- Arrêt du 6 mai 2014

06/05/2014 - 2009/AH/199

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De regeling van het K.B. van 13 juli 2004 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst kan de conformiteitstoets met artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doorstaan en moet buiten toepassing worden gelaten in toepassing van artikel 159 van de Grondwet.

Overeenkomstig artikel 5, lid 2 van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars is bij ontstentenis van een K.B. in geval van een onrechtmatige beëindiging van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst, het bedrag van de beëindigingsvergoeding "gelijk aan het lopende loon overeenstemmend met de nog verschuldigde lonen tot het einde van het sportseizoen met een minimum van 25 % van het jaarloon".

De vergoeding verschuldigd bij de verbreking van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van de betaalde sportbeoefenaar, kan niet meer belopen dan het dubbel van de hoger vermelde vergoeding verschuldigd bij de onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd van een betaalde sportbeoefenaar.


Arrêt - Texte intégral

ARBEIDSHOF ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

Arrest

6 mei 2014

D. M., wonende te Avenue de Kalisz 42, Normandie A, 59330 HAUTMORT (Frankrijk),

met als raadsman mr. MISSON Luc, advocaat te LUIK en mr. KEYZER Luc, advocaat te ANTWERPEN

voor wie pleit raadsman mr. KEYZER Luc

tegen:

K. R. C. G. VZW, met maatschappelijke zetel te 3600 GENK, Stadionplein 4, ingeschreven met KBO-nummer 0434 825 462,

met als raadsman mr. PANIS Leo, advocaat te GENK

voor wie pleit raadsman mr. MARTENS Jochem, advocaat te GENK

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 25 mei 2009 van de arbeidsrechtbank Tongeren.

Het arbeidshof sprak in deze zaak een arrest uit op 22 juni 2010.

Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.

Gelet op de onmogelijkheid om te zetelen in dezelfde samenstelling als ten tijde van het arrest van 22 juni 2010, wordt de zaak, voor het gedeelte waarover door het hof nog geen definitieve uitspraak werd verleend in het vermelde arrest, hernomen door de thans gedeeltelijk anders samengestelde zetel van dit hof.

I. RETROACTA

Het hof verwijst op dienende wijze naar de weergave van de problematiek zoals weergegeven in zijn eerder in deze zaak uitgesproken arrest van 22 juni 2010, zonder dat zulks thans herhaling behoeft.

Recapitulerend en samenvattend (en zonder daarbij volledigheid na te streven ; het hof verwijst verder naar het arrest van 22 juni 2010) kan worden vermeld dat het geschil zijn grondslag vindt in de tussen M.D. en K. R. C.G. VZW, hierna K.R.C.G. genoemd, vanaf 1 juli 2007 in voege getreden arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaar (beroepsvoetballer) die werd aangegaan voor de duur van 4 jaren (de voorziene einddatum van het contract was 30 juni 2011).

Aan deze arbeidsovereenkomst kwam voortijdig een einde in januari 2008.

K.R.C.G. vorderde voor de arbeidsrechtbank Tongeren de veroordeling van M. Dtot betaling van een verbrekingsvergoeding van 36 maanden loon, hetzij 878.888,88 EUR in hoofdsom + intresten.

Bij wijze van tegeneis vorderde M. D. van K.R.C.G. een schadevergoeding van 250.000,00 EUR en een verbrekingsvergoeding berekend volgens de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978.

Bij vonnis van 25 mei 2009 werd de vordering van K.R.C.G. grotendeels gegrond verklaard, en werd de tegenvordering van M. D. ongegrond verklaard.

Uitspraak doend in hoger beroep (ingevolge het door M. D. tegen het hiervoren vermelde vonnis ingestelde hoger beroep) kwam dit hof in zijn arrest van 22 juni 2010 tot de beoordeling dat M. D. op 28 januari 2008 onrechtmatig (op onregelmatige wijze) een eenzijdig einde had gesteld aan de tussen hem en K.R.C.G. bestaande arbeidsovereenkomst.

Het hof oordeelde in functie hiervan dat de door M. D. opzichtens K.R.C.G. ingestelde vordering (strekkende tot schadevergoeding) ongegrond was, en dat K.R.C.G. opzichtens M. D. gerechtigd was op een beëindigingsvergoeding.

Het hof stelde vast dat de eventuele toepassing van de in het KB van 13 juli 2004 'tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars' in het concrete geval zou inhouden dat M. D. ertoe gehouden zou zijn om aan K.R.C.G. een beëindigingsvergoeding overeenstemmend met 36 maanden loon (+ lopende voordelen) te betalen.

Het hof overwoog dat volgens de algemene regeling van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, specifiek artikel 40 § 1, in voorkomend geval (maximaal) een opzeggingsvergoeding van 12 maanden zou gelden.

Het hof stelde zich de vraag of dergelijk onderscheid tussen de door de werknemer te betalen beëindigingsvergoeding in geval van de beëindiging door de werknemer van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, enerzijds wanneer deze beëindiging uitgaat van een werknemerbediende vallend onder het systeem van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 en anderzijds wanneer deze uitgaat van de sportbeoefenaar(bediende) vallend onder het systeem van de Wet van 24 februari 1978 voor de betaalde sportbeoefenaars, wel in redelijkheid verantwoord en/of verantwoordbaar is, en of er hier geen sprake is van een ongelijke behandeling die strijdig is met de bepalingen van artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Tevens werd geopperd of de vrijheid van arbeid van de betaalde sportbeoefenaar niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast bij toepassing van de voor betaalde sportbeoefenaars voorziene reglementering.

Alvorens verder recht te doen en alvorens zich uit te spreken over de hoogte van de door M. D. aan K.R.C.G. te betalen beëindigingsvergoeding, achtte het hof het aangewezen om in toepassing van artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in te gaan op het verzoek van M. D. tot het stellen van navolgende (aangepaste) prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof :

" Schendt artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat uit de toepassing ervan volgt dat de betaalde sportbeoefenaar die zijn voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst verbreekt vóór het verstrijken van de termijn ervan en wiens jaarloon meer dan 98.526,10 EUR bedraagt, in voorkomend geval een beëindigingsvergoeding dient te betalen die kan oplopen tot 36 maanden loon, daar waar de bediende die in dezelfde situatie verkeert maar die onder de toepassing valt van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden loon dient te betalen ?

 Schendt artikel 4, lid 4 van de wet van 24 februari 1978 artikel 23 van de Grondwet en meer in het bijzonder het recht op vrije arbeid van de werknemer, doordat uit de toepassing ervan beëindigingsvergoedingen worden bepaald die kunnen oplopen tot 36 maanden loon ?"

