- Jugement du 1 février 2011

01/02/2011 - 18410/10

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Jugement - Texte intégral

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

23 ste kamer - openbare zitting van 01/02/2011

VONNIS

A.R.. nr 18410/10 + 17757/10

Beschermde werknemer - bediende Aud. nr

Rép. nr 011/

IN DE ZAAK :

De NV NEW VANDEN BORRE,

met maatschappelijke zetel gevestigd te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Slesbroekstraat, 101, KBO nr. 0412.723.419,

eisende partij, vertegenwoordigd door Mter Eric Nieuwdorp, advocaat te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Neerveldstraat, 109;

TEGEN :

X,

eerste verwerende partij, die persoonlijk aanwezig is en wordt bijgestaan door Mter Veerle Simeons, advocaat te 1080 Brussel, Schoonslaapsterstraat, 29 bus 1;

ALGEMENE CHRISTELIJKE VAKBOND - Bouw - Industrie en Energie , afgekort ACV, interprofessionele representatieve werknemersorganisatie,

met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Pletinckxstraat, 19,

tweede verwerende partij, die niet verschijnt, noch vertegenwoordigd is;

ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND (ACV), interprofessionele representatieve werknemersorganisatie,

met kantoren gevestigd te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg, 579;

derde verwerende partij, die niet verschijnt, noch vertegenwoordigd is;

Gelet op de artikelen 3, 37, 40 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,

Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek

Gelet op de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden (hierna "wet van 19 maart 1991");

De rechtbank nam kennis van de stukken van de procedure, in het bijzonder:

- het verzoekschrift van eisende partij dat bij aangetekende zending van 2 december 2010 naar de griffie werd verzonden en ter griffie werd ontvangen op 3 december 2010 (A.R. 17757/10);

- het bijgevoegde afschrift van de brieven van eisende partij aan elk van de verwerende partijen aangetekend verzonden op 2 december 2010;

- het proces-verbaal dd. 9 december 2010 met bepaling van een nieuwe rechtsdag;

- de beschikking van de voorzitter van de rechtbank dd. 14 december 2010 waarbij werd vastgesteld dat partijen niet verzoend konden worden;

- de dagvaarding zoals in kort geding dd. 14 december 2010 (A.R. 18410/10);

- de beschikking uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank op 20 december 2010, verbeterd bij beschikking van 6 januari 2011;

- de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 30 december 2010;

- de conclusies voor eerste verwerende partij neergelegd ter griffie op 14 januari 2011;

- de syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 21 januari 2011;

- de syntheseconclusies voor eerste verwerende partij neergelegd ter griffie op 28 januari 2011;

- en van de door partijen neergelegde bundels;

De zaak werd vastgesteld op de openbare zitting van 1 februari 2011, bij beschikking dd. 20 december 2010.

Tweede en derde verwerende partij, alhoewel regelmatig opgeroepen, zijn niet verschenen noch vertegenwoordigd op de zitting van 1 februari 2011.

De poging tot verzoening voorgeschreven bij artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek heeft geen resultaat opgeleverd.

Eisende en eerste verwerende partij hebben gepleit ter openbare zitting van 1 februari 2011, waarna de debatten werden gesloten.

De heer J. GEYSEN, Substituut-Arbeidsauditeur heeft mondeling advies gegeven ter openbare zitting van 1 februari 2011 waarop eerste verwerende partij mondeling repliceerde, waarna de zaak in beraad werd genomen.

I. DE VORDERING

De NV New Vanden Borre (hierna " de vennootschap") heeft het voornemen haar werknemer, X, wegens dringende reden te ontslaan.

X was kandidaat-personeelsafgevaardigde in de Ondernemingsraad en het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk bij de sociale verkiezingen 2008. Zijn kandidatuur werd voorgedragen door het ACV.

Daarom vraagt de vennootschap dat de rechtbank, bij toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991, eerst de dringende reden voor ontslag zou erkennen.

II. DE FEITEN EN DE PROCEDURE

X is in dienst van de vennootschap op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij werkt als chauffeur - installateur.

