- Jugement du 4 février 2014

04/02/2014 - 12/1411/A

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

de familiale verzekeraar van de vader die burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld voor zijn minderjarige zoon, kan niet in de rechten treden van de kwalitatief aansprakelijke persoon, in casu aldus de vader, en zich in de uitoefening van de rechten van de vader keren tegen de zoon.

De minderjarige -hoewel deze zelf geen dekking geniet op grond van de door hem begane opzettelijke fout- is een "verzekerde" en geen "derde", zodat verhaal van de verzekeraar op grond van artikel 41 al 1 WLVO tegen de minderjarige niet mogelijk is.


Jugement - Texte intégral

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zevende kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

A.R. nr. 12/1411/A INZAKE :

De nv AXA BELGIUM (hierna "AXA"), verzekeringsmaatschappij met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, KBO 0404.483.367,

eisende partij op hoofdeis en op tusseneis,

die als raadsman heeft mr. Sylvain Van Roy, advocaat te 2800 Mechelen, er kantoorhoudende Brusselsesteenweg 415

TEGEN :

De heer G J, verwerende partij op hoofdeis, eisende partij op tusseneis,

die als raadsman heeft mr. Roeland Lembrechts, advocaat te 2800 Mechelen, er kantoorhoudende Schuttersvest 4-8

De heer J K, , eerste verwerende partij op tusseneis,

die als raadsman heeft mr. Elisabeth Joris, advocaat te 2800 Mechelen, er kantoorhoudende Koningin Astridlaan 77

De heer Y B, tweede verwerende partij op tusseneis,

die niet verschijnt, noch vertegenwoordigd wordt;

De heer H D, derde verwerende partij op tusseneis,

die als raadsman heeft mr. Jill Simons, advocaat te 2800 Mechelen, er kantoorhoudende Nekkerspoelstraat 97

* * * * *

De rechtbank neemt in acht :

- de gedinginleidende dagvaarding betekend bij exploot van de heer Marcel DE BLAUW, gerechtsdeurwaarder te Mechelen op datum van 25.09.2012, in opdracht van AXA ten aanzien van de heer J;

- de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring betekend bij exploot van de heer Jan WOUTERS, gerechtsdeurwaarder te Mechelen, op datum van 29.10.2012, in opdracht van de heer J ten aanzien van de heren K, B, en D;

- de beschikking van 24.12.2012 verleend overeenkomstig artikelen 747 § 1 en 747 § 2 lid 3 van het gerechtelijk wetboek die het akkoord van de partijen betreffende de conclusiekalender bekrachtigt;

- de conclusies voor de heer J neergelegd ter griffie op 07.01.2013, 30.04.2013, 20.08.2013, en 18.11.2013;

- de conclusie voor de heer K neergelegd ter griffie op 22.02.2013;

- de conclusie voor de heer D neergelegd ter griffie op 22.02.2013;

- de conclusies voor AXA neergelegd ter griffie op 05.04.2013, 12.07.2013 en op 07.11.2013;

- het akkoord van partijen om alle conclusies, ook deze die eventueel laattijdig werden neergelegd, in de debatten op te nemen;

- de voor AXA en de heer J overgelegde stukken.

Op de zitting van 31.12.2013 is de heer B niet verschenen, noch iemand voor hem. Hij heeft in deze procedure ook geen enkele conclusie neergelegd. Bij toepassing van artikel 747§2, 6e lid in fine van het Gerechtelijk Wetboek is huidig vonnis hoe dan ook, ook opzichtens hem op tegenspraak.

* * * * *

1. Procedure

De betwisting tussen partijen heeft betrekking op het verhaalsrecht van de verzekeraar (AXA) die vergoedingen heeft uitgekeerd aan slachtoffers van een (als) misdrijf (omschreven feit), tegen aansprakelijke personen die tijdens hun minderjarigheid het als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

De oorspronkelijke vordering van AXA, zoals geformuleerd in de gedinginleidende dagvaarding betekend aan de heer J, strekte ertoe:

- de heer J te veroordelen om aan AXA te betalen de som van euro 17.855,04 onder uitdrukkelijk voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, te vermeerderen met de verwijlinteresten op euro 1.951,42 sedert 16.11.2011, op euro 778,46 sedert 30.11.2011, en op euro 15.126,16 sedert 12.03.2012;

- "voor te horen verlenen aan mijn verzoekster voor het terugvorderen lastens gedaagde van alle andere, nog niet expliciet in huidig exploot genoemde uitgaven, door haar n.a.v. de veroordeelde feiten gedaan of in de toekomst nog te doen",

- de heer J te veroordelen tot de gerechtelijke interesten en tot de kosten van het geding,

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zonder borgstelling en met verbod van kantonnement.

