- Arrêt du 13 février 2014

13/02/2014 - 2013/AB/327

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer de beoefenaar van een zelfstandige activiteit aanspraak maakt op een recht op leefloon, kan voor de bepaling van de bestaansmiddelen niet enkel rekening gehouden worden met de inkomsten en uitgaven van een bepaalde maand, maar moet rekening gehouden worden met de schommelingen van dit inkomen.

Wanneer de rechter gevat wordt over een betwisting over het recht op leefloon voor een zelfstandige, moet hij de bestaansmiddelen (bedrijfsinkomsten min bedrijfsuitgaven) globaal onderzoeken voor gans de periode waarvoor het leefloon geweigerd werd. Hij moet dit leefloon weigeren indien hij vaststelt dat de zelfstandige voor het geheel van de periode over voldoende bestaansmiddelen beschikte, ook al was dat voor sommige maanden niet het geval.


Arrêt - Texte intégral

rep.nr.: 2014/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 FEBRUARI 2014

7e KAMER

OCMW - leefloon

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN KAMPENHOUT met zetel te 1910 KAMPENHOUT, Dorpsstraat 9, appellant, vertegenwoordigd door mr. VANWYNSBERGHE Anna-Maria, advocaat te 3090 OVERIJSE, Prins Karellaan 45

tegen:

S.D. ,

geïntimeerde, die in persoon verschijnt en bijgestaan door mr. LEMAHIEU Olivier, advocaat te 1050 ELSENE, Louizalaan 106.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 14 februari 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 12/9158/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 19 maart 2013,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 31 december 2013 door advocaat-generaal J.-J. André,

de replieken op dit schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 16 januari 2014 voor het OCMW van Kampenhout en de heer S.D.,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 19 december 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer S.D., die voorheen reeds op occasionele basis financiële hulpverlening kreeg van het ocmw Kampenhout (tussenkomst voor huur en huurwaarborg), diende op 10 mei 2012 een aanvraag in tot het bekomen van een leefloon.

Bij beslissing van 5 juni 2012 heeft het ocmw Kampenhout deze aanvraag afgewezen. Wel werd aan de heer S.D. een wekelijkse financiële steun ten bedrage van 50 euro per week toegekend, door middel van de terugbetaling van zijn aankoop van levensmiddelen.

De weigering van het leefloon steunde hierop dat de heer S.D. onvoldoende informatie had aangebracht over zijn inkomsten en uitgaven en in het bijzonder niet de specifieke documenten (invulschema's) ingevuld had, die hem voorgesteld waren door het ocmw Kampenhout, en die een inzicht dienden te geven in zijn maandelijkse inkomsten en uitgaven als zelfstandige.

2.

Bij verzoekschrift van 23 juli 2012 heeft de heer S.D. beroep aangetekend tegen deze beslissing voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 14 februari 2013, dat ter kennis werd gebracht op 20 februari 2013, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en het ocmw Kampenhout veroordeeld tot toekenning van een leefloon voor de periode van 10 mei 2012 tot 20 november 2012.

3.

Bij verzoekschrift van 19 maart 2013 heeft het ocmw Kampenhout hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de eerste rechter.

4.

Na het inleiden van de procedure voor de arbeidsrechtbank heeft het ocmw Kampenhout vanaf 22 oktober 2012 aan de heer S.D. wel een aanvullend leefloon toegekend, variërend van maand tot maand in functie van de bedrijfsinkomsten en bedrijfsuitgaven voor de betrokken maand.

De betwiste periode is aldus beperkt tot de periode van 10 mei 2012 tot 20 oktober 2012.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

In toepassing van artikel 767, § 3, al. 3 van het Gerechtelijk Wetboek kan het hof geen rekening houden met de aanvullende stukken die door de heer S.D. nog werden neergelegd, in antwoord op het advies van het openbaar ministerie. De repliekconclusies kunnen immers enkel in aanmerking genomen worden in zoverre zij antwoorden op het advies van het Openbaar Ministerie.

2.

Het ocmw Kampenhout is van oordeel dat de beslissing van de eerste rechter niet gedragen wordt door de motieven die in het vonnis worden aangehaald en die eerder, in overeenstemming met het advies van het Openbaar Ministerie, hadden dienen te leiden tot de afwijzing van de eis.

