 februari 2011 voegden de eerste rechters beide zaken met AR nrs. 09/1212/A en 08/1241/A samen onder nummer 08/1241/A, verklaarden de vordering gekend onder AR nr. 09/1212/A ontvankelijk en heropenden de debatten teneinde het VAPH toe te laten het administratief dossier neer te leggen.

Met eindvonnis d.d. 22 juni 2011 verklaarden de eerste rechters de vordering van de heer M.R. gegrond en zegden voor recht dat:

- M.R. "principieel" gerechtigd is op een maximumbedrag PAB-budget, ernstcategorie 5, vanaf 1 januari 2008 van 41.278,24 EUR, te vermeerderen met de index;

- dat er voor het jaar 2008 geen recht is op een bijkomende vergoeding;

- dat er voor het jaar 2009 recht is op een bijkomende tegemoetkoming ten bedrage van 6.287,89 EUR;

- dat het VAPH vanaf 1 januari 2009 een jaarlijks bedrag van 12.030 EUR (basisbedrag, te indexeren) in mindering dient te brengen op het PAB-budget;

- dat het VAPH een nieuwe beslissing dient te nemen, rekening houdend met hetgeen hierboven werd uiteengezet en te betekenen aan M.R..

Het meergevorderde werd afgewezen en de kosten van het geding werden ten laste gelegd van het VAPH.

Het Vlaams Agentschap tekende hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis met verzoekschrift, aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van dit hof op 22 juli 2011.

Met besluiten neergelegd ter griffie van dit hof op 8 december 2011 stelde M.R. incidenteel beroep in: hij is van mening dat er geen verboden cumulatie is tussen het door hem ontvangen PAB enerzijds en de door hem ontvangen verzekeringstegemoetkoming van 230.931 EUR voor de post "RVT Toekomst" anderzijds.

In graad van hoger beroep blijkt dat vanaf 1 januari 2010 M.R. geen enkele uitkering meer krijgt in het kader van het PAB.

Dit werd door het VAPH bevestigd in zowel haar verzoekschrift in hoger beroep (p. 5) als in haar beroepsconclusies (p. 6).

De motivatie hiervoor zou zijn dat het kapitaal dat bekomen wordt van de derde vergoedingsdebiteur voor hulp van derden eerst volledig uitgeput dient te worden, zodat de betrokkene pas daarna terug aanspraak kan maken op het weliswaar volledig bedrag van het toegekende PAB.

M.R. heeft over dit gewijzigd standpunt van het VAPH evenwel nooit enige officiële mededeling ontvangen. Dit gewijzigde standpunt heeft tot op heden evenmin het voorwerp uitgemaakt van een administratieve beslissing.

3. Eisen in hoger beroep.

- Het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap, appellante, verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtsprekend, de vordering van M.R. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Tenslotte vordert appellante "de kosten ten laste te leggen van de partij tot wie het behoort."

- M.R., geïntimeerde, verzoekt het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond te verklaren.

Geïntimeerde vordert met betrekking tot zijn incidenteel beroep dit toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen voor recht dat er geen verboden cumulatie is tussen het door hem ontvangen PAB enerzijds en de door hem ontvangen verzekeringstegemoetkoming van 230.931 EUR voor de post "RVT toekomst" anderzijds.

In ondergeschikte orde vordert geïntimeerde te zeggen voor recht dat slechts 50% van de door hem ontvangen verzekeringstegemoetkoming van 230.931 EUR voor de post "RVT toekomst" in mindering mag gebracht worden van het door hem ontvangen PAB, waarbij slechts een jaarlijks bedrag van 7.697,70 EUR, uiterst ondergeschikt 15.395,40 EUR, in mindering mag gebracht worden en dit gedurende maximaal 15 jaar.

Tenslotte vordert M.R. het VAPH te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. Beoordeling.

4.1. De situering van het geschil in hoger beroep.

Wat de problematiek betreft inzake de toekenning van het maximale bedrag van het PAB, beperkt de betwisting zich tot de ingangsdatum.

