- Arrêt du 17 décembre 2012

17/12/2012 - 2011/AA/527

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De kinderoppas die samen met het kind doodgeschoten werd terwijl zij op wandel waren in het centrum van Antwerpen werd wel degelijk getroffen door een ongeval overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het is niet relevant te weten of de gewelddaden al dan niet daden van terrorisme uitmaken.

De ouders van het kind, werkgevers van de kinderoppas, die niet verzekerd waren, worden veroordeeld tot terugbetaling aan het Fonds voor Arbeidsongevallen van alle uitgaven, zowel in hoofdsom als in intresten en kosten, waartoe het Fonds ingevolge het dodelijk ongeval gehouden is.


Arrêt - Texte intégral

zevende kamer

tussenarrest op tegenspraak

(heropening der debatten)

arbeidsongevalARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

afdeling Antwerpen

ARREST

AR 2011/AA/527

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

In de zaak:

B.Y.,

wonende te ..., voor wie optreedt als voogd ad hoc mr. A. COLLIN, met kantoor gevestigd te 2000 Antwerpen, Mechelsesteenweg 12/18, waar tevens keuze van woonst wordt gedaan,

appellante,

verschijnend bij mr. A. Matthijs, advocaat te Antwerpen,

tegen:

1. FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN,

met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Troonstraat 100,

eerste geïntimeerde,

verschijnend bij mr. W. De Vriese, advocaat te Schilde,

2. R.D.,

wonende te ...,

3. L.V.B.,

wonende te ...,

tweede en derde geïntimeerden,

beiden verschijnend bij mr. R. Arts loco mr. J. Vermassen, advocaat te Lede,

4. H.V.T.,

... wonende te ..., thans verblijvend in ...,

vierde geïntimeerde,

niet verschijnend.

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest.

Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 14 november 2011, 17 september 2012, 15 oktober 2012 en 19 november 2012.

Gelet op de volgende rechtsplegingsstukken, onder meer:

- de dagvaarding uitgaande van B.Y., waarvoor mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc en mevrouw M.C.N., betekend door A. De Coster, plaatsvervanger voor J. Lambert, gerechtsdeurwaarder te Elsene, op 23 april 2010 aan het Fonds voor Arbeidsongevallen;

- de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitgaande van het Fonds voor Arbeidsongevallen, betekend door Ch. Mertens, gerechtsdeurwaarder te Antwerpen, op 26 mei 2010 aan R.D. en L.V.B.;

- de dagvaarding in gemeenverklaring uitgaande van het Fonds voor Arbeidsongevallen, betekend door E. Berge, gerechtsdeurwaarder te Oudenaarde, op 26 mei 2010 aan H.V.T.;

- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 8 september 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (AR 10/3344/A), waarvan geen akte van betekening werd bijgebracht;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, uitgaande van B.Y., waarvoor mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc, neergelegd ter griffie van dit hof op 23 september 2011 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de beschikking met toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 19 december 2011;

- de conclusie voor het Fonds voor Arbeidsongevallen (kort: FAO), ontvangen ter griffie van dit hof op 12 januari 2012;

- de conclusie voor R.D. en L.V.B., ontvangen ter griffie van dit hof op 17 februari 2012;

- de conclusie voor B.Y., waarvoor mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc, neergelegd ter griffie van dit hof op 20 maart 2012;

- de aanvullende beroepsbesluiten voor het FAO, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 april 2012;

- de syntheseberoepsconclusie voor B.Y., waarvoor mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc, neergelegd ter griffie van dit hof op 21 juni, die niet wordt geweerd uit de debatten gelet op het uitdrukkelijk akkoord van de aanwezige partijen (cfr. PV zittingsblad d.d. 19 november 2012).

- het tussenarrest van dit hof van 15 oktober 2010, waarbij de debatten werden heropend;

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting d.d. 19 november 2012.

Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 19 november 2012.

De heer H.V.T. verscheen niet ter zitting.

De aanwezige partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 19 november 2012, waarna de debatten werden gesloten.

De heer H. Vanderlinden, substituut-generaal, werd gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies, waarvan de aanwezige partijen een voor eensluidend verklaard afschrift ontvingen.

Met toepassing van artikel 767, § 3, 1ste lid werd voormeld advies overgemaakt aan de heer H.V.T., die niet verscheen ter zitting van 19 november 2012.

Enkel het Fonds voor Arbeidsongevallen repliceerde op voormeld advies van het openbaar ministerie met een repliek, ontvangen ter griffie van dit hof per fax op 3 december 2012 en per gewone post op 4 december 2012, waarna het hof de zaak in beraad nam.

1. Ontvankelijkheid.

Het hoger beroep werd regelmatig ingesteld naar termijn en vorm en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.

2. Feiten en voorgaanden.

Op donderdag 11 mei 2006 omstreeks 11.30 uur werden O.M. (moeder van B.Y. en de dochter van M.C.N.), en L. (dochter van R.D. en L.V.B.) doodgeschoten door H.V.T..

Voordien beschoot hij een vrouw met een hoofddoek van Turkse origine die ernstig werd verwond.

O. en L. waren op dat ogenblik op wandel in het centrum van Antwerpen.

O.M. werkte voor het echtpaar D.-V.B. als kinderoppas.

Op het ogenblik van voormelde feiten was er door het echtpaar D.-V.B. geen arbeidsongevallenverzekering afgesloten voor O.M..

H.V.T. werd voor deze feiten bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen op 11 oktober 2007 veroordeeld tot levenslange opsluiting wegens moord met racistische motieven.

