- Arrêt du 3 février 2012

03/02/2012 - 2008/ab/51166

Jurisprudence

Résumé

Sommaire 1

De economische exploitatie eenheid van een luchtvaartmaatschappij die, naast haar luchtvaartactiviteit, voor zichzelf en in een ruilrelatie met collega's ook grondafhandeling doet, is verschillend met deze van een zelfstandige grondafhandelingonderneming, die zich ten aanzien van alle luchtvaartmaatschappijen op een luchthaven aanbiedt voor haar diensten in een relatie commerciële dienstverlener/klant. Uit dit verschil vloeide overigens een andere arbeidsregeling voort, zoals vastgelegd in een bedrijfs-CAO

In de concrete omstandigheden van de zaak kunnen beide ondernemingen niet beschouwd worden als een zelfde werkgever in de zin van art. 82 AOW.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 FEBRUARI 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

R; R.,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. DE NYS Thomas, advocaat te 1000 advocaat advocaat te 1000 BRUSSEL, Minimestraat, 41.

Tegen:

FLIGHTCARE BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te

1830 MACHELEN (BT), Cargo, Brucargo, gebouw 704, postbus 22,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. ENGELS Christiaan en mr. BOUCIQUE Ward, advocaten te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 280.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het tussenarrest van het hof van 19 juni 2009,

- het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van partijen opgesteld op 11 september 2009,

- het processen-verbaal van getuigenverhoor opgesteld op 11 september 2009, 30 oktober 2009 en 27 november 2009,

- het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor opgesteld op 12 maart 2010,

- de conclusie en de syntheseconclusie na getuigenverhoor voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 18 februari 2011 en 1 juni 2011,

- de conclusie en de syntheseconclusie na getuigenverhoor voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 15 april 2011 en 15 juli 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 13 januari 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. SITUERING VAN HET GESCHIL NA HET TUSSENARREST

1. Het hof kan verwijzen naar het overzicht van de feiten en rechtspleging, gegeven in het tussenarrest van 19 juni 2009.

In dit arrest werd tevens onderzocht wat in artikel 82 arbeidsovereenkomstenwet wordt verstaan onder dezelfde werkgever en er werd vastgesteld dat verder concreet onderzoek door middel van een persoonlijke verschijning en een getuigenverhoor noodzakelijk was om tot een juiste feitelijke toepassing te komen.

Daarbij werd het begrip dezelfde werkgever gelezen in de zin van de economische exploitatie eenheid, die de onderneming uitmaakt, ongeacht de wijziging van haar juridische aard.

Het begrip dient ruim te worden geïnterpreteerd en voor de feitelijke toepassing kan rekening gehouden worden met volgende drie elementen:

1° de beide werkgevers moeten eenzelfde, tenminste een soortgelijke of aanvullende bedrijvigheid hebben;

2° er moet een juridische band tussen beide bestaan;

3° de dienstbetrekking van de werknemer mag niet onderbroken zijn.

In het tussenarrest werd vastgesteld dat er een juridische band was en dat de dienstbetrekking ononderbroken was.

Ongeacht de vermeldingen in de verkoopsovereenkomst en in de bedrijfs-CAO, was verder feitelijk onderzoek noodzakelijk over de concrete economische werkzaamheid om na te gaan of beide werkgevers een zelfde, tenminste een soortgelijke of aanvullende bedrijvigheid hadden.

2. Uit de processen verbaal van de persoonlijke verschijning en van de getuigenverhoren (rechtstreeks en tegenverhoor) kan het hof afleiden dat:

1. De functie van de heer R; bij Sabena en Flightcare vergelijkbaar was. (Zie de getuigenverklaringen van de heren L. C., B., W., P. en K., zoals bevestigd door de heer R; en de heer M. B.)

