- Jugement du 13 décembre 2013

13/12/2013 - ME62.L1.862-12

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Jugement - Texte intégral

De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, elfde kamer, rechtsprekend in correctionele zaken, wijst het volgende vonnis :

Inzake van het Openbaar Ministerie

tegen :

1. B. S.,

- Bijgestaan door Mr. F. Thiebaut, advocaat, kantoorhoudende te 2800 Me-chelen, Frederik de Merodestraat 6

2. K. D.,

- in persoon aanwezig

3. T. L.,

- Bijgestaan door Mr. N. Riffi, advocaat, kantoorhoudende te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 97

VERDACHT VAN:

Te M. op 12 januari 2012

a. om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uit-voering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben

b. om, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden

c. om, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben

d. om, hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gespro-ken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of -zinnebeeld, aange-plakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het feit rechtstreeks uitgelokt te hebben.

Bij inbreuk op de artikelen 1, 15, 16, 34, 36-6°, 38, 39, 40 en 42 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in overtreding te zijn bevonden van hoofdstuk VI en meer specifiek bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 3 en 14 van het Koninklijk besluit dd. 16 januari 1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten en of doden, nagelaten te hebben dat bij het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten en doden ervoor moet worden gezorgd dat de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn of elk vermijdbaar lijden wordt bespaard.

Gelet op de processtukken.

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering.

Gehoord de 1ste en 2de beklaagde in hun middelen van verdediging.

BEOORDELING OP STRAFGEBIED

1. De tenlastelegging

Bij de beoordeling van de enige tenlastelegging houdt de rechtbank reke-ning met de volgende relevante elementen van het strafdossier.

Op 12.01.2012 werd de politie omstreeks 10.21u opgeroepen om zich naar de xxx te M. te begeven naar aanleiding van een melding betreffende een illegale slachting van een schaap.

De politie begaf zich via een aardeweg naast de woning aan de xxx naar de achterliggende weide. De politie bemerkte een persoon van Noord-Afrikaanse afkomst, die een witte schort droeg, en die wegliep. De weglo-pende man werd geïdentificeerd als de heer S. B. (eerste beklaagde), de-welke enkele grote messen in de hand had. In de weide werden de heer D. K. (tweede beklaagde) en de heer L. T. (derde beklaagde) aangetroffen. De politie trof in de weide een geslachte en gevilde bok aan. Het vlees lag in een kruiwagen voorzien van water, en het slachtafval lag in een bak.

De heer K. verklaarde dat hij die dag gemerkt had dat twee van zijn bokken gevochten hadden, en dat één ervan gekwetst was. Hij is dan naar de sla-gerij aan de yyy gereden en heeft aan winkelbediende S. (B.) gevraagd of deze hem kon helpen. S. heeft iemand opgebeld, deze is naar de slagerij gekomen, en ze zijn met hun drie naar de wei gereden, waar ze de bok hebben opgeraapt en naar de achterzijde van de wei hebben gedragen. Vervolgens heeft één van de twee de bok afgemaakt. S. heeft samen met zijn kennis het dier gevild. S. heeft het dier in een kruiwagen met water ge-reinigd.

De heer B. verklaarde dat de heer K. reeds vier weken voordien met de vraag kwam of hij voor hem een schaap kon slachten. Hij heeft de heer K. gezegd dat hij daar geen tijd voor had. Op 08.01.2012 of 09.01.2012 kwam de heer K. opnieuw vragen of de heer B. een schaap voor hem kon slach-ten. De heer B. heeft dan toegestemd, en ze hebben afgesproken om op 12.01.2012 omstreeks 10u het schaap bij de heer K. in de weide te slach-ten. De heer T. was in de winkel, en hij heeft aan de heer T. gevraagd of deze wou meekomen, maar het was niet de bedoeling dat deze zou hel-pen. Bij aankomst in de weide liep de bok vrij rond en was hij gezond. De heer K. heeft de bok gevangen, hij heeft deze geslacht, en vervolgens heeft de heer K. een touw gebracht waarmee hij de bok heeft opgehangen om deze te villen. Gedurende de slachting heeft de heer T. gewoon toegekeken, en nadien geholpen met het ophangen van de bok. Hij heeft de bok gevild, en de heer K. is water gaan halen om de bok te reinigen.

