- Arrêt du 4 janvier 2013

04/01/2013 - 2011/AB/805

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De wil der partijen i.v.m. de kwalificatie volgt niet alleen uit wat op papier werd gezet in de oorspronkelijke overeenkomst, maar ook ongeschreven afspraken, zoals mondelinge afspraken of afspraken die blijken uit de wijze waarop de partijen hun overeenkomst uitvoerden en later gemaakte afspraken worden beschouwd als uitdrukkingen van de wil van de partijen in hun overeenkomst.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 JANUARI 2013.

3DE KAMER

Bediendecontract

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

M. M.,

Appellant, vertegenwoordigd door

Mr I. VAN DEN BOSSCHE loco Mr R. SWENNEN, advocaat te Zellik.

Tegen:

Vennootschap naar Iers recht

LTD PARKER WOODS, met maatschappelijke zetel gevestigd te DUBLIN 2(IERLAND),

Mercer Street Lower 5 Floor en Main Street 11 te RATHFARMHAM.

Geïntimeerde op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr B. LAENEN loco Mr R. DESMET, advocaat te Berchem (Antwerpen).

Vennootschap naar Iers recht

PARKER WOODS LTD t/a ITECS,

met maatschappelijke zetel gevestigd te DUBLIN 2(IERLAND), Trinity Street 6-9.

Geïntimeerde op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr B. LAENEN loco Mr R. DESMET, advocaat te Berchem (Antwerpen).

Vennootschap naar Belgisch recht

BVBA SOLITIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2610 ANTWERPEN-WILRIJK, Dennenlaan 50.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr L. HELLEMAN loco Mr L. ELIAERTS, advocaat te Antwerpen.

Vennootschap naar Belgisch recht

NV NATIONALE BANK VAN BELGIE,

met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, de Berlaimontlaan 14.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr W. BOUCIQUE loco Mr J-Y. VERSLYPE, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 10 juni 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 31 augustus 2011;

- de conclusies en de aanvullende conclusies van de geïntimeerde partij;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 7 december 2012 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De Nationale Bank van België (NBB) schreef in 2007 een tijdelijke opdracht uit voor een ‘technical writer' in het kader van internationaliseringprojecten.

In verband met de mogelijkheid tot onderaanneming bepaalt art. 4.4:

In elk geval blijft, wat de uitvoering van de opdracht betreft, alleen de aannemer aansprakelijk ten opzichte van de Bank.

Alle verplichtingen die opgelegd zijn aan de aannemer, meer in het bijzonder de verplichting tot vertrouwelijkheid waarvan sprake in artikel 5.2 ‘Vertrouwelijkheid en Publiciteit", moeten ook opgelegd worden aan elk van zijn aangestelden en eventuele onderaannemers.

Art. 4.5 voegt hieraan toe i.v.m. de toegang tot de lokalen van de bank.

Om redenen van veiligheid en toezicht worden alle toegangen in de gebouwen van de Bank gereglementeerd en gecontroleerd. De aannemer zal de bestaande instructies terzake strikt naleven. Hij wordt verondersteld met deze beperkingen in zijn offerte rekening gehouden te hebben. Het personeel dat voor rekening van de aannemer in de bestaande lokalen van de Bank komt werken moet gevolg geven aan de bevelen en richtlijnen die hem verstrekt worden door iedere persoon (al dan niet personeelslid van de Bank) door haar gemachtigd de inwendige orde te handhaven en haar veiligheid te vrijwaren.

2. Op 2 november 2007 onderschreef de BVBA Solutium deze tijdelijke opdracht en stelde de heren M. M. of C. M. als kandidaat uitvoerders voor.

In een e-mail van 15 april 2008 liet Solutium aan de heer M. weten dat ze officieus bij de NBB vernomen had dat ze het contract verworven had.

Hierop reageerde de heer M. met de vraag hoe hij zou betaald worden. Hij stelde voor dit te doen via een Engelse vennootschap met betaling via Euro's in Spanje, en dit omwille van de BTW en andere aangelegenheden.

Op 21 april 2008 bevestigde NBB aan Solutium dat ze de uitvoering via de heer M. bekwam, NBB verwees naar het bestek, de offerte en de bestelbons; de heer E. tekende voor Solutium ‘voor akkoord en zonder voorbehoud'.