Met aangetekend schrijven van 21 januari 2009 vorderden de erfgenamen van O.M., B.Y., voor wie mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc en M.C. N., moeder van O., met toepassing van artikel 58, § 1, derde lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, van het Fonds voor Arbeidsongevallen voormeld voorval te aanvaarden als een arbeidsongeval en de wettelijke vergoedingen toe te kennen.

Met schrijven d.d. 12 juni 2009 weigerde het Fonds voor Arbeidsongevallen het dodelijk ongeval van 11 mei 2006 te aanvaarden als een arbeidsongeval "(...) aangezien het ongeval niet overkomen is door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst."

Aangezien de erfgenamen van O.M. met de beslissing van het FAO niet akkoord konden gaan, dagvaardden zij op 23 april 2010 het FAO voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderden het FAO te veroordelen tot betaling van de wettelijke vergoedingen op basis van de artikelen 10, 11, 13 en 15 van de Arbeidsongevallenwet, de reeds vervallen uitkeringen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke data van eisbaarheid tot de datum van algehele betaling.

Verder vorderden zij het FAO te veroordelen tot betaling van de gedingkosten.

Tenslotte vorderden de erfgenamen het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Gelet op het feit dat R.D. en L.V.B. niet verzekerd waren tegen arbeidsongevallen, dagvaardde het FAO hen op 26 mei 2010 in tussenkomst en vrijwaring. Het FAO vorderde hen solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, met toepassing van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet, te veroordelen tot terugbetaling aan het FAO van alle uitgaven, zowel in hoofdsom als intresten en kosten, waartoe het FAO met toepassing van artikel 58, § 1, derde lid van de Arbeidsongevallenwet zou zijn gehouden, provisioneel begroot op 1 EUR.

Verder vorderde het FAO de heer D. en mevrouw V. B. solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van de gedingkosten.

Tenslotte vorderde het FAO het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Met dagvaarding van 26 mei 2010 vorderde het FAO t.a.v. H.V.T. zijn vordering in tussenkomst en gemeenverklaring ontvankelijk en gegrond te verklaren en (voor zover de arbeidsrechtbank zou oordelen dat O.M. op 11 mei 2006 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval toen zij in dienst was van R.D. en L.V.B., die niet verzekerd waren tegen arbeidsongevallen, en dat het FAO dit ongeval met toepassing van artikel 58, §, derde lid van de Arbeidsongevallenwet ten laste dient te nemen) te zeggen voor recht dat het FAO gerechtigd is om ten laste van H.V.T., met toepassing van artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet, zijn regresrecht uit te oefenen en het tussen te komen vonnis aan H.V.T. gemeen en tegenstelbaar te verklaren.

Verder vorderde het FAO H.V.T. te veroordelen tot betaling van de gedingkosten.

Tenslotte vorderde het FAO het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Met eindvonnis d.d. 8 september 2011, gewezen bij verstek van H.V.T., verklaarden de eerste rechters de vordering van de erfgenamen van O.M. ontvankelijk doch ongegrond en de vordering van het FAO t.a.v. R.D. en L.V.B. eveneens ontvankelijk doch ongegrond.

Voormeld vonnis werd gemeen verklaard aan H.V.T..

De gedingkosten werden ten laste gelegd van het FAO overeenkomstig artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet.

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 23 september 2011, stelde enkel B.Y., waarvoor mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc, hoger beroep in tegen voormeld vonnis d.d. 8 september 2011.

3. Eisen in hoger beroep.

- B.Y., waarvoor mr. A. Collin optreedt als voogd ad hoc, appellante, vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtsprekend, haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat O.M. het slachtoffer was van een arbeidsongeval, dan wel van een arbeidswegongeval. Dienvolgens het Fonds voor Arbeidsongevallen, eerste geïntimeerde, te veroordelen tot betaling aan appellante van alle wettelijke vergoedingen zoals bedoeld in de artikelen 10, 11, 13 en 15 van de Arbeidsongevallenwet, te berekenen op het geïndexeerd basisloon zoals bepaald in artikel 35 van de Arbeidsongevallenwet.

Appellante vordert de debatten te heropenen teneinde het basisloon te bepalen voor de berekening van de wettelijke vergoedingen.

Verder vordert appellante te zeggen voor recht dat de reeds vervallen uitkeringen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke data van eisbaarheid tot de datum van algehele betaling.

In ondergeschikte orde vordert appellante haar toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen:

- "dat O. (lees: O.) samen met Luna is gevlucht voor H.V.T. (lees: H.V.T.);

- dat O. (lees: O.) zich als een levend schild heeft opgesteld voor Luna."

Tenslotte vordert appellante het Fonds voor Arbeidsongevallen in alle hypothesen te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.

- Het Fonds voor Arbeidsongevallen (kort: FAO), eerste geïntimeerde, vordert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de vordering van appellante lastens het FAO ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Het FAO vordert te zeggen voor recht dat het dodelijk ongeval overkomen aan mevrouw O.M. op 11 mei 2006 niet plaats vond door de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst en dan ook niet als een arbeidsongeval in de zin van de Arbeidsongevallenwet kan worden beschouwd. Verder vordert het FAO te zeggen voor recht dat mevrouw O.M. op 11 mei 2006 evenmin het slachtoffer werd van een arbeidswegongeval in de zin van de Arbeidsongevallenwet.

Het in ondergeschikte orde door appellante voorgestelde getuigenverhoor als niet dienend af te wijzen.

