- Arrêt du 25 mars 2013

25/03/2013 - 2012/AB/463

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 37 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat wanneer de getroffene uitkeringen geniet krachtens een sociaal zekerheids- of sociaal voorzorgsstelsel die slechts worden toegekend op voorwaarde dat de wettelijk vastgestelde perken van toegelaten arbeid voor gepensioneerden niet worden overschreden, het basisloon wordt vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is ingevolge het verrichten van de toegelaten arbeid.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 MAART 2013.

5DE KAMER

Arbeidsongeval

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

N.V. AXA BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25.

Appellante, vertegenwoordigd door Mr. P. MILDE, advocaat te Leuven.

Tegen:

P. , wonende te xxx.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. VANDE GAAR loco Mr. M. SCHREVENS, advocaat te Kessel-Lo.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 13 maart 2012;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 mei 2012;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 25 februari 2013 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

Uit de niet betwiste weergave van de feiten door de eerste rechter blijkt dat de heer P. op 29 juni 2009 het slachtoffer was van een arbeidsongeval in dienst van de NV Start People, van wie de NV AXA Belgium (hierna genoemd de NV) verzekeraar ongevallen is.

Partijen raakten het niet eens over de gevolgen van dit arbeidsongeval, meer bepaald over de vergoeding van de tandschade die de heer P. bij dit arbeidsongeval had opgelopen.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 31 maart 2011 vorderde de NV voor de Arbeidsrechtbank te Leuven de aanstelling van een tandarts-deskundige met als opdracht een gemotiveerd advies uit te brengen over de vraag of met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat de schade aan de tanden van de heer P. een gevolg is van de plotselinge gebeurtenis van 29 juni 2009; in affirmatief geval, de gevolgen van het ongeval na te gaan en advies te geven over de wijze waarop de schade aan de tanden behandeld dient te worden en de kostprijs ervan te ramen, bij prothesen de noodzakelijke vernieuwingen te bepalen en de kostprijs te bepalen, vast te stellen of de afgelopen (lees wellicht opgelopen) letsels na consolidatie medicatie en/of medische of paramedische vaststellingen noodzaken en desgevallend de aard en de termijn ervan te bepalen en de omvang van de eraan verbonden kosten te ramen.

Zij vorderde tevens de voorlopige uitvoerbaarheid van het te wijzen vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 10 mei 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk; alvorens verder recht te doen stelde zij tandarts G. Houthuys aan als deskundige met de in de dagvaarding gevraagde opdracht.

De deskundige legde haar verslag neer ter griffie van de arbeidsrechtbank op 10 oktober 2011.

c.-

Met vonnis van 13 maart 2012 zegde de arbeidsrechtbank voor recht dat de vergoedingen die aan de heer P. verschuldigd zijn naar aanleiding van het arbeidsongeval waardoor deze op 29 juni 2009 werd getroffen, berekend dienden te worden op basis van:

- een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100 % van 29 juni 2009 tot en met 31 juli 2009

- geen blijvende economische arbeidsongeschiktheid vanaf 1 augustus 2009, datum van consolidatie

- een basisloon van 19.086,01 EUR.

Zij zegde verder voor recht dat de tandschade die de heer P. opliep bij het arbeidsongeval als volgt moest vergoed worden door de NV:

- twee radiografieën genomen op 9 juli 2009 ter waarde van 19,00 EUR

- éénmaal heropbouw tand 21 hoekbouw ter waarde van 70,00 EUR

- éénmaal kleven zuur ets techniek op tand 21 ter waarde van 11 EUR

- plaatsen van kunstharstand 11 en kunstharstand 12 op prothese, éénmalig, ter waarde van 90,00 EUR

- hetzij een totaal van 190 EUR.

De kosten van het geding werden ten laste gelegd van de NV en het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

d.-

Volgens de verklaringen van partijen werd het vonnis betekend op 16 april 2012.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 mei 2012, tekende de NV beperkt hoger beroep aan tegen het vonnis dat op 13 maart 2012 werd gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven.

Zij vorderde dat het arbeidshof dit vonnis zou hervormen, doch uitsluitend waar het de bepaling van het basisloon betreft, en te zeggen voor recht dat het basisloon 7.421,57 EUR bedraagt.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

Artikel 34 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat onder ‘basisloon' voor de bepaling van de door deze wet bepaalde uitkeringen moet worden verstaan, het loon waarop de werknemer in de functie waarin hij is tewerkgesteld in de onderneming op het ogenblik van het ongeval, recht heeft voor de periode van het jaar dat het ongeval voorafgaat (de zgn. referteperiode).

Artikel 37 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet bepaalt echter verder dat wanneer de getroffene uitkeringen geniet krachtens een sociaal zekerheids- of sociaal voorzorgsstelsel die slechts worden toegekend op voorwaarde dat de wettelijk vastgestelde perken van toegelaten arbeid voor gepensioneerden niet worden overschreden, het basisloon wordt vastgesteld uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is ingevolge het verrichten van de toegelaten arbeid.

Deze bepaling bedoelt het loon dat aan de gepensioneerde verschuldigd is als tegenprestatie voor de toegelaten arbeid die hij ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft verricht. De bepaling wordt bijgevolg geschonden door het arrest dat beslist dat het basisloon moet worden bepaald met inachtneming van het hoogste loon dat is toegestaan door de reglementering inzake pensioenen en dat het basisloon, indien het lager is dan dit maximum, moet worden aangevuld met een hypothetisch loon tot dit maximum.

(vgl. Cass. 17 oktober 1994, Arr. Cass. 1994, nr. 433)

Het staat niet ter discussie en blijkt uit de bijgebrachte stukken dat de heer P. vanaf 1 januari 2009 en bijgevolg op het ogenblik van het arbeidsongeval genoot van een rustpensioen, en activiteiten uitoefende in het kader van de toegelaten arbeid voor gepensioneerden.

In die omstandigheden dient het basisloon waarmee rekening gehouden dient te worden voor de bepaling van de hem ten gevolge van het arbeidsongeval toekomende vergoedingen, becijferd te worden uitsluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is ingevolge het verrichten van de toegelaten arbeid.

De NV becijfert het bedrag van de toegelaten arbeid voor rustpensioenen die worden opgenomen tussen 60 en 65 jaar voor gepensioneerden zonder kinderlast correct op 7.421,57 EUR. Met toepassing van artikel 37 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet dient het basisloon tot voornoemd bedrag te worden beperkt.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis doch enkel in de mate dat het zegde voor recht dat de vergoedingen die aan de heer P. verschuldigd zijn naar aanleiding van het arbeidsongeval waardoor hij op 29 juni 2009 getroffen werd, berekend dienen te worden op basis van een basisloon van 19.086,01 EUR;

Opnieuw recht doende, zegt voor recht dat de vergoedingen die aan de heer P. verschuldigd zijn naar aanleiding van het arbeidsongeval waardoor hij op 29 juni 2009 getroffen werd, berekend dienen te worden op basis van een basisloon van 7.421,57 EUR;

Bevestigt het bestreden vonnis in de overige beschikkingen;

Verwijst de NV in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de heer P. vereffend op 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

J.P. VAN CONINGSLOO : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

G. JACOBS J.P. VAN CONINGSLOO

D. DE RAEDT D. RYCKX

De heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door Mr D. RYCKX, Raadsheer en Mr G. JACOBS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 25 maart 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Mots libres

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SECTOR

  • Basisloon

  • Toegelaten activiteit voor gepensioneerden.