Bij arrest van 18 mei 2011 (arrest nr. 84/2011) zegde het Grondwettelijk Hof voor recht dat de prejudiciële vragen niet tot zijn bevoegdheid behoren, nu het in het geding zijnde verschil in behandeling enkel voortvloeit uit het KB van 13 juli 2004, waarvan de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet door de verwijzende rechter (dit arbeidshof) zelf dient te worden beoordeeld.

Partijen hebben vervolgens hun standpunt nog verder toegelicht en uitgewerkt in (meerdere) beroepsbesluiten ;

het hof houdt hier in toepassing van artikel 748bis Ger.W. verder rekening met de stellingname van partijen zoals weergegeven in de door hen neergelegde laatste beroepsbesluiten.

II. EISEN IN HOGER BEROEP

1.

M. D. vordert om:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te hervormen omdat indien er per impossibile zou geoordeeld worden dat er geen zware fout is begaan en dat er geen met een verbreking gelijkstaande daad werd gesteld door K.R.C.G. en dat er door M. D. een verbrekingsvergoeding verschuldigd is, toch krachtens artikel 159 van de Grondwet de toepassing af te wijzen van de bepalingen uit het KB van 13 juli 2004, die het bedrag bepalen van de schadevergoeding waarvan sprake is in artikel 5, 2de lid van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst van de betaalde sportbeoefenaar, wegens schending van de Belgische Grondwet en van direct toepasbare internationale bepalingen;

- in dat opzicht de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:

• " Wanneer het koninklijk besluit van 13 juli 2004 tot vaststelling van de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 5, 2de lid van de wet van 24 februari 1978 op de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, bepaalt dat een betaalde sportbeoefenaar die zijn voor een bepaalde duur gesloten arbeidsovereenkomst verbreekt vóór het einde van de overeengekomen termijn, terwijl zijn jaarloon hoger ligt dan 98.526,10 EUR, desgevallend een verbrekingsvergoeding moet betalen die tot 36 maanden loon kan bedragen, terwijl een werknemer die zich in dezelfde situatie bevindt, maar die valt onder de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, maximum 12 maandenloon moet betalen, schendt het dan artikel 45 VWEU omdat het recht op vrij verkeer van de betaalde sportbeoefenaars overdreven sterk beperkt en het een ongewettigde belemmering vormt voor hun toegang tot de arbeidsmarkt van de andere Lidstaten, aangezien het ingevoerde systeem de betaalde sportbeoefenaar in geval van voortijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden, aan zijn werkgever een zo exorbitant bedrag te betalen, dat hij geen einde kan maken aan zijn arbeidsovereenkomst?"

- aan de voorzitter van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vragen de prejudiciële verwijzing te onderwerpen aan de versnelde procedure;

- K.R.C.G. te veroordelen tot de kosten van het geding.

2.

K.R.C.G. VZW vordert om:

- het hoger beroep en de vorderingen van M. D. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- M. D. te veroordelen tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 36 maanden loon, gelijk aan 878.888,00 EUR bruto, meer de intresten vanaf 29 januari 2008;

- M. D. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

III. BEOORDELING

III.a. Situering van het (resterende) geschil

Na het door dit hof op 22 juni 2010 uitgesproken arrest blijft er thans nog ter beslechting over, de kwestie van de begroting van de beëindigingsvergoeding waarop K.R.C.G. opzichtens M. D. gerechtigd is (zie hierna, sub III.b.).

Tevens dient er nog uitspraak te worden gedaan over de gerechtskosten (zie hierna, sub III.c.).

III.b. Beëindigingsvergoeding

1.

Er was tussen partijen sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een voorziene duurtijd van 1 juli 2007 tot 30 juni 2011, waaraan door M. D. op 28 januari 2008 op onrechtmatige wijze een einde werd gesteld.

Thans rest er de vraag naar de hoegrootheid (de omvang) van de beëindigingsvergoeding die M. D. aan K.R.C.G. verschuldigd is.

K.R.C.G. meent gerechtigd te zijn op een beëindigingsvergoeding overeenstemmend met 36 maanden loon, en beroept zich daarvoor op de toepassing van het KB van 13 juli 2004 'tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars' (hierna verder KB van 13 juli 2004 genoemd).

M. D. meent dat dit KB hier niet kan worden toegepast, wegens schending van de Grondwet en van direct toepasbare internationale bepalingen.

M. D. suggereert in dat verband nog een prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie.

2.

M. D. was ten tijde van zijn tewerkstelling bij K.R.C.G. een betaald sportbeoefenaar die onder het toepassingsgebied viel van de wet van 24 februari 1978 voor de betaalde sportbeoefenaars, hierna verder Wet Betaalde Sportbeoefenaars genoemd.

Volgens de Wet Betaalde Sportbeoefenaars wordt de overeenkomst tussen een betaalde sportbeoefenaar en een werkgever als een arbeidsovereenkomst voor bedienden aanzien.

De bepalingen van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars zijn erop van toepassing, en voor alles wat niet door deze wet wordt geregeld, gelden de bepalingen die van toepassing zijn voor een arbeidsovereenkomst voor bedienden (cf. artikel 3 Wet Betaalde Sportbeoefenaars).

Artikel 4 van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars bepaalt :

"De arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars voor een bepaalde tijd gesloten, moet schriftelijk worden gesteld in evenveel exemplaren als er belanghebbenden zijn ondertekend door elke partij. Een exemplaar dient aan de sportbeoefenaar ter hand gesteld te worden.

Is er geen geschrift dat beantwoordt aan de voorschriften van het voorgaande lid of is geen exemplaar ervan aan de sportbeoefenaar overhandigd, dan gelden voor deze overeenkomsten de bepalingen van artikel 5.

De duur van de arbeidsovereenkomst mag niet meer dan vijf jaar bedragen. Zij zijn hernieuwbaar.

Werd de overeenkomst gesloten voor een bepaalde tijd dan heeft de benadeelde partij wegens het verbreken daarvan zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn, recht op een vergoeding gelijk aan het bedrag van het tot het verstrijken van die termijn verschuldigd loon.

Deze vergoeding mag echter niet meer belopen dan het dubbel van die bepaald in artikel 5, lid 2".

Artikel 5, lid 2 van de Wet betaalde Sportbeoefenaars bepaalt :

"Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten, is de partij die de overeenkomst verbreekt (/), gehouden tot de betaling van een vergoeding waarvan het bedrag door de Koning zal worden bepaald op advies van het bevoegd Nationaal Paritair Comité. Bij ontstentenis van een koninklijk besluit is het bedrag van die vergoeding gelijk aan het lopende loon overeenstemmend met de nog verschuldigde lonen tot het einde van het sportseizoen met een minimum van 25 % van het jaarloon".

