- Arrêt du 1 octobre 2013

01/10/2013 - 2012/AB/604

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De nietigheid van art. 10 van het taaldecreet van 19 juli 1973 is absoluut en raakt zowel de akte als de wilsuiting, die erin vervat ligt.

De nietigverklaring mag de werknemer geen nadeel berokkenen, maar het hoort hem toe het specifiek nadeel aan te wijzen.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 OKTOBER 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

BT LIMITED BELGIAN BRANCH LTD, met zetel te

1831 DIEGEM, Telecomlaan 9,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. SPAAS Liesbeth loco mr. MAERTEN Patrick, advocaat te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 280.

Tegen:

G. ,

geïntimeerde,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. KEMPS Johan, advocaat te 2812 MUIZEN (MECHELEN), Leuvensesteenweg 574.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 3 april 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 11/2322/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 20 juni 2012,

de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 5 maart 2013,

de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 4 december 2012 en 5 juni 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 september 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 1 juni 2005 ondertekenden BT Ltd en de heer G. een arbeids-overeenkomst van onbepaalde tijd als bediende, waardoor de heer G. met ingang van 1 juli 2005 in dienst kwam als ‘Bid manager'. Het loon werd bepaald op een vaste wedde van euro 3.500/maand, aangevuld met een bonusplan op basis van 15% van het jaarloon.

Op 5 december 2007 ondertekenden partijen een addendum aan dit bediende-contract, waardoor de heer G. met ingang van 1 januari 2008 bevorderd werd tot Business Manager en het bonusplan van 15% verhoogd werd naar 24% op jaarbasis en dit bij 100% realisatie van de vooraf goedgekeurde objectieven.

2. De werknemer tekende jaarlijks in op het bonusplan en hij kwam daardoor in aanmerking voor een bonus. Dit gebeurde door het ondertekenen en terugsturen van een document waarin de doelstellingen zijn opgenomen (de zgn. ‘target letter').

Het financieel jaar liep van 1 april tot 31 maart. BT maakte slechts op 4 september 2009, en dus 5 maanden na aanvang van het financieel jaar, de vereiste doelstellingen aan de heer G. bekend, die deze voor akkoord ondertekende, zodat hij hierdoor intekende op het plan.

3. Na afloop van het financieel jaar bleek dat de heer G. 557% van de doelstellingen behaald had.

Art. 4.4 van het plan bepaalde in het Engels voor dat geval:

De realisatie van meer dan 200% van OTB (totale prestatie) vereist een herziening van het controlepunt en een goedkeuring door de Financial Controller van het land/de sector en de Sector VP/nationale Sales Director om te garanderen dat alle processen, doelen en berekeningen correct werden toegepast vooraleer er een uitbetaling plaatsvindt. De Bonusadministratie heeft een schriftelijk bewijs van de goedkeuring van het controlepunt nodig voor het uitvoeren van de betalingen.

Over het algemeen zijn geen ‘flats' of ‘voorafbetalingen' toegestaan conform dit betalingsplan.

Alle uitzonderingen op deze regel moeten worden goedgekeurd door de Pay Plan VP en de Channel VP en moeten zo snel mogelijk worden afgestemd op de toekomstige (huidige) bonusbetalingen.

(tekst volgens beëdigde vertaling voorgebracht door de heer G., zijn stuk 8).

Omdat er meer dan 200% gerealiseerd werd, werd deze procedure klaarblijkelijk in werking gesteld.

Partijen hadden hierover verschillende interpretaties, besprekingen en onderhandelingen, maar verwierpen wederzijds elkaars voorstellen.

Uiteindelijk plafonneerde BT de bonus op 200% of euro 30.563,09, terwijl de heer G. 557% vroeg of een bijkomend bedrag van euro 54.571,72.

4. Omdat ze zodoende niet tot overeenstemming kwamen, dagvaardde de heer G. BT Ltd in betaling van euro 54.571,72 wegens achterstallige bonus, vermeerderd met intresten en kosten.

5. Bij vonnis van 3 april 2012 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 18 juni 2012, tekende BT Ltd hoger beroep aan en vroeg de afwijzing van de oorspronkelijke vordering.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werden ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

Het Taaldecreet van 19 juli 1973

2. Zoals de heer G. uitdrukkelijk bevestigt op p. 4 van zijn syntheseconclusie, beroept hij zich niet op de nietigheid van het bonusplan wegens schending van het Taaldecreet van 19 juli 1973.

