- Arrêt du 7 juin 2013

07/06/2013 - 2012/ab/491

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een vordering wegens rechtsmisbruik omwille van een ontslag en de eruit voortvloeiende bescherming vindt haar grondslag in art. 1134 BW en heeft een contractuele grondslag, zodat de éénjarige verjaringstermijn van art. 15 arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 JUNI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

B. H. M.,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. VAN INGELGEM Maarten, advocaat te

1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C B414.

Tegen:

GVC TRUVO BELGIUM, met maatschappelijke zetel te

2018 ANTWERPEN, De Keyserlei 5 bus 7,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. CRAENINCKX Herman en mr. DEREYMAEKER Sigrid, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 29 maart 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 10/5284/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 mei 2012,

- de conclusies en de syntheseconclusie voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 13 december 2012 en 19 februari 2013,

- de conclusie en de aanvullende/syntheseconclusies voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 12 november 2012, 21 januari 2013 en 2 april 2013,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 23 mei 2005 ondertekenden mevrouw B. H. en de gewone commanditaire vennootschap Promedia (thans Truvo Belgium - verder aangeduid als Truvo) een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd als televerkoopster. Ze kwam in dienst op 30 mei 2005.

2. Mevrouw B. stelde zich kandidaat bij de sociale verkiezingen 2008 en ze werd verkozen als plaatsvervanger in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk.

Ze houdt voor dat ze vooral het stressprobleem bij het personeel ter sprake bracht. Truvo zegt dat deze problemen telkens werden opgelost.

3. Ondanks enkele positieve evaluaties, houdt Truvo voor dat ze niet voldeed en dat er klachten waren over haar functioneren.

Om die reden zou Truvo zinnens geweest zijn mevrouw B. te ontslagen met dringende reden, waarvan haar vakorganisatie op 5 oktober 2009 ingelicht werd, die aandrong om tot een onderlinge oplossing te komen.

4. Bij brief van 5 oktober 2009 werd de arbeidsovereenkomst beëindigd met een opzeggingsvergoeding van 3 maanden en met een aanbod van outplacement.

Mevrouw B. houdt voor dat ze op 5 oktober 2009 niet moest werken en dat deze ontslagbrief haar pas werd voorgelegd op 6 oktober 2009. Ze tekende de brief voor ontvangst zonder een (andersluidende) datum bij haar handtekening te schrijven.

Naar ze zegt, zou haar in het bijzijn van 3 vakbondsvertegenwoordigers op hetzelfde ogenblik een ontslagbrief uit haar mandaat van plaatsvervanger CPBW, gedateerd 6 september 2009 zijn voorgelegd, die ze ondertekende samen met haar hoofdafgevaardigde. Ook hier werd geen andere datum bij de handtekeningen gezet.

Ook werd haar een dading voorgelegd, gedateerd 6 oktober 2009, waarin het einde van haar tewerkstelling werd geregeld en die voor gelezen en goedgekeurd werd ondertekend door Truvo en haarzelf. De hoofdafgevaardigde tekende mee als aanwezig bij de transactie.

5. In de preliminaria van de dading wordt het verloop geschetst en wordt melding gemaakt van een vraag tot re-integratie van mevrouw B. die door Truvo werd geweigerd.

Partijen stellen de beëindiging vast op 5 oktober 2009, waarna aan mevrouw B., naast de 13de en pro rata 14de maand en het vertrekvakantiegeld, een opzeggingsvergoeding van 8 maanden of euro 36.000, een uitwinningsvergoeding van 3 maanden of euro 13.500 en een schadevergoeding van euro 18.000 wegens schending van het werkzekerheidbeding in de ondernemings-cao 2007-2010 worden toegekend.

Mevrouw B. verzaakt aan alle eisen in verband met de beëindiging van haar overeenkomst en meer bepaald verzaakt ze aan de bescherming(svergoeding) tegen ontslag die ze geniet ten gevolge van haar kandidatuurstelling sociale verkiezingen 2008 en aan haar mandaat als plaatsvervanger in het CPBW. Ze ziet dus ook af van de bescherming op basis van de wet van 19 maart 1991 en ze zal geen gerechtelijke procedure instellen, althans volgens de dading.