Artikel 1 van het KB van 13 juli 2004 bepaalt :

"Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten, is de partij die de overeenkomst verbreekt zonder dringende reden of zonder de bepalingen van het eerste lid van artikel 5 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars in acht te nemen, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend met :

1? indien het jaarlijks loon niet hoger is dan 15.106,00 euro:

- vier en een halve maand indien de overeenkomst wordt verbroken tijdens de eerste twee jaren na de aanvang van deze overeenkomst;

- drie maanden indien de overeenkomst wordt verbroken vanaf het derde jaar na de aanvang van deze overeenkomst;

2° indien het jaarlijks loon hoger is dan 15.106,00 euro zonder 24.631,52 euro te overschrijden:

- zes maanden indien de overeenkomst wordt verbroken tijdens de eerste twee jaren na de aanvang van deze overeenkomst;

- drie maanden indien de overeenkomst wordt verbroken vanaf het derde jaar na de aanvang van deze overeenkomst;

3° zes maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 24.631,52 euro zonder 32.842,03 euro te overschrijden;

4° twaalf maanden indien het jaarlijks loon hoger is dan 32.842,03 euro zonder 98.526,10 euro te overschrijden;

5° achttien maanden indien het jaarlijks loon 98.526,10 euro overschrijdt ."

Indien in onderhavig geschil toepassing zou worden verleend conform de bepalingen van het KB van 13 juli 2004, dan zou zulks impliceren dat M. D. aan K.R.C.G. een beëindigingsvergoeding van 36 maanden (het dubbel van het aantal maanden, voorzien in geval van de verbreking van een voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst) zou moeten betalen.

3.

Artikel 40 § 1 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna : Arbeidsovereenkomstenwet) bepaalt :

"Is de overeenkomst voor bepaalde tijd (/) aangegaan, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen, die gelijk is aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het bereiken van die termijn, zonder echter het dubbel te mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten".

Artikel 82, § 3, lid 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet (in de versie van toepassing op het ogenblik van de contractbeëindiging) bepaalt :

"Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, mag de opzeggingstermijn niet langer zijn dan vier en een halve maand indien het jaarlijks loon hoger is dan 16.100 EUR zonder 32.200 EUR te overschrijden, noch langer dan zes maanden indien het jaarlijks loon 32.200 EUR overschrijdt".

Uit deze bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat de vergoeding die een bediende bij het verbreken van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst aan zijn werkgever verschuldigd is, kan oplopen tot een bedrag van (maximaal) 12 maanden loon.

4.

Vraag is of dit niet onaanzienlijke onderscheid en verschil in behandeling tussen enerzijds een betaald sportbeoefenaar (een beëindigingsvergoeding die volgens het KB van 13 juli 2004 kan oplopen tot 36 maanden loon) en anderzijds een gewone bediende (een beëindigingsvergoeding die volgens de Arbeidsovereenkomstenwet maximaal 12 maanden loon bedraagt), wanneer de voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst vóór afloop ervan beëindigd wordt door de werknemer, verantwoord of aanvaardbaar is.

Artikel 10 van de Grondwet bepaalt :

"Er is in de Staat geen onderscheid van standen.

De Belgen zijn gelijk voor de wet ; zij alleen zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzonder gevallen door een wet kunnen worden gesteld.

De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd."

Artikel 11 van de Grondwet bepaalt :

"Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden."

In artikel 10 van de Grondwet ligt het gelijkheidsbeginsel vervat ; artikel 11 van de Grondwet verwoordt het nietdiscriminatiebeginsel.

De vraagt rijst of de in het KB van 13 juli 2004 vervat liggende kwestieuze maatregel, afgewogen tegenover de hiervoren vermelde bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet, wel verzoenbaar is met dit grondwettelijke gelijkheids en niet-discriminatiebeginsel, en of deze maatregel mogelijk niet neerkomt op een schending ervan.

Het komt thans aan het arbeidshof toe om te beoordelen of het KB van 13 juli 2004 (al dan niet), "zonder objectieve en redelijke verantwoording, aan de sportbeoefenaars een voordeel ontzegt dat de wetgever aan een andere categorie van personen heeft toegekend" (cf. de overwegingen van het in deze zaak door het Grondwettelijk Hof uitgesproken arrest, blz. 7 ; stuk 11 van het dossier van de rechtspleging bij dit hof).

Bij de toetsing van de verstaanbaarheid van het KB van 13 juli 2004 met de bedoelde grondwetbepalingen kan op dienende wijze worden geappelleerd aan de toepassing van de daarbij in aanmerking te nemen principes, zoals deze gehanteerd worden door onze hoogste rechtscolleges (vgl. onder meer : Cass. 5 oktober 1990, Arr. Cass. 199091, nr.61 ; Cass. 30 april 1992, Arr. Cass. 199192, 823 ; Cass. 10 september 1993, Arr. Cass. 1993, nr. 341 ; Cass. 3 oktober 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 353 ; Cass. 12 januari 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 19 ; Cass. 1 oktober 1999, Arr. Cass. 1999, nr. 496 ; Cass. 15 januari 2004, rolnr. F.02.0006.N, www.cass.be ; Cass. 17 november 2006, rolnr. F040015N, www.cass.be ; Cass. 20 april 2012, rolnr. C.10.0434.F, www.cass.be ; Cass. 21 februari 2013, rolnr. C.12.0117.F, www.cass.be ; Cass. 8 april 2013, rolnr. S.12.0128.F, www.cass.be ; GwH 17 september 2003, nr. 116/2003, www.constcourt.be ; GwH 9 februari 2005, nr. 30/2005, www.constcourt.be ; GwH 28 juli 2006, nr. 125/2006 2006, www.constcourt.be ; GwH van 16 januari 2014, nr. 1/2014, www.constcourt.be.).

Volgens deze toepasselijke principes verhinderen de grondwettelijke regels inzake gelijkheid en nietdiscriminatie niet dat er eventueel een verschil in behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, maar dit geldt dan enkel voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

De al of niet aanwezigheid van een zodanige objectieve en redelijke verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van het verschil in behandeling.

De aangewende middelen moeten alleszins evenredig zijn met het nagestreefde doel.

Het grondwettelijke gelijkheidbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

5.

Inzake het eerste hiervoren vermelde in aanmerking te nemen criterium (zie vorig punt, sub III.b.4.), inzake het bestaan van een objectieve verantwoording waarop het verschil in behandeling dient te berusten, kan het hof hier kort zijn.

Dit verschil in behandeling m.b.t. bepaalde aspecten van de arbeidsrelatie, tussen een betaald sportbeoefenaar en een werknemerbediende die dat niet is, ligt vervat in een "wet", met name de (basis)wet van 24 februari 1978 'betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars' (Wet Betaalde Sportbeoefenaars).

Het is dus op die wijze dat de wetgever (de 'wetgevende macht'), gebruik makend van zijn prerogatief terzake, in een onderscheid heeft willen voorzien, en het komt als zodanig niet aan dit hof toe (als orgaan van de 'rechterlijke macht') om daaromtrent zijn goed of afkeuring uit te spreken.