Volgend op de vraag van de heer M. om zijn betaling te regelen via een andere vennootschap, werden er via e-mail schriftelijke uitwisselingen gedaan over op te maken contracten tussen de BVBA Solutium en het Nederlandse Itecs, dat optrad voor de vennootschap naar Iers recht Parker Woods Ltd.

3. Op 9 mei 2008 werd er in verband met de uitvoering van de consultancyopdracht een raamovereenkomst opgemaakt tussen Solutium en Parker Woods, die werd ondertekend op 3 juni 2008. In de bijlage A (met dezelfde data) werd het aantal manuren gepreciseerd dat de heer M. voor de NBB in diens lokalen zou uitvoeren volgens het NBB-bestek 07CS17210, hierboven beschreven in randnummer 1.

Op 22 mei 2008 ondertekende de heer M. met Solutium een overeenkomst, waarin de veiligheids-, geheimhoudings-, exclusiviteits- en vertrouwelijkheideisen van de NBB werden overgenomen.

In art. 6 bevestigde de heer M. dat hij Parker Woods had aangeduid om zijn facturen en betalingen m.b.t. dit contract uit te voeren. Problemen tussen hemzelf en Parker Woods mochten geen impact hebben op Solutium.

In art. 8 verklaarde hij zich bereid om een bedrag van euro 5.500 te betalen aan Solutium, wanneer er zich problemen zouden voordoen tussen hemzelf en de NBB.

Dit bedrag komt overeen met de borg, die Solutium aan de NBB moest betalen. (zie brief NBB 21 april 2008 en art. 3.3 van de tijdelijke opdracht)

4. Op 4 juni 2008 ondertekenden Parker Woods en de heer M. twee overeenkomsten:

- een consultancyovereenkomst naar Engels recht. In art. 7 garandeert de heer M. aan Parker Woods dat hij een zelfstandige contractspartij is, wat nog eens wordt bevestigd in art. 9.

- Een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, ingaand op 15 mei 2008. (art. 1)

Naast maandelijkse inkomstenafrekeningen ontving de heer M. vanwege Parker Woods ook loonbrieven, opgemaakt door het sociaal secretariaat Securex.

Parker Woods factureerde de prestaties aan Solutium. (stukken 13 tot 26 Solutium)

Solutium factureerde op basis van de tijdsregistratie de prestaties aan NBB. (stuk 5 NBB)

5. In een e-mail van 4 maart 2009 aan Solutium stelde de heer M. na een gesprek met zijn boekhouder voor om zijn Spaanse vennootschap (Capital Consulting) te gebruiken voor de facturatie.

Solutium is niet ingegaan op dit aanbod.

Bij aangetekende brieven van 29 juni 2009 heeft Solutium, na overleg met de NBB over de uitvoering van de opdracht, aan Parker Woods en aan de heer M. laten weten dat de samenwerking werd stopgezet.

Bij aangetekende brieven van 23 juli 2009 aan dezelfde partijen werd gepreciseerd dat de samenwerking zou eindigen op 28 augustus 2009.

6. Zonder enige voorafgaande ingebrekestelling, legde de heer M. op 6 november 2009 een tegensprekelijk verzoekschrift neer bij de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel, waarin hij een solidaire vordering of vordering in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, stelde ten aanzien van:

- de Nederlandse vennootschap BV Itecs

- de Ierse vennootschap Ltd Parker Woods

- de Ierse vennootschap Parker Woods Ltd t/a Itecs

- de BVBA Solutium

- de NV NBB

Hij vorderde betaling van:

- wedde augustus 2009 van euro 7.500 (schatting)

- pro rata 13de maand 2008 van euro 3.289,47

- pro rata 13de maand 2009 van euro 4.893,33

- vertrekvakantiegeld van euro 18.157,53

- opzeggingsvergoeding van 6 maanden of euro 53.150,70

- terugbetaling van ten onrechte doorgevoerde inhoudingen wegens 13de en 14de maand van euro 7.648,48, vakantiegelden van euro 4.151,83 en werkgeversbijdragen RSZ van euro 13.890,84

- een schadevergoeding wegens vroegtijdige verbreking van de huurovereenkomst n.a.v. de verbreking van de arbeidsovereenkomst van euro 2.006,55

vermeerderd met intresten en kosten.

Tevens vroeg hij afgifte van de overeenstemmende sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

Het verzoekschrift is gesteund op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en een verboden ter beschikkingstelling bij de NBB.

Solutium stelde een tussenvordering in vrijwaring lastens Parker Woods.

Parker Woods deed hetzelfde lastens Solutium en NBB.