Wat de problematiek betreft inzake het cumulverbod van een schadevergoeding hulp van derden in gemeen recht met een PAB, wordt de betwisting in graad van hoger beroep volledig hernomen.

4.2. De toekenning van het maximale PAB: ingangsdatum.

De enige vraag die zich nog stelt is vanaf wanneer M.R. aanspraak kan maken op het maximale PAB.

Het VAPH blijft van mening dat de beslissing d.d. 8 oktober 2009, welke op 9 november 2009 aan M.R. werd betekend, terecht het maximale PAB van 41.278,24 EUR op jaarbasis toekent met ingang van 1 januari 2010.

Tot staving van dit standpunt verwijst het VAPH naar de toepassing van artikel 8, § 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000, dat bepaalt:

"De eerste inschaling neemt een aanvang op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van de beslissing. De herevaluatie of de herziening van de inschaling, alsmede het uitstappen uit het PAB, neemt een aanvang op de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op de betekening van de beslissing."

Het VAPH gaat er bijgevolg van uit dat bovenvermelde beslissing het gevolg is van een herevaluatie of herziening van de inschaling op 8 oktober 2009.

Zoals het openbaar ministerie terecht stelt in zijn omstandig gemotiveerd schriftelijk advies, kan dit standpunt niet worden bijgetreden.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 17 december 2008, waartegen geen hoger beroep werd ingesteld, heeft de bestreden beslissing van 26 november 2007, welke op 13 december 2007 betekend werd aan M.R., vernietigd omdat deze beslissing onvoldoende gemotiveerd was en de eerste rechters verzonden vervolgens het dossier terug naar het VAPH om "in een nieuwe gemotiveerde beslissing de budgethoogte te bepalen".

Gelet op dit vonnis diende het VAPH een nieuwe beslissing te nemen welke in de plaats kwam van de door het vonnis vernietigde beslissing. Daar waar deze laatste beslissing gold voor de periode vanaf 1 januari 2008, diende de nieuwe en vervangende beslissing dezelfde ingangsdatum te hebben.

Bijgevolg hebben de eerste rechters terecht beslist dat de nieuwe beslissing dezelfde ingangsdatum heeft als de vernietigde beslissing, namelijk 1 januari 2008, met dien verstande dat het maximale PAB in 2008 39.868,45 EUR bedroeg (in 2009 was dit als gevolg van indexaanpassing 41.278,24 EUR en in 2010 dan 41.278,24 EUR).

4.3. Het cumulatieverbod in de zin van artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004.

Artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004 voorziet in een cumulatieverbod, dat als volgt wordt geformuleerd:

"Een persoon met een handicap krijgt geen tegemoetkoming van het agentschap als krachtens andere wetten, decreten met uitzondering van het decreet houdende de organisatie van de zorgverzekering, ordonnanties of reglementaire bepalingen, of krachtens gemeen recht, voor dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap al een schadeloosstelling heeft gekregen. De persoon met een handicap moet zijn aanspraak op deze schadeloosstelling doen gelden.

Als deze schadeloosstelling minder bedraagt dan de tegemoetkoming van het agentschap, dan past het agentschap het verschil bij.

In afwachting van de daadwerkelijke schadeloosstelling krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties of reglementaire bepalingen of krachtens gemeen recht, worden de tegemoetkomingen van het agentschap toegekend onder de door de Vlaamse regering vastgestelde voorwaarden.

Het agentschap treedt, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid, verschuldigd zijn.

De overeenkomst tussen de persoon met een handicap en de derde die de schadeloosstelling moet betalen, is niet tegenstelbaar aan het agentschap, behalve als het agentschap met de overeenkomst akkoord gaat. Daarbij speelt het geen enkele rol of de overeenkomst dateert van voor of na de tussenkomst van het agentschap. Evenmin heeft het feit dat de persoon met een handicap of de derde bij de overeenkomst te goeder trouw handelde, invloed op de geldigheid van de overeenkomst ten aanzien van het agentschap."