Dit hof toetst weliswaar in het kader van het hem ter beoordeling voorgelegde geschil de conformiteit van het kwestieuze (uitvoerings)KB van 13 juli 2004 met de Grondwet (cf. artikel 159 van de Grondwet), maar uiteraard niet van de basiswet waarop dit KB steunt ; het komt namelijk niet aan de 'gewone' burgerrechtelijke rechter (thans dit hof) toe om de conformiteit van een wet met de Grondwet te toetsen of te beoordelen.

Het hof dient zich m.b.t. dit criterium te beperken tot de vaststelling dat de wetgevende macht zelf gewenst heeft dat er een onderscheid in stand wordt gebracht of gehouden, en er kan van worden uitgegaan dat de keuze van de wetgever dienaangaande op een objectief (en relevant) criterium berust, er kennelijk op gericht om voor bepaalde bijzondere categorieën van werknemers (hier : de betaalde sportbeoefenaars) in specifieke wettelijke bepalingen te voorzien.

Dit is trouwens niet enkel het geval voor betaalde sportbeoefenaars, maar geldt evenzeer voor andere bijzondere categorieën van werknemers, zoals bijvoorbeeld handelsvertegenwoordigers, studenten, huisarbeiders, telewerkers, zeelieden en binnenschippers, (enz.).

Het hof merkt in dit verband wel op dat K.R.C.G. er een onjuiste benadering op nahoudt in de mate dat er door haar in beroepsbesluiten steevast wordt uitgegaan van een regelgeving die specifiek zou gelden voor betaalde "voetbalspelers".

In de wet zelf (Wet Betaalde Sportbeoefenaars) wordt niet voorzien in enig onderscheid tussen de verschillende soorten van sportbeoefenaars naargelang de specifieke activiteiten of onderscheiden sporttakken.

De Wet Betaalde Sportbeoefenaars richt zich niet enkel tot de voetbalspelers en hun werkgevers, maar ze geldt voor iedere betaalde sportbeoefenaar (en zijn werkgever) die zich in de daartoe voorziene wettelijke voorwaarden bevindt.

Het standpunt van K.R.C.G., waarbij zij in functie van de problematiek  de verstaanbaarheid van de in het KB van 13 juli 2004 vervatte voorschriften met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en nietdiscriminatiebeginsel  argumenten aandraagt vanuit een veronderstelde specificiteit van de sporttak van het beroepsvoetbal, steunt dus in se op een onjuist uitgangspunt, aangezien dit onderscheid niet voortvloeit uit de Wet Betaalde Sportbeoefenaars (die zich zonder onderscheid tot alle sporttakken richt) en hieruit dus ook niet kan worden afgeleid.

Het schijnt het hof overigens toe dat indien de wetgevende macht gewenst had dat er voor de sporttak van het beroepsvoetbal een aparte wettelijke context vereist was, zij dit dan wellicht ook als zodanig in een specifieke regelgeving zou hebben omgezet, hetgeen niet het geval blijkt te zijn.

Omgekeerd gesteld, kan uit het feitelijke gegeven dat dit niet is gebeurd, worden afgeleid dat de wetgevende macht de sporttak van het beroepsvoetbal niet op een ander wijze dan andere sporttakken heeft willen behandelen.

Dit impliceert dat het niet kan volstaan om, zoals K.R.C.G. ten onrechte wel doet, zonder meer te refereren aan de specificiteit van de voetbalsport of het beroepsvoetbal om de in het KB van 13 juli 2004 vervatte regelgeving te verantwoorden.

In het licht van deze beoordeling laat het hof derhalve de op dergelijke onjuiste premisse gesteunde argumentatie van K.R.C.G.  door haar in laatste beroepsbesluiten vermeld op onder meer blz. 141516 onder de aanduiding "2.2.1. Atypische arbeidsmarkt  betaalde voetbalsport" en "2.2.2. Atypische 'voetballoopbaan'"  buiten beschouwing, wegens het voorts niet correcte en dus niet dienende karakter ervan.

6.

Nu de keuze van de wetgever voor een verschil in behandeling tussen enerzijds betaalde sportbeoefenaars en hun werkgevers, en anderzijds 'gewone' bedienden en hun werkgevers, vaststaat, moet voorts worden beoordeeld of het beoogde (en bij KB uitgewerkte) verschil in behandeling  inzake een toepasselijke beëindigingsvergoeding in geval van de voortijdige beëindiging van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst  beantwoordt aan het tweede hiervoren vermelde criterium, dat van een redelijke verantwoording (al dan niet) voor het onderscheid.

Het verschil in behandeling moet redelijk verantwoord zijn, hetgeen inhoudt dat het evenredig is met het nagestreefde doel (en de gevolgen) ervan ; het gelijkheidbeginsel en discriminatieverbod is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel (zie hoger, sub III.b.4.).

K.R.C.G. heeft onder de aanvoering van een (beweerd) 'legitiem doel' gesteld dat het verschil in opzeggingsvergoedingen (bij een voortijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor betaalde sportbeoefenaars, in vergelijking met die voor 'gewone bedienden') verband houdt met het "specifieke karakter van de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars en het specifieke karakter van de sport in het algemeen".

Deze 'specificiteit van de sport' vormt volgens K.R.C.G. "een bijzonder statuut voor de sport, waarbij het gemeen recht niet (onverkort) kan worden toegepast", op grond waarvan voor betaalde sportbeoefenaars een gedifferentieerde behandeling in vergelijking met 'gewone bedienden' vereist of verantwoordbaar zou zijn.

Waar K.R.C.G. ter ondersteuning van deze aanvoering op algemene wijze appelleert aan de "aanhef uitvoeringsKB's", gaat het om een argumentatie die bezwaarlijk kan worden bijgetreden.

In de aanhef van het hier ter discussie staande KB van 13 juli 2004 wordt namelijk als zodanig niet verwezen naar ‘de specificiteit van de sport', zodat het hof niet inziet hoe dergelijke eventuele doelstelling uit die aanhef vermag te worden afgeleid.

Niettemin kan volgens het hof worden aanvaard dat het sportgebeuren, en het ermee gelieerde aspect van de betaalde sportbeoefening, bepaalde kenmerken vertoont die mogelijk afwijken van een gebruikelijke arbeidsomgeving en arbeidsrelatie.

K.R.C.G. heeft in dat verband verwezen naar de erkenning van het specifieke en unieke karakter van de sport in onder meer de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en in ander beleidsdocumenten.

K.R.C.G. verwees in dat verband eveneens naar de in het 'Witboek Sport van 7 juli 2007 van de Europese Commissie' weergegeven kenmerken en dimensies i.v.m. de maatschappelijke rol van de sport (waaronder de verbetering van de (volks)gezondheid, de educatieve functie, de sociale functie, de culturele functie, de recreatieve dimensie).

