- Jugement du 6 mars 2012

06/03/2012 - 12/2749/A

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Jugement - Texte intégral

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

33ste kamer - zitting van 6 MAART 2012

VONNIS

A.R. nr 12/2749/A

Sociale verkiezingen

Rép. nr 12/

IN ZAKE :

HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND (A.C.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 579,

eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. Veerle SIMEONS, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat, 29 bus 1 ;

TEGEN

DE NV AUDI BRUSSELS, met maatschappelijke zetel te 1190 BRUSSEL, Britse Tweedelegerlaan 201, met ondernemingsnummers 0407.687.238,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr Olivier WOUTERS en Mr Ward BOUCIQUE, advocaten met kantoor te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan, 280 ;

IN AANWEZIGHEID VAN :

1) HET ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (A.B.V.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Hoogstraat, 42,

in het geding betrokken partij, die niet verschijnt ;

2) DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE (A.C.L.V.B.), representatieve werknemersorganisatie met sociale zetel gevestigd te 1070 BRUSSEL, Poincarélaan, 72-74 en met administratieve zetel gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan, 95,

in het geding betrokken partij, vertegenwoordigd door Mevr. Katrien VAN SINAY, gevolmachtigde afgevaardigde ;

3) DE NATIONALE CONFEDERATIE VOOR KADERPERSONEEL (N.C.K.), representatieve organisatie van kaderleden, met zetel gevestigd te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan, 171, bus 4,

in het geding betrokken partij, die niet verschijnt ;

* * *

Gelet op de wet van 15 juni 1935 houdende het gebruik der talen in gerechtszaken ;

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ;

I. PROCEDURE.

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

1. het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 28 februari 2012

2. de besluiten en synthese besluiten van verweerster respectievelijk neergelegd op 1 maart 2012 en op 2 maart 2012

3. de besluiten van eiser neergelegd op 2 maart 2012

4. de dossiers van partijen

De partijen werden per aangetekend schrijven van 28 februari 2012 opgeroepen voor de zitting van 2 maart 2012, waarop eisende partij, verwerende partij en het ACLVB verschenen zijn, terwijl de betrokken partijen, het ABVV en de NCK niet verschenen zijn.

De partijen werden gehoord op de zitting van 2 maart 2012. Het openbaar ministerie werd gehoord in zijn advies, waarop partijen mondeling gerepliceerd hebben.

De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen.

II. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

Bij verzoekschrift van 28 februari 2012 vordert het ACV :

1. te zeggen voor recht dat het aantal effectieve mandaten voor de ondernemingsraad moet bepaald worden op 13 mandaten in totaal en als volgt moet worden verdeeld over de diverse categorieën: 9 mandaten voor de arbeiders, 1 mandaat voor de bedienden, 2 mandaten voor de jeugdige werknemers en 1 mandaat voor de kaderleden;

2. te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen van 7 tot 20 mei 2012 in de onderneming AUDI Brussels NV moet worden georganiseerd en verder voorbereid op basis van deze beslissing;

3. verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, met name de rechtsplegingsvergoeding begroot in besluiten op 1.320 euro.

AUDI besluit tot de ongegrondheid van voormelde vordering.

AUDI vordert te bevelen dat de sociale verkiezingen georganiseerd worden overeenkomstig de beslissingen zoals door de werkgever meegedeeld op de datum zoals bedoeld in artikel 14 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen.

Tenslotte vordert AUDI de veroordeling van eisende partij tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro.

Het ACLVB heeft ter zitting medegedeeld dat zij het standpunt van het ACV bijtreedt.

III. DE ONTVANKELIJKHEID.

Dag X situeert zich bij deze werkgever op 7 februari 2012.

Tegen deze beslissing werd op 28 februari 2012 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel, dit overeenkomstig en binnen de termijn voorzien door artikel 4 van de Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen.

Het beroep van het ACV is ontvankelijk.

IV. DE FEITEN.

1. Bij Audi werken 411 uitzendkrachten, allen arbeiders, waarvan 238 ouder zijn dan 25 jaar en 173 jonger dan 25 jaar.

2. Op 7 februari 2012 heeft Audi het bericht aangeplakt voorzien op dag X .

Met betrekking tot het aantal mandaten voor de ondernemingsraad werd voorzien dat er 13 mandaten waren, als volgt verdeeld : jongeren : 1, arbeiders : 9, bedienden : 2, kaderleden :1.

