- Arrêt du 25 novembre 2013

25/11/2013 - 2012/AB/1235

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een gezagsverhouding is maar bewezen als de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan daarvan te staven een toepassing of de mogelijkheid van toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en instructies in het kader van een overeenkomst voor vrijwilligers.


Arrêt - Texte intégral

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 NOVEMBER 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

W.,

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. D. DE SOETE loco Mr. P. BRONDEL, advocaat te Brugge.

Tegen:

VZW S. met maatschappelijke zetel gevestigd te

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. VANTOMME loco Mr. V. PERTRY, advocaat te Brussel.

 

BVBA TOITURBEL FREDERIQUE & HENRI, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Ruisbroekse-steenweg 168.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 19 oktober 2012;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 december 2012;

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

Tussen de heer W. en de VZW S. (hierna genoemd de VZW) werd op 22 april 2010 een vrijwilligersovereenkomst gesloten, waarin werd bepaald dat de VZW er zich akkoord mee verklaarde dat de heer W. in het kader van vrijwilligerswerk volgende activiteit op zich zou nemen: ‘hulp bij het verlenen van hulp aan bejaarden in noodsituaties met beperkte duur (dag-, nacht- of weekendactiviteiten). Voor dit vrijwilligerswerk ontving de heer W. geen kostenvergoeding. De overeenkomst nam een aanvang op 1 mei 2010.

Op dezelfde datum werd tussen dezelfde partijen een huurovereenkomst gesloten, waarbij de VZW aan de heer W. een wooneenheid in haar serviceresidentie ter beschikking stelde vanaf 1 mei 2010, tegen een vergoeding van 1,00 euro per maand voor huisvesting en algemene onkosten.

Met E-mail van 22 juli 2010 verduidelijkte de VZW aan de heer W. de werking van de residentie; in essentie komt het er op neer dat de bewoners zelfstandig zijn en enkel beroep kunnen op het personeel in geval van nood. Tevens werd duidelijk gemaakt dat de heer W. vrijwilliger was, niet tot het personeel behoorde, geen takenpakket had en alles wat hij deed vrijwillig deed, waarbij hem door het personeel geen opdrachten mochten worden gegeven.

Met aangetekende brief van 23 december 2010 beëindigde de VZW de vrijwilligersovereenkomst; met aangetekende brief van dezelfde datum beëindigde de VZW tevens de huurovereenkomst, met een opzeggingstermijn van één maand die een aanvang nam op 1 januari 2011 om te eindigen op 30 januari 2011.

Beide brieven, die slechts werden verzonden op 24 december 2010, werden op 28 december 2010 ook per E-mail ter kennis gebracht van de heer W., die hierop antwoordde dat hij het standpunt van de VZW begreep.

Op 14 januari 2011 bood de heer W. zich aan op de permanentie van de inspectie van de FOD WASO te Leuven met vragen omtrent zijn ontslag als vrijwilliger. Dit leidde tot een proces-verbaal van vaststelling van inbreuken van 25 maart 2011.

Het strafdossier werd door de Arbeidsauditeur te Leuven zonder gevolg geklasseerd en doorgestuurd naar de dienst Administratieve Geldboeten. Met brief van 13 december 2012 meldde deze dat beslist werd het dossier zonder gevolg te laten.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 21 november 2011 vorderde de heer W. voor de Arbeidsrechtbank te Leuven betaling door de VZW van 77.735,39 euro bruto loon voor de periode van 1 mei 2010 tot 28 december 2010, te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf de gemiddelde datum 1 augustus 2010 en de gerechtelijke intrest.

Hij vorderde tevens dat de VZW veroordeeld zou worden tot betaling van de sociale bijdragen en de fiscale voorheffing aan de betreffende te diensten.

Verder vorderde hij de veroordeling van de VZW tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 19 oktober 2012 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Zij legde de kosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 3.300,00 euro ten laste van de heer W..

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 december 2012, tekende de heer W. hoger beroep aan tegen dit vonnis; hij vorderde dat het arbeidshof dit vonnis zou teniet doen en opnieuw recht doende, zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren, met verwijzing van de VZW in de kosten van beide aanleggen.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

De vordering van de heer W. is gesteund op het feit dat hij met de VZW verbonden was door een arbeidsovereenkomst, en niet door een overeenkomst voor vrijwilligers.

Met toepassing van artikel 1315 eerste lid BW dient de partij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bewijs te leveren van het bestaan van deze verbintenis; met toepassing van artikel 870 Ger.W. dient elke partij het bewijs te leveren van de feiten die zij aanvoert.