X was kandidaat-personeelsafgevaardigde voor de Ondernemingsraad en het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk bij de sociale verkiezingen in 2008 en geniet dus van de bescherming tegen ontslag als bepaald in de Wet van 19 maart 1991.

De kandidatuur van X werd voorgedragen door de representatieve werknemersorganisatie, het Algemene Christelijke Vakverbond. Hij werd niet verkozen.

Met aangetekende brieven van 2 december 2010 aan X en aan de werknemersorganisatie ACV, lichtte de vennootschap hen in over haar voornemen om X om dringende reden te ontslaan en gaf zij kennis van de volgende feiten die het ontslag zouden rechtvaardigen:

" Gezien de geruchten die ons als werkgever ter ore kwamen dat u tijdens uw ziekteperiodes regelmatig "in het zwart" zou werken, hebben wij een detectievebureau opdracht gegeven uw tijdsbezetting over enkele dagen tijdens uw ziekte na te gaan.

Wij ontvingen op maandag 29 november 2010 (bijlage 1) en dinsdag 30 november 2010 (bijlage 2) per aangetekende zending schriftelijk verslag toegestuurd van deze observatieopdracht, waaruit wij, na lezing, alleen maar kunnen concluderen dat de erin weergegeven feiten en foto's deze geruchten bevestigen.

Deze situatie op zich is voor ons uiteraard reeds totaal onaanvaardbaar, temeer verschillende feiten en gebeurtenissen tijdens uw tewerkstelling het vertrouwen dat wij in u dienen te hebben, reeds herhaaldelijk en sterk aan het wankelen brachten.

Als kandidaat (niet verkozen) voor de sociale verkiezingen 2008 voor Ondernemingsraad en Comité Preventie en derhalve beschermd werknemer, dient u des te meer een voorbeeld te zijn voor uw collega's en vertrouwen uit te stralen voor de organisatie die u heeft voorgedragen.

In onze beoordeling van de zwaarwichtigheid van de feiten hierboven aangehaald, hebben de gebeurtenissen hierna weergegeven uiteraard mede hun rol gespeeld.

Aangetekend schrijven van 22 februari 2010 (bijlage 3)

Niettegenstaande u (bijlage 4) op 9 november 2007 een niet mis te verstane nota omtrent GSM gebruik had ondertekend, ging u o.a. tijdens de periode van 18 mei 2009 tot 26 januari 2010 uitermate overdrijven en misbruik maken van het GSM verkeer waardoor u uw werkgever liet ophoesten voor een bedrag van 519,41 Euro. Bovendien was u tijdens het overgrote deel van deze periode afwezig wegens ziekte of arbeidsongeval...

Na heel wat discussie en tussenkomst van uw vakorganisatie ging u akkoord dit bedrag in schijven van uw loon te laten afhouden.

Arbeidsongevallen

In het licht van uw aktiviteiten tijdens uw ziekte, zoals gerapporteerd, hebben wij de redenen van uw ongeschiktheden wegens arbeidsongeval even nagezien en vermelden hieronder (bijlage 5) de bijzonderste oorzaken:

Ongeval 14-09-2006: "toen hij een wasmachine naar boven bracht via trap heeft hij een felle pijn gevoeld en gekraak in zijn rechter schouder".

Ongeval 26-10-2007: "bij het leveren van een wasmachine bij een klant moest hij met een hefkarretje (duveltje) een kleine helling nemen naar de garage van de klant. Bij het tegenhouden van het karretje heeft hij een pijn in de rug gevoeld".

Ongeval 07-02-2008: "toen hij de koelkast met het steekwagentje over de trappen trok bij de klant, heeft hij plots een krak in zijn rug gevoeld".

Ongeval 07-10-2008: " bij het laden van een koelkast in zijn vrachtwagen is de koelkast van het duveltje gevallen waar de werknemer op dat moment mee reed. Werknemer heeft de koelkast willen opvangen en daarbij heeft hij een plotse pijn in zijn onderrug en schouder gevoeld".

