- Arrêt du 6 mai 2013

06/05/2013 - 2013/AB/00256

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het afgeven van onjuiste stukken dient ruim te worden bekeken en heeft ook betrekking op het achterhouden van relevante stukken.

In dezelfde zin heeft het begrip 'valse verklaringen' een ruime strekking. Dit duidt immers niet op een strafrechtelijke valsheid, maar wel op onjuiste en zelfs ook op onvolledige verklaringen.

In artikel 1675/15, § 1, 1° en 5° wordt voorzien in de mogelijkheid tot herroeping bij het 'doelbewust' afgeven van onjuiste stukken en het afleggen van 'bewust' valse verklaringen. Dit houdt in dat de inbreuken intentioneel dienen te gebeuren met het oog op het onrechtmatig bekomen van de collectieve schuldenregeling of het schade berokkenen aan een schuldeiser door het aanvragen van de collectieve schuldenregeling.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 MEI 2013

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

tegensprekelijk tav mevrouw Commissaris, de schuldbemiddelaar, de curatele van het faillissement NV Metaalbewerking het Zuiden België en bij verstek tav de overige schuldeisers

definitief

In de zaak:

C.G. wonende te

,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. VAN BRUSSELT An-Sofie loco mr. VANDENDRIES Thomas, advocaat te 3200 AARSCHOT, Schaluinevest 6A/0.

Tegen: DEVOS-NAULAERTS ADVOCATEN, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV Metaalbewerking het Zuiden België met kantoor te 2440 GEEL, Diestsesteenweg 155, voor wie advocaat mtr. CORSUS Katleen verschijnt.

In aanwezigheid van:

1. TELENET NV, gevestigd te 2800 MECHELEN, Liersesteenweg 4,

2. ARGENTA SPAARBANK NV, gevestigd te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 49-53,

3. CITIBANK BELGIUM NV, gevestigd te 1050 BRUSSEL, Gen Jacqueslaan 263/g,

4. EANDIS, gevestigd te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg 199,

5. UNIVERSUM INKASSO, gevestigd te 9140 TEMSE, Winninglaan 3,

6. BELGACOM NV, c/o Gerechtdeurwaaeder DE PROOST, 2300 TURNHOUT, Otterstraat 179,

7. VMW, c/o Gerechtsdeurwaarder DEMEUTER, 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 122,

8. VAN CRAEN-FEREMANS, wonende te 2223 SCHRIEK, Trommelstraat 25,

9. VAN RENSBERGEN Ivo, wonende te 3202 RILLAAR, Motterstraat 88,

10. OCMW VAN AARSCHOT, gevestigd te 3200 AARSCHOT, Statiestraat, 3,

11. UYTTENDAELE VEHUIZINGEN BVBA, gevestigd te 3200 AARSCHOT, Heidelaan 69 A,

12. ZIEKENWAGEN AARSCHOT VZM, gevestigd te 3200 AARSCHOT, August Reyerslaan 48,

13. TROIS SUISSES (SAINT BRICE NV), gevestigd te 7501 ORCQ, Chaussée de Lille 422,

14. ADVOCATENKANTOOR BOLLEN & VANDENDRIES, met kantoor te 3200 AARSCHOT, Schaluinevest 6A/0,

15. AGENTSCHAP VLAAMSE BELASTINGSDIENST, gevestigd te 9300 AALST, Bauwensplaats 13 bus 1,

Al deze schuldeisers verstekdoende

16. TIMMERMANS Katrien, advocaat, in haar hoedanigheid van schuldbemiddelaar, met kantoor te 3000 LEUVEN, Tiensestraat 76,

en verschijnend ter zitting;

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek op 6 februari 2013 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 6e kamer (A.R. 11/231/B),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 1 maart 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 15 april 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Bij beschikking van 31 mei 2011 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd het verzoek van mevrouw Gerda Commissaris van 27 mei 2011 om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaard.

Mtr. K Timmermans werd aangesteld als schuldbemiddelaar.

2. Bij beschikking van 3 april 2012 homologeerde de arbeidsrechtbank het door de schuldbemiddelaar voorgestelde plan van minnelijke aanzuivering.

3. Eerder was mevrouw C.bij verstekvonnis van 20 juni 2011 van de Correctionele rechtbank te Turnhout veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en tot een geldboete van euro 300 vermeerderd met kosten en de wettelijke bijdrage, alsook tot verbeurdverklaring van de som van euro 251.658,07 met toewijzing van dit bedrag aan de burgerlijke partij, de curatele van het faillissement NV Metaalbewerking het Zuiden België, o.m. wegens schriftvervalsing met gebruik, oplichting en heling witwas.