De heer T. verklaarde dat hij op 12.01.2012 naar de winkel op de yyy ging, en dat S. (B.) hem daar vroeg om mee te gaan naar iemand omdat hij een bok moest slachten. S. heeft de bok geslacht, en hij heeft enkel geholpen om de bok omhoog te hangen.

Ter terechtzitting van 15.11.2013 betwistte de heer B. de enige tenlasteleg-ging. De heer B. stelde dat hij een oprechte verklaring had afgelegd aan de politie, doch dat hieruit, en uit de andere elementen van het strafdossier, geen strafbaar feit bleek. De heer B. stelde meer concreet dat het Openbaar Ministerie niet bewees dat het dier in kwestie geleden had.

Uit de voorliggende elementen van het strafdossier, waaronder ook de ver-klaring van de heer B. dewelke door hem ter terechtzitting werd bevestigd, blijkt dat de heer B. op 12.01.2012 de bok van de heer K. geslacht heeft in de weide van de heer K., nadat deze bok door de heer K. gevangen werd.

Artikel 1 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna afgekort als "dierenwelzijnswet") bepaalt dat niemand, uitgezonderd bij overmacht, handelingen mag plegen die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel, of pijn ondergaat.

Met betrekking tot het slachten van dieren bepaalt artikel 16 van de dieren-welzijnswet meer concreet in §1, lid 1, dat het slachten slechts na bedwel-ming van het dier, of in geval van heirkracht, volgens de minst pijnlijke me-thode mag plaatshebben. In §2 van artikel 16 wordt verder bepaald dat de Koning de methoden van slachten en bedwelmen kan bepalen volgens de omstandigheden van het slachten en de diersoort.

Het Koninklijk besluit van 16.01.1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten en of doden bepaalt in artikel 8, §1 dat voor het slachten van de in artikel 5, §1 bedoelde dieren (waaronder de "herkauwers", waartoe ook bokken of mannetjesgeiten behoren) buiten slachthuizen (zoals in voorliggende zaak in een weide) artikel 5, §1, 2°, 3° en 4° van toepassing is, dat bepaalt dat voor het slachten van dergelijke dieren deze:

- dienen te worden gefixeerd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van de bijlage (art. 5, §1, 2°);

- dienen te worden bedwelmd vóór het slachten of onmiddellijk gedood overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III van de bijlage (art. 5, §1, 3°);

- voor het verbloeden dienen te worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IV van de bijlage (art. 5, §1, 4°).

Hoofdstuk II.1. van de bijlage bepaalt dat de dieren op een passende wijze dienen te worden gefixeerd, en wel op zo'n manier dat hun vermijdbare pijn, vermijdbaar lijden, vermijdbare opwinding of vermijdbare verwondingen of kneuzingen worden bespaard.

Hoofdstuk III.A. van de bijlage bepaalt dat de dieren dienen te worden be-dwelmd door middel van een penschiettoestel, een kopslagbedwelming, een elektrische bedwelming of een bedwelming met behulp van kooldioxide.

Hoofdstuk III.B. van de bijlage bepaalt dat het doden van deze dieren enkel kan door middel van een kogel, onthoofding, elektrokutie en kooldioxide, of vacuümcel. Wat betreft de onthoofding wordt bepaald dat deze methode enkel mag gebruikt worden voor het doden van pluimvee.

Uit de vaststellingen van de verbalisanten en de aan het strafdossier ge-voegde foto's blijkt dat er ter plaatse geen enkel middel werd aangetroffen waarmee de bok in kwestie op regelmatige wijze kon gefixeerd zijn (waarbij volledigheidshalve kan opgemerkt worden dat het vastbinden van de poten uitdrukkelijk verboden is). De slachting werd blijkbaar ook alleen door de heer B. uitgevoerd, zodat redelijkerwijze kan gesteld worden dat de bok in kwestie onmogelijk op degelijke wijze kon gefixeerd zijn.

