- Arrêt du 18 février 2013

18/02/2013 - 2012/AB/256

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1. Artikel 20 van de Arbeidsongevallenwet Openbare Sector bepaalt dat wat de vorderingen tot betaling van vergoedingen op grond van deze wet betreft, de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht.

Onder ‘betwiste administratieve rechtshandeling' moet worden verstaan, elke beslissing die door de werkgever of de medische dienst zou genomen zijn tijdens de duur van de administratieve procedure.

2. Een dagvaarding van de verzekeraar, bij wie de tewerkstellende overheid een arbeidsongevallen-verzekering heeft onderschreven, stuit de verjaring niet; met toepassing van artikel 2244 BW stuit een dagvaarding voor het gerecht de verjaring immers enkel wanneer deze betekend werd aan hem die men wel beletten de verjaring te verkrijgen.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 FEBRUARI 2013.

5DE KAMER

Arbeidsongeval

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

B. , wonende te xxx.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. P. GOOVAERTS loco Mr M. HERTEGONNE, advocaat te Zellik.

Tegen:

DE VLAAMSE VERVOERSMAATSCHAPPIJ DE LIJN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2800 MECHELEN, Motstraat 20.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. A. SWINNEN loco Mr M. VAN REYBROUCK, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen bij verstek door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 15 september 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 maart 2012;

- de conclusies van de partijen en de synthese-conclusies van geïntimeerde partij;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 21 januari 2013 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

a.-

De heer B. is in dienst van de Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn (hierna genoemd De Lijn) als buschauffeur.

Op 10 juli 1998 werd aangifte gedaan van een arbeidsongeval. Volgens de gegevens op deze aangifte zou de heer B. op 8 juli 1998 bij het achteruit rijden met de bus in de stelplaats door een grondverzakking zijn gereden waarbij zijn rug blokkeerde.

Met brief van 29 december 1998 meldde de Onderlinge Maatschappij der openbare besturen (OMOB), onderlinge verzekeringsverenigingen (thans Ethias), aan de heer B. dat vastgesteld werd dat niet werd voldaan aan de door de Arbeidsovereenkomstenwet Openbare Sector opgelegde voorwaarden tot arbeidsongeval.

Met aangetekende brief van 12 januari 1999 schreef De Lijn aan de heer B. dat het ongeval van 8 juli 1998 niet werd aangenomen als arbeidsongeval, daar geen plotselinge gebeurtenis werd aangetoond.

b.-

Met inleidende dagvaarding tegen OMOB (thans Ethias) van 13 september 1999 vorderde de heer B. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel dat deze zou zeggen voor recht dat de arbeidsongeschiktheden door hem opgelopen sedert 8 juli 1998, het gevolg zijn van het arbeidsongeval dat hem op 8 juli 1998 was overkomen; tevens werd de aanstelling gevorderd van een deskundige met de gebruikelijke opdracht.

Met vonnis van 3 juli 2008 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering niet ontvankelijk daar Ethias (voorheen OMOB) niet de tewerkstellende overheid was van de heer B.; zij verwees de heer B. in de kosten van het geding.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 10 juni 2011, thans tegen De Lijn, vorderde de heer B. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel dat zou worden gezegd dat het ongeval opgelopen op 8 juli 1998 als een arbeidsongeval dient aanzien te worden en De Lijn te veroordelen tot betaling van de wettelijk voorziene vergoedingen; tevens alvorens verder recht te doen een geneesheer-deskundige aan te stellen met als opdracht de gevolgen van het arbeidsongeval te bepalen, met verwijzing van De Lijn in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

b.-

Met vonnis van 15 september 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering onontvankelijk wegens verjaring.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 maart 2012, tekende de heer B. beroep aan tegen dit vonnis; hij vorderde dat het arbeidshof dit vonnis zou hervormen en zijn oorspronkelijke vordering gegrond zou verklaren, met verwijzing van De Lijn in de kosten van het geding.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Artikel 20 van de Arbeidsongevallenwet Openbare Sector bepaalt dat de vorderingen tot betaling van vergoedingen op grond van deze wet betreft, de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht.

Onder ‘betwiste administratieve rechtshandeling' moet worden verstaan, elke beslissing die door de werkgever of de medische dienst zou genomen zijn tijdens de duur van de administratieve procedure. Deze toelichting ligt in de lijn van de parlementaire voorbereiding van de wijziging in voornoemde zin van artikel 20 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet Openbare Sector.