Het ocmw Kampenhout vraagt de bevestiging van de bestreden administratieve beslissing, op basis van de gronden die daarin vermeld zijn, en in het bijzonder essentieel het feit dat op dat ogenblik de heer S.D. in gebreke bleef het invuldocument, met betrekking tot de inkomsten en uitgaven, dat opgesteld was in overleg met een organisatie, die zelfstandigen in moeilijkheden begeleidde, in te vullen.

Het ocmw Kampenhout benadrukt ook dat de heer S.D. klaarblijkelijk problemen heeft met het beheren van een zelfstandige activiteit, onder meer door het laattijdig factureren van een aantal prestaties, en dat het niet de taak kan zijn van een ocmw om permanent ter hulp te komen van een zelfstandige die er niet slaagt een rendabele zelfstandige activiteit op te zetten. Het ocmw illustreert dit met verwijzing naar de grote financiële problemen die de uitoefening van de zelfstandige activiteit in het verleden reeds met zich meebrachten, en geleid hebben tot de verkoop van de woning van de heer S.D. en van de woning van diens moeder.

3.

De heer S.D. stelt dat de invuldocumenten, die hem door het ocmw in de betwiste periode werden voorgelegd, niet op adequate wijze een inzicht konden geven in zijn werkelijke financiële situatie. Er werd immers in essentie uitgegaan van gefactureerde bedragen en inkomende facturen, zonder rekening te houden met de al dan niet betaling van deze facturen. De heer S.D. is van oordeel dat hij wel degelijk bekwaam is een rendabele zelfstandige activiteit uit te oefenen, maar dat hij daarvoor nood heeft aan een "veilige haven", dit wil zeggen een inkomensgarantie vanwege het ocmw, zodanig dat hij zich aan kan toeleggen op de uitbouw van zijn zelfstandige activiteit.

4.

De eventuele tekortkomingen van de heer S.D., op het ogenblik van de bestreden beslissing, in verband met het voorleggen van de vereiste financiële informatie, kunnen rechtgezet worden in de loop van de procedure. Dit houdt in dat, in zoverre het hof vaststelt dat op het ogenblik van zijn beslissing, de vereiste informatie aanwezig is om uitspraak te doen over het recht op leefloon, het recht op leefloon niet kan ontzegd worden op basis van het enkele feit dat de heer S.D. zou nagelaten hebben de documenten, die hij volgens het ocmw moest invullen, effectief in te vullen.

Overigens stelt het hof vast dat de kritiek die de heer S.D. formuleert ten aanzien van deze documenten - te weten dat uitgegaan werd van gefactureerde bedragen en niet van effectief ontvangen bedragen - niet echt wordt tegengesproken. Het is niet omdat de bedoelde documenten werden opgesteld in samenwerking met een VZW die de belangen van zelfstandigen in moeilijkheden behartigde, dat deze documenten noodzakelijk adequaat waren. In toepassing van artikel 3, 4 ° en artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie dient voor de bepaling van het recht op leefloon uitgegaan te worden van de bestaansmiddelen van de betrokkene. Bestaansmiddelen veronderstellen effectieve inkomsten. Facturen zijn geen bestaansmiddelen.

5.

Het hof is van oordeel dat het, op basis van de door de heer S.D. op verzoek van het hof voorgelegde documenten, voldoende geïnformeerd is over de financiële situatie van de heer S.D. in de bestreden periode, om met kennis van zaken uitspraak te kunnen doen over zijn bestaansmiddelen. De omstandigheid dat in de door de heer S.D. gemaakte afrekeningen nog een aantal fouten voorkomen, staat daar niet aan in de weg vermits de heer S.D. in alle openheid inzage gegeven heeft van al zijn financiële verrichtingen, zodanig dat deze fouten kunnen rechtgezet worden, wat gebeurde in de laatste conclusies van het ocmw Kampenhout en de daarbij gevoegde afrekening.

6.

De wijze waarop de bestaansmiddelen van een zelfstandige moeten berekend worden ligt echter niet voor de hand. Ze wordt ook door de wet, of zijn uitvoeringsbesluiten, niet gepreciseerd.

Anders dan voor de werknemer, waarvan het inkomen meestal een vast bedrag per maand vertegenwoordigt, kan het inkomen van een zelfstandige erg variëren van maand tot maand. Daarvoor zijn uiteraard verschillende redenen. Een zelfstandige kan vaak een prestatie slechts factureren na volledige uitvoering van de werken. Hij kan dan enkele maanden moeten werken zonder enig inkomen, om dan in een bepaalde maand een inkomen te ontvangen dat in feite het werk van verschillende maanden vergoedt. Facturen worden uiteraard ook niet steeds onmiddellijk betaald. Omgekeerd moet een zelfstandige in een aantal gevallen de aankoopprijs van een aantal materialen voorschieten.

