- Jugement du 26 novembre 2012

26/11/2012 - 10/18543/A

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Jugement - Texte intégral

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

23ste kamer - openbare zitting van 26 november 2012

VONNIS

A.R. nr. 10-18543-A

Arbeidsovereenkomst bediende

Tegensprekelijk tussenvonnis Rep. nr. 12/

IN DE ZAAK:

De heer X,

wonende

eisende partij, vertegenwoordigd door , ....advocaten;

TEGEN:

De N.V. ERICSSON,

met maatschappelijke zetel gevestigd Lozenberg 18-20 te 1930 ZAVENTEM,

verwerende partij, vertegenwoordigd door ...., advocaat;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,

Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek,

1. PROCEDURE

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

· het inleidend verzoekschrift d.d. 21 december 2010;

· de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 18 januari 2011;

· de conclusies, aanvullende- en syntheseconclusies van partijen;

· de dossiers van partijen.

De verzoeningspoging is mislukt.

De partijen hebben gepleit op de zitting van 24 september 2012, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd.

I . VOORWERP VAN DE VORDERING.

De vordering van eiser, zoals uiteengezet in de laatste syntheseconclusies, strekt ertoe:

1. de NV ERICSSON zich te horen veroordelen tot betaling aan eiser van de volgende bedragen:

- 1.204,70 EUR ten titel van intresten op de betalingen doorgevoerd na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (onder aftrek van 102,83 EUR, betaald op 03/01/2012), wat een saldo geeft van 1.101,87 EUR;

- 66.631,15 EUR ten titel van aanvullende beschermingsvergoeding, ondergeschikt ten titel van schadevergoeding en in nog meer ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, minstens de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

" Schenden de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 geïnterpreteerd in die zin dat de vergoedingen die zij voorschrijven in het geval van een werknemer, die geniet van de bescherming van deze wet en die tijdelijk een recht op loopbaanonderbreking uitoefent onder de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties, dienen te worden berekend op het daarmee overeenstemmende loon, zijnde dit voor de verminderde arbeidsprestaties, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel gecombineerd met artikel 11 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en van het Verdrag nr. 98 van de IAO, in de mate:

- de beschermde werknemer die zijn arbeidsprestaties volledig heeft opgeschort in het kader van een loopbaanonderbreking recht heeft op vergoedingen vastgesteld op basis van een voltijds loon;

- terwijl de vergoedingen van de beschermde werknemer die zijn arbeidsprestaties tijdelijk heeft verminderd in het kader van een stelsel van loopbaanonderbreking worden vastgesteld op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties;

- en rekening houdend met het feit dat door dit te doen:

- de bescherming tegen de anti-syndicale represailles ingesteld door de wet wordt afgezwakt, vermits de vergoedingen die het respecteren van de wettelijke bescherming dienen te waarborgen (en de schendingen sanctioneren) op een belangrijke wijze kunnen worden verminderd in de periode tijdens dewelke het recht op de vermindering van de arbeidsprestaties wordt uitgeoefend, waarbij deze vermindering kan gaan tot de helft van de vergoeding verschuldigd aan een werknemer met éénzelfde situatie op het vlak van loon voorwaarden en anciënniteit die zijn recht op een loopbaanonderbreking uitoefent in het kader van een volledige opschorting van zijn arbeidsprestaties,

- de beschermde werknemers legitiem een onregelmatig ontslag vrezen, dat minder duur is voor de werkgever, zodat het uitoefenen van een dergelijk recht te ontraden valt uit vrees voor een belangrijk nadeel."

- 15.798,07 EUR ten titel van werkzekerheidsvergoeding;

- 1 EUR provisioneel ten titel van loonregularisatie (conventionele indexering CAO nr. 1) met tevens de veroordeling tot het bijbrengen van een overzicht en afrekening van de lonen en andere voordelen die het voorwerp van de indexeringen uitmaakten sedert 1 juli 2008 tot op de datum van het ontslag, en dit binnen de maand na de betekening van het tussen te komen vonnis en op straffe van een dwangsom van 100 EUR per dag vertraging;

- 2.908,17 EUR (705,27 EUR voor 2007, 1.077,16 EUR voor 2008 en

1.125,74 EUR voor 2009) ten titel van regularisatie in het kader van de gelijkstelling (art. 3 CAO nr. 1), te vermeerderen met de vakantiegelden t.b.v. 446,11 EUR (15,34 % van 2.908,17 EUR);

- 1 EUR provisioneel ten titel van regularisatie van de stortingen m.b.t. de individuele verzekering in het kader van de CAO BRIGHT (compensatie van de inhoudingen voor « kosten »);

- 2.044,56 EUR ten titel van schadevergoeding voor het niet verlengen van de reclasseringsperiode met de verlofdagen van december 2009.

