- Arrêt du 1 juin 2012

01/06/2012 - 2011/AB/901

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Enkel wanneer de blijvende wil blijkt om de overeenkomst in haar geheel of voor een

belangrijk deel niet meer uit te voeren kan er sprake zijn van een onregelmatige

beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De beoordeling hiervan is een feitelijk

gegeven waarover de feitenrechter oordeelt.

Een werknemer mag een gesprek over zijn taakinvulling niet weigeren, maar

wanneer beide partijen bevestigen dat ze de arbeidsovereenkomst willen voortzetten,

kan de werkgever zich niet op een impliciet ontslag beroepen voor deze

wanprestatie.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 JUNI 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

deels definitief; vakantiegelden naar de rol

In de zaak:

GEMEENTE KAMPENHOUT, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen,

Gemeentehuisstraat, 16 te 1910 KAMPENHOUT,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. JACOBS Patrick, advocaat te 9300 AALST, Leopoldlaan 32A bus 1-2.

Tegen:

V. R.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. RONDELEZ Stéphanie loco mr. ROOSENS Peter, advocaat te 3000 LEUVEN, Maria-Theresiastraat 34 A.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 7 juni 2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 18931/09),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 september 2011,

- de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 27 december 2011 en 15 februari 2012,

- de conclusie en de syntheseconclusies voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 9 november 2011, 30 januari 2012 en 20 maart 2012,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 27 april 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De gemeente Kampenhout had een muziekschool in eigen beheer.

Vanaf 1 september 1987 was de heer V. daar bij beslissing van de gemeenteraad deeltijds aangesteld als muziekleraar.

Vanaf januari 1996 was deze aanstelling voltijds.

Bij toepassing van de art. 47 en 50 van het van toepassing zijnde gemeentelijk statuut was hij vanaf 1 september 1997 verantwoordelijke leerkracht, een functie vergelijkbaar met deze van directeur.

Deze aanstellingen gebeurden van 1 september tot 30 juni en hij werd enkel betaald voor de gepresteerde uren.

Tijdens de maanden juli en augustus werd hij op werkloosheid gezet.

De RVA nam deze werkwijze niet meer aan na een inspectie op 14 juni 2001.

2. Voor het schooljaar 2002-03 werd de heer V. tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd van 10 maanden. Omdat de daaropvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd niet tijdig ondertekend werden, ontstond er vanaf 1 september 2003 een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.

3. In een aparte procedure betreffende een loongeschil tussen partijen, kende de arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 2 maart 2009 aan de heer V. o.m. provisionele vakantiegelden toe voor de periode september 1987 tot juni 2002.

De gemeente tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis en het arbeidshof te Brussel stelde in een tussenarrest van 29 november 2010 dat:

- de heer V. tussen 1 september 1987 en 30 juni 2002 statutair tewerkgesteld was

- hij van 1 september 2002 tot 30 juni 2003 verbonden was met de gemeente door een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd

- hij vanaf 1 september 2003 verbonden was met de gemeente door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.

4. Na een bespreking tussen partijen op 17 juni 2009 over het vonnis van de arbeidsrechtbank van 2 maart 2009, beëindigde de gemeente bij aangetekende brief van 25 juni 2009 de arbeidsovereenkomst van de heer V. met een opzegging van 15 maanden ingaande op 1 juli 2009.

Bij aangetekende brief van 26 juni 2009 erkende de gemeente het recht op vakantiegeld van de heer V., maar er werden tijdens de vakantiemaanden dan ook prestaties van hem verwacht in de zin dat hij muziekinitiatie diende te geven in de speelpleinwerking. Van 1 juli 2009 tot 13 juli 2009 werd aan de heer V. jaarlijks verlof toegekend.

5. Dit alles gaf aanleiding tot een uitvoerige briefwisseling tussen partijen over o.m. de vakantieregeling. De vakantiedagen werden gewijzigd en de heer V. werkte de eerste dagen van juli thuis; gelet op zijn functie, ging hij niet akkoord met de taak om muziekinitiatie te geven in de speelpleinwerking. Hij werd uitgenodigd voor een onderhoud over zijn taken op 3 augustus 2009, maar hij wenste eerst duidelijkheid over zijn functie. Uiteindelijk besliste het College van Burgemeester en Schepenen op 10 augustus 2009 dat de heer V. zelf zijn arbeidsovereenkomst verbrak en het vroeg bij schrijven van zijn raadsman van 11 augustus 2009 een verbrekingsvergoeding van 4,5 maanden of euro 11.209,75.