Op burgerlijk gebied werd ze veroordeeld tot betaling aan de burgerlijke partij van het bedrag van euro 251.658,07, vermeerderd met intresten en kosten of in totaal

euro 271.402,11.

Mevrouw C. tekende verzet aan en bij vonnis van 2 januari 2012 van de Correctionele Rechtbank te Turnhout werd dit verzet aanvaard, zonder wijziging van het verstekvonnis.

De schuldbemiddelaar bevestigt dat mevrouw C. haar inlichtte over het bestaan van deze veroordeling zonder echter het omvangrijke bedrag van de toegekende burgerlijke partijstelling te preciseren; ze kondigde aan hoger beroep aan te tekenen, waarna de schuldbemiddelaar haar uitnodigde om haar verder te informeren na de uitspraak in hoger beroep.

4. Mevrouw C. tekende op 5 januari 2012 hoger beroep aan tegen alle beschikkingen, waarna ze op de openbare terechtzitting van 5 april 2012 andermaal verstek liet. Mits enkel technische aanpassingen bevestigde het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 31 mei 2012 de uitspraak van de Correctionele Rechtbank te Turnhout.

Mevrouw C. verwittigde de schuldbemiddelaar van deze uitspraak in hoger beroep. De schuldbemiddelaar vernam het bedrag van de toegekende burgerlijke partijstelling via de mededeling van de rechterlijke uitspraken door de curatele.

5. Door het opduiken van deze bijkomende omvangrijke schuld vroeg de schuld-bemiddelaar op 10 juli 2012 de heropening van de minnelijke aanzuivering om een nieuw plan te kunnen voorstellen. Bij beschikking van 18 juli 2012 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd dit toegestaan.

6. Op 22 november 2012 legden de curatoren van de NV Metaalbewerking het Zuiden België een verzoekschrift tot herroeping van de toelaatbaarheidverklaring neer op grond van art. 1675/15 §1, 1°, 4° en 5° Ger. W., omdat mevrouw Commissaris bij haar aanvraag geen melding gemaakt had van haar belangrijke schuld aan de curatele.

7. Bij vonnis van 6 februari 2013 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd de herroeping op de gevraagde gronden uitgesproken.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 1 maart 2013, tekende mevrouw C. hoger beroep aan en vroeg dat ze verder tot de collectieve schuldenregeling zou worden toegelaten.

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en ook aan de andere ontvankelijkheid-voorwaarden werd voldaan, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep toelaatbaar is.

2. Artikel 1675/15 §1 Ger. W. bepaalt dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke aanzuiveringregeling kan worden uitgesproken, wanneer de schuldenaars:

1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;

2° ...

3° ...

4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt

5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd

...

3. De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepinggronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers (P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, p. 75, nr. 110).

In de parlementaire voorbereiding van de wetgeving betreffende de collectieve schuldenregeling werd benadrukt dat de gronden tot herroeping in essentie neerkomen op het niet nakomen van de procedurele goede trouw (Gedr. St. Kamer, 1996-97, 1073/11, 87-88; 1073/1, 17 en 1073/11, 23).

Deze veronderstelt een loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling.

1° het afgeven van onjuiste stukken met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden

5° het afleggen van bewust valse verklaringen

4. Het afgeven van onjuiste stukken dient ruim te worden bekeken en heeft ook betrekking op het achterhouden van relevante stukken (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., nr. 17).

In dezelfde zin heeft het begrip valse verklaringen een ruime strekking. Dit duidt immers niet op een strafrechtelijke valsheid, maar wel op onjuiste en zelfs ook op onvolledige verklaringen, met name onvolledig op het vlak waar het nu net van het grootste belang was om de betrokken verklaring of inlichting wel te geven (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. o.c., nr. 27).

5. Het is onbetwistbaar dat mevrouw C. de relevante stukken in verband met de terugvordering van haar werkgever wegens haar bedrieglijke handelingen niet heeft overgelegd bij haar verzoek om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Tevens heeft ze onvolledige verklaringen afgelegd door hierover te zwijgen.

Haar excuus dat deze vordering niet zeker en vaststaand zou zijn omdat deze nog niet gerechtelijk was vastgelegd, is naast de kwestie.