Er wordt overeengekomen dat de eventuele nietigheid van één van de bepalingen van deze overeenkomst de geldigheid van de overige bepalingen niet aantast, noch de uitvoerbaarheid ervan.

6. Bij aangetekende brief van 8 oktober 2009, uitgaande van haar vakorganisatie en ondertekend door de permanente secretaris P. S., niet aanwezig bij de dading, werd de re-integratie gevraagd, gelet op de bescherming als kandidaat, die van openbare orde is en waaraan geen private overeenkomst afbreuk kan doen.

Bij aangetekende brief van 13 oktober 2009, uitgaande van haar vakorganisatie ondertekend door een andere permanente secretaris en door de hoofd-afgevaardigde, die de dading mee had ondertekend met kopie aan de heer S., wordt aan Truvo gemeld dat de brief van 8 oktober 2009 gelet op de dading als onbestaande moet worden beschouwd, wat dus inhoudt dat hun aangeslotene geen re-integratie wenst.

7. Op 7 april 2010 dagvaardde mevrouw B. Truvo in voorlegging van een aantal stukken, de persoonlijke verschijning en een getuigenverhoor en in betaling van euro 216.000, vermeerderd met intresten en kosten als beschermingsvergoeding omwille van haar mandaat. Ze betwistte de geldigheid van de dading.

8. Bij vonnis van 29 maart 2012 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering omwille van de geldigheid van de dading afgewezen als ontvankelijk, maar ongegrond.

9. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 18 mei 2012, tekende mevrouw B. hoger beroep aan tegen dit vonnis en hernam ze haar oorspronkelijke vordering, minstens vroeg ze een bedrag van euro 198.384,60, berekend op een brutoloon van euro 3.906,41, vermeerderd met wettelijke intresten vanaf de datum van het re-integratieverzoek + 30 dagen.

In haar aanvullende besluiten in hoger beroep van 21 januari 2013 stelde Truvo een tegeneis wegens rechtsmisbruik in betaling van hetzelfde bedrag waartoe ze zou veroordeeld worden inclusief de intresten. Mevrouw B. vroeg dat deze onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard wegens o.m. verjaring.

Truvo vroeg in de meest ondergeschikte orde een herleiding van de vordering tot

euro 39.753,90 wegens gerechtelijke schuldvergelijking.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

Het openbare-orde-karakter van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en de mogelijkheid om afstand te doen van de beschermingsvergoeding(en)

2. Mevrouw B. was plaatsvervangend lid van het CPBW. Ongeacht het ontslag uit haar mandaat, zoals gegeven in de brief van 6 september 2009, bleef ze beschermd als kandidaat. (Gr. H. 19/2002 van 23 januari 2002 en Gr. H. 167/2006 van 8 november 2006).

Deze bescherming wordt vastgelegd in de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagbescherming van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor bescherming en preventie op het werk (hierna aangeduid als Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden). Ze heeft tot doel, enerzijds aan de personeelsafgevaardigden de gelegenheid te geven hun opdracht in de onderneming uit te voeren, en, anderzijds de volledige vrijheid van de werknemers te waarborgen om zich kandidaat te stellen teneinde hun opdracht uit te voeren.

Die bescherming, waartoe de in art. 14 van deze wet bepaalde mogelijkheid tot re-integratie behoort, is in het algemeen belang ingesteld en raakt dienvolgens de openbare orde. (Cass. 4 september 1995, JTT 1195, 493 met noot Wantiez; RW 1996-97, 63; Soc. Kron. 1995, 474 met noot; Cass. 1 december 1997, Soc. Kron. 1998, 292 met noot; Cass. 16 mei 2011, JTT 2011, 301 met noot D. en A. Votquenne; RW 2011-12, 1904 met noot L. Eliaerts; RABG 2012, 158 met noot M. Demedts).