Deze briefwisseling werd accuraat weergegeven in het vonnis van de eerste rechter, waarnaar kan worden verwezen.

Kortheidshalve kan ze worden samengevat, als volgt:

- Schrijven raadsman V. 9 juli 2009: geen vakantie tussen 1 en 13 juli 2009, maar wel tussen 13 juli en 1 augustus 2009 en tussen 14 en 21 augustus 2009. Niet akkoord met muziekinitiatie speelpleinwerking.

- Schrijven raadsman gemeente 10 juli 2009: terug op de werkvloer verwacht vanaf 3 augustus 2009; er is geen eenzijdige wijziging van de functie; er wordt een loyale uitvoering van de overeenkomst verwacht.

- Schrijven raadsman V. 14 juli 2009: vraag regularisatie; vragen over taakinvulling als gevolg van afbouw autonome muziekschool te Kampenhout; wenst behoud lessenpakket en leiding van de school, zoals voorheen.

- Schrijven raadsman gemeente 22 juli 2009: vraag tot uitstel van verdere initiatieven tot 3 augustus 2009 wegens vakantie.

- Schrijven raadsman V. 24 juli 2009: akkoord met uitstel tot 14 augustus 2009; te korte opzeggingstermijn; V. zal vanaf 3 augustus 2009 zijn gewone taak hernemen.

- Schrijven raadsman gemeente 28 juli 2009: akkoord met uitstel tot 14 augustus; niet akkoord met werken thuis vanaf 3 augustus en met bijkomende vakantie tussen 14 en 21 augustus 2009.

- Schrijven raadsman gemeente 4 augustus 2009: herbevestiging niet akkoord met werken vanuit thuis; uitnodiging gesprek gemeentesecretaris over taakinvulling; muziekinitiatie op speelplein is denkpiste; volharden in patsituatie is gelijk aan werkweigering met wil de arbeidsovereenkomst te verbreken; College van Burgemeester en Schepenen zal beslissen op 10 augustus 2009.

- Schrijven raadsman V. 6 augustus 2009: niet akkoord met functiewijziging; naam komt niet meer voor op website als muziekleraar; wil nochtans verder werken en wacht standpunt College van Burgemeester en Schepenen van 10 augustus 2009 af.

6. In het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 10 augustus 2009 werd de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de heer V. gegrond op:

- de melding in de brief van 6 augustus 2009 dat hij enkel bereid was om verder te werken zoals hij dat de voorbije jaren had gedaan, terwijl hij weigerde de taakinvulling te bespreken;

- het opzetten van een eigen muziekschool te Kampenhout.

In een officiële brief van de raadsman van de heer V. van 21 oktober 2009 werd het standpunt van de gemeente uitvoerig betwist en vorderde men een opzeggingsvergoeding op basis van 21 maanden of euro 52.852,50 en een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 15.660.

In een schrijven van de personeelsdienst van de gemeente werd het vakantiegeld bij uitdiensttreding toegelicht en werd aangekondigd dat het loon van 3 tot 9 augustus zal worden teruggevorderd wegens het niet leveren van prestaties op de werkvloer.

7. Aangezien partijen niet tot overeenkomst kwamen, heeft de heer V. de gemeente Kampenhout gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel op 15 december 2009. Hij vorderde betaling van:

- een provisionele opzeggingsvergoeding van euro 53.433,69, minstens euro 37.601,49,

- een provisionele schadevergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 15.832,21

- een provisioneel saldo vakantiegeld einde dienst van euro 1.845,13,

te vermeerderen met intresten vanaf 10 augustus 2009.

Tevens vroeg hij afgifte van de aangepaste loondocumenten.

Bij conclusies van 8 juli 2010 stelde de gemeente een tegenvordering in betaling van euro 11.874,15, ondergeschikt, euro 7.916,10 als opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de gerechtelijke intresten.

8. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 7 juni 2011 werd de hoofdvordering in volgende mate gegrond verklaard:

- een bruto opzeggingsvergoeding van euro 35.173,88 provisioneel

- een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 7.916,10 provisioneel,

te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 10 augustus 2009 en de gerechtelijke intresten;

De vordering m.b.t. de vakantiegelden werd naar de rol verzonden.