In subsidiaire orde vordert het FAO, in de veronderstelling dat het arbeidshof zou oordelen dat het dodelijk ongeval overkomen aan mevrouw O.M. op 11 mei 2006 als een arbeidsongeval in de zin van de Arbeidsongevallenwet dient te worden aanvaard:

- de heropening der debatten te bevelen voor wat betreft de vaststelling van de aan de appellante toekomende schadeloosstelling overeenkomstig de Arbeidsongevallenwet en voor wat betreft de berekening van het basisloon;

- R.D. en L.V.B. solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen, met toepassing van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet tot terugbetaling aan het FAO van alle uitgaven zowel in hoofdsom als intresten en kosten waartoe het FAO met toepassing van artikel 58 § 1 , 3° van de arbeidsongevallenwet ingevolge voornoemd dodelijk ongeval zou gehouden zijn, provisioneel begroot op 1 EUR;

- voorbehoud te verlenen aan het FAO voor de berekening van de schuldvordering van het FAO en met toepassing van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet en de heropening der debatten hiertoe te bevelen;

- R.D. en L.V.B. solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de betaling van de gedingkosten.

Het tussen te komen arrest gemeen en tegenstelbaar te verklaren aan de heer H. V. T.

- R.D. en L.V.B., tweede en derde geïntimeerde, vorderen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en derhalve het bestreden vonnis in alle beschikkingen te bevestigen. Tenslotte vorderen zij eerste geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de gedingkosten.

- H.V.T., vierde geïntimeerde, verscheen niet ter zitting en legde geen conclusie neer.

4. Beoordeling.

Het hof dient te onderzoeken of de gruwelijke feiten waarvan de kinderoppas O.M. op 11 mei 2006 het slachtoffer werd toen zij met Luna, het dochtertje van het echtpaar D.-V.B., op wandel was in het centrum van Antwerpen, als een arbeidsongeval kunnen worden gekwalificeerd in de zin van de Arbeidsongevallenwet.

4.1. Het wettelijk kader en de vigerende rechtspraak en rechtsleer.

Artikel 7, eerste en tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepalen het volgende:

"Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeidsongeval aanzien elk ongeval dat de werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt.

Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst."

Verder bepaalt artikel 9 het volgende:

"Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van een letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt".

De wetgever heeft aldus geen duidelijke omschrijving van het begrip ‘arbeidsongeval' gegeven. Deze beslissing stoelde op de bekommernis de breedst mogelijke interpretatie toe te laten met het oog op de ruimst mogelijke bescherming van de fysische integriteit van de werknemer.1

Uit de geciteerde wettelijke bepalingen dient te worden afgeleid dat wanneer de aanwezigheid van een arbeidsongeval wordt ingeroepen, volgende constitutieve elementen dienen aanwezig te zijn:

1 Parl. St. Senaat, 1969-1970, nr. 328, p. 9-11; Parl. St. Senaat, 1970-1971, nr. 215, 49; J. HUYS, ‘De professionele risicoverzekering dekt ook de "gewone risico's" bij het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst', R.W. 1998-1999, 572; J.R. RAUWS, ‘De behoefte aan een definitie van het wettelijk begrip arbeidsongeval anno 1971', R.W. 1976-1977, 2008 e.v..

- een plotse gebeurtenis;

- die tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt;

- een letsel.

De artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet stellen twee vermoedens in die gelden tot het bewijs van het tegendeel:

- indien een letsel en een plotselinge gebeurtenis bewezen zijn, wordt vermoed dat het letsel het gevolg is van een ongeval (art. 9);

- het ongeval dat zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geacht overkomen te zijn door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (art. 7, tweede lid).

Het ongeval wordt pas een arbeidsongeval wanneer het de werknemer overkomt tijdens en door het feit van de uitoefening van de arbeidsovereenkomst.2

Het Hof van Cassatie heeft in verschillende arresten geoordeeld dat het ongeval dat zich voordoet tijdens de uitvoering van een arbeidsovereenkomst een arbeidsongeval is wanneer het gebeurt op het ogenblik dat de werknemer onder het gezag van de werkgever staat.3

Het criterium van gezag van de werkgever moet het sluitstuk vormen van elke redenering wanneer zich moeilijkheden voordoen.4

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie staat de werknemer onder het gezag van de werkgever zolang hij ten gevolge van het verrichten van arbeid in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt; de gezagsverhouding is derhalve niet noodzakelijk beperkt tot de arbeidstijd en de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en valt derhalve niet steeds samen met het eigenlijk verrichten van arbeid.5

Het ongeval is dus overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wanneer het zich voordoet op het tijdstip waarop de persoonlijke vrijheid van de werknemer is beperkt ten gevolge van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en niet alleen op het tijdstip waarop de persoonlijke vrijheid van de werknemer is beperkt wegens de eigenlijke uitvoering van het werk, dat mogelijk nog niet is aangevat of al beëindigd is.6

2 J. HUYS, in ARON, Arbeidsongevallen, Deel I, Diegem, Wolters Kluwer Belgium, losbl., Comm. - 1.2/78.1.

3 Cass. 3 oktober 1983, AR 6862, A.C. 1983-84, nr. 61; Cass. 18 november 1985, AR 4851, A.C. 1985-86, nr. 178; Cass. 26 september 1989, AR 2933-2991, A.C. 1989-90, nr. 57; Cass. 22 februari 1993, AR 9578, A.C. 1993, nr. 109, met concl. O.M..

4 J.F. LECLERCQ, ‘Het begrip ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in de leer van de arresten van het Hof', A.C 2003, p. 5; J.T.T. 2002, 349.

5 Cass. 26 september 1989, AR 2933-2991, A.C. 1989-90, nr. 57; Cass. 22 februari 1993, AR 9578, A.C. 1993, nr. 109, met concl. O.M..