Er kan ook bezwaarlijk ernstig voorgehouden worden dat er in de weide in kwestie een penschiettoestel of enige andere apparatuur voor elektrische bedwelming of bedwelming met behulp van kooldioxide zou aanwezig ge-weest zijn. Er blijkt ook uit niets dat de bok zou bedwelmd zijn door middel van een (gepaste) kopslagbedwelming, gelet op de afwezigheid van de ge-paste apparatuur hiervoor (aan de kopslagbedwelming zijn een aantal dwingende vereisten verbonden in verband met de toegepaste methodiek, en zo is ook bv. de bedwelming door middel van een hamer, of bedwelming waarbij de schedel wordt gebarsten, uitgesloten).

Hoe dan ook blijkt zonder enige twijfel uit de voorliggende elementen van het strafdossier dat de bok niet werd gedood door middel van een kogel, elektrokutie en kooldioxide, of vacuümcel (zoals aangehaald is onthoofding verboden voor een bok, dat immers geen pluimvee is).

Aangezien er bij de slachting van de bok in kwestie kennelijk geen toepas-sing werd gemaakt van de wettelijk voorgeschreven vereisten inzake fixatie en bedwelming, minstens dat er overduidelijk geen gebruik werd gemaakt van de voorgeschreven manieren van doden, dient te worden besloten dat de bok werd geslacht zonder dat ervoor gezorgd werd dat elke vermijdbare opwinding, pijn of lijden werd bespaard, en zulks in strijd met artikel 3 van het Koninklijk besluit van 16.01.1998.

De inbreuk zoals omschreven in de enige tenlastelegging is dan ook af-doende bewezen, evenals het mededaderschap in hoofde van de heer B., dewelke immers zelf de slachting uitvoerde.

De heer K. betwistte ter terechtzitting van 15.11.2013 de enige tenlasteleg-ging niet, en stelde zijn verantwoordelijkheid te willen opnemen. Uit het voorliggende strafdossier blijkt ook dat de opdracht tot het slachten van de bok door de heer K. werd gegeven, zodat het misdrijf door hem werd uitge-lokt en hij dan ook als mededader in de zin van artikel 66 van het strafwet-boek dient te worden beschouwd.

De heer T. betwistte ter terechtzitting van 15.11.2013 dat hij als mededader zou kunnen beschouwd worden.

Zowel de heer B. als de heer T. verklaarden dat de heer T. enkel zou ge-holpen hebben met het ophangen van de bok, nadat deze reeds geslacht was. De heer K. verklaarde dat de heer B. samen met zijn kennis (de heer T.) het dier heeft gevild.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze verklaringen, of enig ander element van het strafdossier, geenszins kan besloten worden dat de heer T. enige daad van mededaderschap in de zin van artikel 66, of zelfs enige daad van medeplichtigheid in de zin van artikel 67 van het strafwet-boek, aan de doding en slachting van de bok in kwestie zou gepleegd heb-ben.

De rechtbank besluit dat de enige tenlastelegging afdoende bewezen is in hoofde van de heer B. en in hoofde van de heer K., en dat de heer T. van de enige tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

2. De straftoemeting

Bij de straftoemeting dient enerzijds rekening te worden gehouden met de persoonlijkheid van de beklaagden, en anderzijds met de ernst en het laak-baar karakter van de ten laste gelegde feiten.

De feiten zijn ernstig en getuigen in hoofde van eerste beklaagde en tweede beklaagde van een gebrek aan normbesef en een absoluut gebrek aan respect voor het welzijn van dieren.

Gelet op de aard en de zwaarwichtigheid van de feiten, komt de hierna be-paalde straftoemeting verantwoord voor.

Er wordt ook rekening gehouden met het strafrechtelijk verleden van eerste beklaagde en tweede beklaagde.

Eerste beklaagde, de heer B., liep in het verleden één veroordeling door de politierechtbank op.

Tweede beklaagde, de heer K., beschikt nog over een blanco strafregister.

Op het verzoek van eerste beklaagde, de heer B., ter terechtzitting van 15.11.2013 om de gunst van de opschorting toe te staan kan niet worden ingegaan, nu de rechtbank zulks, gelet op de ernst en de aard van de feiten, niet passend acht, en de rechtbank ook van oordeel is dat zulks eerste beklaagde onvoldoende bewust zou maken van de ernst van de feiten en van het leed dat hij het dier in kwestie heeft aangedaan.