De tegenvordering werd afgewezen als ontvankelijk, doch ongegrond.

De kosten werden aangehouden.

De heer V. maakt melding van de betekening van dit vonnis op 21 oktober 2011.

9. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 september 2011, tekende de gemeente Kampenhout hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke hoofdvordering zou worden afgewezen als ongegrond en de tegenvordering zou worden toegewezen als gegrond.

De heer V. tekende incidenteel beroep aan en vroeg dat zijn oorspronkelijke hoofdvordering m.b.t. de opzeggingsvergoeding zou worden toegewezen voor een provisioneel bedrag van euro 68.787,95, ondergeschikt

euro 48.406,34, vermeerderd met intresten. Wat betreft de grootte van de schadevergoeding wegens rechtsmisbruik werd door hem berust.

Ter zitting van 27 april 2012 vragen partijen dat de betwisting over het vakantiegeld einde dienst naar de rol zou worden verzonden, omdat partijen een poging zullen doen dit onderling te regelen na de definitieve beslissing over hun loongeschil; ze vragen dat wel reeds uitspraak zou worden gedaan over de gerechtskosten.

II. BEOORDELING.

1. Gelet op de voorgehouden betekening van 21 oktober 2011, werd het hoger beroep van 27 september 2011 alleszins tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Het impliciet ontslag

2. Bij beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van 10 augustus 2009, aangevuld door de aangetekende brief van 11 augustus 2009 van haar raadsman, heeft de gemeente Kampenhout het impliciet ontslag van de heer V. ingeroepen.

In de antwoordbrief van de raadsman van betrokkene werd er op gewezen dat de gemeente door de ondeugdelijkheid van de verwijten en het ontbreken van de wil bij de heer V. om zodoende de arbeidsovereenkomst te beëindigen, de gemeente zelf de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigd had.

3. Behoudens wanneer een belangrijke wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wordt ingeroepen, wat in casu niet het geval is, kan een impliciet ontslag enkel aanvaard worden bij een wanprestatie met de bedoeling de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Wanneer een partij tekort komt aan de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, doet dat op zichzelf de arbeidsovereenkomst immers niet eindigen (Cass., 5 januari 1977, Arr. Cass. 1977,487; Cass., 14 april 1980, R.W. 1980 -81, 979 met conclusie Openbaar Ministerie; Cass., 27 oktober 1986, Soc. Kron., 1987, 116; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990 -91, 1437; Cass., 1 februari 1993, Soc. Kron. 1993, 304 met noot).

Enkel wanneer de blijvende wil blijkt om de overeenkomst in haar geheel of voor een belangrijk deel niet meer uit te voeren kan er sprake zijn van een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst (Cass., 26 maart 1984, Arr. Cass. 1983-84, 973; Cass., 7 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 232).

Of de partij die aan een verplichting tekort komt, uiting geeft aan de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, is een feitelijk gegeven waarover de feitenrechter oordeelt (Cass., 26 februari 1990, Soc. Kron. 1990, 273).

Deze wil dient afgeleid worden uit de concrete omstandigheden eigen aan de zaak (Arbh. Brussel 1 juni 1979, JTT 1980,143).

De werkgever kan daardoor slechts de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met goed gevolg inroepen wanneer hij naast de wanprestatie ook de blijvende wil bewijst om de arbeidsovereenkomst niet meer uit te voeren.

4. Uit de over en weergaande briefwisseling, aangehaald in randnummer I.5, kan afgeleid worden dat partijen in een spanningssituatie terecht zijn gekomen o.m. over de taakinvulling tijdens de vakantie. De heer V. was daarbij blijkbaar ook bekommerd over het feit dat deze situatie aanleiding zou zijn voor een verdere functiewijziging na de vakantie, gelet op het feit dat zijn naam niet meer voorkwam bij de leraren van de in afbouw zijnde muziekschool.

De heer V. had daarbij niet het recht om een gesprek over deze taakinvulling met zijn hiërarchische meerdere te weigeren, zeker niet na de brief van de gemeente van 4 augustus 2009. Hiertegenover staat echter dat beide partijen de termijn voor onderhandeling wederzijds opgeschoven hadden omwille van de vakantieperiode.

In de brief van 28 juli verklaarde de gemeente zelf zich akkoord met een deadline tot 14 augustus, zij het dat ze daarbij telkens haar standpunt bleef herbevestigen.