6 zie de toonaangevende conclusies van advocaat-generaal H. LENAERTS bij twee princiepsarresten van het Hof van 3 mei 1978, R.W. 1977-78, 2775-2784.

Het heeft dus op zichzelf geen belang of het ongeval is gebeurd op een parking, een weg of een kleedkamer van het bedrijf, of zelfs op de openbare weg, vóór of na de uitvoering van het eigenlijke werk. Het ongeval hoeft evenmin noodzakelijk veroorzaakt te zijn door een daad die ter uitvoering van het eigenlijke werk is gesteld op voorwaarde dat die daad onder het gezag van de werkgever bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is gesteld.7

De uitvoering van de arbeidsovereenkomst omvat buiten arbeidsprestaties de tijd om werkkleding aan en uit te trekken, om arbeidsgereedschap af te halen en op te bergen, om met een bedrijfswagen naar een werf gevoerd te worden, om verplichte rustpauzes te nemen, om ter plaatse de arbeid te onderbreken wegens bijvoorbeeld een technisch defect aan een machine of het uitvallen van de elektriciteit, bij verplaatsingen naar binnen- en buitenland.

Tijdens al die activiteiten moet nagegaan worden of de werknemer onder het gezag van zijn werkgever staat.8

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie bestaat de gezagsverhouding, als kenmerk van de arbeidsovereenkomst, zodra iemand in feite gezag kan hebben over andermans handelen.9

Het algemeen criterium van het gezag van de werkgever zoals dat uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt, wordt blijkbaar algemeen door de gezaghebbende auteurs aanvaard.10

Ook de rechtsleer gaat er in navolging van de cassatierechtspraak van uit dat twee regels van belang zijn:

1) het ongeval wordt geacht overkomen te zijn tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wanneer de werknemer op het ogenblik van het ongeval onder het gezag - zelfs virtueel - van de werkgever stond;

7 Zie de conl. van het O.M. vóór Cass. 22 februari 1993, AR 9578, A.C. 1993, nr. 109.

8 1 J. PETIT, "Arbeidsongevallen", in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2005, nr. 133

9 Cass. 10 september 2001, AR S.00.0187.F, A.C. 2001, nr. 453; Cass. 27 april 1998, A.C. 1998, 471; Cass. 23 juni 1997, A.C. 1997, 694 en J.T.T. 1997, 335; Cass. 9 januari 1995, A.C. 1995, 27; Cass. 14 november 1994, A.C. 1994, 954 en J.T.T. 1995, 68; Cass. 22 februari 1993, A.C. 1993, 215, met concl. J.F. Leclercq; Cass. 15 februari 1982, A.C. 1981-82, 772; Cass. 18 mei 1981, A.C. 1980-81, 1080; Cass. 19 maart 1979, A.C. 1978-79, 830; Cass. 14 maart 1978, A.C. 1978, 825.

10 J.F. LECLERCQ, o.c., p. 9, nr. 7; J. PETIT, o.c., nr. 129 e.v. ; J. HUYS, o.c., Comm.- 1.2/78.1; D. SIMOENS en K. RUTTEN, ‘Overzicht van rechtspraak (1971-1996): vereiste band tussen arbeidsongeval en uitvoering van de arbeidsovereenkomst', T.S.R. 1997, p. 505 e.v.; L. VAN GOSSUM, Les accidents du travail, Larcier, 2007, p. 64 e.v.; J. VAN LANGENDONCK, Handboek Socialezekerheidsrecht, Intersentia, Antwerpen, 2011, nr. 953 e.v.; D. SIMOENS en J. PUT, Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1996-2001, Wetgeving en rechtspraak, die Keure, Brugge, 2001, 485-620; W. VAN EECKHOUTTE, "Arbeidsongevallen: rechtspraak" in J. PUT, D. SIMOENS en E. ANKAERT (ed.), Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 2001-2006, Brugge, die Keure, 2006.

2) de werknemer staat onder het gezag van de werkgever zolang zijn persoonlijke vrijheid beperkt wordt als gevolg van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.11

4.2. Het bestaan van een ongeval (artikel 9 AOW)

Er bestaat geen betwisting tussen partijen over het bestaan van het dodelijk ongeval in hoofde van mevrouw O.M. op 11 mei 2006, vermits de plotselinge gebeurtenis (de geweerschoten) en de letsels (schotwonden die hebben geleid tot het overlijden) vaststaan en het causaal verband tussen beide niet te weerleggen is.

4.3. Een ongeval tijdens de uitoefening van de arbeidsovereenkomst (artikel 7 AOW)

In eerste aanleg bestond er geen betwisting over het feit dat het dodelijk ongeval dat mevrouw O.M. overkwam op 11 mei 2006, plaats vond tijdens de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst als kinderoppas in dienst van R.D. en Laurence VAN BRÉE, thans tweede en derde geïntimeerde.

In hun beroepsbesluiten blijken tweede en derde geïntimeerde zulks thans wel te betwisten:

"Concluanten wensen trouwens nog op te merken dat mevrouw N. geen strikt vooraf bepaalde takenlijst had. Ze was vrij te komen en te gaan, zolang ze voor Luna zorgde. Het gebeurde vaak dat Luna met haar meeging toen mevrouw N. voor zichzelf privéboodschappen deed.

Concluanten hebben het vermoeden dat op de dag van de tragische feiten mevrouw N. met Luna op weg was naar een telefoonshop in de Minderbroederstraat om goedkoop te kunnen bellen met haar familie in AFRIKA.

In tegenstelling tot de Eerste Rechter betwijfelen concluanten trouwens dat het dodelijk ongeval overkomen op 11 mei 2006 aan mevrouw N. plaatsvond tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst."