K.R.C.G. heeft er in die context op gewezen dat het bij de betaalde sportbeoefening voorkomende aspect van competitie belangrijk is, en dat een competitieve gelijkheid van kansen tussen de daaraan participerende tegenstanders essentieel is.

De in functie daarvan nagestreefde objectieven, slaande op het vermijden van een competitievervalsing en op het behoud daarbij van een bepaalde stabiliteit van de aan de competitie participerende sportploegen, kunnen naar het oordeel van het hof worden beschouwd als aanvaardbare doelstellingen in functie waarvan in voorkomend geval bepaalde specifieke maatregelen zouden kunnen worden uitgewerkt of aangewend, erop gericht om een afdoende mate aan rechtszekerheid van de arbeidsrelaties in de sportsector te garanderen.

Er kan wel worden opgemerkt dat het hof het bestaan van (daarnaast) een andere mogelijke legitieme doelstelling als zodanig niet terugvindt in de argumentatie van K.R.C.G. waarbij deze verwijst naar het economische aspect van het sportgebeuren, het al dan niet nastreven van financiële winst, en het belang van de competitie voor die specifieke aspecten (beroepsbesluiten K.R.C.G., blz. 18 en blz. 19).

Dergelijke aspecten zijn namelijk niet uniek voor de sector van de betaalde sportbeoefening, maar gelden evenzeer voor andere sectoren in de bedrijfswereld en de diensten ; ook daar spelen de concurrentie en de competitie, en de financiële implicaties ervan, een belangrijke rol ; er zijn volgens het hof geen valabele redenen voorhanden om op basis van dergelijke vooropgestelde (economische) doelstellingen in een aparte en gedifferentieerde behandeling te voorzien voor de ‘betaalde sportbeoefening'.

En waar K.R.C.G. het heeft over de doelstelling inzake "de integriteit van de sport", is het voor het hof niet duidelijk wat met dergelijke algemene en vage 'passepartoutformulering' concreet bedoeld zou kunnen zijn.

Evenmin is duidelijk waarom er sprake zou zijn van andere "integriteits"normen in het kader van de betaalde sportbeoefening, in vergelijking met de bedrijfswereld en diensten en de daarbij horende arbeidsrelaties, alwaar van de participanten uiteraard eveneens 'integriteit' verondersteld en verwacht wordt.

Het hof merkt nog op dat de verwijzing van K.R.C.G. naar gunstmaatregelen die in de Belgische wetgeving voor betaalde sportbeoefenaars bestaan op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit op zich evenmin in verband kunnen of moeten worden gebracht met een eventuele legitieme doelstelling voor de hier ter discussie staande maatregel, die enkel van arbeidsrechtelijke aard is en die met dit sociale zekerheids dan wel fiscaal gunstregime niet vereenzelvigbaar (en/of er niet uit afleidbaar) is.

Zoals hoger werd opgemerkt, en hetgeen hier 'mutatis mutandis' geldt, is de verwijzing van K.R.C.G. (in haar laatste beroepsbesluiten, blz. 222324, onder rubriek "2.3.4. Beëindigingsregels en de specifieke doelstelling voor de voetbalsport") naar specifieke doelstellingen die volgens haar in ogenschouw zouden moeten worden genomen voor de 'voetbalsport' niet pertinent en niet correct (zie hoger, sub III.b.5.) : voor de voetbalsport geldt geen specifieke afwijkende wettelijke regeling op grond waarvan ten gunste van deze specifieke sporttak aparte legitieme doelstellingen voor de hier onderzochte maatregel (het KB van 13 juli 2004) zouden kunnen worden onderkend, en de daaromtrent door K.R.C.G. kenbaar gemaakte andersluidende argumentatie faalt derhalve :

dit geldt onder meer voor hetgeen door K.R.C.G. vermeld werd inzake het volgens haar toegelaten inbouwen van belemmeringen gericht op het "wegkopen van voetballers" door meer bemiddelde (al dan niet buitenlandse) voetbalclubs, en inzake het behoud van klaarblijkelijk in de betaalde voetbalsport gangbare transfersysteem (dat overigens duidelijk moet worden onderscheiden van de arbeidsrelatie die tussen een voetbalclub en een voetbalspeler bestaat ; de eventuele transfervergoeding en een verbrekingsvergoeding zijn duidelijk onderscheiden van aard ; de transfervergoeding houdt verband met de 'verkoopwaarde' van de speler en met het 'economisch verlies' van de club die 'haar' speler ziet vertrekken en ze wordt in voorkomend geval betaald door de club waar de speler naartoe gaat ; de verbrekingsvergoeding heeft daarentegen enkel tot doel de directe gevolgen van de vroegtijdige beëindiging van de arbeidsrelatie te dekken en wordt betaald door de partij, de club dan wel de speler, die de overeenkomst vroegtijdig beëindigd heeft ; vgl. het antwoord van de toenmalige minister van Werk en Pensioenen op de hem in die context gestelde parlementaire vraag, senaatszitting van 17 juni 2004, nr. 3301, www.senaat.be).

Bij gebrek aan pertinentie en/of relevantie wordt bijgevolg deze desbetreffende argumentatie van K.R.C.G.  waarbij door K.R.C.G. ten onrechte wordt uitgegaan van een eigen geprivilegieerde positie van de voetbalsport, maar hetgeen dus zijn grondslag niet vindt in de Wet Betaalde Sportbeoefenaars (en bijgevolg evenmin in haar uitvoeringsbesluit)  door het hof voorts buiten beschouwing gelaten.

7.

Rest er de vraag of de ter discussie staande maatregel (de regeling vervat liggend in het KB van 13 juli 2004) evenredig is met de hiervoren door het hof wel weerhouden doelstellingen, inzake het (voor de maatschappelijke rol van de sport relevante) vermijden van competitievervalsing tussen de aan het sportgebeuren participerende tegenstanders en het behoud daarbij van de stabiliteit van de aan de competitie participerende sportploegen.

Het hof is van oordeel dat de in het KB van 13 juli 2004 vervatte maatregelen geenzins evenredig zijn met deze doelstellingen.

Een in voorkomend geval op basis van die regelgeving door de contractverbrekende sportbeoefenaar te betalen beëindigingsvergoeding die kan oplopen tot 36 maanden loon, is in geen enkel opzicht evenredig met de vermelde doelstellingen.

Het is het hof volstrekt onduidelijk, en het hof onderkent hier niet het bestaan van een redelijke verantwoording daarvoor, waarom er in afwijking van de in de Arbeidsovereenkomstenwet voorziene regeling, in welk geval desgevallend een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden loon verschuldigd zou zijn, volgens de regeling van het KB van 13 juli 2004 bij een vergelijkbare toepassing een beëindigingsvergoeding van 36 maanden zou moeten gelden.