De heer J dagvaardde de heren K, B en D in tussenkomst en vrijwaring en ertoe strekkende te horen zeggen voor recht dat het vonnis tegen gedaagden zal kunnen worden ingeroepen, en nadat de hoofdordering van AXA per impossibile ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, gedaagden solidair, minstens in solidum met de heer J te veroordelen tot betaling van de toegekende vergoeding aan AXA, minstens gedaagden te horen veroordelen tot vrijwaring van de heer J van elk gedeelte dat het persoonlijk deel van de hoofdvordering in hoofde van verzoeker overstijgt, en dit voor elke gedaagde ten belope van ¼ van de gegrond verklaarde hoofdvordering. Verder vroeg hij gedaagden te veroordelen tot de gedingkosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren met uitsluiting van kantonnement en zonder borgstelling.

Bij conclusie van 05.04.2013 stelt AXA een tussenvordering in opzichtens de heren K, B, en D, die ertoe strekt:

- deze heren te veroordelen ieder afzonderlijk, aan AXA te betalen ¼ van de op hoofdeis gevorderde hoofdsom en interesten,

- maar te zeggen voor recht dat indien bij de uitvoering zou blijken dat 1 of 2 van de heren K, B, of D onvermogend zou zijn, dat hun aandeel dan naar evenredigheid omgeslagen wordt over alle andere veroordeelden en door hen zal dienen betaald te worden,

- te horen zeggen voor recht dat het onvermogen ten genoege van recht zal aangetoond zijn aan de hand van een attest van de met de tenuitvoerlegging gelaste gerechtsdeurwaarder, die bevestigt geen realistische mogelijkheid te zien tot uitvoering van de veroordeling binnen een redelijke termijn,

- verweerders in de gedingkosten te verwijzen,

- en het vonnis uitvoerbaar te verklaren zonder borgstelling en met uitsluiting van ieder vermogen tot kantonnement.

AXA heeft haar vordering vervolgens -naar aanleiding van een dading tussen AXA en de heer D- gewijzigd en herleid. Deze vordering wordt in conclusie neergelegd op 12.07.2013 als volgt geformuleerd:

- akte te verlenen aan AXA BELGIUM van de met D H -en alleen met hem- gesloten dading ter gedeeltelijke vergoeding van haar uitgaven, met behoudt van de passieve solidariteit opzichtens de andere verweerders op hoofd- en tussenvordering;

- akte te verlenen aan AXA BELGIUM van haar afstand van geding -enkel tegenover D H en van de overeenkomst tussen AXA BELGIUM en D H om opzichtens elkaar geen kosten te vorderen;

- dienvolgens D H buiten zake te stellen zonder kosten, althans wat de in de eerste besluiten van AXA BELGIUM tegen hem ingestelde tussenvordering betreft;

- voor het overige akte te verlenen aan AXA BELGIUM van de herleiding van haar hoofdeis opzichtens G J en van de wijziging van haar tussenvordering opzichtens K J en B Y;

- de herleide hoofd- en gewijzigde tussenvordering van AXA BELGIUM ontvankelijk en tevens gegrond te verklaren en vervolgens:

- wat de hoofdvordering betreft: verweerder op hoofdeis (de heer J) te veroordelen om te betalen aan AXA de som van euro 13.879,14, te vermeerderen met de verwijlinteresten op euro 1.951,42 sedert 16.11.2011, op euro 778,46 sedert 30.11.2011 en op euro 13.879,14 sedert 12.03.2012;