Niettemin nam het College van Burgemeester en Schepenen al op 10 augustus 2009 een definitieve beslissing zonder binnen de zelf gestelde deadline de heer V. formeel en expliciet tot bij zich uit te nodigen om in hun hoedanigheid van tot het ontslag bevoegde orgaan hetzij door bespreking nog tot een globale oplossing te komen, hetzij een uitdrukkelijk bevel te geven over de verder tijdens de vakantie te vervullen taken binnen de toegewezen functie.

Zonder dat dit voorheen ooit formeel ter sprake was geweest, voegde het College als reden voor haar beslissing bijkomend aan dat de heer V. de school onrechtmatig zou beconcurreren.

Stuk 5 van de gemeente verwijst naar een les polyfonie, op 1 augustus 2009 tussen 19u30 en 21 u. gegeven door mevr. D. D. in de stichting Class & Jazz.

De heer V. wordt hierbij enkel opgegeven als contactpersoon, zonder dat wordt verduidelijkt of toegelicht wat dit inhoudt. Deze vrijetijdsactiviteit in volle vakantieperiode kan bezwaarlijk beschouwd worden als concurrerend t.a.v. een gemeentelijke muziekschool, die over een volledig schooljaar opleiding geeft.

5. Ondanks de spanningssituatie en de wederzijdse intentieprocessen in de briefwisseling, stelt het hof vast dat beide partijen uitdrukkelijk bevestigden dat ze de arbeidsovereenkomst wilden voortzetten, zodat de beëindigingwil niet aanwezig was, minstens niet is aangetoond ten aanzien van de heer V..

Enerzijds bevestigde de gemeente in de brief van 10 juli 2009 dat ze tot dan toe het vertrouwen behield in de heer V.. Rond de te nemen vakantiedagen vond men een oplossing. De achterstallen werden in die periode becijferd en op basis daarvan werd uitbetaald. Ook in de brief van 4 augustus 2009 stelde de gemeente nog dat ze bereid was een constructieve houding aan te nemen.

Anderzijds stelde de heer V. in de brief van 14 juli 2009 dat hij wel degelijk bereid was en bleef om loyaal de arbeidsovereenkomst verder te blijven uitvoeren. Ook in de brief van 6 augustus 2009 herhaalt hij dat hij bereid is verder te werken zoals hij dat de voorbije jaren gedaan heeft.

6. Indien men aan de heer V. kan aanwrijven dat hij een gesprek over zijn taakinvulling niet mocht weigeren, dan volgt uit de omstandigheden van de zaak dat er bij hem alleszins geen wil bestond om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Hierdoor kon de gemeente Kampenhout het impliciet ontslag niet inroepen.

De partij die ten onrechte contractbreuk verwijt aan een andere partij, begaat een tekortkoming waarbij zijzelf de wil uitdrukt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zodat in dat geval deze partij zelf de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigt (Arbh. Antwerpen, 14 oktober 1993, JTT 1994, 213; Arbh. Antwerpen, 4 februari 1997, R.W. 1997-98, 50).

De opzeggingsvergoeding

7. Terecht maakt de heer V. dan ook aanspraak op betaling van een opzeggingsvergoeding lastens de gemeente Kampenhout, die op grond van art. 39 van de arbeidsovereenkomstenwet gelijk is aan het resterende gedeelte van de opzeggingstermijn.

De gemeente Kampenhout betekende op 25 juni 2009 een opzegging van 15 maanden, die ze voor de heer V. redelijk achtte om binnen deze periode een gelijkwaardige betrekking te kunnen vinden.

Ten onrechte acht de heer V. deze termijn onvoldoende. Hij houdt voor dat zo onvoldoende rekening werd gehouden met zijn anciënniteit sinds 1 september 1987.

Het betreft hier echter geen periode van aansluitende anciënniteit (vgl. Cass. 15 april 1985, JTT 1985, 336). De muziekschool was niet erkend door de Vlaamse Gemeenschap en ook niet gesubsidieerd. Na de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd van 1 september 2002 tot 30 juni 2003 werd de anciënniteit onderbroken tijdens de maanden juli en augustus 2003, zodat hij slechts een anciënniteit kan doen gelden vanaf 1 september 2003, op welke datum de arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd aanving.