Met betrekking tot het aantal mandaten voor het comité voor preventie en bescherming op het werk werd voorzien dat er 12 mandaten waren, als volgt verdeeld : jongeren : 1, arbeiders : 9, bedienden : 2.

3. In een niet gedateerd schrijven, ontvangen op 8 februari 2012, hebben een aantal leden van de ondernemingsraad bij de voorzitter van de ondernemingsraad een klacht ingediend met betrekking tot de verdeling van de mandaten. Daarin werd gesteld dat de verdeling er als volgt dient uit te zien : jongeren : 1, arbeiders : 10, bedienden : 1, kaderleden :1.

In het dispositief van het verzoekschrift heeft het ACV haar berekening gewijzigd als volgt : jongeren : 2, arbeiders : 9, bedienden : 1, kaderleden :1.

Voor het comité voor preventie en bescherming op het werk werd geen klacht ingediend.

Er werd op 16 februari 2012 door de ondernemingsraad een buitengewone vergadering georganiseerd om over dit bezwaar een beslissing te nemen.

Tijdens deze vergadering bleek dat de discussie werd gevoerd tussen enerzijds de afvaardiging van de arbeiders en anderzijds de afvaardiging van de bedienden. Men ging er immers vanuit dat indien de uitzendkrachten zouden worden meegeteld, de arbeiders 10 mandaten zouden hebben in plaats van 9 en de bedienden slechts 1 in plaats van 2.

De betrokken werknemersvertegenwoordigers gingen ervan uit dat de uitzendkrachten enkel in aanmerking dienden genomen te worden bij de arbeiders en de bedienden, maar niet bij de jeugdige werknemers. Indien de uitzendkrachten worden verdeeld over alle categorieën, en dus over zowel de arbeiders, als de bedienden, als de jeugdige werknemers, blijkt dat het aantal mandaten voor de arbeiders op 9 blijft maar dat voor de bedienden daalt van 2 naar 1 ten voordele van de jeugdige werknemers die zo 2 mandaten verwerven in plaats van 1.

4. Er kon geen eensgezindheid bekomen worden in de ondernemingsraad. Een deel van de werknemersafvaardiging zelf was het eens met het voorstel van de directie van Audi. Aldus werd de berekeningswijze zoals aangekondigd op dag X behouden.

Tegen deze aankondiging werd op 28 februari 2012 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel.

V. TEN GRONDE.

Probleemstelling.

Het aantal mandaten dat overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011, vastgesteld werd, moet tussen de verschillende werknemerscategorieën die bestaan in het kader van de sociale verkiezingen verdeeld worden (arbeiders, bedienden, jeugdige werknemers en, voor de ondernemingsraad, kaderleden) overeenkomstig de artikelen 24 t.e.m. 28 van deze wet.

De vraag stelt zich of men rekening moet houden met de uitzendkrachten voor het verdelen van de mandaten tussen deze verschillende werknemerscategorieën.

Stelling ACV en ACLVB.

Het ACV is van mening dat de uitzendkrachten, die geen vaste werknemer bij de gebruiker vervangen, wel degelijk dienen in rekening te worden gebracht bij de berekening van de verdeling van de mandaten per categorie.

Het ACLVB treedt het standpunt van het ACV bij.

Het ACV en het ACLVB steunen zich op artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, dat stelt dat voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming.

Het ACV en het ACLVB verwijzen naar een Cassatiearrest van 30 maart 2009, waarin wordt gesteld dat het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Het ACV en ACLVB menen dat de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007 wettelijke bepalingen zijn die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen en aldus met de uitzendkrachten rekening dient te worden gehouden bij het verdelen van de verschillende mandaten.

Stelling van AUDI.

Audi van haar kant argumenteert dat het Hof van Cassatie in het arrest van 30 maart 2009 enkel uitspraak gedaan over artikel 23 van de wet van 4 december 2007 en dus enkel uitspraak heeft gedaan over de wijze van de vaststelling van het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk.

Audi stelt dat uit de bepalingen van de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007 blijkt dat het criterium niet langer "de personeelssterkte van de onderneming" is, zoals vereist in artikel 25 van de Uitzendarbeidwet, maar wel het aantal arbeiders in de onderneming, of het aantal bedienden in de onderneming of nog het aantal kaderleden of het aantal jeugdige werknemers in de onderneming, die in dienst zijn bij een arbeidsovereenkomst op datum X binnen de onderneming.

Dit betekent volgens AUDI dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het totaal aantal mandaten tussen de verschillende categorieën van werknemers.

Stelling van de rechtbank.

1.

Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011 wordt het aantal mandaten bepaald volgens het aantal werknemers die in de onderneming tewerkgesteld worden op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de verkiezingen worden aangekondigd.

Met betrekking tot het aantal mandaten voor de ondernemingsraad werd voorzien dat er 13 mandaten waren (onderneming met 2001 tot 3000 werknemers : 12 mandaten meer 1 mandaat voor de kaderleden). Daarbij werd rekening gehouden met de uitzendkrachten die geen vaste werknemer bij de gebruiker vervangen. Over deze wijze van vaststelling van het aantal mandaten bestaat geen betwisting tussen partijen.

2.

Het aantal mandaten dat overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 vastgesteld werd, in casu 13, moet tussen de verschillende werknemerscategorieën die bestaan in het kader van de sociale verkiezingen verdeeld worden (arbeiders, bedienden, jeugdige werknemers en, voor de ondernemingsraad, kaderleden).

De wijze waarop dergelijke verdeling dient te gebeuren, wordt bepaald in de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007.

Artikel 28 bepaalt dat bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. Het leidinggevend personeel is begrepen in de categorie van kaderleden.

3.

Het Cassatiearrest van 30 maart 2009, waarop het ACV en het ACLVB zich steunen, stelt het volgende :

"Krachtens artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, komen voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming.

Krachtens artikel 25, tweede lid, van de Uitzendarbeidswet, geldt het eerste lid niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°, van die wet.

Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet bepaalt: "Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld."

4.Het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet verleent aan de Koning de bevoegdheid te bepalen hoe de gemiddelde tewerkstelling van uitzendkrachten moet worden berekend voor de erin aangeduide wetgeving welke bepalingen bevat die steunen op het gemiddeld aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Het strekt er niet toe de toepassing van artikel 25 van de Uitzendarbeidswet te beperken tot alleen die wettelijke bepalingen welke steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

5.Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is de personeels-afvaardiging in de raad en in het comité samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd".

Krachtens artikel 23, vijfde lid, van deze wet bestaat de afvaardiging bovendien uit plaatsvervangende leden waarvan het aantal gelijk is aan dat van de gewone leden.

6.Artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

Hieruit volgt dat de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk."

4.

Het Hof van Cassatie heeft in dit arrest van 30 maart 2009 enkel uitspraak gedaan over de draagwijdte van artikel 23 van de wet van 4 december 2007 en dus over de wijze van de vaststelling van het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk.

Het Hof van Cassatie heeft beslist dat artikel 23 eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 een wetsbepaling is die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet omdat het een wettelijke bepaling betreft die de drempel bepaalt voor een andere of ondergeschikte verplichting aan deze van de oprichting van een orgaan, m.n. stelt deze bepaling dat de personeels-afvaardiging in de raad en in het comité is samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Het Hof van Cassatie heeft gesteld dat aangezien het een wetsbepaling is die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, artikel 25, eerste lid, van de wet Uitzendarbeidswet toepassing vindt en dus de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk.

5.

De vraag die rijst is dus te weten of de bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van de mandaten per categorie eveneens blijkens hun bewoordingen wetsbepalingen zijn die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld en dus op de personeelssterkte van de onderneming, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

De rechtbank is van oordeel dat de bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van de mandaten per categorie geen wetsbepalingen zijn die steunen op het "aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld", zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

Ten eerste blijkt uit deze bepalingen dat het criterium voor de verdeling van de mandaten niet langer "de personeelssterkte van de onderneming" is, zoals vereist in artikel 25 van de Uitzendarbeidswet, maar wel het aantal arbeiders in de onderneming, of het aantal bedienden in de onderneming of nog het aantal kaderleden of het aantal jeugdige werknemers in de onderneming.

Er is een tweede fundamenteel verschil tussen artikel 23 van de wet van 4 december 2007 waarover het Hof van Cassatie zich uitgesproken heeft en de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007, waarvoor de criteria verschillend zijn.

Artikel 28 bepaalt dat bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht, waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Artikel 28 specificeert dus duidelijk dat de verdeling van de mandaten niet gebeurt op basis van het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals het geval is bij artikel 23 van de wet, maar wel op basis van de personeelsleden die "in dienst" zijn in de onderneming, wat dus inhoudt dat ze deel uitmaken van het personeel en werken in dienstverband, wat inhoudt dat ze verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de onderneming zelf.