7. Bij vonnis van 10 juni 2011 van de arbeidsrechtbank te Brussel werden al deze vorderingen afgewezen als ontvankelijk, doch ongegrond. De rechtbank stelde de BV Itecs buiten zake. De arbeidsrechtbank besliste in essentie dat de heer M. het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet aantoonde.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 31 augustus 2011, tekende de heer M. hoger beroep aan tegen alle partijen behalve de BV Itecs en hij hernam zijn oorspronkelijke vorderingen.

Bij incidenteel beroep, hernamen Solutium en Parker Woods in ondergeschikte orde hun respectievelijke tussenvorderingen in vrijwaring.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Hetzelfde geldt voor de incidentele beroepen.

2. De Ierse vennootschap Ltd Parker Woods en de Ierse vennootschap Parker Woods Ltd t/a Itecs merken op dat ze dezelfde vennootschap betreffen, waarover geen betwisting bestaat.

3. Ten onrechte werpt NBB op dat het oorspronkelijk inleidend verzoekschrift het onderwerp van de vordering onvoldoende zou verduidelijken, waardoor de eis onontvankelijk zou zijn.

Uit het verzoekschrift volgt duidelijk dat de heer M. zich beroept op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en op een verboden terbeschikking-stelling bij NBB. De eis is cijfermatig uitgewerkt.

Terecht heeft de eerste rechter de hoofdeis ontvankelijk verklaard.

4. Parker Woods roept ten onrechte de onbevoegdheid van de arbeidsgerechten in, omdat het een geschil betreft tussen zelfstandige dienstverleners.

De materiële bevoegdheid wordt bepaald naar het onderwerp van de vordering zoals deze door de eiser wordt geformuleerd, ongeacht de vraag of de vordering op deze basis gegrond kan bevonden worden ( Cass., 8 september 1978, R.W.1978-1979, 960; Cass., 4 mei 1981, R.W. 1982-1983, 147).

In randnummer 3 werd vastgesteld dat de vordering gesteund is op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en op een verboden terbeschikkingstelling.

Op grond van artikel 578,1° Ger. W. is de arbeidsrechtbank bevoegd om kennis te nemen van geschillen inzake de arbeidsovereenkomsten.

Gelet op deze bevoegdheid, kan de zaak niet worden verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg.

Terecht heeft de eerste rechter de exceptie van onbevoegdheid niet aangenomen.

5. Parker Woods verwijst verder naar de rechtskeuze voor het Engels recht in art. 19 van de consultancyovereenkomst tussen haarzelf en de heer M..

De heer M. steunt zich voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst op de andere ‘overeenkomst' en op de feitelijke uitvoering, waaruit hij een gezagsverhouding afleidt. Hij baseert zich dus in feite niet op de consultancyovereenkomst.

Hij voerde zijn opdrachten uit in de lokalen van de NBB en dus in België, zodat bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst de regels in verband met betaling van loon, vakantiegeld en opzeggingsvergoeding en verboden terbeschikkingstelling alleszins van dwingende toepassing zijn.

De aard van de arbeidsrelatie

6. In Titel XIII van de Programmawet van 27 december 2006 over de aard van de arbeidsrelaties ( B.S. 28 december 2006), (hierna aangeduid als arbeidsrelatiewet) wordt bevestigd dat het bestaan van een gezagsband determinerend is om de arbeidsrelatie als werknemer te onderscheiden van deze als zelfstandige.

Art 331 van die wet gaat ervan uit dat partijen principieel een vrije keuze hebben bij de kwalificatie van hun arbeidsrelatie doch bepaalt uitdrukkelijk dat zij hierbij de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten niet mogen overtreden en dat de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de gekozen aard van de arbeidsrelatie. Daarbij moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit.

Volgens art 332 arbeidsrelatiewet moet er een herkwalificatie plaats vinden indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van de wet en haar uitvoeringsbesluiten onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven.

Dit wordt beoordeeld op basis van de algemene criteria aangewezen in art. 333, zijnde:

- de reële wil van de partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt

- de vrijheid van organisatie van de werktijd

- de vrijheid van organisatie van het werk

- de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.

7. De heer M. benadrukt dat in de ketting van overeenkomsten, beschreven in I.1 tot 4, de laatste overeenkomst een arbeidsovereenkomst is en de door Parker Woods en hemzelf gekozen kwalificatie uitmaken.

