- Arrêt du 5 novembre 2012

05/11/2012 - 2011/AB/1104

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De verbintenis die de werkgever in de overeenkomst tot individuele beroepsopleiding op zich neemt om de cursist na het einde van de opleiding voor een duur die minstens gelijk is aan de duur van de opleiding te werk te stellen in het aangeleerde beroep, zonder proefperiode, houdt een verbintenis tot tewerkstelling in.

Vermits de aangegane verbintenis bestaat uit de tewerkstelling gedurende een periode die gelijk is aan de duur van de in de onderneming gevolgde opleiding, dient de schade begroot te worden op het loonverlies dat tijdens de periode van tewerkstelling verdiend zou zijn, waarop de eventueel genoten werkloosheidsuitkeringen in mindering moeten worden gebracht.

De werkgever kan zich eventueel beroepen op overmacht; opdat hiervan sprake kan zijn, moet het niet-toerekenbare voorval leiden tot volstrekte en definitieve onmogelijkheid van nakoming van de contractuele verbintenis. Dit betekent dat, wanneer de nakoming van de contractuele verbintenis door het voorval alleen maar moeilijker of duurder wordt gemaakt, maar niet onmogelijk, overmacht niet aanwezig is.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 NOVEMBER 2012.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

C. , wonende te xxx.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. K. HAGENAAR loco Mr C. DEFAYS, advocaat te Brussel.

Tegen:

Z.B. , wonende te xxx.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. E. ARSLAN, syndicaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 24 juni 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 1 december 2011;

- de conclusies van de partijen;

Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

Gelet op de neergelegde stukken.

 

Feiten en procedurevoorgaanden

Mevrouw Z.B. volgde vanaf 2 mei 2005 (lees 2007) voor een duur van zes maanden een individuele beroeps-opleiding tot verantwoordelijke van een kapsalon in de onderneming van de heer C., die een kapsalon uitbaatte in de xxx in Elsene.

De voorwaarden van deze opleiding werden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van 2 mei 2007, overeenkomstig de bepalingen van het Besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 12 mei 1987. Artikel 2j van deze overeenkomst bepaalde dat de heer C. de verbintenis op zich nam mevrouw Z.B. na het einde van de opleiding voor een duur die minstens gelijk is aan de duur van de opleiding te werk te stellen in het aangeleerde beroep, zonder proefperiode.

Met gewone brief van 12 september 2007 betekende de heer C. de opzegging aan de overeenkomst om economische reden, met een opzeggingstermijn die een aanvang nam op dezelfde 12 september 2007 om te eindigen op 20 september 2007.

Met brief van 7 november 2007 stelde de vakorganisatie van mevrouw Z.B. vast dat deze na het einde van de opleiding niet in dienst werd genomen door de heer C., en informeerde zij naar de intenties van deze laatste.

Een reactie van de heer C. ligt niet voor.

Uit de thans voorgelegde stukken blijkt dat de heer C. zich genoodzaakt zag de xxx te verlaten per 15 januari 2008, door de teruglopende omzet ten gevolge van de renovatiewerken die in de galerij werden uitgevoerd.

Het staat niet ter discussie dat de onderneming van de heer C. werd voortgezet in een nieuwe vestiging aan de Troonstraat 153 in Brussel.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 29 oktober 2008 vorderde mevrouw Z.B. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betaling door de heer C. van 12.107,38 EUR schadevergoeding overeenstemmend met het verlies van loon dat Mevrouw Z.B. had moeten ontvangen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst die afgesloten had moeten worden, onder aftrek van 4.914,15 EUR ontvangen werkloosheidsuitkeringen, en onder aftrek van 243,25 EUR netto ten titel van prestaties bij ‘Alessi Loredana', te vermeerderen met de wettelijke intrest.

Zij vorderde tevens de veroordeling van de heer C. tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 24 juni 2011 verklaarde de arbeidsrecht-bank de vordering ontvankelijk en gegrond, met uitzon-dering van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.

Het werd de heer C. toegestaan zijn schuld af te betalen mits een maandelijkse betaling van 500 EUR vanaf 1 juli 2011.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 1 december 2011, tekende de heer C. hoger beroep aan tegen dit vonnis. Hij vorderde dat het arbeidshof het vonnis zou vernietigen en de oorspronkelijke vordering van mevrouw Z.B. ongegrond zou verklaren, met verwijzing van mevrouw Z.B. in de kosten van het geding.

In conclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 5 april 2012, vorderde de heer C. in ondergeschikte orde de vordering te herleiden tot 6.053,67 EUR en afbetalingstermijnen toe te staan van 500 EUR per maand.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Artikel 2j van de overeenkomst tot individuele beroepsopleiding tussen partijen gesloten op 2 mei 2007 bepaalt dat de heer C. de verbintenis op zich nam mevrouw Z.B. na het einde van de opleiding voor een duur die minstens gelijk is aan de duur van de opleiding te werk te stellen in het aangeleerde beroep, zonder proefperiode.

Zoals terecht opgemerkt door Mevrouw Z.B. houdt deze verplichting een verbintenis tot tewerkstelling in.