Immers, art. 1675/4, 10° Ger. W. bepaalt dat het verzoekschrift opgave moet doen van in voorkomend geval de geheel of gedeeltelijk betwiste schulden en de gronden van betwisting.

Bovendien bevestigt ze ter zitting dat ze de vordering van de burgerlijke partij nooit betwistte.

Haar verzoek tot toelaatbaarheid ontbrak dus in beginsel de vereiste accuraatheid en zorgvuldigheid.

6. Nochtans heeft de wetgever in art. 1675/4 §3 Ger. W. zelf oog gehad voor de omstandigheid dat een verzoekschrift onvolledig kon zijn, doordat de rechter een aanvulling van de gegevens kan vragen.

In art. 1675/15 §1, 1° en 5° wordt daarom enkel voorzien in de mogelijkheid tot herroeping bij het ‘doelbewust' afgeven van onjuiste stukken en het afleggen van ‘bewust' valse verklaringen. Dit houdt in dat de inbreuken intentioneel dienen te gebeuren met het oog op het onrechtmatig bekomen van de collectieve schuldenregeling of het schade berokkenen aan een schuldeiser door het aanvragen van de collectieve schuldenregeling (De Coster S., Artikel 1675/4 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., nr. 30, in fine en de verwijzingen in voetnoot 4 (p.21); De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. o.c., nr. 17 en 27).

Het ‘bewust' achterhouden van gegevens staat in deze zaak echter niet vast, omdat uit de toelichting van de schuldbemiddelaar volgt dat deze wel degelijk door mevrouw Commissaris op de hoogte gebracht werd van het verloop van de strafzaak, zij het dat ze daarbij geen melding gemaakt heeft van het belangrijke bedrag van de burgerlijke partijstelling, maar de schuldbemiddelaar heeft daar ook niet verder naar gevraagd en ze heeft zich tevreden gesteld met het afwachten van de correctionele uitspraak in hoger beroep.

7. Terecht wijst De Coster erop dat valse verklaringen het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling kunnen voorafgaan, maar dat deze verklaringen dan wel betrekking moeten hebben op de procedure van de collectieve schuldenregeling zelf. Anders oordelen zou een voorwaarde aan het toepassingsgebied van de wet toevoegen; voorafgaande goede trouw is immers niet relevant voor de collectieve schuldenregeling, enkel procedurele goede trouw (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. o.c., nr. 28).

Dit leidt tot de vraag die ook door de eerste rechter gesteld werd, met name of mevrouw C. met bewust valse verklaringen de rechtbank heeft misleid om ten onrechte de collectieve schuldenregeling te bekomen.

In dat verband steunde de curatele van het faillissement NV Metaalbewerking het Zuiden België haar vraag tot herroeping op art. 1675/15 §1, 4° Ger. W., het bewerken van zijn onvermogen.

4° Het bewerken van zijn onvermogen.

8. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp, dat tot de wetgeving collectieve schuldenregeling heeft geleid, heeft de bevoegde Vice-eerste minister aangegeven dat er bewerking van het onvermogen kan zijn, wanneer de schuldenaar bedrieglijke handelingen verricht ter benadeling van de rechten van zijn schuldeisers (Parl. St. 1996 -97, nr. 1073/1 en 1074/1, 17).

Het is duidelijk dat mevrouw C. zich voor de aanvraag collectieve schuldenregeling schuldig heeft gemaakt aan bedrog, valsheid in geschrifte en gebruik, oplichting en witwas. Maar deze handelingen hebben geen betrekking op de vereiste ‘procedurele' goede trouw, doch hebben eerder te maken met het ontbreken van haar ‘voorafgaande' goede trouw.

9. Immers, uit een arrest van het Hof van Cassatie van 21 juni 2007, (JLMB 2008, 81; Pas. 2007, 1294; Soc.Kron. 2009, 493) volgt dat dergelijke bedrieglijke handelingen op zich onvoldoende zijn om het verzoek tot collectieve schuldenregeling af te wijzen als niet toelaatbaar.

In het door het Hof van Cassatie onderzochte geval had de verzoeker zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en oplichting ten nadele van het R.I.Z.I.V. en dit met een uitdrukkelijk bedrieglijk opzet.

