- Arrêt du 14 décembre 2012

14/12/2012 - 2011/AB/1060

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Of de pestklacht al dan niet gegrond is, heeft voor het beoordelen van de ontslagbescherming geen belang. De werknemer heeft bij het indienen van de klacht het recht zich te vergissen, daar de bescherming hem wordt toegekend, ongeacht het resultaat van de procedure die op basis van de klacht werd gevoerd.

Een herstructurering is een feit met een economische grondslag, waarvoor de werkgever de beslissingsbevoegdheid heeft.

Als het ontslag volgt uit de herstructurering, dan is de pestklacht niet de grondslag en is er een aan deze omstandigheden vreemde reden.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 DECEMBER 2012.

3DE KAMER

Bediendecontract

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

V. P.,

Appellant op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr P. DION, advocaat te Diegem.

Tegen:

MAN TRUCK & BUS N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te

1730 KOBBEGEM, Brusselsesteenweg 406.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr S. DAEMS, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 20 juli 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 22 november 2011;

- de conclusies van de partijen en de aanvullende conclusie van de geïntimeerde partij;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2012 waarna de debatten gesloten werden.

Gelet op schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie ontvangen ter griffie op 30 oktober 2012.

Gelet op de repliekconclusies van de partijen op dit schriftelijk advies ontvangen ter griffie op 16 november 2012 waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 19 en 20 september 1995 ondertekenden de NV MAN Truck Bus (hierna afgekort als MAN) en de heer P. V. een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, waardoor de heer V. met ingang van 1 oktober 1995 werd aangeworven als verantwoordelijke leasing.

2. In de zomer 2008 werd hij op een personeels-vergadering ingelicht over een geplande reorganisatie.

Op 9 juni 2008 vroeg de heer V. 1/5de tijdskrediet aan omdat hij ouder was dan 50 jaar.

Dit werd hem op 11 juni 2008 toegestaan vanaf 1 september 2008.

Op 16 oktober 2008 vroeg de heer V. in een

e-mail aan de heer L. en algemeen directeur B. nadere uitleg over zijn positie en de geplande reorganisatie, waarover hij geen nuttige informatie kreeg.

Op 4 november 2008 legde hij bij toepassing van art. 32nonies van de Welzijnswet bij de Externe Directie Toezicht op het welzijn op het werk een met redenen omklede klacht neer wegens pesten.

De klacht handelt o.m. over een gebrek aan respect voor zijn diensten en persoon, een gebrek aan communicatie, onzekerheid over zijn toekomst in de schoot van het bedrijf, het hem ontnemen van zijn functie, het ontslag van zijn secretaresse en inhoudingen op zijn loon.

Op 6 november 2008 stelde MAN een ontwerp van antwoord op deze klacht op, waarin de feiten werden betwist.

3. Bij aangetekende brief van 18 november 2008 werd de heer V. ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 15 maanden.

4. Op 22 april 2009 dagvaardde de heer V. MAN voor de arbeidsrechtbank te Brussel en hij vroeg na aanpassing van zijn vordering betaling van:

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van

euro 17.241,97

- een beschermingsvergoeding tijdskrediet van

euro 23.968,32

- een beschermingsvergoeding pesten van euro 23.968,32

- achterstallig commissieloon van euro 2.602,85

- schadevergoeding wegens mislopen brugpensioen van euro 1.169,22

vermeerderd met intresten en kosten.

5. Bij vonnis van 20 juli 2011 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard ten belope van:

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van

euro 13.600,53

- schadevergoeding wegens mislopen brugpensioen van euro 644,91 provisioneel

vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten.

De kosten werden omgeslagen en voor 2/3 ten laste van de heer V. gelegd en voor 1/3 ten laste van MAN.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 22 november 2011, tekende de heer V. hoger beroep aan en hernam hij zijn vordering met dien verstande dat de aanvullende opzeggingsvergoeding werd begroot op

euro 14.446,45 en de schadevergoeding brugpensioen op

euro 810,08.

MAN vroeg dat de vordering van de heer V. volledig ongegrond zou worden verklaard en stelde dus impliciet incidenteel beroep in voor zover deze vordering door de eerste rechter was toegekend.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Het commissieloon

2. De vordering achterstallige commissielonen ten bedrage van euro 2.602,85 heeft betrekking op een maandelijks bedrag van euro 247,89 dat aanvankelijk als gegarandeerd commissieloon was toegekend.