De andersluidende argumenten die K.R.C.G. in dit verband aanhaalt, ter verdediging van die in het KB van 13 juli 2004 vervat liggende regeling en ter verantwoording van de volgens K.R.C.G. wel bestaande evenredigheid van deze maatregel in functie van de weerhouden doelstellingen, overtuigen niet en zijn niet van aard om het hof tot een andere beoordeling aan te zetten :

 de verwijzing van K.R.C.G. naar andere in het KB van 13 juli 2004 voorziene (lagere) vergoedingen in functie van de duurtijd van de arbeidsovereenkomst en naar de in het KB voorziene jaarloongrenzen is hier als zodanig niet dienend aangezien in onderhavige zaak wel degelijk de toepassing van de door het KB voorziene hoogste vergoeding aan de orde is en de afweging hier dient te gebeuren in functie van deze concrete toepassing ;

 K.R.C.G. beargumenteert dat de opzeggingsvergoeding die de "speler" moet betalen (bij een voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst) in verhouding moet staan "met de (on)mogelijkheid voor de voetbalclub om spoedig een gelijkwaardige vervanger te vinden" en met de daarmee gepaarde gaande moeilijkheden en kosten (waaronder "beperkte transferperiodes, hoge transferprijzen").

In de visie van K.R.C.G. moeten bij de beoordeling van het systeem van toepasselijke vergoedingen "de voordelen van het ganse systeem voor de voetbalspelers" indachtig worden gehouden, en zouden de nadelige juridische beperkingen (o.a. de wettelijke onmogelijkheid tot het inlassen van een concurrentiebeding) waarmee de voetbalclubs geconfronteerd worden de hogere opzeggingsvergoedingen rechtvaardigen.

Alweer gaat het om een argumentatie die specifiek geënt is op het voetbalgebeuren, terwijl het KB van 13 juli 2004 betrekking heeft op de betaalde sportbeoefening (en beoefenaars) in het algemeen, zonder dat daarbij een aparte geprivilegieerde behandeling voor de voetbalsector zou gelden.

Zoals hoger ook reeds werd geoordeeld (zie hoger, sub III.b.5. en III.b.6.) kan K.R.C.G. echter geen valabele argumentatie putten uit de door haar vooropgestelde specificiteit van de voetbalsport om de in het KB van 13 juli 2004 vervatte regelgeving en de omvang van de erin voorzien vergoedingen te verantwoorden ;

 de verwijzing van K.R.C.G. naar een voorts niet weergegeven of bijgebracht advies dat door de Raad van State bij het KB van 13 juli 2004 (of een voordien vigerend KB, dat thans niet aan de orde is) werd afgeleverd, vormt evenmin een valabel argument op basis waarvan tot een evenredigheid tussen de bekritiseerde maatregel en het weerhouden beoogde doel, waaromtrent het hof thans vrijelijk zijn beoordeling vermag uit te spreken, kan worden besloten.

In dit verband merkt het hof volledigheidshalve op dat in de 'basiswet' zelf (Wet Betaalde Sportbeoefenaars) bepaald werd dat bij gebreke van uitwerking bij K.B. het bedrag van de verschuldigde beëindigingsvergoeding, in geval van beëindiging (zonder dringende reden of zonder opzeggingstermijn) van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst, gelijk is aan het tot aan het einde van het sportseizoen verschuldigde loon , met een minimum van 25 % van het jaarloon (artikel 5, lid 2 Wet Betaalde Sportbeoefenaars). In geval van een voortijdige beëindiging van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst bedraagt alsdan de beëindigingsvergoeding het dubbel daarvan (artikel 4, lid 4 Wet Betaalde Sportbeoefenaars). Deze door de wetgever zelf vooropgestelde normering ligt alleszins (aanzienlijk) lager dan de daaropvolgende bij KB uitgewerkte regeling, en het hof vindt als zodanig geen redelijke verantwoording terug voor de (ruime) afwijking (bij KB) van de aldus door de wetgever in de wet zelf gehanteerde indicatieve normering ;

 de argumentatie van K.R.C.G. dat partijen niet verplicht zouden zijn om het systeem van het KB van 13 juli 2004 toe te passen (en dus voor lagere termijnen of bedragen zouden kunnen opteren), en/of de arbeidsovereenkomst kunnen beëindigen in onderling akkoord, vormt hier geen pertinent argument.

Deze redenering geldt voor iedere arbeidsovereenkomst en beëindiging ervan ; het is de contracterende partijen steeds toegelaten (binnen bepaalde marges) om in onderling akkoord af te zien van een bepaalde toepassing, en dit geldt niet enkel voor de door het KB van 13 juli 2004 voorziene toepassing.

Dergelijke argumentatie levert bijgevolg geen deugdelijke elementen op ter verantwoording van een eventuele evenredigheid van de bedoelde maatregel in functie van de doelstelling ervan ;

 dat de regels inzake beëindiging van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars en het KB van 13 juli 2004 de facto zelden zouden worden toegepast, zoals door K.R.C.G. wordt geponeerd, mist iedere pertinentie bij de beoordeling van de evenredigheid tussen de maatregel (bedoeld KB) en de beoogde doelstelling ;

 de wederkerige werking van bedoelde maatregel  d.w.z. dat deze geldt zowel t.a.v. de werknemer als t.a.v. werkgever  is hier evenmin een valabel argument dat tot de conclusie kan leiden van een het eventuele bestaan van een evenredigheid tussen de maatregel en de beoogde doelstelling.

Voor zoveel als nodig merkt het hof in dit verband overigens op van oordeel te zijn dat deze evenredigheid in beide richtingen (dus zowel naar gelang de beëindigende daad aan de werknemer dan wel aan de werkgever is toe te schrijven, en bij een voor beiden veronderstelde gelijke toepassing van de in het KB van 13 juli 2004 voorziene termijnen en vergoedingen), schijnt te ontbreken.

Uitgaande van de weerhouden doelstellingen inzake het vermijden van competitievervalsing tussen de aan het sportgebeuren participerende tegenstanders en het behoud daarbij van de stabiliteit van de aan de competitie participerende sportploegen, ziet het hof bovendien niet in waarom bijvoorbeeld daartoe de in de Arbeidsovereenkomstenwet voorziene vergoedingsregeling (met een maximale beëindigingsvergoeding van 12 maanden loon) niet zou kunnen volstaan, in geval van de voortijdige beëindiging van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst.

Daar waar de competitie in het sportgebeuren 'periodiek' verloopt en zich normalerwijze telkens niet verder dan over een periode van 12 maanden uitstrekt, en waar de samenstelling van participerende sportploegen in functie van de vermelde doelstellingen (het vermijden van een vervalsing van de competitie en/of van een ontwrichting van aan de competitie participerende sportploegen) wel van belang is voor een dergelijke afgelijnde competitieperiode, komt een beëindigingsvergoeding die (in geval van beëindiging van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst) deze periodieke cyclus aanzienlijk overschrijdt en die dus aanzienlijk meer dan 12 maanden zou belopen, het hof niet redelijk verantwoord  d.w.z. niet in evenredigheid met de beoogde doelstelling(en)  voor.