Ongeval 19-08-2010: " toen de werknemer een wasmachine aan het verplaatsen was heeft hij plots een pijn gevoeld ter hoogte van zijn rug".

Met een dergelijke "rugproblematiek" tijdens uw ziekteperiode werken en leveringen gaan doen (laden en lossen) is totaal onbegrijpelijk en kan uw toestand alleen maar verergeren of uw genezing uitstellen.

Bovendien zouden we ons de vraag kunnen stellen of sommige van de ziekteattesten of de verlengingen ervan - voor de veelvuldige afwezigheden zie het overzicht 2009 (bijlage 6) en 2010 (bijlage 7) - niet het gevolg kunnen zijn van rugproblemen opgelopen tijdens activiteiten en leveringen bij uw "tweede werkgever" bovendien nog tijdens ziekteperiodes...

Recentere ziekteattesten

Op zaterdag 27 november 2010 kwam uw vader 2 medische attesten gedateerd 26/11/2010 afgeven op onze leveringsdienst (bijlage 8) te Sint-Pieters-Leeuw.

Toen wij ze deze maandag 29/11/2010 onder ogen kregen, waren wij zeer verwonderd omtrent de inhoud ervan.

Immers, op 12/11/2010 overhandigde u een attest voor de periode 13/11/2010 tot 27/11/2010 inbegrepen.

Twee weken later nl. op 26/11/2010 worden door uw arts twee attesten opgemaakt.

In het eerste attest wordt vermeld dat u arbeidsongeschikt was van 15/10/2010 tot 07/11/2010 en voor een andere ziekte vanaf 12/11/2010.

In het tweede attest wordt u arbeidsongeschikt verklaard van 26/11/2010 tot 31/12/2010.

Het zijn deze twee attesten die door uw vader werden overhandigd.

Het leek ons de bedoeling te zijn, weze het laattijdig, opnieuw het gewaarborgd maandloon ingang te laten vinden door twee weken later een "aangepast medisch attest" binnen te leveren dat een nieuwe ziekte moet vermelden en alle kontrole onmogelijk moet maken.

Onze vrees bleek gegrond toen op woensdag 1 december 2010 uw syndikaal afgevaardigde op de personeelsdienst kennis gaf van uw misnoegdheid omdat uw betaling van november 2010 onjuist was. Hij vroeg een herberekening.

Bovendien tijdens die door de werkgever betaalde periode gaan werken is totaal onaanvaardbaar en verwerpelijk.

Diefstal klantenontvangsten uit uw vrachtwagen

Deze feiten deden zich voor in 2007.

Nadat u uw geldelijke ontvangsten, in tegenstelling tot de formele instructies terzake (bijlage 9) over meerdere dagen niettegenstaande herhaalde vraag van uw rechtstreekse oversten maar niet inleverde, kreeg u als ultimatum gesteld dat alle achterstallige klantenontvangsten uiterlijk op 13/07/2007 voor het starten van uw opdrachten dienden binnengeleverd te zijn.

Juist die morgen werd een bedrag van 23.260 Euro (bijlage 10) uit uw camion gestolen terwijl u, naar eigen zeggen, 5 minuten uw camion had verlaten om uw krant te halen. U had de gelden nochtans goed verstopt achter uw zetel van de chauffeur. De inbraak gebeurde via een raampje aan de passagierskant.

Aangifte werd gedaan bij de politie op 13/07/2007 (bijlage 11).

Diefstal goederen uit uw bedrijfscamion

Op 30 maart 2009 ging u aangifte (bijlage 12) doen bij de politie voor het onverklaarbaar verdwijnen van 3 (niet van de kleinste en lichtste) toestellen uit uw camion: een fornuis, een microgolf en een dampkap. U ging hieromtrent pas aangifte doen op 30 maart 2009 alhoewel de feiten dateerden van 24/03/2009 en die aangifte gebeurde dan nog op verzoek van uw oversten.

Wat de feiten zwartwerk betreft (zie bijlagen 1 en 2)

Verwijzend naar het volledige rapport in bijlage citeren wij de belangrijkste passages:

(...)"