Niettemin moet gebeurlijk de nietigheid volgens art. 10 ambtshalve door de rechter worden vastgesteld, zij het dat de nietigheid geen nadeel mag berokkenen aan de rechten van de werknemer.

Het arbeidshof dient dan ook na te gaan of het bonusplan beantwoordt aan het taaldecreet en indien niet, in hoeverre de nietigheid nadeel berokkent aan de rechten van de heer G..

3. De tewerkstelling van de heer G. heeft geen grensoverschrijdend karakter, zodat het arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2013 in de zaak C-202/11 hier geen gevolgen heeft.

Hij was in België tewerkgesteld in de Belgische afdeling van BT.

4. De exploitatiezetel van BT Ltd, waar de heer G. tewerkgesteld was, is gelegen te Diegem, in het Nederlandse taalgebied. Op grond van art. 1 van het decreet is het dan ook van toepassing op de tewerkstelling van de heer G..

5. Op grond van art. 2 van het decreet is het Nederlands de te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.

Art. 3 legt daarbij uit dat de sociale betrekkingen zowel de mondelinge als schriftelijke individuele en collectieve contacten tussen de werkgevers en de werknemers, die rechtsreeks of onrechtstreeks verband houden met de tewerkstelling, omvatten.

Art. 4 verwijst daarbij uitdrukkelijk naar ‘mededelingen' en ‘ publicaties'.

De artikelen 3 en 4 omvatten dan ook de sociale betrekkingen die plaats vinden in het raam van het ondergeschikt verband, of nog het hiërarchisch verband tussen de werkgever of zijn aangestelden en de werknemer (Cass. 22 april 2002, R.W. 2002-03, 1542).

6. Het bonusplan is een voor het betrokken personeel bestemd document, hier rechtsreeks uitgaande van BT, zijnde de werkgever en heeft dus betrekking op de sociale betrekkingen, zijnde de schriftelijke contacten tussen werkgever en werknemer, rechtstreeks verband houdend met de tewerkstelling (vgl. Arbh. Brussel 25 maart 2005, Soc. Kron. 2007, 386 met noot M. Goldfays).

Het dient dan ook op grond van art. 3 tot en met 5 van het decreet in het Nederlands te zijn gesteld, zodat het krachtens art. 10 nietig moet worden verklaard.

7. De rechter mag daardoor geen acht slaan op het in de verkeerde taal opgestelde document en mag geen rekening houden met de inhoud ervan, inzonderheid met de wilsuitdrukking. De nietigverklaring mag de werknemer geen nadeel berokkenen, maar het hoort hem toe het specifiek nadeel aan te wijzen (Cass. 31 januari 1978, TSR 1978, 329).

De heer G. verwijst weliswaar naar rechtspraak die voorhoudt dat hij zich aldus kan beroepen op bedingen die hem voordelig zijn, terwijl hij wat betreft de voor hem nadelige bedingen, de nietigheid kan inroepen (Arbh. Gent 21 april 1995, JTT 1996, 283). Hij wijst daarbij echter de voor hem voordelige nietige bedingen niet aan.

Het art 4.4 van het bonusplan kan hij bezwaarlijk bedoelen als voor hem voordelige bepaling, daar hij verder in zijn syntheseconclusie omwille van een andere reden (zuiver potestatieve voorwaarde) de nietigheid ervan inroept.

De vraag of de andere bepalingen van het plan, in hun geheel, dan wel afzonderlijk genomen een voor de heer G. voordelig beding uitmaken, is hier niet ter zake dienend omdat ze niet als dusdanig door hem worden aangewezen.

Ongeacht de discussie over de draagwijdte van art. 4.4, kan BT zich omwille van de nietigheid wegens schending van het taaldecreet uiteraard ook niet beroepen op deze bepaling om de bonus te begrenzen tot 200%.

Het bonusplan, met inbegrip van zijn art. 4.4, is dan ook nietig wegens het taaldecreet; de heer G. wijst niet aan welke bepaling hem mogelijks voordeel zou opleveren. Het hof mag daardoor geen rekening houden met de inhoud ervan, inzonderheid met de wilsuitdrukking erin.

