- Jugement du 17 avril 2012

17/04/2012 - 11/2762/A

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Jugement - Texte intégral

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

25 ste kamer - openbare zitting van 17 april 2012

VONNIS

A.R.. nr 11/2762/A

Arbeidsovereenkomst arbeider Aud. nr

eindvonnis Rép. nr 012/

IN DE ZAAK :

De heer X

eisende partij, vertegenwoordigd door Y

TEGEN :

De BVBA EXECUTIVE LIMOUSINE ORGANIZATION en/of "ELO",

met maatschappelijke zetel gevestigd te 1850 Grimbergen, Haneveldstraat 51,

KBO nr. 0456.575.040,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Z

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,

Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek,

De procedure

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

· de gedinginleidende dagvaarding betekend op 25 februari 2011;

· de conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 15 november 2011;

· de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 4 januari 2012;

· en de dossiers van partijen.

De verzoeningspoging ter zitting van 20 maart 2012 is mislukt.

De partijen hebben gepleit op voormelde zitting waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

De vordering

Eiser vordert de betaling van:

- 2.276,29 EURO TEN TITEL VAN OPZEGVERGOEDING EN GELIJK AAN HET LOON, MET INBEGRIP VAN DE BIJ OVEREENKOMST VERWORVEN VOORDELEN, VOOR 35 KALENDERDAGEN

In ondergeschikte orde en slechts m.b.t. de gevraagde opzegvergoeding en

inzover de opzegvergoeding ten belope van 35 kalenderdagen in hoofdorde niet

zou worden weerhouden:

-273,16 euro ten titel van resterende opzegvergoeding en gelijk aan het

loon, met inbegrip van de bij overeenkomst verworven voordelen, voor

3 kalenderdagen;

- 555,00 EURO TEN TITEL VAN CRISISPREMIE - PATRONALE GEDEELTE;

- 1.111,00 EURO TEN TITEL VAN SCHADEVERGOEDING WEGENS NIET AFGIFTE VAN DE NODIGE DOCUMENTEN TER AANVRAAG VAN HET RVA-GEDEELTE VAN DE CRISISPREMIE, EX AEQUO ET BONO BEGROOT OP HET VERLOREN BEDRAG;

- 11.836,72 EURO NETTO TEN TITEL VAN MORELE SCHADEVERGOEDING WEGENS WILLEKEURIG ONTSLAG;

meer de wettelijke en gerechtelijke intresten alsook de kosten van het geding, in hoofde van eiser begroot op 127,83 euro dagvaardingskosten;

De feiten

Eiser was sinds 1 augustus 2009 in dienst van verweerster als chauffeur op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Hij vervoerde reizigers van het "Carhotel" te Melsbroek naar de luchthaven.

Met een aangetekende brief van 18 november 2009 stelde verweerster een einde aan de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen die aanving op 23 november 2009.

Van 26 november 2009 tot en met 28 februari 2010 was eiser arbeidsongeschikt ingevolge een arbeidsongeval.

Op 3 maart 2010 gaf verweerster aan eiser een werkloosheidsformulier C4 af waarin vermeld werd dat de arbeidsovereenkomst eindigde op die datum ingevolge opzegging door de werkgever. Als reden voor het ontslag vermeldde verweerster "beantwoordt niet aan het profiel". Ook in het tewerkstellingsattest vermeldde verweerster dat de arbeidsovereenkomst eindigde op 3 maart 2010.

De vakorganisatie schreef 7 brieven aan verweerster met verzoek om het loon voor de periode van 1 tot 3 maart 2010 te betalen en om de reden van het ontslag toe te lichten en te bewijzen. Verweerster reageerde niet en eiser liet de dagvaarding betekenen.

Bespreking

1 De taal van de opzeggingsbrief.

(1)

Eiser stelt dat de opzeggingsbrief nietig was omdat deze zowel in het Nederlands als in het Frans werd opgesteld zonder dat erbij vermeld werd "vertaling" of "origineel".