De vennootschap citeerde de vaststellingen in het verslag van de privé-detective op volgende dagen:

Woensdag 17 november 2010

Donderdag 18 november 2010

Maandag 22 november 2010

Verslag vrijdag 26 november 2010

De vennootschap besloot haar brief van 2 december 2010:

" U zult begrijpen dat al deze feiten volgens ons elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsrechtbank als juist en voldoende zwaarwichtig zullen beoordeeld zijn.

Uit de hierboven omschreven zwaarwichtige fouten moet duidelijk blijken dat u de afgesproken regels duidelijk negeert (zie zwartwerk tijdens ziekteperiode, telefoongebruik, afgeven van klantenontvangsten ...) waardoor u uw werkgever ernstige schade toebrengt.

In het licht van wat voorafgaat krijgen uw zeer veelvuldige afwezigheden natuurlijk een totaal andere maar bedenkelijke betekenis. (zwartwerk tijdens ziekteperiodes)

Hoelang dit reeds aan de gang is weten wij (voorlopig) niet".

Met verzoekschrift aangetekend verzonden op 2 december 2010 maakte de vennootschap de zaak aanhangig bij de voorzitter van de rechtbank (artikel 4 § 2, van de wet van 19 maart 1991).

De partijen werden opgeroepen om te verschijnen voor de voorzitter van de rechtbank op 9 december 2010 om hen in te lichten over de draagwijdte van de te volgen procedure (artikel 5, § 2, van de wet van 19 maart 1991).

Zoals bepaald in artikel 5, § 3 van de wet van 19 maart 1991 legde de voorzitter van de rechtbank onmiddellijk een nieuwe rechtsdag vast op 14 december 2010, teneinde de partijen te verzoenen.

Bij beschikking van 14 december 2010 heeft de voorzitter van de rechtbank vastgesteld dat er geen verzoening mogelijk was.

Waar de vennootschap volhardde in haar voornemen om een ontslag om dringende reden door te voeren en de heer Vantrimpondt een kandidaat-personeelsafgevaardigde is, diende de vennootschap met toepassing van artikel 6 van de wet van 19 maart 1991 te dagvaarden volgens de vormen van het kort geding binnen de drie werkdagen na verloop van de onderhandelingsperiode, beschreven in artikel 5, § 1 van diezelfde wet.

Deze onderhandelingsperiode ving aan op de derde werkdag na de dag waarop de aangetekende brieven van donderdag 2 december 2010 verstuurd werden, dit was dus op maandag 6 december 2010. Aangezien de onderhandelingsperiode 5 werkdagen duurt, was de laatste dag van deze periode vrijdag 10 december 2010. De vennootschap dagvaardde zoals in kort geding overeenkomstig artikel 6 van de wet van 19 maart 1991 binnen de drie werkdagen na 10 december 2010, op maandag 14 december 2010.

De voorzitter van de rechtbank, zetelend zoals in kort geding, stelde in haar beschikking van 20 december 2010 vast dat de verzoening niet mogelijk was, verzond de zaak naar de 23ste Kamer van de rechtbank en bepaalde conclusietermijnen en een rechtsdag.

Deze beschikking werd bij gerechtsbrief van 22 december 2010 aan alle partijen ter kennis gebracht (artikel 8 van de wet van 19 maart 1991).

III. Bespreking

(1)

De arbeidsrechtbank te Brussel is bevoegd om kennis te nemen van het geschil gezien de werknemer tewerkgesteld is in de vestiging van de werkgever te Sint-Pieters-Leeuw (artikelen 578 1° en 627 9° van het Gerechtelijk Wetboek).

(2)

Artikel 4 § 1 en § 3 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat de werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover moet inlichten bij een ter post aangetekende brief, die verstuurd wordt binnen de drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens, binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.

In de bij § 1 bedoelde brieven moet de werkgever alle feiten vermelden die naar zijn oordeel elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaarwichtig zouden beoordeeld worden. In geen geval mogen deze feiten verband houden met de uitoefening van het mandaat van de personeelsafgevaardigde.