Dit standpunt van tweede en derde geïntimeerde wordt tegengesproken door de elementen van het dossier.

11 M. JOURDAN, La notion d'accident (sur le chemin du) travail, Editions Kluwer, 2001, p. 94.

In casu kan er niet de minste twijfel over bestaan dat O.M. op het ogenblik van het ongeval uitvoering gaf aan de arbeidsovereenkomst. Zij gaf immers gevolg aan een zeer concrete instructie van mevrouw L.V.B.: O. was aan het stofzuigen toen mevrouw L.V.B. voorstelde dat ze naar buiten zou gaan met Luna met het fietsje omdat het zo'n mooi weer was (cfr. proces-verbaal van verhoor d.d. 23 april 2009, bundel FAO, st. 2).

Op het ogenblik van het ongeval stond O.M. bijgevolg onder het virtueel gezag van haar werkgevers, en was zij in haar persoonlijke vrijheid beperkt ingevolge de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst.

Het hof oordeelt dan ook dat het litigieus ongeval O.M. wel degelijk is overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Zulks impliceert meteen dat het hof de hypothese van een mogelijk arbeidswegongeval verwerpt.

4.4. Een ongeval door het feit van de uitoefening van de arbeidsovereenkomst (artikel 7 AOW)

Algemene beginselen.

Artikel 7, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet poneert het vermoeden dat een ongeval dat is overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, ook geacht wordt te zijn overkomen door het feit van de uitvoering van de overeenkomst.

Het gaat hier om een weerlegbaar vermoeden van causaliteit. Het tegenbewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden (Cass. 10 oktober 2011, AR S.10.0054.F, www.cass.be).

Het algemeen karakter van deze formulering maakt het niet gemakkelijk er een precieze invulling aan te geven. Feit is in elk geval dat "door het feit van de uitvoering" niet betekent dat het ongeval te wijten is aan de uitvoering zelf van het werk.12

Het moet dus gaan om een ongeval ten gevolge van «un risque auquel la victime a été exposée par le fait du contrat de travail et non le seul risque lié au travail lui-même.» 13 (als volgt vertaald door het hof: «een risico waaraan het slachtoffer blootgesteld is geweest door het feit van de arbeidsovereenkomst en niet enkel het risico verbonden aan het werk zelf»)

12 Cass. 22 februari 1993, Soc. Kron. 1993, 312; Cass. 5 juni 1989, R.W. 1989-90, 679; Arbh. Gent 20 maart 1998, Soc. Kron. 2000, 136; Arbh. Gent, 7 februari 2002, De Verz, 2003, nr. 342, 84).

13 Arbh. Bergen 17 november 2000, J.T.T. 2001, 27.

Volgens de memorie van toelichting is het ongeval het gevolg van het feit van de uitvoering van het contract wanneer het het resultaat is van een oorzaak, die met deze uitvoering verband houdt, met andere woorden wanneer het betrekking heeft op om het even welke omstandigheid, die verband houdt met de activiteit zelf van de werknemer of met de activiteit van de andere personeelsleden van het bedrijf of met het industriële of professionele milieu, waarin de arbeider zich als gevolg van het contract beweegt.14

De arbeidsongevallenverzekeraar, of in casu het FAO, zal moeten aantonen dat het ongeval niets te maken heeft met het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het is echter voldoende dat zelfs maar een gering aspect van de oorzaak gelegen is in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst om te besluiten tot een arbeidsongeval ingevolge de toepassing van de equivalentieleer inzake multicausaliteit.15

Reeds geruime tijd wordt die causaliteitsvereiste ruim geïnterpreteerd in die zin dat er door de rechtspraak en de rechtsleer algemeen wordt aanvaard dat er sprake is van een arbeidsongeval vanaf het ogenblik dat het ongeval de verwezenlijking is van een risico, waaraan het slachtoffer blootstaat, als gevolg van zijn beroepsactiviteit, of dat een verband houdt met het natuurlijke, technische of menselijke milieu, waarin het slachtoffer zich beweegt.16

Zo oordeelde het Hof van Cassatie in een recent arrest van 25 oktober 2010 dat de werkneemster die in het magazijn waar zij werkte werd vermoord door messteken toegebracht door haar echtgenoot om louter persoonlijke redenen van familiale aard, het slachtoffer werd van een ongeval dat haar overkwam door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.17

De appelrechters overwogen in die zaak dat "de agressie bijgevolg werd mogelijk gemaakt door de uitvoeringsmodaliteiten van de arbeidsovereenkomst van wijlen D.D. en door de natuurlijke omgeving waarin de overeenkomst werd uitgevoerd: zij moest de winkel alleen openen, er haar beroepsactiviteit alleen uitoefenen, in een gebouw dat bovendien zo eng was dat elke ontsnapping onmogelijk is en waardoor ze haar toekomstige overvaller daarenboven niet kon ontwijken zonder het werk te verstoren".