Het is dan ook zeer moeilijk, en vaak niet correct, om het leefloon voor een zelfstandige te berekenen van maand tot maand. Een dergelijke berekening zou in een aantal situaties immers tot onbillijke oplossingen leiden, die door de wetgever zeker niet gewild zijn. Zo zou een zelfstandige die een seizoensgebonden activiteit uitoefent (bijvoorbeeld in de toerismesector aan zee) een leefloon kunnen vorderen voor de maanden waarin zijn zaak gesloten is, terwijl het inkomen verworven tijdens het topseizoen ruimschoots volstaat om hem bestaansmiddelen te verschaffen voor alle maanden van het jaar.

Uiteraard is het hof er zich van bewust dat de berekening van het recht op leefloon in functie van inkomen over een langere termijn in de praktijk tot grote moeilijkheden aanleiding kan geven, vermits het recht op leefloon ontstaat maand per maand. Eventueel kunnen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn werken met voorschotten en met maandelijkse verrekeningen, waarbij het surplus voor bepaalde maanden kan verrekend worden met het recht voor de daaropvolgende maanden.

Wanneer het hof echter gevat wordt over een betwisting met betrekking tot het recht op leefloon naar het verleden toe voor een zelfstandige, dient het rekening te houden met het geheel van de bestaansmiddelen van de betrokken zelfstandige in de periode waarover het uitspraak moet doen. De omstandigheid dat het ocmw Kampenhout oorspronkelijk een andere berekeningswijze voor ogen had, en bij een latere beslissing ook een leefloon toekende op basis van een andere berekeningswijze, verplicht het hof niet om het leefloon op dezelfde wijze te berekenen. De wetgeving met betrekking tot het leefloon raakt immers de openbare orde en het hof dient ambtshalve de berekeningswijze toe te passen die volgens hem het meest in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen.

7.

Voor de berekening van het leefloon dient, zoals voor iedere aanvraag, uitgegaan te worden van de bestaansmiddelen waarover de aanvrager beschikt. Voor de zelfstandige zijn dat de inkomsten die hij verwerft door zijn arbeid, onder aftrek van de uitgaven die noodzakelijk zijn om dat inkomen te verwerven. Geen rekening kan gehouden worden met persoonlijke uitgaven, zoals huur en dergelijke, vermits deze precies door het gevorderde leefloon moeten gedekt worden.

Evenmin kan rekening gehouden worden met de afbetaling van oudere schulden, die niet in verband staan met een beroepsactiviteit tijdens de betwiste periode. Het is immers, tenzij in zeer bijzondere omstandigheden, waarin het ten laste nemen van bepaalde schulden noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen een menswaardig leven te leiden, niet de taak van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om de schulden van de leefloonaanvrager te betalen. Dit laatste geldt in het bijzonder voor een aantal afbetalingen, die in de loop van de maand mei 2012 gebeurden aan een gerechtsdeurwaarder voor een schuld Demagro van 2011. Het gaat om betalingen van 121,46 euro , 185,46 euro en 100 euro .

8.

Het hof heeft in eerste instantie gepoogd de door de heer S.D. voorgestelde afrekeningen te corrigeren in functie van een aantal fouten die door het ocmw Kampenhout geciteerd worden in besluiten (p.7), en door aftrek van de te verwerpen kosten Demagro. Bij een gedetailleerd nazicht van de door de heer S.D. voorgestelde afrekeningen heeft het hof echter moeten vaststellen dat de heer S.D. ook een aantal fouten maakt in de berekeningen in zijn nadeel. Zo zijn er systematisch problemen bij de verrekening van de kosten via de KBC rekening "52" (permanente opdrachten voor een aantal nutsvoorzieningen), waarbij het toevoegen van deze kosten systematisch lijkt te leiden tot een verhoging van het positieve saldo aan bestaansmiddelen, terwijl dit net het omgekeerde zou moeten zijn. Ook is de afrekening voor september 2012 moeilijk te begrijpen, waar de heer S.D. alleen uitgaven en geen inkomsten vermeldt, maar toch tot een positief resultaat in zijn voordeel komt van 424,06 euro , terwijl hij kosten berekent voor 833,75 euro en 125,22 euro .