Zoals het openbaar ministerie terecht schreef in zijn advies, volgt uit deze wetsbepaling dat een tegemoetkoming van het VAPH niet gecumuleerd mag worden met een schadevergoeding welke de persoon met een handicap heeft gekregen voor dezelfde schade op grond van een andere wettelijke reglementering of in gemeen recht. Met andere woorden, de persoon met een handicap die gehandicapt is ten gevolge van een ongeval en voor de lichamelijke schade veroorzaakt door dit ongeval een schadevergoeding in gemeen recht krijgt, kan deze niet cumuleren met de tegemoetkoming van het VAPH, voor zover het om dezelfde schade gaat.

De tussenkomst van het VAPH is aanvullend (G. LOOSVELDT, "Personen met een handicap: federale en Vlaamse tegemoetkomingen — Wetgeving en rechtspraak", in J. PUT, D. SIMOENS en E. ANKAERT (eds.), Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 2001-2006, Die Keure, Brugge, 2006, 560-561). De persoon met een handicap moet zijn aanspraak op de schadeloosstelling laten gelden. Slechts als de schadeloosstelling minder bedraagt dan de tegemoetkoming van het VAPH dient deze laatste het verschil bij te passen.

4.4. De dading in gemeen recht en de inhoud van de schadepost "RVT Toekomst".

Na onderhandelingen welke plaatsvonden tussen de verzekeraar rechtsbijstand van M.R. en de verzekeraar BA van de aansprakelijke voor het ongeval, ten gevolge waarvan M.R. zijn handicap opliep, werd in de loop van de maand juli 2007 een "Overeenkomst tot definitieve regeling" gesloten tussen M.R. en de NV KBC Verzekeringen. Hierin werd een akkoord bereikt over de betaling van een bedrag van 466.000,00 EUR als definitieve vergoeding voor alle schade welke door M.R. werd geleden naar aanleiding van het ongeval van 30 november 2003 (bundel M.R., st. 3).

In deze dadingovereenkomst werd onder meer bepaald dat de schadelijder er zich toe verbindt om zich vanaf de datum van ondertekening niet meer voor de terugbetaling van schade ingevolge bovengenoemd ongeval te wenden tot welke instelling of verzekeringsmaatschappij ook, wat inhoudt dat het slachtoffer afstand deed van zijn rechten op tussenkomst voor het ongeval ten aanzien van de mutualiteit. Daarenboven werd voorzien in de overeenkomst dat de schadelijder door de ondertekening ervan bevestigde dat hij voor het kwestieuze schadegeval geen tussenkomst heeft genoten van het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een handicap en dat hij zich in de toekomst ook niet tot dit Fonds zou wenden voor de vergoede schade ten gevolge van het ongeval (bundel M.R., st. 3, artikel 3).

Uit de bijlage bij deze dading blijkt de samenstelling van het hoger vermelde totaalbedrag. Aan de hand van deze bijlage kan vastgesteld worden dat daarin een schadepost genaamd "RVT Toekomst" ten bedrage van 230.931,00 EUR vervat ligt.

Hoewel op het ogenblik van de ondertekening van de dading M.R. niet meer verbleef in het RVT Zonnetij en al alleen was gaan wonen, werd de schade bestaande in de zogenaamde "hulp van derden", waarop hij als gevolg van de opgelopen letsels was aangewezen, begroot op basis van de kosten welke gepaard gaan met de opname in een RVT.

Voornoemd bedrag werd berekend aan de hand van een jaarlijkse vergoeding van 16.200,00 EUR vermenigvuldigd met coëfficiënt 14,255 (Tafels Schrijvers lijfrente 3%, leeftijd 60 jaar) en is dus het resultaat van de zogenaamde kapitalisatiemethode (bundel M.R., st. 2: brief van NV KBC d.d. 12 juni 2007 met de berekeningswijze).

De eerste rechters hebben ten onrechte gesteld dat de post "RVT Toekomst" niet gelijkgesteld kan worden met de "hulp van derden".

