- Arrêt du 27 juin 2013

27/06/2013 - 2013/AB/411

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De regel opgenomen in artikel 17 van het KB nr. 50 van 24/10/1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers houdt in dat een overlevingspensioen slechts verschuldigd is wanneer de overlevende gehuwd is geweest met de overledene gedurende de 12 maanden die het overlijden voorafgaan. Aan die voorwaarde is niet voldaan indien de overlevende tweemaal gehuwd was met de overledene, maar geen 12 maanden in de periode die het overlijden voorafgaan.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 JUNI 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - pensioenen

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Zuidertoren, appellant, vertegenwoordigd door mr. KRUIJEN V. loco mr. DE BOCK Ernest, advocaat te 1800 VILVOORDE, Xavier Buissetstraat 26,

tegen:

1. V. , wonende te xxx,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer ENGELS Jacques, houder van een schriftelijke volmacht.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 11 maart 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 11/4948/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 april 2013,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 7 mei 2013 door advocaat-generaal J.-J. Andre,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 30 mei 2013 voor de Rijksdienst voor Pensioenen,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 2 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw V. was een eerste maal gehuwd met de heer W.V. van 20 november 1969 tot 21 oktober 2000. Op dat ogenblik kwam aan dit huwelijk een einde ingevolge echtscheiding.

Mevrouw V. huwde een tweede maal met de heer W.V. op 19 mei 2006. Deze laatste overleed twee maanden later, op 6 juli 2006.

2.

Oorspronkelijk werd bij beslissing van 13 februari 2007 aan mevrouw V. een overlevingspensioen toegekend met ingang van 1 juli 2006. Bij beslissing van 10 maart 2011 werd deze beslissing echter herzien, en werd het recht op een overlevingspensioen terug ingetrokken, zij het enkel naar de toekomst toe. Deze beslissing steunde hierop dat mevrouw V. niet voldeed aan de voorwaarde, gesteld door artikel 17 van het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, namelijk dat op de datum van het overlijden de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden werknemer gehuwd was.

Uit het verzoekschrift neergelegd voor de eerste rechter blijkt dat mevrouw V. sindsdien wel een pensioen kreeg als uit de echt gescheiden echtgenote, rekening houdend met de 30 jaar die zij gehuwd was geweest. Het bedrag van dit pensioen zou echter toch heel wat lager liggen dan dit van een overlevingspensioen.

3.

Bij verzoekschrift van 15 april 2011 tekende mevrouw V. beroep aan tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 10 maart 2011.

Bij vonnis van 11 maart 2013, ter kennis gebracht op 14 maart 2012, heeft de arbeidsrechtbank het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank vernietigde de beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 10 maart 2011 en zegde voor recht dat mevrouw V. recht had op een overlevingspensioen als werknemer, zoals dit oorspronkelijk was toegekend door de beslissing van 13 februari 2007.

4.

Bij verzoekschrift van 12 april 2013 heeft de Rijksdienst voor Pensioenen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

Het bestreden vonnis oordeelt dat mevrouw V. wel voldeed aan de voorwaarde opgenomen in artikel 17 van het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967. Volgens het vonnis houdt deze voorwaarde niet in dat de overlevende echtgenoot gedurende een jaar voorafgaande aan het overlijden, met de overledene moet gehuwd zijn.

Volgens de Rijksdienst voor Pensioenen houdt de regel, opgenomen in artikel 17 een dubbele vereiste in. De overlevende echtgenoot moet met de overledene gehuwd zijn op het ogenblik van het overlijden, en het huwelijk moet ten minste één jaar voor dat overlijden zijn voltrokken. Deze regel heeft tot doel huwelijken in extremis te voorkomen, waarbij partijen in het huwelijk treden enkel met het oog op het bekomen van een overlevingspensioen.

Mevrouw V. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij onderlijnt dat het nieuwe huwelijk met haar vroegere echtgenoot niet gesloten werd met het oog op het bekomen van een overlevingspensioen, maar op uitdrukkelijke vraag van haar kinderen. Mevrouw V. erkent ter zitting dat haar echtgenoot reeds ziek was op het ogenblik van het nieuwe huwelijk, maar stelt dat toen helemaal niet verwacht was dat deze zo spoedig zou overlijden.

2.

Overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- een overlevingspensioen voor werknemers wordt het overlevingspensioen slechts toegekend indien, op de datum van het overlijden, de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden werknemer gehuwd was.

Aan de voorwaarde dat het huwelijk ten minste één jaar geduurd moet hebben dient echter niet voldaan te zijn indien één van de volgende voorwaarden vervuld is (-) er is een kind geboren uit het huwelijk, (-) op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontvangt of (-) het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep ( ...).

3.