De heer V. vordert deze achterstallen voor 2008 of 247,89 x 12 = euro 2.602,85.

Op basis van onderlinge afspraken aanvaardde de heer V. op 22 december 2005 dat met ingang van 1 januari 2006 dit bedrag niet meer werd uitbetaald en hij bevestigde dit in een van hem uitgaande e-mail, die hij ook nog ondertekende als uiting van zijn uitdrukkelijk akkoord.

Terecht heeft de eerste rechter dit onderdeel ongegrond verklaard en het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

De aanvullende opzeggingsvergoeding

3. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

Partijen hebben discussie over de vaststelling van de opzeggingstermijn, maar ook over de begroting van het basisloon.

4. Wat betreft het commissieloon, volgt uit de beoordeling in randnummer 2 dat de beweerde achterstallen van euro 2.602,85 niet in het jaarloon kunnen worden opgenomen.

Terecht heeft de eerste rechter het gemiddelde van de commissielonen gewaardeerd vanuit een vergelijking over de laatste 5 jaar, omdat de resultaten en de hiermee overeenstemmende commissielonen door de herstructureringsplannen en crisis voor de laatste 12 maanden niet representatief waren.

Voor de berekening van de opzeggingsvergoeding is voor de vaststelling van het basisloon artikel 131 van de arbeidsovereenkomstenwet niet van toepassing (Cass. 6 april 1967, Pas. 1967, I, 920; Cass. 24 oktober 2005, JTT 2006 met noot Votquenne). Wanneer er op het ogenblik van het ontslag een recht op variabel loon is, bepaalt de feitenrechter vrij de berekeningswijze die het best aan het begrip lopend loon beantwoordt (Arbh. Brussel 30 juli 2009, JTT 2010, 79). Hij kan daarbij een ruimere periode dan de 12 maanden voor het ontslag in aanmerking nemen.

Eveneens terecht heeft de eerste rechter een dubbele aanrekening van euro 1.413,60 geannuleerd; hierop wordt door de heer V. overigens geen kritiek geleverd.

5. De heer V. aanvaardt ook de waardering door de eerste rechter van het privégebruik bedrijfswagen (BMW 318 tdi), gsm en laptop ter waarde van euro 350 en euro 25.

Op de waardering van de BMW wordt door MAN geen concrete kritiek uitgebracht. Het privaat gsm- en laptopgebruik zou niet toegestaan zijn.

MAN toont dit niet aan; er werden geen beperkende regels opgelegd.

6. Voor de becijfering van de patronale hospitalisatiepremie heeft de eerste rechter terecht rekening gehouden met de kinderlast, zoals deze bleek uit de gegevens op de loonfiche.

MAN verwijst naar het bijvoegsel 8 aan de algemene en tarifaire verzekeringsvoorwaarden en houdt voor dat enkel de bijdrage voor volwassene ( euro 9,02) mag worden opgenomen.

Uit dit stuk blijkt echter dat er daarnaast een maandpremie voor kinderen is en gelet op het feit dat het bijvoegsel juist betrekking heeft op de tarifaire verzekeringsvoorwaarden van MAN, heeft de eerste rechter hiermee correct rekening gehouden.

De begroting van het jaarloon van euro 45.205,56, zoals gemaakt door de eerste rechter, moet dan ook worden bijgetreden.

7. Rekening houdend met dit jaarloon, de anciënniteit van 13,12 jaar (1 oktober 1995 - 18 november 2008) de leeftijd van 63,46 jaar (°19 juni 1945) de functie van verantwoordelijke leasing, de gegevens eigen aan de zaak en de belangen van beide partijen kan de kans van de heer V. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geschat op 16 maanden.

De aanvullende opzeggingsvergoeding bedraagt

euro 45.205,56/12 x 16 = euro 60.274,08 - euro 46.673,55 =

euro 13.600,53.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn op dit punt ongegrond.

Beschermingsvergoedingen (tijdskrediet en pesten)

8. Op grond van artikel 20 §2 van de CAO nr. 77 bis mag de werkgever geen handeling verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst.