Ook op dit punt kan het openbaar ministerie gevolgd worden in zijn advies.

Zeer terecht stelt het openbaar ministerie dat "hulp van derden" in het juridisch jargon de term is voor de hulp, de bijstand en het toezicht die een gehandicapte nodig heeft wanneer hij niet meer in staat is de gewone bezigheden van het dagelijkse leven uit te voeren zonder hulp van andere personen (M. VANDEWEERDT, J. ROODHOOFT, M. VAN ACKER en B. NICKMANS, Hulp van derden, Maklu uitgevers, Antwerpen, 1992, 12).

Op basis van de stukken van het dossier, meer in het bijzonder de briefwisseling in het kader van de onderhandelingen gevoerd over de uiteindelijk toe te kennen schadevergoeding, dient men tot het besluit te komen dat de schade "hulp van derden", waarop M.R. als gevolg van de door hem naar aanleiding van het ongeval opgelopen letsels aanspraak kon maken, forfaitair werd vergoed mits toekenning van de som van 230.931,00 EUR als schade "RVT Toekomst".

Zo wordt in de verantwoording van de schade-eis opgesteld door de NV AGF Belgium Insurance, verzekeringsmaatschappij die de belangen behartigde van M.R., duidelijk aangegeven dat de vergoeding voor hulp van derden vervangen wordt door de kosten van het RVT (bundel M.R., st. 1: brief van N.V. AGF Belgium Insurance d.d. 10-01-2007 aan NV KBC en de bij deze brief gevoegde nota met verantwoording van de schade-eis).

Ook de NV KBC bevestigde in haar brief van 19 juli 2007 gericht aan het VAPH dat "het schadegeval volledig werd geregeld met het slachtoffer M.R. inclusief een volledige hulp van derden op basis van de kostprijs van een instelling" (bundel VAPH, st. 5). Daarbij kan opgemerkt worden dat de vergoeding van deze schadepost gebeurde op basis van de kosten van een verblijf in een RVT terwijl M.R. op het ogenblik van het sluiten van de dading al opnieuw alleen woonde.

De wijze waarop de forfaitaire vergoeding "RVT Toekomst" werd berekend geeft ook aan dat hiermee beoogd werd enkel de kosten voor "hulp van derden" te vergoeden. Bij deze berekening werden de maandelijkse kosten van verblijf in het RVT als basis genomen, met uitzondering van de kosten genaamd "varia" en onder forfaitaire aftrek van 10% voor hotelkosten.

Dit betekent dat de kosten welke te maken hebben met het verblijf in een RVT uit dit basisbedrag werden gelicht, zodat enkel de kosten voor hulp van derden in het dagelijkse leven overbleven, weliswaar begroot op forfaitaire basis.

Samen met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat er daarom geen twijfel kan bestaan over de aard van de schadepost "RVT Toekomst": het was duidelijk de bedoeling van de partijen om met deze vergoeding op forfaitaire wijze de schade te vergoeden welke M.R. leed omdat hij beroep diende te doen op de hulp van derden om de gewone bezigheden van het dagelijkse leven uit te voeren.

Daar het PAB precies tot doel heeft de gehandicapte tegemoet te komen in de kosten van hulp en/of ondersteuning bij huishoudelijke en lichamelijke activiteiten en bij verplaatsingen, bij handelingen van het dagelijks leven en bij het uitoefenen van dagactiviteiten, dekt de forfaitaire vergoeding welke betaald werd in het kader van de schadeloosstelling van M.R. in gemeen recht dezelfde schade als deze welke geviseerd wordt door de toekenning van het PAB aan geïntimeerde.

Bijgevolg is er sprake van cumulatie zoals bedoeld in artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004. De vergoeding ten bedrage van 230.931,00 EUR welke geïntimeerde heeft ontvangen in gemeen recht is een schadeloosstelling welke aan hem werd toegekend uit hoofde van dezelfde handicap en dezelfde schade, zijnde het welzijnsverlies dat wordt geleden uit het teloorgaan van de eigen zelfstandigheid of zelfredzaamheid.