Indien de heer W. bijgevolg voorhoudt dat hij met de VZW verbonden was door een arbeidsovereenkomst, rust op hem de bewijslast, dit bij ontstentenis van omkering van de bewijslast.

1. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst - de uitoefening van gezag

a.-

Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is vereist dat de werknemer zijn arbeid verricht in een verhouding van ondergeschiktheid aan of onder het gezag van de werkgever. De uitoefening van gezag is het determinerende criterium om de arbeidsovereenkomst te onderscheiden van andere overeenkomsten waarbij een partij prestaties levert voor een andere partij.

Het uitoefenen van gezag houdt de bevoegdheid in leiding te geven en toezicht te houden, zelfs indien deze bevoegdheid niet effectief uitgeoefend wordt.

(vgl. Cass. 18 mei 1981, Arr. Cass. 1980-81, 1080)

Het is voldoende dat de werkgever het recht heeft aan de werknemer bevelen te geven over de organisatie en de uitvoering van het overeengekomen werk.

(vgl. Cass. 13 juni 1968, Arr. Cass. 1968, 1239)

De voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsver-houding bestaat inderdaad zodra iemand in feite gezag kan hebben over andermans handelingen.

(vgl. Cass. 15 februari 1982, R.W. 1982-83, 2210; Cass. 23 juni 1997, Arr. Cass. 1997, 694; Cass. 27 april 1998, Arr. Cass. 1998, 471)

Het feit dat iemand een zekere vrijheid behoudt in de uitoefening van zijn activiteiten sluit een band van ondergeschiktheid niet uit.

(vgl. Cass. 25 februari 1965, Pas. 1965, I 625)

Dit is evenmin het geval wanneer de aard van de te verrichten arbeid een zekere zelfstandigheid en de persoonlijke verantwoordelijkheid van de werknemer impliceert.

(vgl. Cass. 27 maart 1986, T.S.R. 1968, 110)

Controle en het geven van instructies zijn op zich niet onverenigbaar met zelfstandige samenwerking.

(vgl. Cass. 20 maart 2006, J.T.T. 2006, 276)

De feitenrechter beoordeelt op grond van een onaantastbare beoordeling in feite of er al dan niet ondergeschiktheid aanwezig is.

(vgl. Cass. 14 maart 1978, Arr. Cass. 1978, 825)

Bij het onderzoek naar het bestaan van een band van ondergeschiktheid is de rechter ertoe gehouden de feitelijke toestand aan de hand van alle feitelijke elementen van de zaak te onderzoeken.

(vgl. Cass. 11 januari 1978, Arr. Cass. 1978, 558; Cass. 7 september 1992, Soc. Kron. 1993, 13, noot; Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

b.-

Bij zijn beoordeling is de rechter is niet gebonden door de kwalificatie die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven.

(vgl. Cass. 15 februari 1982, Arr. Cass. 1982-83, 772; Cass. 7 september 1992, Soc. Kron. 1993, 13, noot)

Het feit dat in het sociaal recht naast de overeenkomst ook de feitelijke situatie als autonome rechtsgrond wordt aanvaard, laat de rechter toe op basis van de feitelijke realiteit de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie te negeren indien deze met de feitelijke realiteit strijdig blijkt.

(A. Van Regenmortel; Onderscheid tussen werknemer en zelfstandige, in: J. Van Steenberge en A. Van Regenmortel (eds.), Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht, Die Keure, Brugge 1995, 96)

De regel volgens dewelke de arbeidsovereenkomst is waarbij een werknemer zich ertoe verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever, is inderdaad van dwingend recht, zodat de partijen hiervan niet kunnen afwijken door aan de arbeidsovereenkomst een andere kwalificatie te geven.

(vgl. Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

Wanneer evenwel de elementen die aan zijn oordeel worden onderworpen niet toelaten om de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie uit te sluiten, mag de bodemrechter die niet vervangen door een andere kwalificatie.

(vgl. Cass. 23 december 2002, J.T.T. 2003, 271; Cass. 28 april 2003, J.T.T. 2003, 261; Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

c.-

De partij die zich beroept op het bestaan van een gezagsverhouding, essentieel kenmerk van een arbeidsovereenkomst, dient hiervan het bewijs te leveren.

(vgl. Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

Een gezagsverhouding is maar bewezen als de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan daarvan te staven een toepassing of de mogelijkheid van toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en instructies in het kader van een overeenkomst voor vrijwilligers.