14 M.v.T., Gedr. St. Kamer, 1901-02, nr. 302, 1107.

15 D. SIMOENS en K. RUTTEN, o.c., nr. 98 en de auteurs geciteerd onder voetnoot 169.

16 Concl. Proc.-gen. J.F. Leclercq vóór Cass. 25 oktober 2010, Pas. 2010, afl. 10, 2782 ; Soc. Kron. 2011, afl. 5, 220, noot S. REMOUCHAMPS ; T. Verz. 2011, afl. 4, 412, noot B. MICHEL; Cass. 4 december 1975, A.C. 1976, 428 en T.S.R. 1976, 305; Cass. 8 maart 1993, J.T. 1993, 515; Arbh. Gent 20 maart 1998, Soc. Kron. 2000, 136; Arbh. Gent 7 juni 2001, T. Verz. 2003, 60; D. SIMOENS en K. RUTTEN, o.c., nr. 101; C.PERSYN, D. SIMOENS en W. VAN EECKHOUTTE, ‘Overzicht van rechtspraak. Arbeidsongevallen (1976-1983)', T.P.R. 1985, 1087; R. JANVIER, ‘Arbeidsongevallen: toepassingsgebied ‘Privatisering of retour au coeur'?' in D. SIMOENS (ed.), Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1985-1991, Brugge, die Keure, 1991, 251.

17 Cass. 25 oktober 2010, T. Verz. 2011, afl. 4, 412, noot B. MICHEL ; Pas. 2010, afl. 10, 2782 met concl. Proc.-gen. J.-F. LECLERCQ; Soc. Kron. 2011, afl. 5, 220, met concl. Proc.-gen. J.-F. LECLERCQ, noot S. REMOUCHAMPS.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat deze beweegredenen "volstaan als motivering voor de beslissing van het arrest dat het ongeval van D.D. op 13 augustus 2002 door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen en bijgevolg een arbeidsongeval is."

Uit dit arrest blijkt ook dat de motieven van de dader niet van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of bepaalde daden van agressie het slachtoffer al dan niet zijn overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Toepassing.

Door het Fonds voor Arbeidsongevallen, hierin gevolgd door tweede en derde geïntimeerde, wordt voor het hof omstandig aandacht besteed aan de analyse van de motieven van H.V.T..

Geargumenteerd wordt dat de racistische overwegingen van de dader aantonen dat er geen enkele band bestaat tussen de gewelddaden waarvan O.M. op 11 mei 2006 het slachtoffer werd, en haar arbeidsovereenkomst als kinderoppas.

Het openbaar ministerie wijst er in zijn advies terecht op dat de motieven die aan de grondslag van de strafbare handelingen lagen niet relevant zijn voor de beoordeling of het ongeval als een arbeidsongeval kan worden gekwalificeerd.

Zulks blijkt duidelijk uit hoger vermeld arrest van het Hof van Cassatie van 25 oktober 2010. Uit de overwegingen van het bestreden arrest van het arbeidshof te Bergen d.d. 11 februari 2009, die worden aangehaald in dat cassatiearrest, blijkt dat voor het leveren van het tegenbewijs ook in die zaak werd verwezen naar het motief van de dader dat volledig kaderde in de privésfeer van het slachtoffer.

Als grief tegen het bestreden arrest werd onder meer het volgende aangevoerd:

"Het overlijden van D.D. is in feite volledig en uitsluitend te wijten aan de bedoeling van haar echtgenoot om haar te doden vermits zij volgens hem weigerde hun huwelijksleven te hervatten en hem de kinderen te laten zien.

De agressie op D.D. is bijgevolg niet te wijten ‘aan het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst', zelfs als men veronderstelt dat die omstandigheid het risico op een agressie heeft vergroot.

De omstandigheid dat de aanwezigheid van D.D. in de winkel het risico op een agressie op zijn minst zou hebben verhoogd betekent niet dat de agressie is overkomen ‘door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst' (artikel 7, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet), aangezien die aanwezigheid geen verband houdt met het motief van de dodelijke agressie die niet is veroorzaakt door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst was hoogstens een omstandigheid waarbij de agressor van D.D. zijn dreigementen tot uitvoering heeft gebracht.

Hieruit volgt dat het arrest niet naar recht is verantwoord in zoverre het beslist dat de agressie op D.D. een arbeidsongeval is omdat haar aanwezigheid in de winkel van haar werkgever ‘de agressie op zijn minst in de hand heeft gewerkt'."

Uit het arrest van het Hof van Cassatie blijkt dat een dergelijke grief omtrent de motieven van de dader niet tot cassatie kan leiden bij gebrek aan belang.

De overwegingen van het bestreden arrest dat "de agressie bijgevolg werd mogelijk gemaakt door de uitvoeringsmodaliteiten van de arbeidsovereenkomst van wijlen D.D. en door de natuurlijke omgeving waarin de overeenkomst werd uitgevoerd (...)", volstaan volgens het Hof van Cassatie als motivering voor de beslissing van het arrest dat het ongeval van D.D. door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen en bijgevolg een arbeidsongeval is, ook al handelde de dader vanuit een motief dat niet is veroorzaakt door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

In een zaak waarin een werknemer tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst de poort van een openbaar park sloot en bij die gelegenheid, zonder aanwijsbare reden, verschillende keren in de benen werd geschoten door een gemaskerde dader, oordeelde het arbeidshof te Brussel bij arrest van 5 oktober 2009 dat "de omstandigheid dat de gewelddaad het gevolg zou zijn van een privégeschil, niet volstaat om het vermoeden om te keren; er moet ook worden aangetoond dat de beroepsactiviteit het risico op de aanranding niet mogelijk heeft gemaakt of in de hand heeft gewerkt" (Arbeidshof Brussel, 5 oktober 2009, bestreden arrest inzake Cass., 10 oktober 2011, AR S.10.0054.F, met conclusie van adv.-gen. JM GENICOT, www.cass.be, waarbij dit arrest wordt vernietigd op grond van de omstandigheid dat eiseres beknot werd in haar mogelijkheden tot bewijsvoering door haar niet de gelegenheid te geven het strafdossier te raadplegen).