Aan dat cumulatieverbod wordt geen afbreuk gedaan doordat er reeds een cumulatieverbod op federaal niveau van toepassing is tussen de litigieuze schadevergoeding en de tegemoetkoming aan personen met een handicap.

4.5. De toepassing van het cumulverbod op de aanspraak welke M.R. kan maken op het maximale PAB.

Terecht houdt het VAPH voor dat de schadevergoeding in gemeen recht volledig in aanmerking moet genomen worden voor de toepassing van het cumulverbod voorzien in artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004.

Het dient te worden herhaald dat de tussenkomst van het VAPH aanvullend is en dat de persoon met een handicap zijn aanspraak op de schadeloosstelling moet laten gelden. Enkel voor zover de schadeloosstelling minder bedraagt dan de tegemoetkoming dient het VAPH het verschil bij te passen.

Dit betekent dat in toepassing van artikel 14 van het Decreet M.R. er toe gehouden is zijn aanspraken op schadeloosstelling voor de door hem geleden schade bestaande uit de kosten voor hulp van derden, met inbegrip van diezelfde kosten met betrekking tot de activiteiten ter bevordering van de maatschappelijke integratie en participatie, in gemeen recht uit te putten.

M.R. voert aan dat er slechts sprake kan zijn van een gedeeltelijk cumulatieverbod met de vergoeding in gemeen recht, genaamd "RVT Toekomst", omdat een schadevergoeding op basis van de kost van het verblijf in een RVT veel meer omvat dan de loutere tegemoetkoming voor "hulp van derden".

Dit standpunt werd gedeeld door de eerste rechters, die ter verantwoording daarvan overwogen dat het bedrag van 1.350,00 EUR per maand niet alleen de kosten van "hulp van derden" maar ook de kosten voor verblijf, voeding en nutsvoorzieningen dekte.

Dit standpunt kan echter niet gevolgd worden.

Terecht schreef het openbaar ministerie in zijn advies: "De forfaitaire vergoeding `RVT Toekomst' welke in gemeen recht werd toegekend, werd berekend op basis van de maandelijkse kosten van verblijf in het RVT, maar met uitsluiting van de kosten genaamd ‘varia' en onder forfaitaire aftrek van 10% voor hotelkosten. Deze aftrek van de hotelkosten kan slechts als bedoeling gehad hebben om het maandelijks basisbedrag voor de berekening van de schadepost ‘RVT Toekomst' los te koppelen van de zuivere verblijfskosten en aldus te komen tot een vergoeding van enkel de kosten voor 'hulp van derden'."

Samen met het openbaar ministerie oordeelt het hof dan ook dat de door het VAPH in haar brieven van 26 november 2008 en 20 januari 2009 voorgestelde toepassing van het cumulatieverbod kan aanvaard worden, namelijk vanaf 1 januari 2009 kan M.R. aanspraak maken op het hem inmiddels toegekende maximale bedrag van het PAB verminderd met het jaarlijks bedrag van de vergoeding in gemeen recht voor "hulp van derden" (basisbedrag: 1.350,00 EUR x 12 = 16.200,00 EUR), jaarlijks verhoogd met de kapitalisatierente van 3%, tot uitputting van het totale bedrag voor deze schadepost in gemeen recht, zijnde 230.931,00 EUR (bundel M.R., st. 4: de bijlage bij de brief van het VAPH d.d. 26 november 2008).

Terecht is het VAPH van mening dat het jaarlijks bedrag dat in mindering moet gebracht worden op dit maximale PAB telkens verhoogd moet worden met 3%, terwijl ook bij de afbouw van het kapitaal (230.931,00 EUR) rekening wordt gehouden met een aangroei van 3%. Dit stemt overeen met een spaarrendement van 3%, zijnde de rente welke ook werd weerhouden bij de berekening van de schadevergoeding in gemeenrecht volgens de kapitalisatiemethode.

Hieruit volgt dat het hoger beroep op dit punt gegrond is, en het incidenteel beroep van geïntimeerde ongegrond.