Uit de samenlezing van de basisregel, opgenomen in artikel 17, en de daarop voorziene uitzonderingen blijkt, zoals de Rijksdienst voor Pensioenen terecht opmerkt, dat het de duidelijke bedoeling was van artikel 17 om huwelijken in extremis te vermijden. De wetgeving voorziet overigens niet in een minimumtermijn van het huwelijk om aanspraak te kunnen maken op een overlevingspensioen.

In zijn arrest nr. 60/2009 van 25 maart 2009 heeft het Grondwettelijk Hof eveneens geoordeeld dat

" door een voorwaarde op te leggen van een minimumduur van een jaar huwelijk voor het toekennen van een overlevingspensioen aan de langstlevende echtgenoot van een werknemer van wie de beroepsactiviteit het recht op een dergelijk pensioen opende, heeft de wetgever bepaalde misbruiken willen ontmoedigen, zoals het huwelijk in extremis, waarvan de enige bedoeling is het de langstlevende echtgenoot mogelijk te maken het overlevingspensioen te genieten".

4.

De vraag blijft dan echter, en het is daarop dat de eerste rechter gesteund heeft, of deze bedoeling van de wetgever wel terug te vinden is in de tekst van de wet zelf. Aan een duidelijke wettekst mag immers, op basis van de bedoelingen van de wetgever, geen draagwijdte gegeven worden, die niet met de tekst van de wet verenigbaar is (Cass. 7/02/2011, S.10.0056.N/1, htpp://www.cass.be).

Indien men op basis van de Nederlandse tekst van artikel 17 zou kunnen oordelen dat de wetgever, als voorwaarde voor het recht op het overlevingspensioen enkel gesteld heeft dat de betrokkenen minstens een jaar gehuwd waren, ongeacht of deze periode van één jaar volledig onmiddellijk voor het overlijden situeerde, dan wordt deze conclusie veel minder duidelijk op basis van de Franse tekst van het Koninklijk Besluit.

Volgens de Franse tekst van artikel 17 is het noodzakelijk dat "à la date du décès, le conjoint survivant était marié depuis un ans au moins avec le travailleur décédé." De term « depuis » (sinds) wijst er eerder op dat de periode van 12 maanden zich dient te situeren onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden.

De Franse tekst van het Koninklijk Besluit heeft uiteraard geen hogere waarde dan de Nederlandse tekst, maar de vergelijking van beide teksten leidt minstens tot de conclusie dat hier niet de hypothese voorhanden is van een duidelijke wettekst, die onverenigbaar is met de bedoelingen van de wetgever.

5.

Artikel 17 van het Koninklijk Besluit dient geïnterpreteerd te worden in functie van de doelstellingen van de wetgever. Daaruit blijkt duidelijk dat de wetgever als vereiste heeft willen stellen dat op het ogenblik van het huwelijk, de overlevende echtgenoot in het volledige jaar, voorafgaand aan het overlijden, gehuwd was met de overledene. Aan deze voorwaarde was in de huidige betwisting niet voldaan.

Er kan ook niet gesteld worden dat de toepassing van artikel 17, op deze manier geïnterpreteerd, in de voorliggende betwisting onverenigbaar zou zijn met de bedoelingen van de wetgever. Het is immers perfect denkbaar dat, na een lang huwelijk, beëindigd door een echtscheiding, partijen " in extremis" terug in het huwelijk treden teneinde de gescheiden echtgenoot toe te laten de voordelen te genieten van het overlevingspensioen.

6.

In antwoord op hetgeen mondeling uiteengezet werd door mevrouw V. ter zitting wenst het hof erop te wijzen dat de wetgever aan de rechter niet de bevoegdheid heeft gegeven om in andere omstandigheden, dan deze die zijn opgesomd in artikel 17, tweede zin, af te wijken van de wettelijke bepaling. De rechter kan derhalve de vordering niet toekennen op grond van de overtuiging dat in het hem voorgelegde geval er geen sprake was van een huwelijk dat er alleen op gericht was een overlevingspensioen te bekomen.

Het hof kan, en zal dan ook geen standpunt innemen, over de vraag welke de bedoelingen van partijen zijn geweest bij het afsluiten van het tweede huwelijk.

7.

Er dient dan ook besloten te worden dat het hoger beroep gegrond is.

Het hof merkt daarbij nog op dat de Rijksdienst voor Pensioenen, terecht, geen terugwerkende kracht heeft gegeven aan zijn beslissing zodanig dat het genoten overlevingspensioen niet dient terugbetaald te worden en verder dat mevrouw V. inmiddels een pensioen geniet als uit de echt gescheiden echtgenote.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek voor de Rijksdienst voor Pensioenen.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.

Wijst mevrouw V. derhalve af van haar vordering tot vernietiging van de beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 10 maart 2011.

Veroordeelt, in toepassing van artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, de Rijksdienst voor Pensioenen tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot op 0 euro in hoofde van mevrouw V..

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 27 juni 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN

  • Pensioenen.