Rechtsleer en rechtspraak zijn lang verdeeld geweest over de vraag of het openbare orde karakter van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden zich ook uitstrekte tot de bepalingen in verband met de beschermingsvergoeding en meer bepaald over de vraag of deze niet eerder de private belangen van de betrokkenen dienden, zodat er afstand van kon worden gedaan. Voor een overzicht van deze zienswijzen kan verwezen worden naar de noot van J. Buelens en I. Van Puyvelde, Het moment van opeisbaarheid bij afstand van de beschermingsvergoeding van beschermde werknemers onder Arbh. Antwerpen 14 december 2009, RW 2010-11, 1058, meer bepaald 1062-1063, randnummers 3 tot 6; HF Lenaerts en O. Wouters, Het ontslag van beschermde werknemers, Sociale praktijkstudies, Mechelen, Kluwer, 2012, 167-172; I. Plets, S. Demeestere, J. Hofkens en A. Vandenbergen, 20 Jaar Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden Artikelsgewijze commentaar, Antwerpen, Intersentia, 2011, 239-241).

3. Het arbeidshof Antwerpen zegde hierover in het hierboven aangehaalde arrest van 14 december 2009 dat de omstandigheid dat het bijzonder beschermingssysteem van openbare orde is, niet tot gevolg heeft dat alle daaruit voortvloeiende rechten automatisch een openbare orde karakter meedragen, omdat dit bepaald wordt door de aard van de belangen die de bepaling wil beschermen.

Ook al raakt de ontslagbescherming de openbare orde, omdat deze in het algemeen belang werd ingesteld, toch kan de beschermde afstand doen van de beschermings-vergoeding vanaf het ogenblik dat hij werd ontslagen en het vaststaat dat zijn rechten op deze vergoeding definitief verworven zijn, omdat de desbetreffende bepalingen vanaf dan enkel private belangen beschermen.

Het arbeidshof Antwerpen situeert dat ogenblik op het moment wanneer het vaststaat dat hij niet zal worden gere-integreerd,

hetzij omdat geen re-integratie is gevraagd binnen de in art. 14 bepaalde termijn

hetzij omdat de werkgever een tijdig gevraagde re-integratie niet tijdig aanvaardt

hetzij omdat de werkgever binnen de termijn waarbinnen de re-integratie kan worden gevraagd reeds uitdrukkelijk de wil heeft geuit niet tot re-integratie te zullen overgaan (eigen onderlijning)

De annotators Buelens en Van Puyvelde volgen grotendeels de redenering uiteengezet in dit arrest, maar ze maken een voorbehoud m.b.t. de laatste (onderlijnde) mogelijkheid omdat het Hof van Cassatie in het arrest van 24 september 1984 reeds heeft aangegeven dat na een weigering tot re-integratie de werkgever hierop nog kan terugkomen binnen de termijn van 30 dagen. (Cass. 24 september 1984, Soc. Kron. 1985, 42; JTT 1985,33) Ze leiden hieruit af dat, behoudens niet tijdige aanvraag of behoudens (tijdige) aanvaarding van de re-integratie, het slechts na het verloop van de 30 dagen na de aanvraag tot re-integratie de beschermingsvergoeding definitief verworven kan zijn, zodat pas na verloop van deze termijn afstand kan worden gedaan.

4. Het cassatieberoep tegen het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 14 december 2009 werd verworpen door het in randnummer 2 geciteerde cassatiearrest van 16 mei 2011, waarin werd overwogen:

Het openbare-orde-karakter van de wettelijke ontslagbescherming heeft niet tot gevolg dat alle uit die bescherming voortvloeiende rechten de openbare orde raken en niet vatbaar zijn voor afstand door de beschermde werknemer.