Zoals in geval van ontslag wegens dringende reden van een niet-beschermde werknemer (geregeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten), moeten de feiten als een fout kunnen worden aangemerkt die aan de werknemer toerekenbaar is (vgl. ELIAERTS Luc, Beschermde werknemers, Larcier 2002, p. 208, met verwijzing naar de voorbereidende werken van de wet van 19 maart 1991 en de rechtspraak).

(3)

Wat betreft de beoordeling van de feiten waarop de vennootschap haar voornemen tot ontslag steunt.

Uit de stukken blijkt dat X in 2009 en nog meer in 2010 bijzonder vaak meerdere dagen afwezig was wegens ziekte.

Zo was X in de laatste maanden van 2010 afwezig wegens ziekte:

- van 19 september 2010 tot 9 oktober 2010

- van 15 oktober 2010 tot 7 november 2010

- van 13 november 2010 tot 27 november 2010

- van 27 november 2010 tot 31 december 2010.

De vennootschap verklaart dat binnen de onderneming het gerucht liep dat X tijdens zijn afwezigheden wegens ziekte, ander werk uitoefende. Daarom deed de vennootschap in de loop van november 2010 beroep op een erkende privé-detective.

Op 28 en 29 november 2010 zond de detective per aangetekende brief aan de vennootschap twee gedetailleerde verslagen met foto's.

In deze verslagen beschrijft de detective in detail de activiteiten van X zoals hij deze kon waarnemen van op de openbare weg en dit op verschillende dagen waarop X op het werk bij de vennootschap afwezig was wegens ziekte (op woensdag 17 november, donderdag 18 november, maandag 22 november, vrijdag 26 november 2010).

Uit deze vaststellingen blijkt zeer duidelijk dat X meer dan op occasionele wijze werkzaamheden uitvoerde die vergelijkbaar waren met zijn normale beroepswerkzaamheden bij de vennootschap.

Zo blijkt dat X meerdere opeenvolgende uren doorbracht in het schrijnwerkersatelier van zijn kennis (Y. die het bedrijf "Artibois" uitbaat):

- op woensdag 17 november 2010 van 9 uur tot minstens 16 uur (de detective heeft dan de observatie beëindigd).

- op donderdag 18 november 2010 van 8 uur tot minstens 14.15 uur (de detective heeft dan de observatie beëindigd). Van 12 tot 13 uur gingen X en Y. naar de woning van deze laatste, wellicht voor de lunch.

Verder blijkt dat X meermaals in werkkledij een bestuurder van een vrachtwagen (hoogstwaarschijnlijk Y.) vergezelde vanuit het atelier van Y. naar woningen van particulieren om er te helpen bij werken:

- op maandag 22 november 2010 vergezelde X de vrachtwagenbestuurder naar Lasne en Sint-Pieters-Woluwe: bij het detectiveverslag zijn foto's gevoegd waarop duidelijk te zien is dat X zwaar materiaal uit de vrachtwagen haalt en optilt (gereedschapskoffers en grote houten planken). Uit de observatie blijkt dat de beide heren van 10 . 20 uur tot 12 .53 uur werkzaam zijn geweest in de garage van het huisnummer 17, Hertoginnestraat te Sint-Pieters-Woluwe.

- op vrijdag 26 november 2010 vergezelde X de vrachtwagenbestuurder opnieuw naar een woning te Lasne, van 11.18 uur tot minstens 17 uur (de detective heeft dan de observatie beëindigd). Opnieuw zag de detective dat X materiaal uitlaadde en in de woning binnenbracht.

Er zijn geen bijzondere redenen om te twijfelen aan de waarachtigheid van de vaststellingen in het verslag van de detective. Deze detective heeft een vergunning op basis van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective.

In conclusies erkent X ook dat hij op de bewuste dagen aanwezig was in het atelier van zijn vriend.

Op de vraag van de rechtbank bevestigde de raadsman van X dat deze inderdaad de persoon is die zichtbaar materiaal uitlaadt op de foto's . X betwist ook niet dat dit was op de adressen te Lasne en Sint-Pieters-Woluwe die de detective op de foto's vermeldde.