Bijkomend kan worden opgemerkt dat de loopbaan als beroepssporter van relatief korte duur is (beschouwd in functie van de periode dat hij/zij beroepsactief is als betaald sportbeoefenaar en onder de Wet Betaalde Sportbeoefenaars ressorteert).

Volgens de eigen weergave door K.R.C.G. zou een dergelijke loopbaan gemiddeld 12 jaar bedragen ; M. D. van zijn kant gewaagt van een loopbaan van gemiddeld 6 tot 8 jaar.

De door het KB van 13 juli 2004 voorziene hoogste beëindigingsvergoeding van 36 maanden loon die de betaalde sportbeoefenaar alsdan verschuldigd zou zijn in geval van een hem toeschrijfbare voortijdige beëindiging van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, impliceert dat zulks qua duurtijd neerkomt op 1/3 tot zelfs de helft (naar gelang de in aanmerking genomen duurtijd daarvan volgens de voorstelling door partijen) van de gehele duurtijd van de (gemiddelde) loopbaan als betaalde sportbeoefenaar.

Bij de beoordeling van de aanwezigheid van een objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling moet niet enkel de toets worden uitgevoerd in het licht van het doel van de kwestieuze maatregel, maar eveneens met de gevolgen ervan (vgl. onder meer : Cass. 17 november 2006, rolnr. F040015N, www.cass.be ; Cass. 20 april 2012, rolnr. C.10.0434.F, www.cass.be ; Cass. 21 februari 2013, rolnr. C.12.0117.F, www.cass.be ; Cass. 8 april 2013, rolnr. S.12.0128.F, www.cass.be).

De gevolgen van de in het KB van 13 juli 2004 vervat liggende regeling zijn in het licht van die relatief korte loopbaan van de betaalde sportbeoefenaar zodanig disproportioneel dat de maatregel het hof niet redelijk verantwoord (of verantwoordbaar) voorkomt.

8.

Verwijzend naar de voorgaande overwegingen komt het hof tot het besluit dat de hier ter discussie staande regeling van het KB van 13 juli 2004 de conformiteit-toets met artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet kan doorstaan.

Kortom :

de hier ter discussie staande regeling van het KB van 13 juli 2004 is strijdig met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en nietdiscriminatiebeginsel.

9.

Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat eenieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden, daarbij inbegrepen het recht op arbeid en op vrije keuze van beroepsarbeid (dit laatste dan "in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil").

De vrijheid van arbeid is een fundamentele waarde in ons rechtsbestel, die, benevens hetgeen uit artikel 23 van de Grondwet kan worden afgeleid, ook kan worden teruggevonden in internationale verdragen (cf. o.a. artikel 23 § 1 Universeel Verdrag van de Rechten van de Mens ; artikel 6.1. Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten ; artikel 1 Europees Sociaal Handvest).

In het arrest dat het Grondwettelijk Hof in deze zaak uitsprak na de kwestieuze prejudiciële vraagstelling door dit arbeidshof, overwoog het Grondwettelijk Hof daaromtrent het navolgende (zie dit arrest nr. 84/2011 ; stuk 11 van het dossier van de rechtspleging) :

"(/) Aan het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid kunnen beperkingen worden gesteld, op voorwaarde dat die redelijk zijn verantwoord en niet onevenredig zijn met het nagestreefde doel (/)".

Het Grondwettelijk Hof vervolgde dat bij de beoordeling van die evenredigheid de omvang van de vergoeding een doorslaggevend element is ("/ Aangezien de omvang van de vergoeding, die een doorslaggevend element is in de beoordeling van de evenredigheid van de beperking, enkel op grond van het koninklijk besluit van 13 juli 2014 kan worden vastgesteld /)".

Inzake de beoordeling of de beperking van de vrijheid van beroepsarbeid, voorzien in het KB van 13 juli 2004, redelijk verantwoordbaar is en evenredig met het nagestreefde doel, kan hier op dienende wijze worden verwezen naar hetgeen door het hof hoger, bij het onderzoek daarvan in het licht van het principe van gelijkheid en nietdiscriminatie, overwogen en geoordeeld werd, en hetgeen hier 'mutatis mutandis' geldt.

De volgens de normen van het KB van 13 juli 2004 voorziene beëindigingsvergoedig, overeenstemmend met 36 maanden loon, is van zodanige aard dat de vrijheid van arbeid van de betrokken werknemer/sportbeoefenaar er op onevenredige wijze door aangetast wordt en dat bedoelde maatregel buitensporig is ten aanzien van het beoogde doel.

Kortom :

het hof is van oordeel dat deze door het KB van 13 juli 2004 voorziene maatregel eveneens in strijd is met de door artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van arbeid.

10.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat de verwijzing van K.R.C.G. naar (en de citaten uit) een zelf bijgebracht stuk van de hand van (professor) F. Hendrickx (stuk 15 stukkenbundel K.R.C.G.), als zodanig neerkomt op de 'eigenmaking' van de opinie van een derde over de gestelde problematiek, zonder dat dergelijke persoonlijke opinie van deze derde op enigerlei wijze bindend zou zijn voor het hof ; bedoelde opinie is niet van aard om het hof tot een andere beoordeling aan te zetten en het hof gaat er niet verder op in.

11.

Bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet moeten de hoven en rechtbanken zich, zo nodig ambtshalve, onthouden van elke toepassing van een reglementair besluit dat niet met de wetten overeenstemt.

Nu de kwestieuze in het KB van 13 juli 2004 vervat liggende maatregel door het hof niet in overeenstemming wordt bevonden met de bepalingen van artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, laat het hof dit KB van 13 juli 2004 in onderhavige zaak buiten toepassing.

12.

Aangezien het KB van 13 juli 2004 door het hof sowieso buiten toepassing wordt gelaten, is het voor de verdere beoordeling van onderhavig geschil niet meer nodig of relevant om alsnog over te gaan tot de door M. D. gesuggereerde prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie, inzake een eventuele conformiteit of verstaanbaarheid van bedoeld KB met het Europees recht.

13.

Nu het KB van 13 juli 2004 buiten toepassing wordt gelaten, zijn hier voor de begroting van de door M. D. aan K.R.C.G. te betalen beëindigingsvergoeding nog de navolgende wettelijke reglementeringen van belang :

 de Wet Betaalde Sportbeoefenaars ;

 de Arbeidsovereenkomstenwet.