(2)

Verweerster is gevestigd te Grimbergen. Uit de enkele vermelding in de telefoongids die verweerster neerlegt, blijkt niet dat zij over een exploitatiezetel in Schaarbeek zou beschikken en het blijkt alleszins niet dat eiser verbonden was aan die zetel.

Bijgevolg is het Nederlands Taaldecreet van toepassing (Decreet van de Nederlandse Cultuur Raad van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de voor de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen).

Dit decreet bepaalt ondermeer:

Art. 1. Dit decreet is van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben. Het regelt het taalgebruik van de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen. (...)

Art. 2. De te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, is het Nederlands.

V. Sancties.

Art. 10. De stukken of handelingen, die in strijd zijn met de bepalingen van dit decreet, zijn nietig. De nietigheid wordt ambtshalve door de rechter vastgesteld.

(...) Het vonnis beveelt ambtshalve de vervanging van de betrokken stukken.

De opheffing van de nietigheid heeft slechts uitwerking vanaf de dag van de vervanging: voor geschreven stukken vanaf de dag van de indiening van de vervangende stukken bij de griffie van de arbeidsrechtbank.

De nietigverklaring kan geen nadeel berokkenen aan de werknemer en laat de rechten van derden onverminderd. (...).

Het volgt uit deze bepalingen dat de opzeggingsbrief in het Nederlands moest opgesteld worden.

(3)

Klaarblijkelijk omdat eiser Franstalig was, heeft verweerster de opzeggingsbrief in het Nederlands geschreven en op de andere zijde van dezelfde brief de opzeggingsbrief in het Frans geschreven.

Waar vaststaat dat verweerster de brief alleszins ook in het Nederlands heeft geschreven, was deze brief geldig. Het enkele feit dat de brief ook nog eens in het Frans werd opgesteld, maakt niet dat de brief in het Nederlands nietig zou zijn.

2. De opzeggingsvergoeding

Verweerster had dus op 18 november 2009 een geldige opzeggingstermijn betekend. Gezien eiser minder dan 6 maand anciënniteit had, bedroeg de opzeggingstermijn 7 kalenderdagen, zoals werd bedongen in de arbeidsovereenkomst en dit in overeenstemming met de bepalingen van artikel 60 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Door de arbeidsongeschiktheid werd de opzeggingstermijn geschorst totdat eiser zich op 1 maart terug aanbood op het werk. Verweerster bevestigde zelf in een attest van 1 maart 2010 dat eiser die dag het werk had hervat. Verweerster moet bijgevolg nog het loon voor de periode 1 tot en met 3 maart 2010 betalen, hetzij (10,6121 euro /u x 39u/week) + (1,0612 euro /u Arab-verg x 39u/week) x 3/5 = 237,16 euro .

3. De crisispremie en de schadevergoeding voor het RVA-aandeel

Waar de opzegging werd gegeven voor 1 januari 2010, was geen crisispremie verschuldigd, wat eiser als dusdanig niet betwist (wet houdende divers bepalingen van 30 december 2009).

4. De vergoeding wegens willekeurige afdanking

(1)

Artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt:

"Onder willekeurige afdanking, voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen.

Onverminderd artikel 39, § 1, zal de werkgever die een voor een onbepaalde tijd aangeworven werkman op willekeurige wijze afdankt, aan deze man een vergoeding moeten betalen die overeenstemt met het loon van zes maanden, behalve indien een andere vergoeding is vastgesteld door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

De in het derde lid bedoelde vergoeding is verschuldigd onafgezien van het feit of de werkman al dan niet met inachtneming van een opzeggingstermijn werd afgedankt; zij kan niet samen genoten worden met de vergoedingen bedoeld in artikel 39, §§ 2 en 3, van deze wet."

Het Hof van Cassatie bevestigde in een arrest van 22 november 2010 het volgende

"1. Krachtens artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt, voor de toepassing van dit artikel, onder willekeurige afdanking verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

2. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de regeling van de willekeurige afdanking het verbod van kennelijk onredelijk ontslag inhoudt.