Van zodra de werkgever de ontslagprocedure niet heeft nageleefd en de tot de ontslagbescherming behorende mogelijke re-integratie van de beschermde werknemer in de onderneming binnen de in de wet bepaalde termijnen niet meer kan worden gevraagd of niet is ingewilligd en derhalve de ontslagbescherming niet haar doel heeft bereikt, worden door de in de art. 16 en 17 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalde ontslagvergoedingen nog slechts de particuliere belangen van de ontslagen werknemer beschermd.

Hieruit volgt dat de ontslagen beschermde werknemer vanaf dan zijn recht op de ontslagvergoeding definitief verworven heeft en ervan afstand kan doen

(eigen onderlijning).

Het arbeidshof sluit zich bij dit arrest aan.

5. Terecht merkt L. Eliaerts bij dit arrest op dat anders dan het bestreden arrest van het arbeidshof Antwerpen, het Hof van Cassatie dus niet besliste dat de beschermingsvergoeding eveneens verworven is en het voorwerp van een afstand kan zijn wanneer de werkgever reeds uitdrukkelijk de wil heeft geuit niet tot re-integratie te zullen overgaan vooraleer de termijnen verstreken zijn. Met verwijzing naar het cassatiearrest van 24 september 1984 herneemt deze auteur het standpunt van Buelens en Van Puyvelde dat de werkgever kan terugkomen op een aanvankelijke weigering tot herplaatsing, mits hij dit doet binnen 30 dagen na de re-integratieaanvraag. (L. Eliaerts, Afstand van beschermingsvergoeding door de beschermde werknemer, noot onder Cass. 16 mei 2011, RW 2011-12, 1906, nr. 2; zie in dezelfde zin noot D. en A. Votquenne onder Cass. 16 mei 2011, JTT 2011, 305; M. Demedts, Afstand van een beschermingsvergoeding door een (kandidaat-)personeelsafgevaardigde, RABG 2012, 164, meer bepaald voetnoot 38; C. Wattecamps, Verzaking aan de beschermingsvergoeding door de (kandidaat-) personeelsafgevaardigde, ATO Actuele Voorinformatie, 357.3, 22).

Toepassing

6. Truvo argumenteert dat uit 5de van de preliminaria van de dading volgt dat mevrouw B. haar re-integratie heeft aangevraagd en dat de vennootschap deze aanvraag tot re-integratie geweigerd heeft.

Ze leidt hieruit af dat de re-integratie niet is ingewilligd en dat de ontslagbescherming niet haar doel heeft bereikt, zodat de ontslagvergoedingen nog slechts de particuliere belangen van de ontslagen werkneemster beschermden en ze vanaf dan haar recht definitief verworven had en ervan afstand kon doen.

Truvo veronachtzaamt zo dat ze als werkgever nog kon terugkomen op een aanvankelijke weigering tot herplaatsing, mits ze dit deed binnen de 30 dagen na de beweerde aanvraag.

Ten onrechte wil ze daarbij de leer van het cassatiearrest van 24 september 1984 terzijde schuiven, omdat deze rechtspraak teruggaat tot de vroegere wettelijke regeling, met name de bescherming die besloten lag in de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid, de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, waarin voorzien was in een verplichte vraag tot re-integratie als voorwaarde tot het bekomen van de toen geldende beschermingsvergoeding.

Dit verschil doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de werkgever om op een eerdere weigering terug te komen.

7. Evenmin kan Truvo een argument halen uit het cassatiearrest van 23 maart 1991 (JTT 1991, 324) waarin wordt gezegd dat de beschermingsvergoeding uiterlijk kan gevorderd worden bij het verstrijken van de termijn tijdens welke de werkgever de aangevraagde herplaatsing had moeten toestaan. Truvo leidt uit het woord uiterlijk af dat dit recht dan ook vroeger kan worden gevorderd.

Nadat Buelens en Van Puyvelde de context van dit arrest hebben uitgelegd, besluiten ze terecht dat in dit arrest met het woord uiterlijk werd aangegeven dat de termijn om een beslissing te nemen over de gevraagde re-integratie niet kan worden verlengd (J. Buelens en I. Van Puyvelde, a.w., RW 2010-11, 1064-1065, nr.9).