Wanneer de werkgever in de periode van het ontslagverbod van artikel 20 §2 de dienstbetrekking eenzijdig wijzigt, moet hij bewijzen dat hij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de uitoefening van het recht op tijdskrediet (Cass. 14 januari 2008, JTT 2008, 243).

9. Artikel 32tredecies van de Welzijnswet van 4 augustus 1996 bepaalt in verband met de ontslagbescherming na het neerleggen van een pestklacht:

§ 1 De werkgever mag, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht... de arbeidsverhouding van de volgende werknemers niet beëindigen, en hij mag evenmin de arbeidsvoorwaarden van die werknemers op ongerechtvaardigde wijze eenzijdig wijzigen:

1° ...

2° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in

artikel 80.

...

§ 2 De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht ...

§ 3 ...

§ 4 De werkgever moet in de volgende gevallen een vergoeding betalen aan de werknemer:

1° ... ;

2° wanneer de werknemer het in § 3 eerste lid bedoelde (re-integratie)verzoek niet heeft ingediend en de rechter geoordeeld heeft dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van §1

Deze vergoeding is, naar keuze van de werknemer, gelijk aan hetzij een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade. In laatstgenoemd geval moet de werknemer de omvang van deze schade bewijzen.

10. Hieruit volgt dat zowel voor de bescherming wegens tijdskrediet als voor deze wegens het neerleggen van een pestklacht moet worden nagegaan of het ontslag niet vreemd is aan de klacht. De bewijslast ligt bij de werkgever.

Of de pestklacht al dan niet gegrond is, heeft daarbij geen belang. (J. Herman, ATO-O-2030) Immers de werknemer heeft bij het indienen van de klacht het recht zich te vergissen, daar de bescherming hem wordt toegekend, ongeacht het resultaat van de procedure die op basis van de klacht werd gevoerd. (Parl. St. K.v.V. (2001-02) Doc. 50/1583/003, p. 10)

Hierdoor dient de grond van de pestklacht hier niet nader te worden onderzocht; enkel dient te worden nagegaan of het ontslag vreemd is aan de klacht.

11. MAN verwijst voor de ontslagreden naar de herstructurering, waardoor de dienst van de heer V. integraal uitbesteed werd aan de nv PON Equipment Rental and Lease (PERL).

Ze illustreert de herstructurering door 6 andere ontslagen, waarvan ze de ontslagdocumenten voorbrengt.

12. De herstructurering staat vast.

De heer V. legt zelf de slides neer van een meeting met PON op 28 januari 2008 waarin deze herstructurering besproken werd. (zijn stuk 8)

Op 16 oktober 2008 vroeg hij verdere toelichting over zijn positie als gevolg van deze geplande herstructurering.

Bij de schets van het feitelijk kader van zijn pestklacht verwijst hij naar deze plannen en hij bevestigt dat hij hiervan op de hoogte werd gebracht in de zomer 2008. Hij verwijst ook naar een bespreking hierover met de directie van MAN Lease Nederland op 28 augustus 2008.

Het economisch gegeven van de herstructurering is uiteraard geen pestelement. Het kadert enkel de pestklacht, die betrekking heeft op het gebrek aan respect en communicatie, zoals aangehaald in randnummer I.2.

Wanneer de FOD WASO Toezicht op het welzijn op het werk bij brief van 5 november 2008 antwoordde dat de problemen kunnen gekaderd worden binnen de regelgeving "stress, geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag, dan verwees ze hiervoor naar de problemen op uw werk en doelde ze dus niet op de herstructurering, die slechts het kader en de context van deze problemen vormde.

Het is immers duidelijk dat de herstructurering een feit is met een economische grondslag, waarvoor de werkgever de beslissingsbevoegdheid heeft.

Als het ontslag volgt uit de herstructurering, dan is de pestklacht en het tijdskrediet niet de grondslag en is er een aan deze omstandigheden vreemde reden.

13. De heer V. houdt in wezen voor dat zijn ontslag niet volgt uit de herstructurering en hij betwist daardoor het oorzakelijk verband.

Terecht wijst MAN naar de opbouw van de pestklacht, waarin de heer V. uitte dat hij zeer goed besefte dat zijn ontslag zou kunnen voortvloeien uit de reorganisatieplannen. Hij verwijt immers een gebrek aan behoorlijke communicatie hierover.