Dit is maar een halve waarheid, want op 4 juni 2008 ondertekenden deze partijen twee overeenkomsten, waaronder een consultancyovereenkomst naar Engels recht, waarin de heer M. uitdrukkelijk een zelfstandige samenwerking bevestigde. (art. 7 en 9)

Het minste wat men kan zeggen, is dat partijen op 4 juni 2008 een dubbelzinnige houding aannamen, daar een arbeidsovereenkomst en een zelfstandige samenwerking elkaar uitsluiten. De elkaar tegensprekende overeenkomsten geven op zich dan ook geen opheldering om de wil van partijen te detecteren.

8. Zoals prof. W. van Eeckhoutte en G. De Maeseneire leren, volgt de wil der partijen i.v.m. de kwalificatie niet alleen uit wat op papier werd gezet in de oorspronkelijke overeenkomst (in dit geval dus elkaar tegensprekende overeenkomsten), maar worden ook ongeschreven afspraken, zoals mondelinge afspraken of afspraken die blijken uit de wijze waarop de partijen hun overeenkomst uitvoerden en later gemaakte afspraken beschouwd als uitdrukkingen van de wil van de partijen in hun overeenkomst. (W. van Eeckhoutte en G. De Maeseneire, Arbeidsrelatiewet, NjW 2007 (156), 106, nr. 53)

9. In dit verband kan niet voorbijgegaan worden aan de uitnodiging van de heer M. aan Solutium om de consultancy omwille van de BTW en dgl. te laten lopen via een buitenlandse vennootschap, in opvolging waarvan Solutium onderhandeld heeft met Parker Woods.

Deze vraag kan enkel begrepen worden in de zin dat de heer M. wel degelijk als zelfstandige zou werken, temeer daar deze financiële regeling nog eens bevestigd wordt in art. 6 van de overeenkomst tussen Solutium en de heer M. (zie randnummer I.3).

Noch in de overeenkomst tussen Solutium en Parker Woods, noch in de bijlage A over de uivoering van de opdracht door de heer M., wordt enig gewag gemaakt van het feit dat de consultancy in een gezagsverhouding zou worden uitgevoerd.

In de consultancyovereenkomst tussen Parker Woods en de heer M. bevestigt deze tot tweemaal toe de zelfstandige samenwerking.

Later, nog tijdens de uitvoering van de opdracht, stelde de heer M. in een e-mail van 4 maart 2009 aan Solutium voor om zijn Spaanse vennootschap (Capital Consulting) te gebruiken voor de facturatie. ( zie randnummer I.4)

Op de vraag of deze nieuwe verwijzing naar een facturatie via een vennootschap niet wijst op een wil om als zelfstandige te werken, wordt geantwoord dat het de klaarblijkelijke bedoeling was om met één contractspartij minder te kunnen werken.

Aangezien een rechtspersoon geen arbeidsovereenkomst kan sluiten, is dit een nieuwe bevestiging van het feit dat de arbeidsovereenkomst evengoed kon wegvallen en dat de overeenkomst opgemaakt werd voor andere doeleinden dan om uit te drukken dat de heer M. in een gezagsrelatie werkte.

10. De heer M. benadrukt verder dat Parker Woods via een Belgisch sociaal secretariaat de klassieke sociale en fiscale documenten heeft laten afleveren, die horen bij een arbeidsovereenkomst.

Art 333 §2 van de arbeidsrelatiewet bepaalt dat

de volgende elementen, op zichzelf genomen, niet bij machte {zijn} om de arbeidsrelatie adequaat te kwalificeren:

- de titel van de overeenkomst,

- de inschrijving bij een instelling van sociale zekerheid,

- de inschrijving bij de kruispuntbank voor ondernemingen,

- de inschrijving bij de administratie van de BTW

- de wijze waarop de inkomsten bij de fiscale administratie worden aangegeven.

Deze elementen worden beschouwd als neutraal, maar aangezien de heer M. zelfs niet voorhoudt dat er enige gezagsuitoefening liep via Parker Woods, tonen ze op zich niet aan dat er met haar een arbeidsovereenkomst werd uitgevoerd.

In randnummer 7 werd immers aangetoond dat de ondertekening van de zgn. arbeidsovereenkomst samenviel met een tegenstrijdige consultancyovereenkomst tussen dezelfde partijen, die verwees naar een zelfstandige uitvoering.

In randnummer 8 werd vastgesteld dat de afspraken tussen partijen ook eerder wijzen op deze zelfstandigheid.