De eerste rechter onderzocht de geldigheid van de dading, maar voorafgaandelijk diende te worden nagegaan of mevrouw B. op dat ogenblik over haar recht op een beschermingsvergoeding kon beschikken en of ze hiervan toen reeds afstand kon doen. (Op 6 oktober 2009 was dit naar het oordeel van het hof niet het geval, zie randnummer 5.)

Gelet op wat hierboven werd uitgelegd in de randnummers 2 tot 5 kunnen evenmin de overige argumenten van Truvo tot de conclusie leiden dat op 6 oktober 2009 mevrouw B. haar recht op de ontslagvergoeding definitief verworven had en ervan afstand kon doen of m.a.w. de afstand in de dading geldig was.

Geen geldige re-integratieaanvraag op 6 oktober 2009

8. Bovendien moet op grond van art. 17 van de Wet Ontslagregeling Personeels-afgevaardigden de niet aanvaarding van de re-integratie gebeuren binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden. Ook in art. 14 wordt bepaald dat de aanvraag moet gebeuren bij een ter post aangetekende brief.

Dergelijke aanvraag heeft op 6 oktober 2009 niet plaats gehad. Nadat mevrouw B. in eerste aanleg nog met alle middelen, zoals persoonlijke verschijning en getuigenverhoor, wilde aantonen dat er geen aanvraag tot herplaatsing was geweest, neemt ze thans het standpunt in dat deze aanvraag mondeling gebeurde bij de onderhandeling naar aanleiding van de dading. Een zodanige mondelinge aanvraag voldoet niet aan het wettelijke vereiste van een ter post aangetekende brief.

Op grond van het openbare-orde-karakter van de beschermingsregeling in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden moeten de voorgeschreven regels restrictief worden toegepast (Arbh. Antwerpen 25 april 2001, Soc. Kron. 2002, 18), zodat een loutere kennisgeving van het verzoek tot herplaatsing niet volstaat.

Ook de recente rechtsleer bevestigt dit standpunt ( I. Plets, S. Demeestere, J. Hofkens en A. Vandenbergen, 20 Jaar Wet Ontslagregeling Personeels-afgevaardigden Artikelsgewijze commentaar, Antwerpen, Intersentia, 2011, 221-222, nr. 490; HF Lenaerts en O. Wouters, Het ontslag van beschermde werknemers, Sociale praktijkstudies, Mechelen, Kluwer, 2012, 158-159, nr. 94; J. Steyaert, F. Dorssemont, C. De Ganck en M. De Gols, Paritair overleg in de onderneming, in APR, Mechelen Kluwer 2009, 526-527, nr.916).

Bij gebreke aan geldige aanvraag op 6 oktober 2009 in overeenstemming met de art. 14 en 17 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, kon op die datum deze aanvraag evenmin zijn geweigerd binnen de wettelijke voorwaarden, zodat het recht op beschermingsvergoeding voor mevrouw B. bij het ondertekenen van de dading alleszins niet verworven was en ze er geen afstand van kon doen.

Het recht op beschermingsvergoeding

9. Mevrouw B. houdt voor dat ze aldus aanspraak kan maken op de beschermingsvergoeding van zowel art. 16 (forfaitaire vergoeding op basis van het aantal dienstjaren) als van art. 17 ( vergoeding tot einde mandaat) van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden.

Ze gaat er dus van uit dat na haar ontslag een geldige re-integratieaanvraag plaats vond, die door de werkgever geweigerd werd, wat een vereiste is voor de vergoeding op grond van art. 17.

10. In randnummer 8 werd vastgesteld dat de mondelinge aanvraag, die geformuleerd werd in het kader van de onderhandelingen, niet voldeed aan het vereiste van art. 14 en 17 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, omdat ze niet bij aangetekende brief gebeurde.

Evenmin kan mevrouw B. verwijzen naar de aangetekende re-integratieaanvraag, geformuleerd door bestendig secretaris S. op 8 oktober 2009.