Bij gebreke aan overeenkomst, wordt de opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

Rekening houdend met de weerhouden anciënniteit, de leeftijd van iets meer dan 45 jaar, de verantwoordelijke functie en het niet betwiste provisionele jaarloon van

euro 40.763,23, samen met de gegevens eigen aan de zaak, zoals de door de werkgever in acht genomen opzeggingstermijn van 15 maanden, heeft de eerste rechter de kans voor de heer V. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden correct gehandhaafd op 15 maanden.

De verschuldigde opzeggingsvergoeding bedraagt dus euro 40.763,23/12 x 14,25 = euro 48.406,34 provisioneel.

Behoudens de aanpassing van het provisionele bedrag, zijn het hoger beroep en het incidenteel beroep voor dit onderdeel ongegrond.

Misbruik van ontslagrecht

8. Zoals van elk recht kan ook van het ontslagrecht misbruik worden gemaakt.

Anders dan voor werklieden, voor wie artikel 63 van de arbeidsovereenkomstwet geldt, bestaat voor bedienden geen vergelijkbare uitdrukkelijke wetsbepaling, maar dit verhindert niet dat het misbruik van ontslagrecht kan worden ingeroepen, wanneer er een kennelijk misbruik is waarbij de regel van artikel 1134,3de lid van het Burgerlijk Wetboek ernstig wordt geschonden; op basis van deze bepaling moeten overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd (cfr. Cassatie, 19 september 1983, R.W. 1983-1984, 1480).

Rechtsmisbruik in verband met het ontslag vloeit dan ook voort uit de uitoefening van dit recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van het ontslagrecht door een voorzichtige en bedachtzame werkgever (Cassatie, 12 december 2005, JTT 2006, 155).

Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69).

9. Zoals in randnummer 4 werd beschreven, hebben beide partijen vanuit de tussen hen ontstane spanningssituatie niet steeds even adequaat gereageerd. Men kan dan ook niet zonder meer spreken van een represailleontslag en van een kennelijk misbruik van ontslagrecht door de gemeente, zoals door de eerste rechter weerhouden.

De heer V. bewijst helemaal niet het bestaan van een ander soort schade dan deze die reeds door zijn opzeggingsvergoeding vergoed werd, temeer daar bij dit laatste rekening gehouden werd met de opzeg van de gemeente, die de aanvaarding inhield van een eerder ruime periode om een gelijkwaardige passende betrekking te vinden.

Het misbruik van ontslagrecht wordt door het hof niet weerhouden en op dit punt is het hoger beroep gegrond.

Vakantiegeld einde dienst

10. Gelet op de vraag van beide partijen, wordt dit onderdeel naar de bijzondere rol verzonden voor verdere in staat stelling.

Gerechtskosten

11. Aangezien beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk werden gesteld, dienen de gerechtskosten van beide aanleggen te worden omgeslagen in de zin dat 6/7 ten laste van de gemeente Kampenhout worden gelegd en 1/7 ten laste van de heer V..

De rechsplegingsvergoedingen dienen te worden vastgesteld op het basisbedrag, rekening houdend met de gevorderde bedragen.

Ze worden toegekend per aanleg, zodat de tegenvordering geen aanleiding geeft tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. (JF Van Drooghenbroeck en B. De Coninck, La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d'avocat; JT 2008, 43, nr. 22bis)

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en deels gegrond;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en enkel gegrond in zoverre het bedrag van de provisionele opzeggingsvergoeding werd aangepast

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond;

Veroordeelt de gemeente Kampenhout tot betaling aan de heer V. van een provisionele opzeggingsvergoeding van euro 48.406,34, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 10 augustus 2009 en de gerechtelijke intresten.

Zendt de vordering in verband met het vakantiegeld einde dienst naar de bijzondere rol.

Wijst al het overige af.

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond.

Compenseert de gerechtskosten van beide aanleggen, in de zin dat 6/7 ten laste van de gemeente Kampenhout worden gelegd en 1/7 ten laste van de heer V., deze aan de zijde van de heer V. vereffend op:

- dagvaarding euro 139,59

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 3.300,00

- betekening p.m.

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 3.300,00

Totaal euro 6.739,59

En aan de zijde van de gemeente Kampenhout op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 3.300,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 3.300,00

Totaal euro 6.600,00.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 1 juni 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Algemene bepalingen- Impliciet ontslag

  • Wil tot beëindiging