Hieruit volgt dat een ontslag om een motief in verband met de geschiktheid of het gedrag van de werkman toch willekeurig is wanneer dit motief kennelijk onredelijk is.

3. Het komt de feitenrechter toe te oordelen of het gedrag of de geschiktheid van de werkman waarmee het ontslag verband houdt, een legitieme ontslagreden vormt. Het Hof gaat slechts na of de rechter daarbij het rechtsbegrip "willekeurige afdanking" dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen, niet miskent.

4. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat zodra het ontslag van de werkman verband houdt met zijn gedrag, ongeacht van welke aard dat gedrag is, de afdanking niet willekeurig kan zijn in de zin van artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet en het de rechter aldus niet toekomt te beoordelen of dat gedrag een geldige reden tot ontslag kan vormen, faalt naar recht." (www.juridat.be).

(2)

Verweerster zet in haar conclusies uiteen dat zij eiser heeft ontslagen om de volgende redenen:

Eiser was absoluut niet gemotiveerd voor de job. Het bedrijf is gekend voor luxevervoer met limousinewagens. Ondanks het feit dat verweerster duidelijk had gemaakt tijdens het sollicitatiegesprek dat eiser voornamelijk zou instaan voor het vervoer van personen in busjes en dus niet in limousines, was eiser voor deze functie gedemotiveerd. Eiser had zich verwacht aan het vervoer van bekende personen en droomde dus al van een glamoureuze levensstijl.

Deze demotivatie bleek ook duidelijk bij de uitvoering van zijn job. Eiser gaf de klanten geenszins de behandeling waar zij recht op hadden, was niet voldoende beleefd en haalde niet de vooropgestelde doelen.

Verweerster legt geen enkel stuk neer tot staving van haar beweringen. Zij antwoordde niet eens op de 7 brieven van de vakorganisatie en liet ook de eerste conclusietermijn verstrijken alvorens conclusies neer te leggen waarin zij slechts het bewijs door getuigen aanbiedt van voormelde reden voor het ontslag.

Verder vermeldt zij ook nog:

De onderneming, een luxueus taxibedrijf werd logischerwijs ook zeer snel getroffen door de economische omstandigheden. Toen in november 2009 dan ook bleek dat de onderneming genoodzaakt was om 1 van haar werknemers te moeten ontslaan en eiser niet aan de verwachtingen voldeed en de job niet naar behoren uitoefende was het ontslag van eiser een onvermijdelijke beslissing.

Ook met betrekking tot deze beweringen legt verweerster geen enkel bewijs neer en biedt zij de bewijsvoering niet eens aan. Zij toont dus helemaal niet aan dat de omzet zou gedaald zijn en dat zij werkelijk haar personeelsbestand heeft verminderd.

(3)

Artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt "Indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, kan de rechter die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is."

De aangevoerde feiten moeten dus voldoende nauwkeurig zijn (vgl. Cass. 5 november 2004, www.juridat.be).

De rechtbank kan slechts vaststellen dat verweerster slechts vage beweringen maakt, die in feite niets anders zijn dan subjectieve beoordelingen, namelijk het gebrek aan motivatie, het niet voldoende beleefd zijn, het niet behalen van de vooropgestelde doelen en het niet geven van de behandeling waarop de klanten recht hadden. Verweerster vermeldt daarbij geen enkel concreet feit zodat het onmogelijk is om na te gaan of er werkelijk sprake was van een gebrek aan motivatie , beleefdheid of gewenste behandeling. Verweerster vermeldt ook geen concrete doelstellingen die zouden zijn vooropgesteld.

Bij gebrek aan welbepaalde feiten, gaat de rechtbank dan ook niet in op het aanbod van bewijs door getuigen.

(4)

Waar verweerster geen bewijs levert van de redenen van het ontslag, volgt uit de voormelde wettelijke bepaling, dat een forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden loon verschuldigd is.

Eiser berekent deze vergoeding correct als volgt: (10,6121 euro /u x 39u/week) + (1,0612 euro /u Arab-verg x 39u/week)) x 26 weken = 11.836,72 euro .