- wat de tussenvordering betreft:

o de heren K en B, solidair of in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen om aan AXA te betalen de som van euro 11.927,72,

o en te zeggen voor recht dat, in zoverre de rechtbank, recht doende op de in ondergeschikte orde gestelde tussenvordering van AXA, de heren K en B slechts ieder afzonderlijk tot betaling van één derde van voormeld bedrag in hoofdsom en interesten aan AXA zou veroordelen, te zeggen voor recht dat indien bij de uitvoering van het te vellen vonnis zou blijken dat 1 of 2 van de veroordeelden -J, K en/of B- onvermogend zouden zijn, hun aandeel naar evenredigheid omgeslagen wordt over alle andere veroordeelden en door hen zal dienen betaald te worden,

o te zeggen voor recht dat het onvermogen ten genoege van recht zal aangetoond zijn aan de hand van een attest van de met de tenuitvoerlegging gelaste gerechtsdeurwaarder, die bevestigt geen realistische mogelijkheid te zien tot uitvoering van de veroordeling binnen een redelijke termijn,

- de heer J en de heren K en B te veroordelen tot de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding,

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht op kantonnement.

De vordering van AXA, zoals uiteindelijk geformuleerd in conclusie neergelegd op 07.11.2013, strekt ertoe:

- akte te verlenen aan AXA BELGIUM van de met D H -en alleen met hem- gesloten dading ter gedeeltelijke vergoeding van haar uitgaven, met behoudt van de passieve solidariteit opzichtens de andere verweerders op hoofd- en tussenvordering;

- akte te verlenen aan AXA BELGIUM van haar afstand van geding -enkel tegenover D H en van de overeenkomst tussen AXA BELGIUM en D H om opzichtens elkaar geen kosten te vorderen;

- dienvolgens D H buiten zake te stellen zonder kosten, althans wat de in de eerste besluiten van AXA BELGIUM tegen hem ingestelde tussenvordering betreft;

- voor het overige akte te verlenen aan AXA BELGIUM van de herleiding van haar hoofdeis opzichtens G J en van de wijziging van haar tussenvordering opzichtens K J en B Y;

- de herleide hoofd- en gewijzigde tussenvordering van AXA BELGIUM ontvankelijk en tevens gegrond te verklaren en vervolgens:

- wat de hoofdvordering betreft: verweerder op hoofdeis (de heer J) te veroordelen om te betalen aan AXA de som van euro 13.879,14, te vermeerderen met de verwijlinteresten op euro 1.951,42 sedert 16.11.2011, op euro 778,46 sedert 30.11.2011 en op euro 13.879,14 sedert 12.03.2012;

- wat de tussenvordering betreft:

o In hoofdorde: de heren K en B, solidair of in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen om aan AXA te betalen de som van euro 11.927,72, te vermeerderen met de verwijlinteresten op euro 1.951,42 sedert 16.11.2011, op euro 778,46 sedert 30.11.2011 en op euro 11.927,72 sedert 12.03.2012;

o Ondergeschikt: te zeggen voor recht dat, in zoverre de rechtbank, recht doende op de in ondergeschikte orde gestelde tussenvordering van AXA, de heren K en B slechts ieder afzonderlijk tot betaling van één derde van voormeld bedrag in hoofdsom en interesten aan AXA zou veroordelen, te zeggen voor recht dat indien bij de uitvoering van het te vellen vonnis zou blijken dat 1 of 2 van de veroordeelden -J, K en/of B- onvermogend zouden zijn, hun aandeel naar evenredigheid omgeslagen wordt over alle andere veroordeelden en door hen zal dienen betaald te worden,

o te zeggen voor recht dat het onvermogen ten genoege van recht zal aangetoond zijn aan de hand van een attest van de met de tenuitvoerlegging gelaste gerechtsdeurwaarder, die bevestigt geen realistische mogelijkheid te zien tot uitvoering van de veroordeling binnen een redelijke termijn,

- de heer J en de heren K en B te veroordelen tot de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding,

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht op kantonnement.

De heer J concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering van AXA.