2. De economische exploitatie van Sabena en Flightcare verschillend was.

Sabena was een vliegmaatschappij, voor wie de grondafhandeling een ondersteunende activiteit was, die enkel uitgebreid werd naar andere luchtvaartmaatschappijen op voorwaarde dat deze in buitenlandse luchthavens in wederkerigheid eveneens gratis dienstverlening verleenden;

Flightcare was een vennootschap, specifiek opgericht voor grondafhandeling in de luchthaven van Zaventem; ze opereerde op basis van commerciële klantenwerving, waarbij de opvolger van Sabena als klant op een zelfde basis behandeld werd dan andere luchtvaartmaatschappijen; het had dan ook geen enkel belang meer of deze maatschappijen op buitenlandse luchthavens grondafhandeling verrichten voor de opvolger van Sabena.

(Zie de verklaringen van A. I., Wr., MS en BS, zoals bevestigd door de heer M. B.)

3. Deze verschillende economische uitgangspositie had zijn weerslag op de werkorganisatie, werkmethodes en arbeidsomstandigheden, die wijzigden in de zin van een sterke verhoging van de flexibiliteit, zoals door bijna alle getuigen (met uitzondering van de heer W. en in mindere mate de heer P.) wordt bevestigd. De heer R; bevestigt zelf ter gelegenheid van zijn persoonlijke verschijning dat hij in tegenstelling tot bij Sabena (bij Flightcare) meerdere vliegtuigen terzelfdertijd diende te bedienen.

Ook de vakbondsverantwoordelijken onderlijnen de stijgende flexibiliteit en de loonsvermindering, gekoppeld aan een premiestelsel in verhouding tot de participatie aan de flexibiliteit. Hun bekommernis was om de afhandeling als geheel te behouden en dit niet te zien versnipperen tussen meerdere kandidaten. De nieuwe regeling, gebaseerd op syndicale toegevingen, waaronder het breekpunt van de niet overname van anciënniteit, werd vastgelegd in een bedrijfs-CAO. De curatoren van Sabena garandeerden vanuit dit oogpunt de betaling van de opzeggingsvergoedingen.

II. VERDERE BEOORDELING

1. Het is duidelijk dat de functie en de activiteit van de heer R; bij Sabena en Flightcare vergelijkbaar was (zie hierboven onder I.2.1).

2. Uit de stukken kan bovendien afgeleid worden dat er een aantal gelijkenissen waren omdat de afhandelingactiviteit luchthavengebonden was. Dit toont zich in het schrijven van de curatoren van Sabena aan BIAC en de notulen van de Raad van Bestuur van BIAC, beiden van 21 juni 2002 i.v.m. de overdracht van de licenties (bijlage 3 bij de verkoopsovereenkomst, stuk 14 Flightcare), alsook in de beslissing van de Raad voor Mededinging van 9 september 2002 (stuk 2 nieuwe stukken R;).

3. Tevens werden in de verkoopsovereenkomst een aantal assets overgenomen.

4. Anderzijds volgt uit wat hierboven weerhouden werd in de randnummers I.2.2 en I.2.3 dat de economische activiteit van Sabena en Flightcare verschillend was en dat hieruit een verschillende arbeidsorganisatie voortvloeide.

5. Bij de noodzakelijke afweging die het hof tussen deze elementen moet maken, laat het zich leiden door het criterium dat voor de afbakening van het begrip dezelfde werkgever moet gezien worden naar de economische exploitatie eenheid, die de onderneming uitmaakt.

6. Anders dan bij de overdracht van de catering door de curatoren van Sabena, werd voor de grondafhandeling niet de exploitatie eenheid verder gezet, zoals volgt uit wat besproken werd in randnummer I.2.2.

Dit vond zijn weerslag in de verschillende arbeidsorganisatie, die werd bevestigd in een bedrijfs-CAO, zoals nader toegelicht in randnummer I.2.3.

De economische exploitatie eenheid was geenszins identiek of soortgelijk, daar de grondafhandeling bij Sabena louter een ondersteunende dienst was voor de vliegactiviteit, waarbij de economisch verwachte winst geput werd uit deze hoofdactiviteit. Bij Flightcare was de grondafhandeling een zelfstandige rechtstreeks op winst gerichte activiteit, die in een commerciële context aangeboden werd aan zowel de opvolger van Sabena als aan andere luchtvaartmaatschappijen in een verhouding commerciële dienstverlener/klant (zie hierover verder randnummer 7).