(vgl. R. Janvier, Verjaring: arbeidsongevallen openbare sector, in: A. Van Regenmortel, R. Janvier, V. Vervliet, Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht. Verjaring en sociale zekerheid, Brugge, Die Keure 2011, 270, nr. 21)

In voorliggende betwisting meldde de tewerkstellende overheid van de heer B. met aangetekende brief van 12 januari 1999 aan de heer B. dat het ongeval van 8 juli 1998 niet werd aangenomen als arbeidsongeval, daar geen plotselinge gebeurtenis werd aangetoond.

Deze brief is onmiskenbaar de administratieve beslissing in de zin van artikel 20 van de Arbeidsongevallenwet Openbare Sector, zoals door de heer B. zelf minstens impliciet wordt erkend in de inleidende dagvaarding van 10 juni 2011, waar hij refereert aan de brief van De Lijn van 12 januari 1999, waarin deze bevestigde dat de feiten niet als arbeidsongeval werden aanvaard.

De verjaringstermijn van artikel 20 van de Arbeidsongevallenwet Openbare Sector nam bijgevolg een aanvang op 13 januari 1999 om te verstrijken op 12 januari 2002 te 24 uur.

De vordering die werd ingeleid met dagvaarding van 10 juni 2011 is bijgevolg verjaard.

b.-

Ten onrechte stelt de heer B. dat de verjaringstermijn werd gestuit door de dagvaarding die hij op 13 september 1999 betekende aan OMOB (thans Ethias).

Een dagvaarding van de verzekeraar, bij wie de tewerkstellende overheid een arbeidsongevallen-verzekering heeft onderschreven, stuit de verjaring niet omdat die herverzekeraar volledig vreemd is aan de betwisting tussen het slachtoffer en de tewerkstellende overheid die de directe schuldenaar van de arbeidsongevallenvergoedingen blijft.

(vgl. R. Janvier, Verjaring: arbeidsongevallen openbare sector, in: A. Van Regenmortel, R. Janvier, V. Vervliet, Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht. Verjaring en sociale zekerheid, Brugge, Die Keure 2011, 270, nr. 81)

Met toepassing van artikel 2244 BW stuit een dagvaarding voor het gerecht de verjaring immers enkel wanneer deze betekend werd aan hem die men wel beletten de verjaring te verkrijgen.

Bovendien moet rekening worden gehouden met de bepaling van artikel 2247 BW, met toepassing waarvan de stuiting niet voor bestaande wordt gehouden wanneer de eis wordt afgewezen. Vermits de vordering van de heer B. tegen OMOB (thans Ethias) werd afgewezen, wordt een eventuele stuiting van de verjaringstermijn tijdens de procedure van de heer B. tegen OMOB (thans Ethias) bijgevolg voor onbestaande gehouden.

c.-

Evenzeer ten onrechte argumenteert de heer B. dat de verjaring gestuit zou zijn op grond van artikel 70 van de Arbeidsongevallenwet Private Sector, met toepassing waarvan de verjaring bovendien gestuit kan worden door een rechtsvordering tot betaling wegens het arbeidsongeval, gesteund op een andere rechtsgrond.

Hiermee wordt bedoeld, de vordering tot betaling van vergoedingen, gebaseerd op het gemeen recht, die aanhangig werd gemaakt voor de burgerlijke rechter of via een burgerlijke partijstelling voor de strafrechter.

In de arbeidsongevallenregeling voor de openbare sector kan evenwel niet worden voorgehouden dat een vordering tegen de eventuele arbeidsongevallenherverzekeraar van de tewerkstellende overheid een gelijkaardige stuiting van de verjaring zou teweegbrengen.

(vgl. R. Janvier, Verjaring: arbeidsongevallen openbare sector, in: A. Van Regenmortel, R. Janvier, V. Vervliet, Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht. Verjaring en sociale zekerheid, Brugge, Die Keure 2011, 270, nr. 86-87)

d.-

Met toepassing van artikel 16, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet Openbare Sector komen de gerechtskosten ten laste van de tewerkstellende overheid, behoudens in geval van tergend of roekeloos geding.

Het hoger beroep is enkel wat dit punt betreft gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch slechts gegrond in de mate dat het bestreden vonnis de kosten ten laste legde van de heer B.; bevestigt het bestreden vonnis in de overige beschikkingen;

Legt de kosten van het geding ten laste van De Lijn, deze kosten aan de zijde van de heer B. vereffend als volgt:

99,94 EUR kosten dagvaarding

120,25 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank

160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

P. CLERINX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

P. CLERINX D. VANHAGENDOREN

D. DE RAEDT D. RYCKX

De heer P. CLERINX, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door Mr D. RYCKX, Raadsheer en Mr D. VANHAGENDOREN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 18 februari 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Mots libres

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OPENBARE SECTOR

  • Verjaring

  • Aanvang van de verjaringstermijn

  • Geen stuiting door dagvaarding van herverzekeraar van het arbeidsongevallenrisico.