Deze aanvraag, die geformuleerd werd namens de organisatie die de kandidatuur van mevrouw B. had voorgedragen, werd immers door diezelfde organisatie ingetrokken bij aangetekende brief van 13 oktober 2009 met de uitdrukkelijke melding dat mevrouw B. geen re-integratie wenste.

Deze niet mis te verstane intrekking werd ten aanzien van Truvo overigens nooit tegengesproken, noch door mevrouw B., noch door de bestendig secretaris S., zodat Truvo de eerdere brief diende te beschouwen als nietig en niet bestaande. (nul et non avenu).

Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat uit de ingetrokken brief van 8 oktober 2009 op geen enkele wijze blijkt dat de heer S. een bijzonder mandaat zou gehad hebben om namens mevrouw B. persoonlijk te handelen. Hij schrijft overduidelijk namens de organisatie, die de brief nadien introk, zoals hierboven beschreven.

11. Hieruit vloeit voort dat mevrouw B. door het ontbreken van geldige re-integratieaanvraag, geen aanspraak kan maken op de beschermingsvergoeding van art. 17 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden.

Dit deel van haar vordering is ongegrond.

Wel kan ze zich beroepen op art. 16. Ze telde minder dan 10 dienstjaren (30 mei 2005 tot 5 oktober 2009), zodat ze aanspraak kan maken op een vergoeding gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van twee jaar.

12. Nadat mevrouw B. de dading terzijde had laten schuiven, wil ze zich toch op de geoptimaliseerde berekeningswijze van het lopende loon steunen, zoals deze door Truvo in de dading was toegekend.

Uiteraard dient de beschermingsvergoeding, verschuldigd krachtens art. 16 de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden te worden berekend volgens de bepaling voorzien in dit artikel.

Terecht corrigeert Truvo dan ook de becijfering van mevrouw B. door zich te baseren op het reëel uitbetaalde lopende loon, zoals dit kan afgeleid worden uit de loondocumenten en individuele rekening. Op deze becijfering door Truvo in ondergeschikte orde aangebracht, wordt door mevrouw B. geen cijfermatige kritiek uitgebracht en ze bevestigt dat op basis van een bruto referteloon van euro 3.906,41 de vaste beschermingsvergoeding euro 93.753,84 bedraagt.

13. Mevrouw B. aanvaardt dat van deze beschermingsvergoeding het als gevolg van de dading uitbetaalde bedrag aan opzeggingsvergoeding of euro 36.000 wordt afgetrokken, maar ze houdt voor dat ze gerechtigd blijft op de schadevergoeding wegens schending werkzekerheidbeding.

Het is nochtans duidelijk dat tegenover de ongeldige afstand van de beschermingsvergoeding in de dading een uitbetaling stond van een geoptimaliseerd bedrag van euro 54.000, opgesplitst in een opzeggingsvergoeding van euro 36.000 en een schadevergoeding werkzekerheid van euro 18.000.

Het hof ziet niet in op welke basis deze laatste schadevergoeding verschuldigd kan zijn.

Weliswaar verwijst mevrouw B. daarvoor naar de bedrijfs-cao van 15 februari 2008 die de werkvoorwaarden en voordelen voor de periode 2007-2010 regelt.

Terecht werpt Truvo op dat in deze regeling geen forfaitaire schaderegeling is opgenomen, zoals wel van toepassing in de verzekeringssector bij schending van de daar uitgewerkte werkzekerheid.

Anders dan mevrouw B. zegt, voorziet deze CAO niet in een uitgewerkte werkzekerheidsregeling. Op de p. 7 en 8 is wel voorzien in een ‘Protocol en procedure individueel ontslag', maar deze is erop gericht om in geval van individuele problemen, aan de betrokken bediende een optimale bijstand vanwege de syndicale afvaardiging te waarborgen en zijn belangen te behartigen. (p.7 onderaan).