De vordering van de heer J zoals uiteindelijk geformuleerd in zijn conclusie neergelegd op 18.11.2013, strekt ertoe:

- akte te verlenen aan de heer J van zijn afstand van geding ten opzichte van de heer D H en van de overeenkomst tussen de heer J en D H om opzichtens elkaar geen verdere kosten te vorderen,

- dienvolgens D H buiten zake te stellen zonder kosten,

- in ondergeschikte orde, indien de vordering van AXA ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en in geval van veroordeling van de heer J opzichtens AXA, "gedaagden" hoofdelijk, solidair, minstens in solidum met de heer J te veroordelen tot betaling van de toegekende vergoeding aan AXA met betrekking tot de betaalde vergoeiingen aan de burgerlijke partijen nv KBC VERZEKERINGEN en de heer en mevrouw V d A - V, minstens verweerders in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot vrijwaring van de heer J van elk gedeelte dat het persoonlijk deel van de hoofdvordering in hoofde van de heer J overstijgt en dit voor elke verweerder in tussenkomst en vrijwaring ten belope van ¼ van de gegrond verklaarde hoofdvordering,

- AXA dan wel verweerders in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot de kosten van het geding.

De heer K concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de hoofdeis van AXA alsook van de tusseneis van de heer J, en tot veroordeling van deze laatste tot de gedingkosten. Ondergeschikt, bij veroordeling van de heer K tot vrijwaring van de heer J, vraagt de heer K enerzijds de te betalen bedragen te beperken tot de bedragen zoals deze werden uiteengezet in de conclusie van de heer J en anderzijds de heer K te veroordelen tot betaling van ¼ van dit bedrag. Tot slot vraagt hij om de rechtsplegingvergoeding te beperken tot het minimumbedrag gelet op het feit dat hij minderjarig was op het ogenblik van de feiten, voor zover hij daartoe veroordeeld zou worden.

Zoals hoger reeds aangehaald heeft de heer B in deze procedure geen conclusie neergelegd. Hij is ook nooit verschenen ter zitting om zijn standpunt mondeling te verdedigen.

2. De ontvankelijkheid

De heren J en K concluderen tot de onontvankelijkheid van de vorderingen die opzichtens hen worden gesteld. Omdat zij geen enkele concrete exceptie opwerpen wordt aangenomen dat zij in conclusie een stijlclausule hebben gebruikt. De rechtbank ziet ook geen ambtshalve op te werpen middel van onontvankelijkheid.

De vorderingen, tijdig en regelmatig ingesteld, zijn ontvankelijk.

3. Feiten

3.1.

Bij vonnis van de Jeugdrechtbank te Mechelen van 08.09.2010 (dossier 8151/M2 nr. 421) werden G en zijn vader A J, samen met AXA, solidair veroordeeld tot betaling aan de heer M W de som van euro 1.951,42 (stuk 6 AXA).

De heer M W was het slachtoffer van een als misdrijf omschreven feit gepleegd door G J toen hij nog minderjarig was. De heer A J werd overeenkomstig artikel 1384 al. 2 van het Burgerlijk Wetboek burgerlijk aansprakelijk gesteld. AXA kwam als "familiale verzekeraar" vrijwillig tussen in de procedure. AXA stelt dat zij M W heeft vergoed (stuk 8 AXA).

3.2.

Bij vonnis van de Jeugdrechtbank te Mechelen van dezelfde datum (08.09.2010, dossier 8151/M2 nr. 422) werden G en zijn vader A J, samen met AXA, solidair veroordeeld tot betaling aan de heer en mevrouw V D A - V, optredend namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap, van de som van euro 319,54, meer interesten, en optredend in eigen naam, van de sommen van ieder euro 125,00 meer interesten. Zij werden tevens solidair veroordeeld tot betaling aan nv KBC Verzekeringen van de sommen van euro 6.221,90 (voor de gestolen juwelen) en euro 1,00 provisioneel (voor de overige schade), bedragen te vermeerderen met de interesten. AXA werd gerechtigd om de vrijstelling in mindering te brengen.

Op 01.04.2009 pleegde G J, als minderjarige, een woninginbraak in de woning van het echtpaar V D A - V. Volgens AXA waren K, B, en D betrokken bij deze feiten. De heren K en D betwisten dat ook niet. De heer B liet verstek gaan, hetgeen beschouwd moet worden als een betwisting. Ook zij waren minderjarig op het ogenblik van de feiten. De (afzonderlijke) vonnissen waarin de feiten lastens K, B en D bewezen zouden verklaard worden, worden niet neergelegd. AXA verwijst naar het strafdossier dat zij neerlegt op basis waarvan hun betrokkenheid bewezen zou zijn.