X verklaart dat hij in het atelier niets anders deed dan zijn eigen salontafel "opknappen" om zijn gedachten te verzetten, zoals zijn arts hem zou hebben aangeraden. Hij brengt met zijn syntheseconclusies een foto bij van de bewuste tafel. Het betreft een omvangrijk meubelstuk dat deels gedemonteerd is en onder het stof ligt. Deze tafel werd dus niet eens afgewerkt toen hij in november 2010 nochtans vele uren in het atelier doorbracht zodat de uitleg over de salontafel weinig overtuigend lijkt (de foto dateert logisch gezien van daarna gezien niet valt in te zien waarom de foto zou gemaakt zijn voor dat deze procedure werd ingesteld.). Het betrof ook duidelijk geen licht werk (schuur- en schaafwerk, monteren van onderdelen), wat belastend is voor iemand zoals X die beweert dat hij van 15 oktober 2010 tot 7 november 2010 arbeidsongeschikt was wegens tendinitis aan de rechterelleboog.

Hoe dan ook blijkt uit de foto's die de detective maakte en uit de lange aanwezigheden van X in de woningen van particulieren waar werken werden uitgevoerd dat hij zeer actief meehielp in het bedrijf van zijn kennis. Het lijkt ongeloofwaardig dat klanten zouden aanvaarden dat een schrijnwerker zich laat vergezellen door iemand die niet meewerkt.

Waar de werkzaamheden van X en zijn lange afwezigheden thuis zo duidelijk waarneembaar waren van op de openbare weg, is het zeer aannemelijk dat één of meerdere collega's hem hebben gezien en dat de vennootschap klachten hierover kreeg.

X had voor de werkgever een onhoudbare situatie gecrëeerd:

enerzijds meldde hij zich veelvuldig afwezig wegens ziekte. X weet dat zeker in zijn geval deze onvoorziene afwezigheden onvermijdelijk organisatorische problemen opleveren. Hij werkt immers als chauffeur -installateur die huishoudapparaten levert bij particulieren, wat een complexe werkplanning vereist. Vanuit zijn ervaring als werknemer weet hij ongetwijfeld ook dat zijn afwezigheid vanzelf meerwerk en wijzigingen in de werkplanningen voor zijn collega's meebrengt. Zijn afwezigheden betekenen ook aanzienlijke meerkosten voor de werkgever (gewaarborgd loon en vervangend personeel).

Anderzijds werkte hij op hetzelfde ogenblik actief mee in een schrijnwerkersbedrijf waar hij zwaar materiaal uitlaadt en verplaatst en alles erop wijst dat hij ook in de woning van de klanten meehielp.

De hele uitleg van X als zou hij niet meer hebben gedaan dan zijn vriend vergezellen omdat dit gunstig was om te genezen van een depressie (waaraan hij zou lijden sinds 13 november 2010) is dan ook ongeloofwaardig. Het staat vast dat hij werkte en het lijkt ook hoogstwaarschijnlijk dat hij dergelijke werkzaamheden niet zonder tegenprestatie verrichtte.

De houding van X is onaanvaardbaar in een arbeidsrelatie. X was oneerlijk tegenover zijn werkgever en zijn collega's en mogelijks ook tegenover zijn behandelende arts die de getuigschriften van arbeidsongeschiktheid opstelde. Het lijkt immers ondenkbaar dat hij deze arts heeft ingelicht over zijn concrete activiteiten bij het bedrijf Artibois. Het is ook opmerkelijk dat deze arts in een attest van 10 januari 2011 schrijft "De afwezigheden einde 2010 vinden hun oorzaak in pesterijen op het werk, waarvoor er klacht bij het gerecht is" (vrij vertaald uit het Frans). Ter zitting bevestigt de raadsman van X dat er geen sprake is van klacht wegens pesterijen en dat de arts doelt op de huidige procedure. De rechtbank kan daar enkel uit afleiden dat X zijn arts zeer verkeerd heeft ingelicht over de situatie op het werk. Overigens vermeldde de arts ook pas voor het eerst in een attest van 9 december 2010 dat X "op dat ogenblik "(actuellement) behandeld werd voor "grote psychologische problemen", zodat het mogelijks ging om de reactie van X op deze procedure.