Het recht op de bonus; de uitvoering van de overeenkomst

8. Terecht stelt de heer G. nochtans op p. 5 van zijn syntheseconclusie onder B.1 dat zijn recht op bonus voortvloeit uit art. 9 van de arbeidsovereenkomst en het addendum van 5 december 2007.

Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt inderdaad dat het voordeel van de bonus wordt toegekend in art. 2 en 9 van de oorspronkelijke arbeids-

overeenkomst, zoals aangepast door het art. 2 van het addendum van 5 december 2007.

Hierin verklaarden partijen in het Nederlands dat de heer G. recht had op een bonusplan van 24% op jaarbasis en dit bij 100% realisatie van de vooraf goed-gekeurde objectieven. De heer G. verklaart zich hiermee uitdrukkelijk akkoord.

9. Terecht begroot de heer G. in zijn beroepsconclusie op p. 6 onder B.2 de bonus op grond van het addendum van 5 december 2007.

Deze becijfering wordt als dusdanig niet betwist door BT, zij het dat ze zich op grond van art. 4.4 van het bonusplan het recht wil voorbehouden om de begroting te begrenzen op 200%. Deze bepaling kan echter omwille van de absolute nietigheid geen toepassing vinden (zie randnummer 7).

De CFO, de heer Vreys, bevestigt in zijn verklaring dat mevrouw V. Peeters van de bonusadministratie had vastgesteld dat de heer G. een score van 557% had behaald voor het fiscale jaar 2009/2010 (stuk 4 BT).

Ook de heer Sipke Douna verklaart dit. (stuk 5 BT).

10. Aanvaard kan worden dat BT gelet op de ruime overschrijding van de vooropgezette doelstellingen een controle deed; deze controle wees echter niet op enige miscalculatie. BT houdt ook niet voor dat de doelstellingen voor minder dan 557% werden bereikt, integendeel uit de in randnummer 9 besproken verklaringen volgt dat dit % van de bonusadministratie van BT afkomstig was. Een controle geeft haar echter niet het recht om de vooraf afgesproken regels eenzijdig te wijzigen.

Uit de stukken volgt wel dat partijen pogingen gedaan hebben om in wederzijds akkoord tot een andere oplossing te komen, maar dit is niet gelukt. De medewerking van de heer G. aan het zoeken naar een vergelijk kan niet geïnterpreteerd worden als het erkennen van enige fout; integendeel het strekt partijen tot eer om te trachten in der minne een oplossing na te streven.

De interpretaties die in dit verband over en weer aan de e-mails en andere gezegden worden gehecht, zijn dan ook niet ter zake dienend voor de beoordeling van het recht van de heer G. op de bonus.

Evenmin kan aan de heer G. kwade trouw worden verweten bij het aanvaarden van de door BT (weliswaar laattijdig) vooropgestelde doelstellingen.

BT kent haar onderneming, ze kent de functie, verantwoordelijkheden en werking van de heer G. en zijn bijdrage tot het welslagen van de onderneming; door het laattijdige aanbod van de vooropgestelde doelstellingen had ze zelfs nog het voordeel om de tussentijdse werkzaamheden te kunnen evalueren, wat ze klaarblijkelijk nagelaten heeft, maar dat dient ze dan zichzelf te verwijten. Het kan aan de heer G. niet ten kwade geduid worden dat hij in deze constellatie het aanbod aanvaardt.

Het is dan ook niet zo dat de doelstellingen niet correct waren vastgesteld.

11. De vordering van de heer G. werd door de eerste rechter terecht gegrond verklaard, zodat het hoger beroep ongegrond is.

De overige argumenten en middelen kunnen aan het bovengestelde geen afbreuk doen en dienen niet verder te worden onderzocht.

12. De gerechtskosten van het hoger beroep komen ten laste van BT.

Ook na de mogelijkheid om een procedure voor de arbeidsrechtbank veralgemeend in te leiden met een verzoekschrift op tegenspraak, behoudt de eiser de vrijheid om de vordering via dagvaarding aanhangig te maken, zonder dat de hieruit voortvloeiende meerkost ten zijne laste kan worden gelegd (Art. 704 en 1017 Ger.W.) (Arbh. Gent (afd. Brugge) 13 januari 2011 TGR-TWVR 2011, 106).

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt BT Ltd, Belgian Branch tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de heer G. niet begroot.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 1 oktober 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Nietigheid taaldecreet.