Zoals onder 3.1. reeds aangehaald is AXA de "familiale verzekeraar" van A J, die als vader burgerrechtelijk aansprakelijkheid werd gesteld voor zijn zoon G J.

AXA stelt dat zij de schade heeft vergoed aan V D A - V en diens verzekeraar KBC (stukken 11 en 12).

3.3.

De verdere gegevens van de zaak en de argumenten van de partijen zullen verder bij de beoordeling van de zaak behandeld worden, voor zover ze dienend zijn.

4. Beoordeling

4.1. Voorafgaand: afstand van vordering opzichtens D H

Aanwezige/vertegenwoordigde partijen verklaarden ter zitting dat afstand gedaan wordt van de tussenvorderingen opzichtens D H en bevestigden dat de heer D aldus buiten zaken gesteld kan worden, dit ingevolge de tussen AXA en de heer D tussengekomen dading (stuk 15).

4.2. De hoofdvordering van AXA opzichtens J:

4.2.1.

De vordering van AXA is gesteund op artikel 41 al. 1 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten (WLVO), dat bepaalt:

"De verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, treedt ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derde".

AXA heeft in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van de kwalitatief aansprakelijke persoon (vader A J burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld op grond van artikel 1384 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek) de schade vergoed van de slachtoffers van het (als) misdrijf (omschreven feit) gepleegd door de toen nog minderjarige zoon (G J).

Het betreft een dekking van de kwalitatieve aansprakelijkheid van een vader wegens opzet van zijn toen nog minderjarige zoon, en niet van de eigen aansprakelijkheid van de toen nog minderjarige zoon. Reeds in het vonnis van de Jeugdrechtbank van 08.09.2010 (nr. 422) werd desbetreffend duidelijk overwogen: "De vrijwillig tussenkomende partij werpt terecht op dat zij niet gehouden is tot dekking van de persoonlijke aansprakelijkheid van G J, doch betwist niet dat zij wel gehouden is dekking te verlenen van de burgerlijke aansprakelijkheid van de vader".

AXA stelt dat zij ingevolge subrogatie, op grond van artikel 41 al. 1 WLVO, in de rechten treedt van de kwalitatief aansprakelijke persoon, in casu aldus de vader, en zich in de uitoefening van de rechten van de vader zich kan keren tegen de zoon. De vader, die op grond van artikel 1384 al. 2 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk wordt gesteld en de schade aan derden zou vergoeden, kan naderhand, op grond van de wettelijke subrogatie, deze schade verhalen op zijn kind. AXA meent aldus dat zij ingevolge vergoeding van de slachtoffers waartoe de vader werd veroordeeld op grond van diens kwalitatieve aansprakelijkheid, in het recht van de vader treedt om de betaalde vergoedingen te verhalen op de zoon.

4.2.2.

Dit subrogatierecht van de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar in de rechten van de kwalitatief aansprakelijke ouder voor opzettelijke daden van zijn minderjarige zoon, wordt betwist. Met andere woorden zijn partijen het oneens over de vraag of de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar op grond van artikel 41 al.1 WLVO verhaal kan uitoefenen tegen de destijds nog inwonende minderjarige.

Het verhaal van artikel 41 al. 1 WLVO kan enkel tegen een "aansprakelijke derde" worden uitgeoefend en niet tegen de "verzekerde" zelf. Of AXA een verhaal heeft tegen de zoon hangt er van af of deze als "aansprakelijke derde" of als "verzekerde" dient te worden beschouwd.

AXA gaat er van uit dat de toen nog minderjarige zoon niet als een verzekerde, maar wel als een derde in de zin van artikel 41 al. 1 in fine WLVO moet worden beschouwd, zodat verhaal mogelijk is.

Deze redenering kan echter niet worden bijgetreden.

