- Arrêt du 22 avril 2014

22/04/2014 - 2013/AB/375

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer een bediende ontslagen wordt, nadat zijn wijze van leidinggeven in de ondernemingsraad voorwerp van discussie is geweest, houdt de reden geen verband met het door hem opgenomen tijdskrediet.


Arrêt - Texte intégral

P.D. ,

appellant,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. MERTENS Sven, advocaat te

2800 MECHELEN, Grote Nieuwedijkstraat 417.

tegen

INTERDIOCESAAN CENTRUM VZW, met maatschappelijke zetel te

1040 ETTERBEEK, Guimardstraat 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. GOETHALS Karl loco mr. HOFKENS Jan, advocaat te

1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C b113.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 21 maart 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 11/8035/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 april 2013,

de conclusies voor de appellant,

de conclusie voor de geïntimeerde,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 25 maart 2014, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 5 juli 2006 ondertekenden de vzw. Interdiocesane Coördinatie en de heer P.D. een voltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, waardoor de heer P.D. met ingang van 1 september 2006 werd aangeworven als bouwkundige.

Met ingang van 1 oktober 2008 werd deze arbeidsovereenkomst in dezelfde voorwaarden overgenomen door de vzw Interdiocesaan Centrum.

2. Bij brief van 8 oktober 2009 vroeg de heer P.D. met ingang van 1 februari 2010

1/5 tijdskrediet aan als werknemer van 50 jaar en ouder.

3. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de functie werd uitgeoefend.

Het Interdiocesaan Centrum erkent dat de heer P.D. bepaalde taken goed uitoefende, maar maakt melding van een klacht van de werknemersafgevaardigden in de ondernemingsraad van 11 mei 2010 m.b.t. de onheuse wijze waarop de heer P.D. een personeelslid van de dienst Onthaal & Gebouwen aanpakte over het reeds nemen van haar middagpauze om 11 uur. Dit incident wordt gekaderd in een onbehoorlijke manier van leiding geven. De werkgeversafvaardiging wordt uitgenodigd dit probleem ter hand te nemen.

De werkgeversafvaardiging onderschrijft dit en voegt eraan toe op de hoogte te zijn van deze (en eerdere) klachten.

Op 8 juni 2010 schrijft de werknemersafvaardiging een schriftelijke nota waarin deze klacht herhaald en aangevuld wordt met de vraag dat er zou worden ingegrepen. Deze klacht wordt geagendeerd op de ondernemingsraad van 8 juni 2010 onder punt 6.

4. Bij brief van 9 juni 2010 werd de heer P.D. ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 8 maanden en een aanbod van outplacement.

5. Bij aangetekende brief van 25/30 augustus 2010 van de raadsman van de heer P.D. aan het Interdiocesaan Centrum werd een bijpassing aan de opzeggingsvergoeding van

euro 1.810,77 gevraagd en een beschermingsvergoeding tijdskrediet van euro 31.383,82.

Via een antwoordschrijven van haar raadman van 8 oktober 2010 wees het Interdiocesaan Centrum deze vorderingen af.

6. Omdat partijen niet tot overeenstemming kwamen, dagvaardde de heer P.D. op 15 juni 2011 het Interdiocesaan Centrum in betaling van:

een saldo opzeggingsvergoeding van euro 1.810,77

een beschermingsvergoeding tijdskrediet van euro 31.383,82

te vermeerderen met intresten en kosten

en in afgifte van de overeenstemmende sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

7. Bij vonnis van 21 maart 2013 van de arbeidsrechtbank te Brussel werden deze vorderingen afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 april 2013, tekende de heer P.D. hoger beroep aan en vroeg dat zijn oorspronkelijke vordering zou worden toegekend

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Dit wordt overigens niet betwist.

Het tijdskrediet

2. Op grond van artikel 20 §2 van de CAO nr. 77 bis mag de werkgever geen handeling verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet.

Wanneer de werkgever in de periode van het ontslagverbod van artikel 20 §2 de dienstbetrekking eenzijdig wijzigt, moet hij bewijzen dat hij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de uitoefening van het recht op tijdskrediet.

(Cass. 14 januari 2008, JTT 2008, 243)

3. In art. 20 van de CAO 77bis wordt niet als voorwaarde gesteld dat de werkgever de juiste ontslagreden in de ontslagbrief moet vermelden. Voldoende is dat hij aantoont dat de reden vreemd is aan de uitoefening van het recht op tijdskrediet.

4. In de ontslagbrief van 9 juni 2010 wordt geen reden vermeld.

Het C4-formulier vermeldt: functioneerde niet naar behoren in zijn job, problemen in omgang met ondergeschikten.