2. de NV ERICSSON zich te horen veroordelen tot de betaling van de wettelijke en gerechtelijke intresten alsmede tot de kosten van het geding, basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

* * *

Verwerende partij vraagt de vordering van de heer X ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de heer X ervan af te wijzen.

Tevens vordert eisende partij de heer X te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingvergoeding van 3.300 euro (basisbedrag).

II. DE FEITEN.

1. De heer X trad op 1 maart 1997 in dienst van de vennootschap MOBISTAR.

Ingevolge de outsourcing door de NV Mobistar aan de NV Ericsson van haar "departement ITN", werd de arbeidsovereenkomst van de heer X, bij toepassing van CAO 32bis, aan de NV Ericsson overgedragen met ingang van 1 mei 2007.

Het departement ITN van de NV Mobistar werd geïntegreerd in het departement

« Service Delivery Organisation » van de NV Ericsson.

De heer X werd geïntegreerd als "Performance and Quality Manager" in dit departement.

2. Op het ogenblik van zijn overname door de NV Ericsson had de heer X, als lid van de ondernemingsraad van de NV Mobistar, het statuut van beschermde werknemer.

Bovendien werd hij ter gelegenheid van de sociale verkiezingen van mei 2008 verkozen als lid van de ondernemingsraad van de NV Ericsson.

3. De heer X heeft van 1 mei 2007 tot en met 31 augustus 2008 zijn arbeidsprestaties verminderd ten belopen van 1/5de in het kader van het stelsel van tijdskrediet bij toepassing van CAO 77bis.

Vanaf 1 september 2008 heeft de heer X voltijdse arbeidsprestaties geleverd.

4. In juli 2009 verzocht de heer X opnieuw om een tijdskrediet via een reductie van zijn arbeidsprestaties met 1/5de. Deze aanvraag had betrekking op de periode van 8 augustus 2009 tot 31 januari 2010. De RVA verwierp deze aanvraag omdat er nog geen jaar was verlopen sedert het einde van de vorige periode met tijdskrediet. De RVA preciseerde daarbij dat een nieuwe aanvraag kon worden ingediend vanaf 1 september 2009.

5. Op 5 november 2009 heeft de heer X een nieuwe aanvraag tot tijdskrediet ingediend met reductie van de arbeidsprestaties met 1/5de voor de periode ingaande op 15 september 2009 tot en met 15 maart 2010.

De aanvraag werd door de RVA aanvaard. Er werd geen geschift in de zin van artikel 11 bis van de wet van 3 juli 1978 opgesteld betreffende dit tijdskrediet.

6. Eiser werd vanaf 26 oktober 2010 toegevoegd aan een nieuwe ploeg, m.n. deze van de heer A, en dit in het kader van een nieuw opgestart project AZALAI.

7. Ter gelegenheid van de buitengewone vergadering van de ondernemingsraad van 30 november 2009, werd door de NV Ericsson een reorganisatie aangekondigd in het departement "Delivery Support Services".

Bij deze gelegenheid werd aangekondigd dat de functie van 9 bedienden en 11 consultants werden geschrapt, zijnde de functies die door de NV Ericsson niet als "kritisch" werden beschouwd en derhalve geen toegevoegde waarde hadden voor het bedrijf.

De functie van Performance and Quality Manager, die de heer X op 30 november 2009 uitoefende, werd daarbij geschrapt.

8. Bij schrijven van 30 november 2009 werd ten aanzien van de heer X de interne reclasseringsprocedure opgestart bij toepassing van artikel 4 van de bedrijfs-cao nr. 3 d.d. 27 maart 2009 betreffende de werkstabiliteit binnen de onderneming. De zoekperiode van 4 weken is ingegaan op 30 november 2009 en is verstreken op 30 december 2009.

9. Eiser nam tijdens de 2 laatste weken van december nog resterende verlofdagen op.

De heer X vroeg de reclasseringsprocedure te verlengen, waarop de werkgever niet inging.

10. Aangezien de heer X na afloop van de zoekfase niet kon worden gereclasseerd, werd hij bij schrijven van 30 december 2009 ontslagen met onmiddellijke ingang mits betaling van de beschermingsvergoeding bij toepassing van de wet d.d. 19 maart 1991, met name de forfaitaire vergoeding van 3 jaar bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991 en het loon tot de volgende sociale verkiezingen bij toepassing van artikel 17 van dezelfde wet.