Vooreerst wordt vastgesteld dat G J op grond van de polisvoorwaarden zelf geen derde is, maar wel "verzekerde". Op pagina 57 van de Algemene Voorwaarden worden de "Verzekerden" benoemd als volgt: "De volgende personen hebben altijd de hoedanigheid van verzekerde: - uzelf, - uw samenwonende echtgeno(o)t(e) of samenwonende partner, - alle bij u inwonende personen, hieronder begrepen de kinderen die voor hun studie buitenshuis logeren, onder meer in het kader van taaluitwisselingen of uitwisselingen van studenten." Het wordt niet betwist dat G J inwonende minderjarige zoon van de verzekeringsnemer was.

De hoedanigheid van verzekerde wordt nogmaals bevestigd in de bevrijdingsgrond op p. 32 van de algemene voorwaarden: "Wij dekken niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de verzekerde die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en die opzettelijk het schadegeval heeft veroorzaakt. De aansprakelijkheid van de ouders voor hun minderjarig kind is echter altijd verzekerd".

Het Hof van Cassatie heeft bovendien de hoedanigheid van de inwonende minderjarige als "verzekerde" zelfs in algemene termen bevestigd in haar arrest van 4 juni 2012: "De bij zijn ouders inwonende minderjarige die een opzettelijke daad heeft begaan, is een verzekerde en geen derde in het kader van de door de ouders gesloten gezinsaansprakelijkheidsverzekering" (zie Cass. 4 juni 2012, www.cass.be; zie ook Cass. 11 januari 2010, C.07.0434.F, www.cass.be). Het door AXA aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 5 november 2012 (te vinden op de website www.juridat.be of www.cass.be) betreft niet het verhaalrecht van een gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar tegen het kind van haar verzekeringnemer, en kan niet zomaar naar analogie toegepast worden op huidig geschil, althans zeker niet in strijd met de polisvoorwaarden op grond waarvan G J als verzekerde wordt beschouwd.

Nu aangenomen wordt dat de minderjarige -hoewel deze zelf geen dekking geniet op grond van de door hem begane opzettelijke fout- een "verzekerde" is en geen "derde", is verhaal van de verzekeraar op grond van artikel 41 al 1 WLVO tegen de minderjarige (thans meerderjarig) niet mogelijk.

4.2.3.

AXA steunt haar vordering ten aanzien van G J vervolgens en op grond van artikel 8 WLVO, stellende dat zij nooit gehouden kan zijn tot vergoeding van schade wanneer de aansprakelijke verzekerde de schade met kwaad opzet heeft veroorzaakt.

Dat zoon G J de schade opzettelijk zou veroorzaakt hebben doet geen afbreuk aan zijn hoedanigheid van verzekerde. Het feit dat hij geen aanspraak kan maken op dekking voor de door hem veroorzaakte schade, ontneemt hem niet de hoedanigheid van verzekerde.

De tussenkomst van AXA is het gevolg van de aansprakelijkheid van de vader van G J, op grond van artikel 1384 lid 2 B.W. en niet van een door hem opzettelijk gestelde handeling. Dat AXA op grond van de subrogatie voorzien in artikel 41 lid 1 WLVO haar uitgaven enkel kan verhalen op derden, en G J niet als een derde kan beschouwd worden, heeft geen uitstaans met artikel 8 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. Met andere woorden, AXA heeft enkel vergoedingen uitgekeerd voor de kwalitatieve aansprakelijkheid (zonder opzet) van de verzekerde vader, en niet voor eigen fout-aansprakelijkheid (met opzet) van de verzekerde zoon.

De verwijzing van AXA naar artikel 8 lid 1 WLVO volgens hetwelk de verzekeraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet kan verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, is niet ter zake dienend.

4.2.4.

Het door AXA ingeroepen algemeen rechtsbeginsel Fraus Omnia Corrumpit is niet absoluut en sluit niet uit dat de minderjarige zoon die de feiten gepleegd heeft op grond waarvan zijn vader burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld, zich kan beroepen op de eerste alinea van artikel 41 WLVO en op zijn hoedanigheid van verzekerde.

4.2.5.

In ondergeschikte orde steunt AXA haar subrogatoire verhaalrecht op artikel 41 al.4 WLVO, dat bepaalt:

"De verzekeraar heeft geen verhaal op de bloedverwanten in de rechte, opgaande of nederdalende lijn, de echtgenoot en de aanverwanten in de rechte lijn van de verzekerde, noch op de bij hem inwonende personen, zijn gasten en zij huispersoneel, behoudens kwaad opzet."