(vgl. Cass. 2 januari 2006, JLMB 2007, 212, noot J. Bartholomé)

Het is duidelijk dat de heer C. deze verplichting niet is nagekomen, en bijgevolg ten opzichte van Mevrouw Z.B. schadeplichtig is. Vermits de aangegane verbintenis bestaat uit de tewerkstelling gedurende een periode die gelijk is aan de duur van de in de onderneming gevolgde opleiding, dient de schade begroot te worden op het loonverlies dat tijdens de periode van tewerkstelling verdiend zou zijn, waarop de genoten werkloosheidsuitkeringen in mindering moeten worden gebracht.

Artikel 1147 BW bepaalt inderdaad dat bij niet-uitvoering van een verbintenis, de schuldenaar veroordeeld kan worden tot het betalen van schadevergoeding, die met toepassing van artikel 1149 BW bestaat in het verlies dat de schuldeiser heeft geleden en de winst die hij heeft moeten derven.

Het arbeidshof stelt vast dat de vordering in hoofdorde cijfermatig niet wordt betwist.

b.-

Artikel 1147 BW bepaalt dat schadevergoeding niet verschuldigd is wanneer de schuldenaar bewijst dat de niet-nakoming van de verbintenis het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend.

Artikel 1148 BW bepaalt dat verder geen schadever-goeding verschuldigd is wanneer de schuldenaar door overmacht verhinderd is geworden datgene te geven of te doen waartoe hij verbonden was.

Opdat van dergelijke vreemde oorzaak of overmacht sprake kan zijn, moet het niet-toerekenbare voorval leiden tot volstrekte en definitieve onmogelijkheid van nakoming van de contractuele verbintenis. Dit betekent dat, wanneer de nakoming van de contractuele verbintenis door het voorval alleen maar moeilijker of duurder wordt gemaakt, maar niet onmogelijk, overmacht niet aanwezig is.

(vgl. Cass. 23 februari 1967, Arr. Cass. 1967, 797)

In voorliggende betwisting wordt niet aangetoond dat de uitvoering van de contractuele verbintenis onmoge-lijk is geworden: inderdaad moet worden opgemerkt dat de heer C. zelf het kapsalon in de Gulden Vlies-galerij heeft opgegeven, weliswaar onder druk van verminderende resultaten ten gevolge van de renovatiewerkzaamheden in de galerij, doch dit maakt de nakoming van de verbintenis hoogstens moeilijker, en alleszins niet onmogelijk.

Zelfs indien wordt aanvaard dat de absolute onmogelijk-heid tot nakoming niet is vereist, doch wel dat onder 'onmogelijk' moet worden verstaan, 'menselijkerwijze of praktisch onmogelijk', dan nog moet worden vastgesteld dat de heer C. zelf aantoont dat de nakoming van de verbintenis om mevrouw Z.B. nog gedurende minstens zes maanden te werk te stellen zelfs niet menselijkerwijze of praktisch onmogelijk is geworden. Inderdaad wordt niet betwist dat hij na de sluiting van de zaak in de Gulden Vliesgalerij een kapsalon uitbaatte in de Troonstraat, eveneens in 1050 Brussel.

Het is bijgevolg ten onrechte dat de heer C. zich beroept op overmacht.

c.-

Ten onrechte argumenteert de heer C. in eerste ondergeschikte orde dat mevrouw Z.B. geen aan-spraak kan maken op betaling van een schadevergoeding gelijk aan het loonverlies dat hij heeft geleden, doch enkel op een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon.

Zoals onder a.- reeds aangegeven, dient de door Mevrouw Z.B. geleden schade begroot te worden op het verlies dat zij heeft geleden omwille van het feit dat de heer C. de verbintenis tot tewerkstelling die hij in de overeenkomst van 2 mei 2007 op zich heeft genomen, niet heeft nageleefd.

Deze verbintenis tot tewerkstelling heeft betrekking op een periode die gelijk is aan de duur van de beroepsopleiding in de onderneming, in deze zes maanden, zodat de schadevergoeding wel degelijk bestaat in het loonverlies tijdens deze zes maanden.

d.-

Artikel 1244 BW laat de rechter toe, met inachtneming van de toestand der partijen, en gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel te verlenen voor de betaling.

Mevrouw Z.B. verzet zich niet tegen de toekenning van dergelijke betalingstermijnen.

Op de vraag van de heer C. kan dan ook worden ingegaan, in de mate zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van dit arrest.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Laat de heer C. toe het verschuldigde bedrag te betalen in twaalf gelijke termijnen, maandelijks te betalen, uiterlijk op laatste dag van de maand en voor de eerste maal op 30 november 2012; bepaalt dat wanneer de heer C. in gebreke blijft om één termijn tijdig te betalen, het volledige saldo onmiddellijk opeisbaar wordt;

Verwijst de heer C. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van mevrouw Z.B. begroot op NIHIL en aan de zijde van de heer C. niet begroot.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT: Grif¬fier,

G. JACOBS D. VANHAGENDOREN

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare te¬rechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 november 2012 door Mr. D. RYCKX, Raadsheer en bijgestaan door

D. DE RAEDT, Grif¬fier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Mots libres

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • BEROEPSOPLEIDING

  • Individuele beroepsopleiding in een onderneming

  • Verplichting tot tewerkstelling na het einde van de opleiding

  • Geen overmacht.