De verschillende organisatie, met de hieruit voortvloeiende overeengekomen andere arbeidsvoorwaarden en lonen, illustreert dat de (economische) activiteiten niet soortgelijk zijn, ook al is de fysieke activiteit vergelijkbaar en al werden er in de concrete luchthavencontext van Zaventem via een verkoopsovereenkomst assets en licenties overgenomen.

In de Sabena-periode was de grondafhandeling en de vliegactiviteit vervlochten, zelfs in die mate dat voor andere luchtvaartmaatschappijen enkel in een ruilverhouding en dus zonder rechtstreekse betaling in grondafhandeling werd voorzien op basis van wederkerigheidafspraken. In die periode waren beide activiteiten duidelijk aanvullend.

In de uitzonderlijke situatie van de afwikkeling van een ingrijpend faillissement heeft men ervoor gekozen om deze aanvullende activiteiten uit elkaar te halen en te vervangen door een economische structuur waarbij de opvolger van Sabena enkel nog in een verhouding van betalende klant stond tegenover een zelfstandige grondafhandelaar, die zich op een zelfde wijze ten aanzien van andere luchtvaartmaatschappijen verhield.

7. Deze economische wijzigingen waren niet ideëel, maar beantwoordden aan een realiteit op het terrein, zoals kan afgeleid worden uit de verklaringen van de getuige Wr., die aangeeft dat voor het faillissement 60 à 70% van de grondbehandeling voor Sabena gebeurde, terwijl Flightcare nadien voor 75% andere maatschappijen dan de opvolger van Sabena (DAT, thans Brussels Airlines) werkte.

8. Aan deze concrete afweging wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de vakbonden bij het onderhandelen van de begeleidende sociale structuur in de nieuwe situatie een opportuniteit zagen om de handeling als een geheel samen te houden en het niet te zien versnipperen (verklaring V) en dat de activiteiten (van de grondbehandeling) niet zouden worden gesplitst (verklaring VH) Deze zorg spoorde samen met de betrachting van Flightcare om voor een groot percentage...de ervaring van de personeelsleden te behouden (verklaring L. C.).

Deze samenvallende opportuniteiten doen immers niets af aan de verschillende economische structuur, op basis waarvan een nieuw arbeidsregeling en nieuwe loonafspraken werden onderhandeld en uiteindelijk vastgelegd in een bedrijfs-CAO (verklaring DC).

Omdat deze CAO zich situeert in een feitelijke context van verschillende economische exploitatie eenheden, doet art. 6 i.v.m. de niet overname van anciënniteit geen afbreuk aan de wettelijke bepaling van art. 82 van de arbeidsovereenkomstenwet en is de CAO-bepaling niet nietig.

Ook de overige door de heer R; aangebrachte elementen doen aan deze feitelijke afweging geen afbreuk.

9. Bij het begroten van de opzeggingsvergoeding van de heer R; na zijn ontslag door Flightcare heeft deze laatste dan ook terecht geen rekening gehouden met de bij Sabena opgebouwde anciënniteit.

Het hoger beroep is hierdoor ongegrond.

10. Zonder hierin te worden tegengesproken door Flightcare, wijst de heer R; op zijn sterk gereduceerde financiële draagkracht als gevolg van zijn opeenvolgende ontslagen. Aan zijn vraag tot herleiding van de rechtsplegingsvergoeding kan worden tegemoet gekomen, zoals hierna bepaald.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Recht sprekend op tegenspraak;

Het tussenarrest van 19 juni 2009 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ongegrond, behalve wat betreft de gerechtskosten;

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft de gerechtskosten.

Veroordeelt de heer R; tot de gerechtskosten van beide aanleggen,

deze door de nv Flightcare Belgium begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 3.300 en rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 3.300

en door het hof vereffend op:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 1.100

rechtsplegingsvergoeding beroep minimumbedrag euro 1.100,

totaal euro 2.200

meer de niet begrote kosten getuigenverhoor.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Simone ALAERTS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Marc WEYNS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Simone ALAERTS, Marc WEYNS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 3 februari 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN

  • Opzeggingstermijn

  • Zelfde werkgever