Het hof stelde: Door... te beslissen dat YRL niet in aanmerking komt voor de procedure van de collectieve schuldenregeling op grond dat zij in haar hoedanigheid van verpleegster ‘ attesten van zorgverlening heeft afgegeven, ofschoon geen verzorging was verstrekt of er niet voldaan was aan de criteria voor vergoeding ervan door de sociale zekerheid', schendt het arrest het boven aangehaalde artikel 1675/2 daar het niet vaststelt dat de betrokkene die misdrijven heeft gepleegd met het opzet zich onvermogend te maken.

(Zie in dezelfde zin: E. DIRIX, Boeven en schuldsanering, RW 2007-08, 1115- 1117, meer bijzonder nr. 5, p. 1117, die erop wijst dat in beginsel de toegang tot de collectieve schuldenregeling niet kan worden ontzegd, wanneer de schuldenlast mede te wijten is aan een strafrechtelijke veroordeling).

Het is dus niet voldoende dat de aanvrager bedrieglijke handelingen heeft verricht ter benadeling van de rechten van zijn schuldeisers, doch er dienen tevens gegevens aanwezig te zijn waaruit kan afgeleid worden dat zij deze misdrijven heeft gepleegd met het opzet zich onvermogend te maken (Arbh. Brussel, 4 oktober 2010, AR 2010/AB/748; Arbh. Brussel, AR 2010/AB/605; Arbh. Bergen, 22 december 2010, AR 2010/BM/21).

De wetgeving collectieve schuldenregeling wil aan de schuldenaar, ondanks zijn verleden, een verse start geven. Aldus is de voorafgaande goede trouw geen vereiste (zie in dezelfde zin randnummer 6 en de verwijzing naar De Coster).

10. Ondanks de laakbare handelingen van mevrouw C., waarvoor ze correctioneel gestraft werd, heeft ze deze handelingen niet gesteld met het oogmerk om zich onvermogend te maken om zo ten onrechte toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Immers de feiten speelden zich af tussen 7 januari 2008 en 7 november 2009, terwijl ze de collectieve schuldenregeling pas aanvroeg op 27 mei 2011.

Ook, indien mevrouw C. in haar inleidend verzoekschrift melding had gemaakt van haar schuld wegens terugbetaling aan haar gewezen werkgever, dan nog had de rechter enkel omwille van het manifeste ontbreken van de ‘voorafgaande' goede trouw, het verzoek niet ontoelaatbaar kunnen verklaren. In die zin heeft het niet aangeven van de veroordeling geen weerslag op de toelaatbaarheid.

Zoals in randnummer 5 werd vastgesteld, staat het ook niet vast dat ze bewust deze informatie heeft weggelaten en heeft ze alleszins de schuldbemiddelaar op de hoogte gebracht.

Hierdoor is er in de huidige stand geen reden om de toelaatbaarheid te herroepen.

11. Mevrouw C. dient dan wel in acht te nemen dat de wetgeving collectieve schuldenregeling lankmoedig is en uitgaat van de bedoeling om haar, ondanks haar verleden, een verse start te geven.

Ook al is de voorafgaande goede trouw geen vereiste, dan houdt dit wel in dat zij voor de verdere toekomst alleszins zeer strikt de procedurele goede trouw dient in acht te nemen, wat betekent dat zij de voorwaarden van de collectieve schuldenregeling zeer stipt zal moeten naleven op straffe van mogelijke herroeping. Ze zal daarbij volledige en klare transparantie moeten geven over alles wat verband houdt met haar schuldensituatie en ze zal maximaal moeten meewerken aan de noodzakelijke sanering en terugbetaling van haar schulden.

Enkel in die zin is haar hoger beroep gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende op tegenspraak ten aanzien van mevrouw C., de schuldbemiddelaar, de curatele van het faillissement NV Metaalbewerking het Zuiden België en bij verstek ten aanzien van de overige schuldeisers;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de vordering tot herroeping van de toelaatbaarheid van de curatele van het faillissement NV Metaalbewerking het Zuiden België ontvankelijk doch ongegrond;

Zegt dat er geen aanleiding bestaat tot herroeping van de beschikking tot toelaatbaarheid van 31 mei 2011.

Duidt Mter Katrien Timmermans verder aan als schuldbemiddelaar met verzoek haar opdracht te willen vervolgen, rekening houdend met de motivering hierboven vermeld in randnummer 11.

Verzendt bij toepassing van artikel 1675/14 § 2 Ger. W. de zaak terug naar de arbeidsrechtbank te Leuven, voor verdere behandeling als naar recht.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 6 mei 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • SCHULDOVERLAST

  • Herroeping wegens walse stukken of valse verklaringen

  • Intentioneel element vereist.