Het vierde lid van artikel 41 WLVO betreft net zoals het eerste lid, het verhaalrecht op "aansprakelijke derden". De (gezinsaansprakelijkheids)verzekeraar kan immers geen verhaal uitoefenen op de eigen verzekerde.

Wanneer, zoals in dit geval, een minderjarige opzettelijk schade heeft veroorzaakt aan een derde waarvoor zijn ouders burgerrechtelijk aansprakelijk werden verklaard, en de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar van de ouders deze schade heeft vergoed, kan deze verzekeraar de betaalde schadevergoeding niet verhalen op de betrokken minderjarige, aangezien deze een verzekerde is. Of er sprake is van kwaad opzet in de zin van artikel 41 lid 4 WLVO is verder niet ter zake dienend, nu AXA over geen subrogatoir verhaalsrecht beschikt ten overstaan van G J. (cfr. Antwerpen, (2e kamer), 4 maart 2008, R.W. 2010-11, afl. 33, 1396).

4.2.6.

Subrogatie in de rechten van de vergoede slachtoffers biedt evenmin een rechtsgrond voor verhaal tegen G J omdat hij hoe dan ook verzekerde, en geen aansprakelijke derde is in de zin van artikel 41 al. 1 WLVO.

4.2.7.

Meest ondergeschikt steunt AXA haar vordering op het regresrecht voorzien in artikel 88 WLVO, en verwijst naar haar poliswaarden op p. 32:

"Wij dekken niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de verzekerde die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en die opzettelijk het schadegeval heeft veroorzaakt. De aansprakelijkheid van de ouders voor hun minderjarig kind is echter altijd verzekerd".

AXA heeft niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de verzekerde minderjarige gedekt, wel de kwalitatieve aansprakelijkheid van zijn vader, die altijd verzekerd is.

Voor zover dienend kan vermeld worden dat voormelde bevrijdingsgrond toepassing kan vinden in het geval de verzekeraar door slachtoffers aangesproken wordt om de persoonlijke aansprakelijkheid van de minderjarige te dekken, wanneer bijvoorbeeld de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vader, na weerlegging van het foutvermoeden, niet werd weerhouden.

Het voorgaande is niet van toepassing. AXA heeft geen dekking verleend voor de feiten foutaansprakelijkheid van de verzekerde zoon en kan dus lastens hem geen regres uitoefenen.

4.2.8.

Gelet op voorgaande overwegingen, dient de hoofdvordering van AXA tegen G J afgewezen te worden als ongegrond.

4.3. De tussenvordering van J opzichtens K en B:

Gelet op het voorgaande is deze tussenvordering zonder voorwerp.

4.4. De tussenvordering van AXA opzichtens K en B:

AXA steunt haar subrogatoire verhaalrecht tegen de mededaders K en B op artikel 41 al.1 WLVO, als aansprakelijke derden.

AXA, die voor het echtpaar V D A - V en verzekeraar KBC vergoedingen heeft uitgekeerd voor de woninginbraak te Keerbergen op 01.04.2009, feiten die gepleegd werden door alle verweerders samen, stelt thans dat zij ingevolge subrogatie in de rechten treedt van de vergoede slachtoffers, en verhaal heeft tegen de companen van G J.

Na de dading gesloten met de heer D, ten aanzien van wie dan ook afstand van vordering werd gedaan, richt AXA zich tegen de companen K en B.

De heer K stelt in conclusie dat hij bij vonnis van 23.09.2010 door de Jeugdrechtbank werd berispt voor de hoger vermelde feiten. Het zou gaan om dezelfde feiten als deze waarvoor G J werd berispt bij vonnis van de Jeugdrechtbank te Mechelen van 08.09.2010 (dossier 8151/M2 nr. 422). Volgens de heer K heeft noch het echtpaar V D A - V, noch KBC zich jegens hem burgerlijke partij gesteld. Het desbetreffend vonnis wordt echter niet neergelegd.