Mevrouw B. blijft daarbij in gebreke aan te duiden op welke wijze haar optimale syndicale bijstand zou miskend zijn, nu ze niet betwist dat de voor haar uitgewerkte (zij het ongeldige) ontslagregeling, die ze aanvaardde, niettemin tot stand kwam met assistentie van niet minder dan drie syndicale vertegenwoordigers, nadat dezen werden ingelicht over de door Truvo voorgehouden functioneringsmoeilijkheden, die aanleiding konden geven tot het voornemen van een ontslag om dringende reden.

Bij gebreke aan bewezen fout was er dan ook geen recht op schadevergoeding, zodat dit onderdeel van de dading enkel kan begrepen worden als deel van een geoptimaliseerd pakket, dat in zijn geheel de opzeggingsvergoedingsregeling voor haar ontslag uitmaakte.

Dit kan niet gecumuleerd worden met de beschermingsvergoeding, zodat Truvo terecht deze bedragen in mindering brengt (HF Lenaerts en O. Wouters, Het ontslag van beschermde werknemers, Sociale praktijkstudies, Mechelen, Kluwer, 2012, 177, nr. 108; J. Steyaert, F. Dorssemont, C. De Ganck en M. De Gols, Paritair overleg in de onderneming, in APR, Mechelen Kluwer 2009, 542, nr. 950; I. Plets, S. Demeestere, J. Hofkens en A. Vandenbergen, 20 Jaar Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden Artikelsgewijze commentaar, Antwerpen, Intersentia, 2011, 245, nr. 531).

Mevrouw B. heeft dan ook recht op een saldo van euro 93.753,84 - euro 54.000 = euro 39.753,84

In die mate is haar hoger beroep gegrond.

Rechtsmisbruik

14. In haar aanvullende besluiten in hoger beroep van 21 januari 2013 formuleert Truvo een vordering wegens rechtsmisbruik.

Terecht werpt mevrouw B. op dat deze verjaard is bij toepassing van art. 15 van de arbeidsovereenkomstenwet, daar het ontslag dateert van 5 oktober 2009.

Ten onrechte argumenteert Truvo dat de bijzondere verjaringstermijn van art. 15 niet van toepassing zou zijn, doch wel de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, omdat de oorzaak van het rechtsmisbruik niet zou gelegen zijn in het ontslag en aldus geen relatie zou hebben met het rechtsmisbruik.

Nochtans steunt ze het rechtsmisbruik op het misbruik maken van de beschermingsvergoeding.

Voor de geldigheid van de verjaring van art. 15 is het voldoende dat de verjaring niet kan ontstaan zonder de arbeidsovereenkomst en in die zin valt de beschermings-vergoeding onder deze bijzondere verjaringstermijn (Cass. 25 maart 1991, JTT 1991, 324; A. Lindemans, De verjaring van de vordering op grond van de arbeidsovereen-komst, ATO-O-1001-335).

Een vordering wegens rechtsmisbruik omwille van een ontslag en de eruit voortvloeiende bescherming vindt haar grondslag in art. 1134 BW en heeft een contractuele grondslag. (vgl. W. van Eeckhoutte, A. Taghon en S. Van Overbeke, Overzicht van rechtspraak Arbeidsovereenkomsten (1988-2005) TPR 2006/1, 721, nr. 556).

Deze tegenvordering is dan ook verjaard.

Gerechtskosten

15. Beide partijen zijn deels in het gelijk en in het ongelijk gesteld, zodat de gerechtskosten dienen te worden omgeslagen in de zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Verklaart de tegenvordering wegens rechtsmisbruik verjaard.

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende,

Verklaart de vordering van mevrouw B. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Veroordeelt de GGV Truvo Belgium tot betaling aan mevrouw B. van een saldo forfaitaire beschermingsvergoeding van euro 39.753,84, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 5 oktober 2009 en gerechtelijke intresten op netto.

Wijst al het meergevorderde af.

Compenseert de gerechtskosten van beide aanleggen in de zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 7 juni 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Algemene regelingen

  • Verjaring

  • Rechtsmisbruik