Volgens de Wet Betaalde Sportbeoefenaars is er sprake van een vergoeding gelijk aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot aan het verstrijken van de termijn van de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer mag belopen dan het dubbel van degene die bepaald wordt in geval het zou gaan om een (onrechtmatige) beëindiging van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst (artikel 4, lid 4 Wet Betaalde Sportbeoefenaars).

Overeenkomstig artikel 5, lid 2 van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars is (bij ontstentenis van een KB  het buiten toepassing laten van het KB van 13 juli 2004 kan in die zin worden opgevat), in geval van een onrechtmatige beëindiging van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst, het bedrag van de beëindigingsvergoeding "gelijk aan het lopende loon overeenstemmend met de nog verschuldigde lonen tot het einde van het sportseizoen met een minimum van 25 % van het jaarloon".

Concreet toegepast, komt dit op het volgende neer :

 M. D. heeft de voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst (aangegaan voor de duur van 1 juli 2007 tot 30 juni 2011) op 28 januari 2008 onrechtmatig beëindigd, terwijl alsdan het vigerende sportseizoen (van de voetbalcompetitie) nog liep tot 30 juni 2008 ;

 het nog verschuldigde loon vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 28 januari 2008 tot het einde van dit sportseizoen (30 juni 2008) stemt overeen met het loon voor 5,12 maanden (5 volle maanden + 4 dagen van januari 2008) ;

 het dubbel daarvan stemt overeen met het loon voor 10,24 maanden.

Conform de Wet Betaalde Sportbeoefenaars is M. D. aan K.R.C.G. een beëindigingsvergoeding verschuldigd overeenstemmend met 10,24 maanden (lopend) loon.

Deze toepassing is verzoenbaar (in de zin van : niet tegenstrijdig) met de voor 'gewone bedienden' toepasselijke bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Volgens artikel 40 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet zou de te betalen vergoeding eveneens gelijk dienen te zijn aan het tot het bereiken van de termijn (van de voortijdig beëindigde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) verschuldigde loon, "zonder echter het dubbel te mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten".

In die laatste toepassing (beëindiging door de werknemer van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst) zou, gelet op de loonhoogte, de opzeggingstermijn de 6 maanden niet mogen overschrijden (artikel 82 § 3, laatste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet).

In het volgens de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet gangbare systeem zou alsdan door de werknemer een beëindigingsvergoeding van maximaal 12 maanden verschuldigd zijn.

De hiervoren conform de Wet Betaalde Sportbeoefenaars verleende toepassing (beëindigingsvergoeding van 10,24 maanden loon) valt binnen deze marge van ‘maximaal' 12 maanden loon en is er niet strijdig mee.

Deze toepassing (beëindigingsvergoeding van 10,24 maanden loon) kan dienvolgens behouden blijven.

Voor zoveel als nodig merkt het hof nog op dat er desgevallend een discrepantie zou kunnen optreden tussen beide wetgevingen (Wet Betaalde Sportbeoefenaars ; Arbeidsovereenkomstenwet) in geval de door de sportbeoefenaar doorgevoerde beëindiging van de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst vroeger in het sportseizoen zou plaatsvinden (en in geval het einde van het sportseizoen zich vanaf deze beëindiging op meer dan 6 maanden zou situeren), maar aangezien deze problematiek zich hier concreet in onderhavige zaak niet stelt, is het niet nodig om daarop verder in te gaan, bij gebrek aan relevantie voor de beslechting van onderhavig geschil.

14.

Bij gebrek aan dienende betwisting van de zijde van M. D. over de daarbij door K.R.C.G. vooropgestelde loonbegroting, kan voor de berekening van de beëindigingsvergoeding een lopend loon van 292.963,00 EUR per jaar (zoals door K.R.C.G. werd vooropgesteld) in aanmerking worden genomen.

15.

Rekening houdend met de hiervoren bepaalde termijn en met het in aanmerking te nemen lopende loon, is M. D. dienvolgens aan K.R.C.G. in hoofdsom een beëindigingsvergoeding verschuldigd van :

292.963,00 EUR jaarloon x 10,24/12

= 249.995,09 EUR.

Op dit bedrag kunnen, zoals door K.R.C.G. werd gevraagd, intresten worden toegerekend, maar het gaat alsdan om moratoire intresten in de zin van artikel 1153 B.W. die hier verschuldigd zijn vanaf de dag van de aanmaning der betaling, die hier samenvalt met de gedinginleidende dagvaarding, zijnde 19 februari 2008.

III.c. Gerechtskosten

Rekening houdend met het gegrond dan wel ongegrond verklaarde gedeelte van de (hoofd)vordering van K.R.C.G., acht het hof het raadzaam om in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. de gerechtskosten om te slaan als volgt :

 K.R.C.G. wordt veroordeeld tot de helft van de gerechtskosten ;

 M. D. wordt veroordeeld tot de helft van de gerechtskosten.

Rekening houdend met de complexiteit van de zaak kan het hof ermee akkoord gaan om, zoals door beide partijen werd aangevoerd, voor de rechtsplegingsvergoedingen toepassing te maken van het maximumbedrag, in functie van de hoofdvordering die zich in de marge van 500.000,01 EUR tot 1.000.000,00 EUR situeert (zijnde concreet rechtsplegingsvergoedingen van telkens 22.000,00 EUR, per partij en per aanleg).

oOo

In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing.

oOo

BESLISSING

Het arbeidshof,

Na zijn arrest van 22 juni 2010 verder recht doend,

Verklaart de door K.R.C.G. opzichtens M. D. ingestelde vordering tot het bekomen van een beëindigingsvergoeding gedeeltelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Veroordeelt M. D. tot de betaling aan K.R.C.G. van een beëindigingsvergoeding van 249.995,09 EUR, vermeerderd met de intresten vanaf 19 februari 2008.

Hervormt het vonnis van 25 mei 2009 van de arbeidsrechtbank Tongeren in de mate dat erdoor anders over werd beslist.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. K.R.C.G. tot de helft van de gerechtskosten en M. D. tot de helft ervan, van beide aanleggen.

Vereffent deze gerechtskosten als volgt :

 aan de zijde van M. D. op 22.000 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 22.000 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

- aan de zijde van K.R.C.G. op 187,21 EUR dagvaardingskosten, 22.000 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 22.000 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door:

Paul CEUPPENS, raadsheer,

, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

en uitgesproken door de voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 6 mei 2014 met bijstand van griffier Nancy VANHEES.

Nancy VANHEES Paul CEUPPENS

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELING : einde van de overeenkomst

  • forfaitaire opzeggingsvergoeding

  • overeenkomst met tijdsbepaling

  • arbeidsrecht

  • betaalde sportbeoefenaar

  • beëindiging arbeidsovereenkomst bepaalde duur

  • beëindigingsvergoeding

  • gelijkheidsbeginsel

  • artikelen 10 en 11 Grondwet

  • objectieve en redelijke verantwoording