Verder merkt de vennootschap terecht op dat X ook aan de vennootschap had kunnen vragen om lichter werk uit te oefenen indien dit vereist was wegens gezondheidsredenen. (b.v. als begeleider van de chauffeur-installateur) X verkoos duidelijk om het volledige gewaarborgd loon te ontvangen en elders bij te klussen. Ofwel betekende dit dat X slechts een arbeidsongeschiktheid voorwendde ofwel bracht hij zijn herstel in gevaar.

Om al deze redenen kan de rechtbank slechts besluiten dat X een ernstige tekortkoming heeft begaan waardoor de professionele samenwerking definitief onmogelijk is geworden.

Ten onrechte verwijt X de vennootschap dat deze hem niet liet controleren door een controlearts. De vennootschap was daar helemaal niet toe verplicht. De controlearts, die de werknemer thuis of in zijn kabinet onderzoekt, zou niet het bewijs kunnen bijbrengen dat X elders aan het werk was. Dit laatste feit maakt juist de dringende reden uit, ongeacht of een arts zou oordelen dat X al dan niet volledig of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.

Al evenzeer irrelevant is de opmerking van X dat de vennootschap geen verslag toont over de eventuele vaststellingen op andere dagen door de detective. De vaststellingen op de hogervermelde dagen tonen alleszins aan dat X actief werkzaam was tijdens zijn ziekteverlof. Zelfs indien hij op de andere dagen thuis zou zijn gebleven, doet dit geen afbreuk aan de hogervermelde beoordeling.

Nu de dringende reden erkend wordt alleen reeds op basis van de voormelde feiten, hoeft de rechtbank niet verder in te gaan op de andere feiten die zijn opgesomd in de brieven van 2 december 2010.

(4)

De vennootschap heeft de aangetekende brieven en het verzoekschrift van 2 december 2010 verstuurd binnen de wettelijke termijn van drie werkdagen volgend op de dag waarop zij kennis kreeg van de voormelde feiten, namelijk dinsdag 29 november 2010, datum waarop zij kennis kreeg van de aangetekende brief verzonden op 28 november 2010 met het eerste verslag van de detective.

X betwist alsdusdanig ook niet dat de wettelijke termijn van drie werkdagen niet werd gerespecteerd.

(5)

De rechtbank stelt vast dat de overige voorwaarden, termijnen en procedure bepaald in de artikelen 4 en verder van Hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991 werden nageleefd en dat ook de taalwetgeving werd nageleefd (zowel de bepalingen van het Nederlandstalig Taaldecreet van 19 juli 1973 als de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken).

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtsprekende op tegenspraak ten aanzien van eisende partij en X en bij vonnis dat geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van het ACV (artikel 10 van de wet van 19 maart 1991) en in eerste aanleg;

Gehoord het eensluidend mondeling advies van de heer J. GEYSEN, Substituut Arbeidsauditeur;

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond;

Erkent de dringende reden voor het ontslag van X.

Legt de kosten van het geding ten laste van X, voor eisende partij begroot op 79,78 euro dagvaardingskosten en 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding .

Aldus gevonnist door de 23ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar zitting hielden:

Mevrouw C. CORBISIER Rechter,

De heer M. THYSEBAERT Rechter in sociale zaken - werkgever,

De heer D. DE BACKERE Rechter in sociale zaken - bediende,

en uitgesproken ter openbare zitting van 01/02/2011

waar aanwezig was:

Mevrouw C. CORBISIER, Rechter,

bijgestaan door P. GASTHUYS Griffier,

De griffier, De Rechters in sociale zaken, De Rechter,

P. GASTHUYS D. DE BACKERE M. THYSEBAERT C. CORBISIER

Mots libres

  • Beschermde werknemer

  • ontslag om dringende reden