De aangehaalde neutrale elementen afgeleid uit de afgeleverde documenten ondersteunen dus geenszins het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

11. Maar zelfs indien men zou willen uitgaan van de zgn. (arbeids)overeenkomst tussen de heer M. en Parker Woods om een keuze voor een arbeidsovereenkomst en voor een gezagsverhouding aan te nemen, dan nog wijst de toetsing van de algemene criteria van art. 333 §1 arbeidsrelatiewet op een feitelijke uitvoering los van een gezagsband.

Immers de heer M. was t.a.v. Parker Woods vrij in de organisatie van zijn werk en van zijn werktijd en hij werkte niet onder een hiërarchische controle van Parker Woods.

Dit gold evenzeer t.a.v. de NBB en Solutium.

Vrijheid in de organisatie van de werktijd

12. De heer M. vulde een hooggespecialiseerde opdracht uit, waarvoor de NBB een tijdelijke opdracht van technical writer via overheidsopdracht had uitgeschreven.

Volgens de tijdelijke opdracht was deze opdracht geconditioneerd door de veiligheid- en vertrouwelijkheidregels van de NBB. Met deze beperking moest bij de offerte worden rekening gehouden. Er was een strikte toegangscontrole, (art 4.4 en 4.5 van de tijdelijke opdracht) wat verklaard wordt door het feit dat er zich in de gebouwen een drukkerij voor bankbiljetten bevond.

Vanuit deze noodwendigheid moest hij binnen de openingsuren zijn werkzaamheid vervullen, maar dit neemt niet weg dat hij vrij bleef in de organisatie van zijn werktijd, wat blijkt uit de timesheets, die opgemaakt werden voor de facturatie (zie stukken 2 van de heer M.). Hieruit blijken evenzeer prestaties van 3 u.24, 4 u. 46 of 5 u.33 per dag als prestaties van 8 u. 09, 7 u. 55 of 7 u. 45 per dag.

Op 22 april 2009 deed hij 2 uur thuiswerk na een aanwezigheid op de NBB van 6 u.44.

Deze invulling volgde het aantal mandagen en uren opgenomen in het schema van bijlage A bij de overeenkomst tussen Solutium en Parker Woods, wat overeenstemt met wat NBB bepaald had in de toewijzing van de opdracht. (zie brief 21 april 2008)

Aangezien de opdracht inhield dat hij deze diende uit te voeren in de lokalen van de NBB (zie punt 7 van de bijlage A bij het contract tussen Solutium en Parker Woods), diende hij zich te houden aan de toegangsuren en- controle, die verband hield met de veiligheidsnoodwendigheden van de bank.

Deze wordt in de tijdelijke opdracht vooraf toegelicht en verantwoord.

Evenmin diende de heer M. zich te schikken naar de bij NBB geldende procedure in verband met de aanvraag van vakantie en verwittiging van ziekte; gelet op de strikte veiligheidsprocedures moest hij wel zijn afwezigheid melden.

De omstandigheid dat de uitvoerder van het werk over de vrijheid beschikt al dan niet in te gaan op een werkaanbod en desgevallend opdrachten kan weigeren, verhindert niet dat, van zodra hij het werk heeft aanvaard, de opdrachtgever kan beschikken over de arbeid en deze arbeid volgens de bepalingen van de overeenkomst kan regelen. (Cass. 18 oktober 2010, JTT 2011, 22)

Vrijheid in de organisatie van het werk

13. Voor het uitvoeren van deze internationalisering-opdracht diende de heer M. uiteraard in overleg te werken met de NBB, bij wie hij in dat kader vergaderingen volgde.

In de e-mails en opvolgingslijsten van de afspraken wordt hij meermaals aangeduid als ‘lead' wat aantoont dat hij zelfstandig opereerde en hierbij desgevallend kon rekenen op assistentie van NBB-personeel. Het feit dat hij om reden van de opdracht hierdoor soms ook in ‘team' moest kunnen functioneren, wijst op zich niet op gezag bij de uitvoering van de arbeid.

Terecht wijst NBB er op dat deze e-mails doorgaans van hemzelf uitgaan en dat hij daarin zijn werkwijze en voorstellen formuleert. Hij vraagt daarbij ook suggesties voor de ontwikkelde processen.