(5)

Eiser zet in conclusies uiteen:

- Een aan de omgeving niet uitlegbaar ontslag drukt zwaar op het gemoed, men blijft achter met een schaamte- en schuldgevoel. Het heeft ook zo zijn gevolgen op relationeel vlak en lijdt tot een verlies aan zelfvertrouwen.

De vergoeding die eiser vordert is verwant met een burgerlijke sanctie met een zuiver moreel karakter en beoogt de compensatie van dit moreel leed en de weinige eerbied die de werkgever had voor de persoon van de arbeider.

- De fiscus aanziet de vergoedingen wegens willekeurig ontslag in de eerste plaats als een vergoeding verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid in dienst van een werkgever en dus als een belastbare bezoldiging (artikel 31, 3° Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992).

Ook is er de opwerping dat de in deze zaak gevraagde vergoeding een forfaitaire vergoeding betreft die verschuldigd is krachtens de wet zonder dat zelfs concrete schade moet worden aangetoond.

- Slechts ingeval de rechtbank, na onderzoek van de reden tot betaling van de vergoeding, de mening is toegedaan dat de vergoeding louter morele schade dekt, is onderwerping aan fiscale inhouding niet langer terzake en zal de fiscus zich aan dit oordeel houden.

- FOD Financiën legde deze richtlijn duidelijk vast in hun commentaar op het Wetboek Inkomstenbelastingen:

"Alleen arbeidshoven en -rechtbanken kunnen een morele schadevergoeding toekennen, t.t.z. enkel deze instanties kunnen een aan de werknemer toegekende vergoeding als dusdanig kwalificeren."

(Com IB/92, bepaling nr. 31/18.16).

Eiser vraagt dat de rechtbank het moreel element van de gevorderde schadevergoeding zou benadrukken waardoor de niet onderwerping aan fiscale inhoudingen komt vast te staan.

Enkel wanneer een werknemer op basis van de bepalingen van gemeenrecht (art 1382 en 1134 Burgerlijk Wetboek) een vergoeding wegens morele schade vordert, dient de rechtbank te onderzoeken of de fout, het oorzakelijk verband en de schade bewezen worden.

Bij de beoordeling van de vordering van eiser tot betaling van de wettelijke forfaitaire vergoeding wegens willekeurig ontslag, dient de rechtbank slechts te onderzoeken of eiser op basis van de bepalingen van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten recht heeft op deze vergoeding.

Deze vergoeding is verschuldigd door het enkele feit dat verweerster de reden van het ontslag niet bewijst. De rechtbank dient dus niet concreet te onderzoeken of eiser morele schade heeft geleden gezien dit geen onderdeel uitmaakt van het geschil tussen eiser en verweerster.

Desgevallend kan eiser tegenover de fiscale administratie aanvoeren dat de wettelijke vergoeding wegens willekeurig ontslag fiscaal op dezelfde wijze moet behandeld worden als een gemeenrechtelijke vergoeding voor morele schade.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg,

Verklaart de vordering in de volgende mate gegrond;

Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van:

- een opzeggingsvergoeding gelijk aan 273,16 euro bruto en een vergoeding wegens willekeurig ontslag gelijk aan 11.836,72 euro bruto, onder aftrek van de wettelijke inhoudingen die aan de bevoegde instanties moeten gestort worden,

- de wettelijke intresten vanaf 18 november 2009 en de gerechtelijke intresten sedert de dagvaarding.

Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiser op 127,83 euro dagvaardingskosten.

Aldus gevonnist door de 25ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel,

door :

Mevrouw C. : Rechter;

De Heer VL: Rechter sociale zaken - werkgever;

De Heer AB: Rechter sociale zaken - arbeider;

en uitgesproken op 17 APRIL 2012

door Mevrouw C., Rechter,

bijgestaan door L., Afgevaardigde griffier;

De afg. griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

Mots libres

  • VERDERZETTEN ARBEIDSOVEREENKOMST NA ABSOLUUT NIETIGE OPZEGGING

  • INTREST OP BRUTOLOON