11. Bij aangetekend schrijven van 4 januari 2010 heeft de heer X, bij toepassing van artikel 14 van de wet d.d. 19 maart 1991 zijn re-integratie gevraagd. De NV Ericsson is niet ingegaan op dit verzoek tot re-integratie.

12. Op 25 januari 2010 heeft de NV Ericsson aan de heer X de volgende bedragen betaald ten titel van beschermingsvergoeding:

- 221.503,05 euro bruto (36 maanden beschermingsvergoeding bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991), berekend op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling;

- 220.454,27 euro bruto (het loon tot de installatie van de eerstvolgende ondernemingsraad in 2012 (30 maanden) bij toepassing van artikel 17 van de wet d.d. 19 maart 1991), berekend als volgt:

- 2,5 maanden op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling,

- 27,5 maanden op basis van het salaris voor een voltijdse tewerkstelling.

De globaal uitbetaalde beschermingsvergoeding van 447.138,84 euro dekt aldus in het totaal een periode van 66 maanden.

13. De heer X heeft vervolgens aanspraak gemaakt op de betaling van bijkomende bedragen, naar aanleiding waarvan besprekingen plaats vonden tussen partijen.

Ingevolge deze besprekingen werden door de NV Ericsson nog de volgende bedragen uitbetaald op 26 juni 2010:

- 992,62 euro ten titel jaarlijkse premie voor het jaar 2009 (toepassing van de Total cash approach);

- 5.459,41 euro ten titel van regularisatie van de beschermingsvergoeding rekening houdende met de jaarlijkse premie bij toepassing van de Total cash approach

(992,62 euro x 66 maanden);

- 10.725,00 euro (66 maanden x 1.950,00 euro ) ten titel van patronale bijdrage in de individuele pensioentoezegging voor de periode die gedekt is door de beschermingsvergoeding (toepassing van de Total cash approach).

14. De heer X meent dat de NV Ericsson hem niet de totaliteit van de bedragen heeft uitbetaald waarop hij naar aanleiding van zijn ontslag aanspraak kan maken en heeft derhalve op 21 december 2010 de NV Ericsson voor de arbeidsrechtbank gedaagd bij tegensprekelijk verzoekschrift.

III. IN RECHTE.

III.1. INTRESTEN.

1. De heer X vordert een bedrag van 1.204,70 euro ten titel van intresten op de betalingen die werden uitgevoerd na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst op 30 december 2009.

Het betreft 1.101,87 euro intresten op de beschermingsvergoeding en 102,83 euro intresten op de premies.

In syntheseconclusies erkent eiser dat het bedrag van 102,83 euro op 3 januari 2012 werd betaald, zodat hij nog een saldo vordert van 1.101,87 euro .

2. De beschermingsvergoedingen maken « loon » uit in de zin van de wet van 12 april 1965. Artikel 10 van deze wet dient derhalve toepassing te vinden : « Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt."

De artikelen 9 en 11 van de loonbeschermingswet die de tijdstippen waarop het loon moet worden uitbetaald vaststellen, hebben geen betrekking op de bijzondere beschermingsvergoeding, verschuldigd aan een ten onrechte ontslagen beschermde werknemer (Cass., 29 februari 1988, RW 1988-89, 403).

In een arrest van het Hof van Cassatie van 22 april 1982 werd geoordeeld dat de beschermde werknemer recht heeft op wettelijke intresten op zijn bijzondere beschermingsvergoeding te rekenen vanaf het ogenblik van het ontslag, zelfs bij een weigering tot wederopneming (Cass. 22 april 1982, Soc. Kron. 1982, 258).

Het Hof van Cassatie was derhalve van oordeel dat de beschermingsvergoeding opeisbaar werd op datum van ontslag.

In een meer recent arrest van 16 mei 2011 oordeelde het Hof van Cassatie:

"Krachtens artikel 17, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden

moet, wanneer de werknemer of de werknemersorganisatie die zijn kandidatuur

heeft voorgedragen, zijn re-integratie binnen de in artikel 14 vastgestelde termijnen heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, de werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 bedoelde vergoeding betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest.

5. Deze wetsbepaling houdt geen ontbindende voorwaarde in, maar stelt een

vereiste voor de opeisbaarheid van de beschermingsvergoeding.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht."

De intresten op het bedrag van de beschermingsvergoeding zijn derhalve pas verschuldigd na het verloop van de termijn van dertig dagen na de dag waarop het verzoek tot re-integratie aan de werkgever bij een ter post aangetekende brief werd gezonden.