Eerste en tweede beklaagde verkeren in de voorwaarden vermeld in artikel 8, §1 van de wet van 29 juni 1964, en de rechtbank durft te hopen dat een veroordeling tot de hierna bepaalde geldboete met volledig uitstel een vol-doende waarschuwing zal betekenen voor de toekomst.

Eerste en tweede beklaagde dienen wel te weten dat bij een veroordeling naar aanleiding van een nieuw feit in de proeftijd het thans verleende uitstel kan worden herroepen.

Nu de in beslag genomen slagersmessen, wetstaal en slagersjas (O.S. 12/0489) de eigendom zouden betreffen van de slagerij waarin de heer B. werkte, en dus niet de eigendom van één van beklaagden betreffen, worden deze niet verbeurd verklaard.

OM DEZE REDENEN :

DE RECHTBANK :

Gelet op de artikelen :

• 11, 12, 14, 31, 32, 34, 35, 36, 40, 41 van de wet van 15 juni 1935;

• 1, 1bis en 3 van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, gewijzigd door de wet van 24 december 1993 en de wet van 28 december 2011;

• EU-verordening nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over de in-voering van de euro;

• EU-verordening nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoe-ring van de euro;

• 161, 162, 163, 179, 190, 193bis, 194, 195 en van het wetboek van straf-vordering;

• 2, 3, 25, 38, 40, 41 en 100 van het strafwetboek;

• 1, 15, 16, 34, 36 6°, 38, 40 en 42 van de wet van 14 augustus 1986 be-treffende de bescherming en het welzijn der dieren;

• 3, 4, 5, 6 en 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;

door de voorzitter ter terechtzitting aangewezen.

Rechtsprekend op tegenspraak:

Spreekt derde beklaagde (L. T.) vrij van de enige tenlastelegging.

Veroordeelt de eerste beklaagde (S. B.) voor de bewezen verklaarde ten-lastelegging tot een geldboete van 150,00 euro verhoogd met 50 opdecie-men en aldus gebracht op 900,00 euro of een vervangende gevangenis-straf van 30 dagen ingevolge art. 40 Sw.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende drie jaar zal worden uitgesteld wat betreft de volledige geldboete uitgesproken lastens eerste beklaagde.

Veroordeelt de tweede beklaagde (D. K.) voor de bewezen verklaarde ten-lastelegging tot een geldboete van 150,00 euro verhoogd met 50 opdecie-men en aldus gebracht op 900,00 euro of een vervangende gevangenis-straf van 30 dagen ingevolge art. 40 Sw.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende drie jaar zal worden uitgesteld wat betreft de volledige geldboete uitgesproken lastens tweede beklaagde.

Veroordeelt de eerste beklaagde en de tweede beklaagde hoofdelijk tot de kosten van de strafvordering, belopend tot heden: 118,76 euro.

Krachtens artikel 91, tweede lid van het K.B. van 28.12.1950 houdende het alge¬meen regle¬ment op de gerechtskosten in strafza¬ken, zoals gewijzigd door het K.B. van 13 november 2012 worden de eerste beklaagde en de tweede beklaagde elk veroordeeld tot betaling van de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken van 51,20 euro.

Verplicht de eerste beklaagde en de tweede beklaagde elk bovendien tot betaling van een bijdrage van 25,00 euro bij wijze van financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Zegt dat dit bedrag vermeerderd wordt met 50 deciemen en aldus 150,00 euro bedraagt.

Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op 13 december 2013

Aanwezig :

- Y. Hendrickx, alleenzetelend rechter;

- het lid van het Openbaar Ministerie vermeld in het P.V. van de terecht-

zitting ;

- V. Stuyck, griffier.

V. Stuyck Y. Hendrickx.

Mots libres

  • Dierenwelzijnswet

  • slachting zonder correcte bedwelming en niet volgens minst pijnlijke methode

  • voorgeschreven middelen van bedwelming

  • voorgeschreven methoden van doding