Dit wordt door het Diocesaan Centrum toegelicht in 1.7 en 1.8 van het officieel schrijven van haar raadsman van 8 oktober 2010. Hierin wordt verwezen naar de interventie van de werknemersafvaardiging in de ondernemingsraad.

5. De discussie van de heer P.D. met mevrouw D.V., onthaalmedewerkster, aan wie de heer P.D. een vervroegde middagpauze van 11 u. tot 11.30 u. wou opleggen, wordt door hem niet ontkend.

Deze discussie verhindert niet dat de heer P.D. op professioneel vlak ook waardevolle initiatieven heeft genomen, wat als dusdanig door de werkgever niet wordt ontkend.

Het is het goed recht van de heer P.D. om over dit alles een andere visie te hebben dan de werknemersafvaardiging in de ondernemingsraad, die in deze discussie een herhaling van de onbehoorlijke manier van leiding geven zag. De werkgeversafgevaardigden onderschreven uiteindelijk de interpretatie van de werknemersafvaardiging, die aandrong op maatregelen.

Dit punt werd opnieuw geagendeerd op de ondernemingsraad van 8 juni 2010, nadat de werknemersafvaardiging een bijkomende nota had opgesteld in verband met interne problemen, waaraan dringend in het lopende jaar moest worden verholpen.

Men kan er niet aan voorbij gaan dat deze uitwisseling de reden van het ontslag is geweest en dit is een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd is aan de uitoefening van het tijdskrediet.

Het feit dat de heer P.D. een andere benadering heeft in verband met de ingeroepen reden van ontslag en dat hij daarin zelfs door sommige medestanders werd bijgetreden, neemt niet weg dat de ontslagbeslissing niet op kennelijk onredelijke gronden steunde.

De keuze om in de gegeven situatie tot het ontslag te besluiten is een opportuniteitskeuze van de werkgever, die bij de ontslagbeslissing de wettelijke regels heeft nageleefd en die een behoorlijke opzeggingstermijn van 8 maanden heeft in acht genomen, wat door de heer P.D. overigens niet wordt aangevochten.

Gelet op het feit dat de ontslagreden los staat van het tijdskrediet, is het hoger beroep op dit onderdeel ongegrond.

De opzeggingsvergoeding

6. Partijen hebben geen discussie over de in acht genomen opzeggingstermijn van 8 maanden, doch wel over de samenstelling van het jaarloon, meer bepaald de dagvergoedingen en de waardering van het privaat gebruik van de bedrijfswagen.

7. De heer P.D. houdt voor dat de dagvergoedingen geen reële kosten dekken, omdat deze afzonderlijk worden vergoed.

Het Interdiocesaan Centrum heeft haar medewerkers uitgenodigd om de kostenproblematiek te objectiveren door hen uit te nodigen bewijsstukken in te leveren over de hoogte en de realiteit van de kosten.

Op een eerder hautaine wijze heeft de heer P.D. deze redelijke vraag zonder antwoord gelaten door op 11 maart 2010 te laten weten dat voor hem de vergoeding forfaitair was en daardoor de vraag irrelevant (stuk 14 Interdiocesaan Centrum).

Hij is dan ook slecht geplaatst om nu voor te houden dat de realiteit van de kosten niet bewezen is. Het Interdiocesaan Centrum toont aan dat ze er zorg voor droeg dat de kosten op reële basis vergoed werden.

Het is aannemelijk dat een bouwkundige die regelmatig extern functioneert, bijkomende kosten eigen aan zijn functie heeft, los van de gewone kosten die werden terugbetaald. Deze kunnen op forfaitaire wijze vergoed worden.

Terecht heeft de eerste rechter dit onderdeel niet opgenomen in het jaarloon.

8. De heer P.D. beschikte over een bedrijfswagen VW Saran, die hij na zijn ontslag nog verder heeft mogen gebruiken tot 23 juni 2010.

Hij waardeert het privaatgebruik op euro 400/maand.

De eerste rechter merkt terecht op dat bij aftrok van de persoonlijke bijdrage van euro 167,83 een lager bedrag bekomen wordt dan het door de werkgever weerhouden euro 250.

9. Het correcte jaarloon werd bij de berekening in acht genomen, zodat het hoger beroep in verband met het saldo opzeggingsvergoeding ongegrond is.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het betreden vonnis.

Veroordeelt de heer P.D. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van het Interdiocesaan Centrum begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 2.200.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter,

Simone ALAERTS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Simone ALAERTS, Roger VANDENPUT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 22 april 2014 door:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Mots libres

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEROEPSLOOPBAANONDERBREKING

  • Tijdskrediet.