Overigens kunnen ook in een zelfstandige samenwerking controle en instructies nodig zijn (vgl. W. van Eeckhoutte, Socompact 2011/3 met commentaar op Cass. 6 december 2010, S.10.0073.N). Het verschil met een arbeidsovereenkomst is dat een werkgever daar eenzijdig kan bepalen hoe, in welke mate en wanneer de werknemer dient te arbeiden. (noot K. Nevens bij Cass. 6 december 2010, RABG 2011, 1025)

Ook in de Memorie van Toelichting bij de arbeidsrelatie-wet wordt aangegeven dat algemene onderrichtingen en richtlijnen die het gevolg zijn van de uitgeoefende activiteit of die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de opdracht, niet als aanwijzingen van gezag moeten worden beschouwd. (Parl. St. Kamer 2006-07, Doc 51 2273/1, 217)

De stukken die de heer M. voorbrengt wijzen op vrijheid in de organisatie van het werk en niet op een ondergeschikte gezagsrelatie, alleszins niet t.a.v. Parker Woods en Solutium maar ook niet t.a.v. NBB.

Geen hiërarchische controle

14. Het feit dat mevrouw M. voor NBB als contactpersoon fungeerde, toont geenszins aan dat ze een hiërarchisch gezag zou hebben uitgeoefend; een zodanige gezagsuitoefening blijkt ook niet uit de door de heer M. voorgelegde stukken. Ze bevestigen opnieuw eerder een samenwerking vanuit de eigenheid van de opdracht.

Terecht wijzen W. van Eeckhoutte en G. De Maeseneire er op dat controle in het kader van een arbeidsverhouding wijst op een hiërarchische controle, dit wil zeggen controle die steunt op een rang, een positie...Bestaat tussen de contractpartijen geen hiërarchisch verband, dan is per definitie geen hiërarchische controle mogelijk. (W. van Eeckhoutte en G. De Maeseneire, a.w., NjW 2007, 110, nr. 60)

Een dergelijke hiërarchische controlemogelijkheid blijkt niet uit de door de heer M. voorgebrachte e-mails.

15. Uit dit alles vloeit voort dat de heer M. als zelfstandige een gespecialiseerde opdracht voor Solutium en Parker Woods uitvoerde bij de NBB.

Door het ontbreken van een gezagsrelatie kan er geen sprake zijn van een onrechtmatige delegatie van gezag of een verboden ter beschikkingstelling.

De bijkomende elementen die hij aanhaalt, kunnen daaraan geen afbreuk doen.

Zijn vorderingen werden dan ook terecht door de eerste rechter afgewezen als ongegrond. De tussenvorderingen in ondergeschikte orde zijn door gebrek aan voorwerp eveneens ongegrond.

16. Als in het ongelijk gestelde partij vallen de gerechtskosten ten laste van de heer M..

Hij houdt voor over weinig financiële draagkracht te beschikken en vraagt dat de rechtsplegingsvergoedingen zouden worden herleid tot het minimum.

De stukken die hij voorbrengt om zijn geringe financiële draagkracht aan te tonen, zijn niet actueel. Hij blijkt te werken voor een bank in Groot Brittanië; terecht wijst NBB er op dat hij woont in Spanje en dat hij daar blijkbaar ook over een vennootschap beschikt, zoals hij aangaf in zijn e-mail van 4 maart 2009.

De rechtsplegingsvergoedingen kunnen dan ook op het basisbedrag worden bepaald.

Voor de 3 verwerende en geïntimeerde partijen samen bedragen deze minder dan het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoeding, zodat er geen verdeling dient te gebeuren in overeenstemming met art. 1022 vijfde lid Ger. W.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Geeft akte aan eerste en tweede geïntimeerden dat ze in werkelijkheid dezelfde rechtspersoon betreffen;

Verklaart het hoofdberoep en de incidentele beroepen ontvankelijk maar ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis,

Veroordeelt de heer M. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze vereffend aan de zijde van geïntimeerden op

- voor Parker Woods Ltd: rechtsplegingsvergoeding basisbedrag niet begroot

- voor Solutium BVBA: rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 5.500

- voor NBB: rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 5.500

 

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door:

L. LENAERTS: Raadsheer,

S. ALAERTS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. HEYVAERT: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door:

D. DE RAEDT: Griffier,

S. ALAERTS, D. HEYVAERT,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 januari 2013 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

Mots libres

  • Arbeidsovereenkomsten

  • AARD ARBEIDSRELATIE

  • Programmawet van 27 december 2006 over de aard van de arbeidsrelaties ( B.S. 28 december 2006)