Dit is ook logisch, aangezien het huidige artikel 28 bedoeld is om de opmaak van de kiezerslijsten en de samenstelling van de kiescolleges en -bureaus mogelijk te maken, terwijl de uitzendkrachten bij de gebruikende onderneming niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen, noch door er kandidaat te zijn, noch door er te gaan stemmen.

Het Hof van Cassatie stelde dienaangaande in een arrest van 12 februari 2001:

"Overwegende dat, naar luid van artikel 25 van voornoemd besluit, bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden, rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd;

Dat voornoemde bepaling, die bedoeld is om de opmaak van de kiezerslijsten en de samenstelling van de kiescolleges en -bureaus mogelijk te maken, aldus de verdeling van de mandaten in de sociale organen grondt op de toestand van het personeel in de onderneming op de dag van aanplakking van het bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 voorgeschreven bericht, waarin onder meer de datum en de uurregeling van de verkiezingen, het aantal mandaten per raad of comité en per categorie, alsook de voorlopige kiezerslijsten of de plaatsen waar zij kunnen worden geraadpleegd ter kennis van de werknemers worden gebracht."

Het ACV stelt dat indien de uitzendkrachten meetellen voor de samenstelling van de noemer (= het aantal werknemers dat men bekomt door toepassing van artikel 23), het logisch is dat ze ook meetellen in de teller.

Het ACV gaat uit van een verkeerde premisse.

Wanneer de uitzendkrachten niet worden meegerekend voor de verdeling van de mandaten, komen zij noch in te teller, noch in de noemer voor. De noemer bevat dan immers overeenkomstig artikel 28 van de voornoemde wet enkel de personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. De teller bevat enkel het aantal arbeiders ( of andere categorie ) in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Tenslotte stelt de rechtbank ook vast dat het niet meerekenen van de uitzendkrachten bij de verdeling van de mandaten conform is aan de bepalingen van artikel 7 van de Europese Richtlijn van 19 november 2008 betreffende de uitzendarbeid (Pb. L. 327/11, 5 december 2008) ;

Dit artikel bepaalt :

"Vertegenwoordiging van de uitzendkrachten

1. In het uitzendbureau worden de uitzendkrachten, onder door de lidstaten vastgestelde voorwaarden, meegeteld bij de berekening van de drempel waarboven de vertegenwoordigingsorganen van de werknemers waarin het Gemeenschaps- en nationaal recht of collectieve overeenkomsten voorzien, moeten worden opgericht.

2. De lidstaten kunnen, onder de voorwaarden die zij vaststellen, bepalen dat deze uitzendkrachten in de inlenende onderneming worden meegeteld voor de berekening van de drempel -waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties waarin het Gemeenschaps- en nationaal recht of collectieve overeenkomsten voorzien, mogen worden opgericht, op de dezelfde wijze als werknemers die rechtstreeks door de inlenende onderneming voor dezelfde duur zijn of zouden zijn aangesteld.

3. De lidstaten die gebruikmaken van de in lid 2 geboden mogelijkheid, zijn niet verplicht de bepalingen van lid 1 toe te passen."

De Europese richtlijn voorziet dus enkel de verplichting om de uitzendkrachten desgevallend in de inlenende onderneming mee te tellen voor de berekening van de drempel waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties mogen worden opgericht, meer niet.

De rechtbank besluit derhalve dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het aantal mandaten over de verschillende categorieën personeelsleden in dienst bij AUDI op dag X.

De vordering is derhalve ongegrond.

Alle andere middelen zijn ter zake niet dienend.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gehoord de heer Jan GEYSEN, substituut arbeidsauditeur in zijn andersluidend mondeling advies ;

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk doch ongegrond ;

Zegt voor recht dat de sociale verkiezingen voor de ondernemingsraad op 7 mei 2012 in de onderneming dienen te worden georganiseerd en verder te worden voorbereid op basis van deze beslissing.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding tot op heden begroot op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verwerende partij ;

Aldus gevonnist door de 33ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter,

Mijnheer Jan QUISTHOUDT, Rechter in sociale zaken, werkgever

Mijnheer Geert LEFERE, rechter in sociale zaken, bediende

En uitgesproken ter openbare zitting van 06 MAART 2012 waar aanwezig waren :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter

bijgestaan in de uitspraak door Mevrouw Sabine DE BRUYCKER, griffier - Hoofd van Dienst ;

De Griffier-Hoofd van Dienst, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

S. DE BRUYCKER G. LEFERE & J. QUISTHOUDT A. SCHOENMAEKERS

Mots libres

  • SOCIALE VERKIEZINGEN

  • UITZENDKRACHTEN