Het hof dient bijgevolg te onderzoeken of het litigieus ongeval d.d. 11 mei 2006 de verwezenlijking is van een risico, waaraan O.M. blootstond, als gevolg van haar beroepsactiviteit, of verband houdt met het natuurlijke, technische of menselijke milieu, waarin het slachtoffer zich bewoog (zie ook de conclusie van adv.-gen. J.M. GENICOT bij Cass., 10 oktober 2011, AR S.10.0054.F, www.cass.be).

In het kader van het op hem rustend tegenbewijs moet het FAO aantonen dat de uitoefening van de beroepsactiviteit van het slachtoffer het risico op de geweldpleging niet mogelijk heeft gemaakt of in de hand heeft gewerkt.

Het hof stelt vast dat O.M.:

- in het kader van haar arbeidsovereenkomst als kinderoppas vanwege L.V.B. de opdracht kreeg om in de stad Antwerpen te gaan wandelen met de kleine L. en haar fietsje;

- zich bijgevolg in uitvoering van de arbeidsovereenkomst op de openbare weg in de stad Antwerpen bevond op het ogenblik van de geweldpleging;

- zich ingevolge het uitvoeren van haar opdracht blootstelde aan al de risico's die met het wandelen in de stad gepaard gaan, zoals verkeersongevallen en daden van agressie en geweldpleging;

- zich aldus ingevolge de uitoefening van de arbeidsovereenkomst bloot gesteld heeft aan het risico op geweldpleging zoals deze zich in casu heeft voorgedaan.

De geweldpleging werd bijgevolg mogelijk gemaakt door de uitvoeringsmodaliteiten van de arbeidsovereenkomst van wijlen O.M. en door de natuurlijke omgeving waarin de overeenkomst werd uitgevoerd.

Had zij de opdracht niet gekregen om te gaan wandelen in de stad Antwerpen had de geweldpleging zich niet kunnen voordoen.

Appellante wijst er daarenboven terecht op dat "indien O.M. alleen op wandel zou zijn geweest, ofwel zich niet getrouw van haar taak en verantwoordelijkheden als au pair zou hebben gekweten, zij veel eenvoudiger en veel sneller de vlucht had kunnen nemen. Zij had zich dan immers niet hoeven te bekommeren om het kleintje op haar driewielertje." (cfr. Cass., 25 oktober 2010, o.c., waarin de beperking van de mogelijkheden tot ontsnapping ingevolge het arbeidsmilieu eveneens in aanmerking werd genomen)

Anders dan het FAO voorhoudt, is O.M. wel degelijk gevlucht voor H.V.T.. Deze verklaarde hieromtrent zelf:

"(...) Ik heb dan wat rondgewandeld en dan die zwarte vrouw tegengekomen. Ik heb die vrouw gekruist. Die zag dat ik een wapen had. Ze is snel achter de hoek gegaan. Ik ben haar gevolgd en heb geschoten." (bundel appellante, stuk 3, blad 198 onderaan)

Het staat anderzijds vast dat O.M., toen zij H.V.T. opmerkte, samen met Luna de vlucht heeft genomen, nu zij zich steeds om het lot van Luna is blijven bekommeren.

Zo verklaarde getuige P. D. het volgende: "plots hoorde ik twee schoten waarop m'n hond naar de straatkant is toegelopen. Tussen de twee schoten zaten amper twee seconden. Ik ben ook naar voor gelopen en zag op straat een dame liggen onder bloed evenals een kindje. Ik zag dat er een dame over het kindje was gebukt en de schotwonde probeerde toe te drukken." (Syntheseberoepsbesluiten FAO, p. 12, voorlaatste alinea).

Het hof merkt verder op dat het door geïntimeerden aangevoerd gegeven, met name dat het gevaar om het slachtoffer te worden van een racistische schietpartij niet inherent is aan het wandelen in de straten van Antwerpen, niet relevant is.

De omstandigheid dat H.V.T. de feiten in gelijk welke omstandigheid en op gelijk welke plaats zou hebben uitgevoerd, is evenmin relevant.

De bedoeling of beweegredenen van de dader zijn immers niet van belang.

Gelet op wat voorafgaat is het hof van oordeel dat het FAO er niet in slaagt het op hem rustend tegenbewijs te leveren. Het wettelijk vermoeden voorzien in artikel 7 van de Arbeidsongevallenwet is niet weerlegd.

De discussie tussen partijen of de gewelddaden gepleegd door H.V.T. al dan niet daden van terrorisme uitmaken vallend onder het onweerlegbaar wettelijk vermoeden voorzien in artikel 7, tweede lid, in fine, van de Arbeidsongevallenwet, is bijgevolg ook niet meer relevant.

Het hof merkt niettemin op dat de omstandigheid dat de wetgever is tussengekomen bij artikel 21 van de wet van 1 april 2007 (B.S., 15 mei 2007) om ongevallen overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ingevolge terrorisme, steeds te kwalificeren als te zijn overkomen "door het feit van de uitvoering van die arbeidsovereenkomst", er op wijst dat de wetgever een ruime interpretatie van dat begrip voor ogen heeft vanuit de zorg een optimale bescherming te bieden aan de werknemer die het slachtoffer wordt van een arbeidsongeval.

Het hof besluit dan ook dat het ongeval O.M. overkwam tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, zodat zij op 11 mei 2006 het slachtoffer werd van een (dodelijk) arbeidsongeval.

Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het bestreden vonnis te vernietigen.

Het hoger beroep is gegrond.

4.5. De schadeloosstelling.

De gehoudenheid van het Fonds voor Arbeidsongevallen.