In ieder geval, wanneer men vertrekt van de saldi per maand die de heer S.D. aangeeft, en dit gecorrigeerd in functie van de fouten die gesignaleerd worden op pagina 7 van de besluiten van het ocmw en met aftrek van de betalingen voor oude schulden, komt men tot een positief saldo van circa 6.500 euro op zes maanden, hetgeen een bedrag aan bestaansmiddelen geeft dat hoger is dan het recht op leefloon (6x 817,36 euro ).

9.

Het ocmw Kampenhout heeft in bijlage 2 bij zijn laatste besluiten van 16 december 2013, de bestaansmiddelen (beroepsinkomsten - beroepsuitgaven) van de heer S.D. zelf gereconstrueerd in functie van de door heer S.D. voorgelegde rekeninguittreksels. Het hof heeft deze afrekening geverifieerd en is van oordeel dat deze afrekening een correcte en objectieve weergave biedt van de bestaansmiddelen van de heer S.D. doorheen de litigieuze periode. Indien deze afrekening op sommige (kleinere) punten misschien erg streng is, doordat systematisch iedere uitgave verworpen wordt waarvan het professioneel karakter niet helemaal zeker is, staat daar tegenover dat in deze afrekening wel de afbetalingen aan de gerechtsdeurwaarder in de zaak Demigro worden opgenomen die, zoals hoger vermeld werd, in feite niet mogen opgenomen worden.

Het resultaat van deze berekeningen is dat de heer S.D. over de globale periode van 10 mei 2002 tot 20 oktober 2012 beschikte over bestaansmiddelen van 6.350,99 euro , of een gemiddelde van 1.058,50 euro per maand, terwijl het leefloon voor een alleenstaande slechts 817,36 euro bedraagt per maand. Daarbij moet dan nog rekening gehouden worden met het feit dat voor deze periode de heer S.D. in feite reeds 1.300 euro ontving als tussenkomsten voor voeding, die normaal bij de toekenning van het leefloon moet verrekend worden.

10.

De conclusie is dan ook dat, rekening houdend met zijn bestaansmiddelen voor de ganse betwiste periode, de heer S.D. geen aanspraak had op leefloon. Het bestreden vonnis dient dan ook op die basis hervormd te worden.

10.

Ten overvloede voegt het hof dan nog aan toe dat het niet de taak is van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om, zoals de heer S.D. het formuleert, hem een "veilige haven" te bieden voor de opbouw van een zelfstandige activiteit,waarbij hij, ongeacht het resultaat van zijn zelfstandige activiteit, op ieder moment kan terugvallen op leefloon of ocmw-steun voor de maanden dat het moeilijk gaat.

Overeenkomstig artikel 3, 4° van de wet van 26 mei 2002 vereist de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie niet alleen dat de aanvrager niet over toereikende bestaansmiddelen beschikt, maar ook dat hij niet in staat is deze door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. Zulks houdt in dat het openbaar centrum van de aanvrager kan eisen dat hij zijn beroepsloopbaan op dergelijke wijze oriënteert dat hij door zijn inspanningen op een regelmatige basis inkomsten kan verwerven.

De heer S.D. geeft zelf aan dat hij nood heeft aan een vaste structuur voor de uitbouw van zijn activiteiten. Zijn zelfstandige activiteit lijkt hem deze structuur niet te kunnen bieden. De heer S.D. moet dan ook overwegen de arbeidscapaciteiten, waarover hij ongetwijfeld nog beschikt, aan te wenden in het kader van een arbeidsovereenkomst of in het kader van een andere, goed omkaderde structuur, waarbij hijzelf niet meer de verantwoordelijkheid moet dragen voor het financiële beheer van zijn activiteit en niet meer afhankelijk is van de wisselvalligheden en risico's van een zelfstandige activiteit. Zulks zal ongetwijfeld ten koste gaan van een stuk zelfstandigheid, maar dit is de prijs die hij zal moeten betalen om niet steeds beroep te moeten doen op de gemeenschap, of om kunnen terug te vallen op die gemeenschap, wanneer het ook in een dergelijke structuur niet lukt.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek voor de beide partijen,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw wijzend,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer S.D. ongegrond.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het ocmw Kampenhout tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden niet begroot in hoofde van heer S.D..

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 13 februari 2014 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Mots libres

  • SOCIALE VOORZORG

  • RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE

  • Bestaansminimum

  • Leefloon

  • Bestaansmiddelen

  • Zelfstandige.