(vgl. inzake het onderscheid tussen een arbeidsovereenkomst en een overeenkomstige voor zelfstandige arbeid: Cass. 5 februari 2007, R.W. 2007-08, 781, noot K. Nevens)

d.-

Aan de orde is bijgevolg de vraag of de heer W. het bewijs levert van het feit dat de VZW over hem gezag uitoefende zoals hiervoor omschreven.

Naar het oordeel van het arbeidshof levert de heer W. dit bewijs niet. Dergelijk bewijs blijkt niet uit de E-mail van de VZW van 13 april 2010 waarin de heer W. werd uitgenodigd op een sollicitatiegesprek voor de vrijwilligersfunctie conciërge.

Uit deze oproep blijkt geen enkel gezag, en wordt integendeel aangegeven dat de functie waarover het gesprek zou gaan een vrijwilligersfunctie is.

Het bestaan van gezag blijkt evenmin uit de E-mail van de VZW van 28 april 2010 waarin een aantal afspraken werden vastgelegd.

De gegeven instructies zijn niet meer dan praktische afspraken voor de uit te oefenen vrijwilligersfunctie, en geen uiting van gezag. Ter zake kan worden opgemerkt dat aan de heer W. niet wordt opgelegd dat hij verplicht aanwezig moet zijn op de aangegeven uren, enkel dat zijn aanwezigheid op deze uren ‘gewenst' is.

Ten onrechte leidt de heer W. uit dit bericht af dat van hem een ‘actieve bijdrage' werd verwacht op de aangegeven tijdstippen; van hem werd enkel verwacht dat hij zou reageren op noodoproepen, reden waarom hij een telefoon en een ‘pieper' ter beschikking kreeg.

Het is hierbij van belang op te merken dat de opdracht van de heer W., zoals omschreven in de vrijwilligersovereenkomst en in de overige documenten, bestaat in het beantwoorden van noodoproepen van residenten, en niets meer. De VZW geeft hierbij aan dat de heer W., die dit niet betwist, in de volledige periode van 1 mei 2010 tot 28 december 2010 welgeteld negen noodoproepen heeft gekregen.

Het vereiste bewijs wordt evenmin geleverd door de functieomschrijving conciërge, waarvan de heer W. voorhoudt dat hij deze ontvangen heeft op 1 juni 2010. Inderdaad toont de heer W. niet aan dat hij op vraag van de VZW ook maar één van de taken uitoefende die in deze functieomschrijving werden opgegeven.

Tenslotte kan enkel worden vastgesteld dat de heer W. misschien wel andere diensten dan het beantwoorden van noodoproepen van residenten heeft geleverd, doch hij toont niet aan en maakt zelfs niet aannemelijk dat dit gebeurde op vraag van de VZW. Het tegendeel is zelfs waar, zoals blijkt uit de E-mail van 22 juli 2010 van de VZW, waarin deze zich genoodzaakt zag aan de heer W. de werking van de residentie te verduidelijken, met als uitgangspunt de overweging dat de bewoners zelfstandig zijn en enkel beroep kunnen op het personeel in geval van nood. Duidelijk werd gemaakt dat de heer W. vrijwilliger was, niet tot het personeel behoorde, geen takenpakket had en alles wat hij deed vrijwillig deed, waarbij hem door het personeel geen opdrachten mochten worden gegeven.

2. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst - de werking van de Wet Vrijwilligerswerk

a.-

De heer W. stelt dat hij niet als vrijwilliger kan worden beschouwd, daar de vergoeding die hij ontving voor zijn vrijwilligerswerk, de toegelaten grenzen overschreed.

b.-

Artikel 3, 1° van de Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van de vrijwilligers (hierna genoemd de Wet Vrijwilligerswerk) bepaalt dat onder vrijwilligerswerk voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan, elke activiteit die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht, ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van samenleving als geheel, die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privéverband van degene die de arbeid verricht, en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling.

Artikel 10 van de Wet Vrijwilligerswerk bepaalt verder dat het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk niet belet dat de door de vrijwilliger gemaakte kosten door de organisatie worden vergoed, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen:

- forfaitaire kosten, die niet meer mogen bedragen dan 30,22 euro per dag of 1.208,72 euro per jaar (grensbedragen van toepassing in 2010)

- werkelijke kosten, waarvan de realiteit en het bedrag kan aangetoond worden aan de hand van bewijskrachtige documenten.