Nu tweede en derde geïntimeerden niet verzekerd waren tegen arbeidsongevallen dient het FAO dit ongeval ten laste te nemen met toepassing van artikel 58, § 1, 3°, van de Arbeidsongevallenwet.

Appellante, B.Y., kan op grond van de artikelen 13, § 1, en 19, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet aanspraak maken op een jaarlijkse rente die een aanvang neemt op 11 mei 2006 berekend op 15% van het basisloon zolang zij gerechtigd is op kinderbijslag en in ieder geval tot zij tot de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Er bestaat aanleiding toe de heropening der debatten te bevelen voor de berekening van het basisloon.

De schuldvorderingen van het Fonds voor Arbeidsongevallen.

De niet verzekerde werkgevers, tweede en derde geïntimeerden, dienen met toepassing van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet te worden veroordeeld tot terugbetaling aan het FAO van alle uitgaven zowel in hoofdsom als intresten en kosten, waartoe het FAO ingevolge het dodelijk arbeidsongeval d.d. 11 mei 2006 overeenkomstig artikel 58, § 1, 3° van die wet gehouden is.

De door het FAO in subsidiaire orde ingestelde vordering strekkende tot de veroordeling van tweede en derde geïntimeerden op grond van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet, is ontvankelijk en gegrond.

De debatten dienen tevens te worden heropend om het FAO, eerste geïntimeerde, toe te laten zijn op artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet gesteunde schuldvordering te becijferen.

Artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet verleent het FAO de mogelijkheid een regresvordering uit te oefenen lastens de derde die voor het dodelijk arbeidsongeval aansprakelijk is.

H.V.T. werd bij arrest van 11 oktober 2007 van het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen schuldig bevonden aan de dood van O.M. op 11 mei 2006 en veroordeeld tot levenslange opsluiting.

Het hof verleent een gunstig gevolg aan de vordering van het FAO om het tussen te komen arrest gemeen en tegenstelbaar te verklaren aan H.V.T. ter vrijwaring van zijn regresvordering.

4.6. De gerechtskosten.

Het FAO is gehouden de gerechtskosten te dragen overeenkomstig artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet.

Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is in casu niet toepasselijk. De omstandigheid dat tweede en derde geïntimeerde geen arbeidsongevallenverzekering hadden afgesloten, doet hieraan geen afbreuk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd.

Gelet op het éénsluidend schriftelijk advies van de heer Henri VANDERLINDEN, substituut-generaal, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 19 november 2012, waarop enkel het Fonds voor Arbeidsongevallen repliceerde.

Rechtsprekend op tegenspraak (cfr. art. 747, § 2, Ger. W.).

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen dd. 8 september 2011 (A.R. 10/3344/A), behalve in zoverre het uitspraak doet over de gerechtskosten.

Opnieuw rechtsprekend:

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ingesteld bij de inleidende dagvaarding d.d. 23 april 2010 ontvankelijk en gegrond.

Zegt voor recht dat O.M. op 11 mei 2006 het slachtoffer werd van een dodelijk arbeidsongeval.

Veroordeelt eerste geïntimeerde (het FAO) overeenkomstig artikel 58, § 1, 3°, van de Arbeidsongevallenwet tot betaling aan appellante van de wettelijke vergoedingen op grond van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te berekenen op het basisloon in de zin van de artikelen 34 en volgende van deze wet.

Zegt voor recht dat appellante, B.Y., als minderjarig kind van het slachtoffer O.M., overeenkomstig de artikelen 13, § 1 en 19, 1ste lid, van de Arbeidsongevallenwet aanspraak kan maken op een jaarlijkse rente die een aanvang neemt op 11 mei 2006 berekend op 15% van het basisloon zolang zij gerechtigd is op kinderbijslag en in ieder geval tot zij tot de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Verklaart de door eerste geïntimeerde (het FAO) ingestelde vordering in vrijwaring op grond van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet ontvanke-lijk, en gegrond.

Veroordeelt tweede en derde geïntimeerde solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere overeenkomstig artikel 60 van de Arbeidsongevallen-wet tot terugbetaling aan het FAO van alle uitgaven zowel in hoofdsom als intresten en kosten waartoe het FAO met toepassing van artikel 58, § 1, 3°, van de Arbeidsongevallenwet ingevolge het dodelijk arbeidsongeval d.d. 11 mei 2006 gehouden is, provisioneel begroot op 1 EUR.

Beveelt de heropening der debatten op de openbare terechtzitting van 10 juni 2013 om 9.30 uur, teneinde:

- het basisloon te bepalen voor de berekening van de wettelijke vergoedingen;

- het Fonds voor Arbeidsongevallen toe te laten zijn schuldvordering te berekenen op grond van artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet.

Bepaalt de conclusietermijnen waarbinnen de partijen hun conclusies op de griffie van dit hof dienen neer te leggen en aan de andere partijen dienen toe te zenden uiterlijk op volgende data:

- voor eerste geïntimeerde (het FAO): 15 februari 2013;

- voor tweede en derde geïntimeerden: 15 maart 2013;

- voor appellante: 15 april 2013;

- voor eerste, tweede en derde geïntimeerden: 8 mei 2013.

Verklaart dit arrest gemeen en tegenstelbaar aan de heer H.V.T..

Houdt de kosten aan.

Aldus gewezen door:

M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

G. RIEBS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken, als werknemer,

bijgestaan door P. DEVOCHT, griffier

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 17 december 2012.

Mots libres

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVESECTOR

  • vermoeden van ongeval

  • arbeidsongeval

  • dodelijk ongeval

  • kinderoppas

  • schietpartij

  • ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst

  • daad van terrorisme

  • niet-verzekerde werkgevers