Ook in zijn e-mail van 16 oktober 2008 legde hij zeer duidelijk dit verband en vroeg hij: Wat bent u van plan met het Diensthoofd Leasingen van MAN Truck en Bus België?, zijnde hijzelf.

Wanneer na deze aanhoudende en indringende vragen op 18 november 2008 het ontslag effectief volgde, kan de heer V. moeilijk met ernst volhouden dat dit ontslag geen verband hield met de herstructurering, waarvan hij de realiteit erkent en bevestigt.

14. Bovendien verwees de heer V. in punt 7 van zijn pestklacht naar een schrijven aan het personeel, waarin bevestigd werd dat de leaseactiviteiten te Kobbegem zouden worden waargenomen door de heer R. vdV (een medewerker van PERL). Dit rondschrijven werd verzonden aan het voltallig personeel te Kobbegem, alsook aan MAN Frankrijk en MAN Nederland.

Door de uitbesteding verschoof dus de activiteit naar PERL en werd de functie van de heer V. overbodig. Door de ziekte van de heer V. is het logisch dat de vervroegde overkomst van de heer vdV op 30 oktober 2008 een voorafname was op de herstructurering in het kader van de joint venture MAN/PERL.

15. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het protocol lease - samenwerking MAN Truck & Bus N.V. en Pon Equipment Rental & Lease N.V. van 20 mei 2010, waarin verwezen wordt naar een leasepersoneelslid dat nu in dienst is van MAN.

In deze tekst wordt verwezen naar het personeelslid dat nu in dienst is, wat betekent op 20 mei 2010, terwijl het ontslag van de heer V. dateert van 18 november 2008. Het protocol zegt dus niets over de toestand op datum van het ontslag.

Ook de vraag of de verdere communicatie over de positie van de heer V. nu al dan niet correct/ behoorlijk was, behoort tot de grond van de klacht en is niet ter zake dienend. ( zie randnummer 10)

16. Hieruit vloeit voort dat Man aantoont dat het ontslag het gevolg was van de herstructurering, zodat de reden vreemd was aan het tijdskrediet en aan de pestklacht.

De vorderingen tot het bekomen van beschermingsvergoedingen zijn daardoor ongegrond.

Het hoger beroep is op deze punten ongegrond.

Brugpensioen

16. Beide partijen berekenen verschillend het bedrag van het brugpensioen waarop de heer V. aanspraak kan maken na het verstrijken van de opzeggingstermijn.

Het betreft een periode van 3 maanden, gelet op de in randnummer 7 bepaalde opzeggingstermijn van 16 maanden en de pensioendatum van 19 juni 2010.

Mathematisch hebben partijen geen opmerkingen op de wederzijdse becijfering. De discussie gaat over de al dan niet opname van het maandelijks gegarandeerd commissieloon van euro 247,89.

In randnummer 2 werd reeds vastgesteld dat de heer V. hiervan afstand had gedaan op 22 december 2005, zodat hij hierop sedert 1 januari 2006 geen recht meer had.

De eerste rechter heeft tevens terecht de loononderdelen geweerd die niet maandelijks werden uitbetaald, gelet op art. 7 §1 van de CAO nr. 17 NAR van 19 december 1974.

De door de eerste rechter weerhouden becijfering is dan ook correct, zodat er een achterstal was van

euro 644,91.

Ook op dit punt is het hoger beroep ongegrond.

17. De eerste rechter heeft de gerechtskosten omgeslagen en maakte een oordeelkundige toepassing van art. 1017 vierde lid Ger. W..

Aangezien het hoger beroep ongegrond is, vallen de kosten van het beroep ten laste van de heer V..

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Gelet op het schriftelijk advies van advocaat-genaal J.J. André, neergelegd op 30 oktober 2012, waarop beide partijen tijdig hebben gerepliceerd,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de heer V. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van MAN begroot en vereffend op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 3.3000

 

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door:

L. LENAERTS: Raadsheer,

M. VAN AKEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. HEYVAERT: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door:

D. DE RAEDT: Griffier,

M. VAN AKEN, D. HEYVAERT,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 december 2012 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

Mots libres

  • ARBEIDSREGLEMENTERING

  • WELZIJN OP HET WERK

  • wet 4 augustus 1996

  • Pesten