Artikel 11 van de Wet Vrijwilligerswerk tenslotte bepaalt dat een activiteit niet als vrijwilligerswerk beschouwd kan worden indien één van de of alle in artikel 10 bedoelde grenzen overschreden worden en het in artikel 10 derde lid bedoelde bewijs niet kan worden geleverd. De persoon die deze activiteit verricht kan in dat geval niet als vrijwilliger worden beschouwd.

c.-

Ten onrechte lijkt de heer W. te argumenteren dat, wanneer de aan de vrijwilliger toegekende onkostenvergoeding de grenzen van artikel 10 van de Wet Vrijwilligerswerk overschrijdt, de vrijwilliger beschouwd moet worden als met de organisatie verbonden door een arbeidsovereenkomst.

De bepalingen van de Wet Vrijwilligerswerk onder b.- aangeduid, laten in dat geval enkel toe te concluderen dat de vrijwilliger niet onbezoldigd is en bijgevolg geen vrijwilliger in de zin van voornoemde wet, maar niet dat hij met de organisatie verboden is met een arbeidsovereenkomst. In de zin van artikel 3, 1° a is zijn werk dan geen vrijwilligerswerk omdat het niet of niet langer ‘onbezoldigd' is, maar dit betekent niet dat de activiteit ook niet langer ‘onverplicht' zou worden verricht.

De aangeduide activiteit zal naar het oordeel van het arbeidshof enkel als niet of niet langer ‘onverplicht' kunnen worden beschouwd, indien de vrijwilliger het bewijs levert van het bestaan van gezag dat de organisatie over hem uitoefent. Slechts dan zal de per hypothese bezoldigde activiteit verricht worden in het kader van een arbeidsovereenkomst.

Zoals onder IV.1 geoordeeld, toont de heer W. niet aan dat de VZW over hem gezag uitoefende, zodat de door hem verrichte activiteit dan misschien wel bezoldigd zal zijn, doch daarom nog niet verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst.

Besluit :

Nu de heer W. niet het bewijs levert van het bestaan van een arbeidsovereenkomst die tussen hem en de VZW zou hebben bestaan, is zijn vordering tot betaling van loon, gesteund op het bestaan van dergelijke overeenkomst, ongegrond.

3. De rechtsplegingsvergoeding - de kosten

a.-

Artikel 1022 derde lid Ger.W. bepaalt dat de rechter op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen of verhogen, rekening houdend met de financiële draagkracht van de verliezende partij, de complexiteit van de zaak, de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij of het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Het arbeidshof is van oordeel dat geen van deze hypotheses in voorliggende betwisting voorhanden is, zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden aangehouden.

Wat de financiële draagkracht van de heer W. betreft staat wel vast dat hij werkloosheidsuitkeringen geniet, doch niet dat hij geen andere inkomsten of vermogen heeft.

Het feit dat hij slechts bij het contacteren van de sociale inspectie op de hoogte werd gebracht van het beweerde misbruik dat van hem werd gemaakt, maakt niet dat er sprake is van een kennelijk onredelijke situatie.

b.-

Met toepassing van artikel 2 tweede lid van het KB. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, wordt voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W..

Artikel 557 Ger.W. refereert in dit verband aan het bedrag gevorderd in de inleidende akte, met uitzondering van gerechtelijke intrest, gerechtskosten en dwangsommen. Artikel 618 Ger.W. laat toe dit te corrigeren aan de hand van de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

De stelling van de heer W. dat de rechtsplegingsvergoeding begroot moet worden aan de hand van het bedrag dat hij uiteindelijk zou ontvangen indien zijn vordering zou worden toegekend, heeft dan ook geen wettelijke grondslag.

In laatste conclusie vordert de heer W. meer dan 60.000 euro doch minder dan 100.000 euro, zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 3.300 EUR bedraagt.

c.-

Artikel 1018, 3° Ger.W. bepaalt dat de kosten de prijs van de uitgifte van het vonnis omvatten.

Er is geen reden om deze met toepassing van artikel 1017 eerste lid Ger.W. niet ten laste te leggen van de heer W. als in het ongelijk gestelde partij.

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de heer W. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de VZW begroot en vereffend op 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding en 11,72 euro kosten uitgifte vonnis.

 

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. VANHAGENDOREN: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT: Griffier,

G. JACOBS D. VANHAGENDOREN

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 25 november 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Mots libres

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • Arbeidsovereenkomst

  • Bestaan

  • Aanwijzingen van gezag.