4.6. Het stopzetten van de uitkeringen P.A.B. sedert 1 januari 2010.

M.R. stelt in zijn syntheseberoepsbesluiten dat hij sedert begin 2010 plots geen enkele uitkering meer ontvangt vanwege het VAPH zonder dat het VAPH hem een formele beslissing ter kennis bracht.

Door het VAPH wordt zowel in haar verzoekschrift in hoger beroep (p. 5) als in haar beroepsconclusies (p. 6) bevestigd dat vanaf 1 januari 2010 M.R. geen enkele uitkering meer krijgt in het kader van het PAB, omdat het VAPH vanaf dan blijkbaar de mening is toegedaan dat het kapitaal dat bekomen wordt van de derde vergoedingsdebiteur voor hulp van derden eerst volledig uitgeput dient te worden, en zolang dat niet het geval is, er geen tegemoetkoming moet gebeuren via het PAB.

Deze toepassing van de cumulregel heeft niet het voorwerp uitgemaakt van een administratieve beslissing of kennisgeving vanwege het VAPH.

M.R. heeft daarover dus nooit een gemotiveerde beslissing ontvangen en werd aldus in de onmogelijkheid geplaatst om tegen dergelijke toepassing van het cumulatieverbod verhaal in te stellen bij de arbeidsrechtbank.

Het openbaar ministerie wijst er in zijn advies terecht op dat het VAPH, door op die manier te handelen, de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden heeft.

Indien het VAPH van oordeel is dat zij in het verleden bij de interpretatie van het in artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004 gesteld cumulatieverbod een verkeerd standpunt heeft ingenomen, zodat haar beslissingen t.o.v. M.R. door een juridische vergissing zouden zijn aangetast, dient zij een nieuwe beslissing te nemen overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, zoals gewijzigd bij de wet van 25 juni 1997.

Zolang het VAPH geen nieuwe beslissing ter kennis van M.R. heeft gebracht, is zij door haar vroegere beslissing gebonden voor zover deze de toets die het hof hierover doorvoert, kan doorstaan.

Het hof merkt volledigheidshalve op dat het VAPH bovendien geen enkel stuk voorlegt waaruit een gewijzigd standpunt van het VAPH zou blijken.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd.

Rechtsprekend op tegenspraak.

Gelezen het grotendeels eensluidend schriftelijk advies van de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 juni 2012, waarop alleen M.R. repliceerde binnen de voorziene termijn.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep van M.R. ontvankelijk, doch ongegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 22 juni 2011 (A.R. 08/1241/A).

Opnieuw rechtsprekend:

Zegt voor recht dat:

- M.R. vanaf 1 januari 2008 aanspraak kan maken op een maximum bedrag van het persoonlijk assistentiebudget in overeenstemming met de ernstcategorie 5 van 39.868,45 EUR, jaarlijks te verhogen ingevolge indexaanpassing;

- vanaf 1 januari 2009 het maximale bedrag van het PAB (ingevolge indexaanpassing voor het jaar 2009 gebracht op 41.278,24 EUR) verminderd dient te worden met het jaarlijks bedrag van de vergoeding in gemeen recht voor "hulp van derden" van 16.200,00 EUR (1.350,00 EUR x 12), jaarlijks verhoogd met de rente van 3%, tot uitputting van het totale bedrag voor deze schadepost in gemeen recht, zoals door het VAPH becijferd in de bijlage aan haar brief van 26 november 2008.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van het VAPH overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Vereffent deze kosten aan de zijde van M.R. op 160,36 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; geïndexeerd bedrag op 1 maart 2011) met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007).

Laat deze kosten aan de zijde van het VAPH onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting.

Mots libres

  • Sociale voorzorg

  • tegemoetkoming aan gehandicapten

  • anti-cumulregels

  • persoonlijk assisentiebudget

  • cumulatieverbod

  • schadevergoeding gemeen recht

  • begrip 'dezelfde schade'

  • toepassing