De heer B liet verstek gaan en heeft geen conclusie neergelegd. Er wordt geen vonnis neergelegd waarbij de hoger vermelde feiten bewezen opzichtens de heer B bewezen werden verklaard. De datum van enig vonnis is ook niet gekend.

De neerlegging van de vonnissen opzichtens de heren K en B is nochtans relevant voor de oplossing van het geschil.

AXA vordert in hoofdorde de solidaire veroordeling van de mededaders of medeplichtigen.

Ten aanzien van de slachtoffers zijn alle wegens een zelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding (artikel 50 al. 1 van het strafwetboek), welke ook de graad van deelneming van ieder van hen aan het gemeenschappelijk misdrijf is en al was er tussen de veroordeelden noch voorafgaande afspraak noch eenheid van optreden (cfr. Cass. 28 september 2010, P.10.0276.N/1, www.cass.be).

Artikel 50 al. 1 van het Strafwetboek geldt ook voor alle minderjarigen ten aanzien van wie hetzelfde "als misdrijf omschreven feit" bewezen werd verklaard, ook al gebeurt dit voor elke minderjarige in een afzonderlijk vonnis. Bij minderjarige daders moeten de strafdossiers worden opgesplitst per minderjarige, omwille van de beschermingsmaatregel opgenomen in de Jeugdwet. Schadevergoeding kan hoofdelijk worden uitgesproken, ook al worden ze in verschillende vonnissen opgelegd.

Alvorens ten gronde recht te oordelen over de vordering tot solidaire veroordeling van de heren K en B, is het aangewezen dat zij de respectievelijke vonnissen bijbrengen. Partijen dienen immers mee te werken aan de bewijsvoering (artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek). Ook het Hof van Cassatie heeft de medewerkingsplicht inzake bewijsvoering als een algemeen rechtsbeginsel erkend.

Teneinde de partijen hiertoe de gelegenheid te bieden, acht de rechtbank het noodzakelijk om overeenkomstig de artikelen 774 en 775 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve de heropening van de debatten te bevelen.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK

Het vonnis wordt uitgesproken op tegenspraak en in eerste aanleg.

De bepalingen van de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan werden in acht genomen.

De wetten van 26.06.2000 en 30.06.2000 betreffende de invoering van de euro en de in uitvoering hiervan genomen koninklijke besluiten van 20.07.2000 werden eveneens in acht genomen.

De hoofd- en tussenvorderingen zijn ontvankelijk.

De rechtbank verleent aan partijen AXA en J akte van hun afstand van rechtsvordering opzichtens de heer H D, en stelt deze laatste buiten zaken.

De hoofdvordering van AXA opzichtens G J is ongegrond en wordt afgewezen.

De tussenvordering van G J opzichtens partijen K, B is zonder voorwerp.

Alvorens verder ten gronde te oordelen over de overige tussenvorderingen van AXA opzichtens partijen K en B, beveelt de rechtbank bij toepassing van artikel 774 lid 1 van het Gerechtelijke wetboek de heropeningen der debatten, (uitsluitend) teneinde partijen toe te laten volgende stukken neer te leggen:

- het vonnis van de Jeugdrechtbank van 23.09.2010 betreffende de woninginbraak te Keerbergen gepleegd op 01.04.2009 ten nadele van het echtpaar V D A - V, bij te brengen,

- het niet nader gespecifieerd vonnis waarbij dezelfde als de hierboven vermelde feiten bewezen werden verklaard ten aanzien van de heer B.

De rechtbank stelt de zaak te dien einde vast op de zitting van dinsdag 29 april 2014 om 14u in lokaal 30.

De kosten en uitgaven van de procedure worden aangehouden.

Dit vonnis werd op vier februari tweeduizend veertien uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer, die samengesteld was uit

Mevrouw A. VYVERMAN, toegevoegd rechter, voorzitter van de kamer,

Mevrouw N. VAN COUTEREN, griffier

N. VAN COUTEREN A. VYVERMAN

Mots libres

  • GEZINSAANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING

  • Dekking van de kwalitatieve aansprakelijkheid van de ouder (art. 1384 lid 2 BW)

  • de minderjarige is verzekerde geen derde (artikel 41 WLVO)

  • geen verhaal van verzekeraar op minderjarige mogelijk.