Op 4 januari 2010 heeft de heer X, conform artikel 14 van de wet d.d. 19 maart 1991, zijn re-integratie gevraagd.

Hierop diende de NV Ericsson te reageren binnen de 30 dagen, hetzij uiterlijk tegen 3 februari 2010.

De beschermingsvergoeding van 447.138,84 euro bruto werd uitbetaald op 25 januari 2010, hetzij nog vóór het verstrijken van de voormelde termijn van 30 dagen.

De vordering is derhalve op dit punt ongegrond.

III.2. Aanvullende beschermingsvergoeding.

A. Probleemstelling:

De heer X vordert een bedrag van 66.631,15 euro ten titel van aanvullende

beschermingsvergoeding.

De NV Ericsson heeft reeds aan de heer X de volgende bedragen betaald ten titel van beschermingsvergoeding:

- 221.503,05 euro bruto, zijnde 36 maanden beschermingsvergoeding bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991, berekend op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling;

- 220.454,27 euro bruto, zijnde het loon tot de installatie van de eerstvolgende ondernemingsraad in 2012 (30 maanden) bij toepassing van artikel 17 van de wet d.d. 19 maart 1991, berekend als volgt:

- 2,5 maanden op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling,

- 27,5 maanden op basis van het salaris voor een voltijdse tewerkstelling.

De heer X is van oordeel dat hij gerechtigd is op de betaling van een aanvullende beschermingsvergoeding op basis van een voltijdse verloning.

In hoofdorde meent eiser dat voor de toepassing van de wet van 19 maart 1991, rekening dient te worden gehouden met het loon bij voltijdse arbeidsprestaties en derhalve niet met het loon dat effectief werd betaald in het kader van het opgenomen tijdskrediet.

Ondergeschikt is de heer X van oordeel dat indien hem het verschil tussen een berekening van de vergoeding verschuldigd op basis van voltijdse en deeltijdse prestaties van 4/5de niet zou kunnen worden toegekend op basis van de wet van 19 maart 1991, hij aanspraak kan maken op dit verschil op grond van artikel 1134 en artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De heer X houdt meer bepaald voor dat de feitelijke gegevens van de zaak aantonen dat er in hoofde van Ericsson een "fout" zou moeten worden weerhouden, die aan de basis ligt van het feit dat de heer X een "verminderde" beschermingsvergoeding heeft ontvangen.

In nog meer ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, vraagt eiser volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 geïnterpreteerd in die zin dat de vergoedingen die zij voorschrijven in het geval van een werknemer, die geniet van de bescherming van deze wet en die tijdelijk een recht op loopbaanonderbreking uitoefent onder de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties, dienen te worden berekend op het daarmee overeenstemmende loon, zijnde dit voor de verminderde arbeidsprestaties, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel gecombineerd met artikel 11 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en van het Verdrag nr. 98 van de IAO, in de mate:

- de beschermde werknemer die zijn arbeidsprestaties volledig heeft opgeschort in het kader van een loopbaanonderbreking recht heeft op vergoedingen vastgesteld op basis van een voltijds loon;

- terwijl de vergoedingen van de beschermde werknemer die zijn arbeidsprestaties tijdelijk heeft verminderd in het kader van een stelsel van loopbaanonderbreking worden vastgesteld op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties;

- en rekening houdend met het feit dat door dit te doen :

- de bescherming tegen de anti-syndicale represailles ingesteld door de wet wordt afgezwakt, vermits de vergoedingen die het respecteren van de wettelijke bescherming dienen te waarborgen (en de schendingen sanctioneren) op een belangrijke wijze kunnen worden verminderd in de periode tijdens dewelke het recht op de vermindering van de arbeidsprestaties wordt uitgeoefend, waarbij deze vermindering kan gaan tot de helft van de vergoeding verschuldigd aan een werknemer met éénzelfde situatie op het vlak van loon voorwaarden en anciënniteit die zijn recht op een loopbaanonderbreking uitoefent in het kader van een volledige opschorting van zijn arbeidsprestaties,

- de beschermde werknemers legitiem een onregelmatig ontslag vrezen, dat minder duur is voor de werkgever, zodat het uitoefenen van een dergelijk recht te ontraden valt uit vrees voor een belangrijk nadeel."

B. Voltijds of deeltijds loon voor de berekening van de beschermingsvergoeding?

1. Berekening "opzeggingsvergoeding" en "beschermingsvergoeding tijdskrediet" bij verminderde prestaties in het kader van de CAO 77 bis.

1. Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 11 december 2006 een einde gesteld aan de controverse die bestond over het bedrag van de opzegvergoeding van een werknemer die zijn arbeidsprestaties verminderd heeft in het kader van een loopbaanonderbreking (Cass. 11 december 2006, AR nr. S040143N, http://jure.juridat.just.fgov.be).

Het Hof heeft in haar arrest bevestigd dat de vergoeding berekend moet worden op basis van het loon dat de werknemer effectief verdiende op het ogenblik van de verbreking, met andere woorden op basis van het deeltijdse loon.

Dit principe geldt zowel voor de berekening van de opzeggingsvergoeding als voor de berekening van de beschermingsvergoeding die de werkgever verschuldigd is wanneer hij een werknemer met tijdskrediet ontslaat zonder wettige reden.

2. In 2008 heeft het Grondwettelijk Hof tweemaal het arrest van het Hof van Cassatie bevestigd dat stelt dat de verbrekingsvergoeding berekend moet worden op basis van het loon waarop de werknemer effectief recht heeft op het moment van het ontslag

(Grondwettelijk Hof, 13 maart 2008 (AR nr. 53/2008) en Grondwettelijk Hof, 8 mei 2008 (AR nr. 77/2008), http://jure.juridat.just.fgov.be).

3. In een arrest van het Hof van Justitie van 22 oktober 2009 (Europees Hof van Justitie, 22 oktober 2009, zaak C 116/08 (C. M. t/ Proost NV), heeft het Europees Hof van Justitie gesteld dat een werknemer die ontslagen wordt tijdens een periode van verminderde arbeidsprestaties in het kader van een ouderschapsverlof, recht heeft op een opzegvergoeding berekend op zijn voltijdse loon.

De regeling inzake ouderschapsverlof gaat terug op de Europese richtlijn

nr. 96/34/EG van 3 juni 1996. Deze richtlijn voorziet onder meer dat de op de datum van de ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden moeten blijven tot het einde van het ouderschapsverlof.

Volgens het Europees Hof behoren alle rechten en voordelen in geld of in natura die direct of indirect uit de arbeidsverhouding voortvloeien en waarop de werknemer bij de ingang van het ouderschapsverlof aanspraak kan maken, tot die verworven rechten of rechten in wording. Ook het recht op een opzeggingstermijn bij een éénzijdige beëindiging door de werkgever behoort tot die rechten.

Het Hof van Justitie baseert zich voor haar uitspraak op de bepalingen uit de Europese raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof. Deze zijn niet van toepassing in geval van tijdskrediet, zodat de uitspraak van het Hof zich beperkt tot de werknemers in ouderschapsverlof.

4. Naar aanleiding van het arrest "Meerts" van 22 oktober 2009 van het Europees Hof van Justitie heeft de Belgische wetgever voor wat betreft de werknemers die ontslagen worden tijdens de opname van ouderschapsverlof, bij artikel 30 van de wet d.d. 30 december 2009 houdende diverse bepalingen (B.S., 31 december 2009,

p. 82925 et v.), uitdrukkelijk bepaald dat de opzeggingsvergoeding dient berekend te worden op basis van het voltijdse loon en niet op basis van het loon voor deeltijdse arbeidsprestaties.

Artikel 90 van de wet d.d. 30 december 2009 houdende diverse bepalingen is beperkt tot het ouderschapsverlof. Voor wat betreft de andere stelsels van vermindering van de arbeidsprestaties, waaronder het tijdskrediet, blijft de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof onverkort gelden (zie in die zin Arbeidsrechtbank van Brussel, 24ste Kamer, 29 april 2010, A.R. nr. 07/6975).

5. Sinds het arrest van het Hof van Justitie d.d. 22 oktober 2009 en de wetswijziging inzake ouderschapsverlof die hieruit is voortgevloeid werden onder meer de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

§ Bij vonnis van 27 juli 2010 Arbeidsrechtbank te Brussel (Grondwettelijk Hof - rolnummer nr. 5013):

« Schenden artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en/of artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de werknemer die een vermindering van zijn arbeidsprestaties geniet buiten het kader van het ouderschapsverlof, in geval van ontslag slechts recht heeft op een compensatoire opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties, terwijl de werknemer die een vermindering van zijn arbeidsprestaties geniet in het kader van het ouderschapsverlof, in geval van ontslag recht heeft op een compensatoire opzeggingsvergoeding berekend met in aanmerkingneming van het loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij op het moment van de kennisgeving van de opzegging voltijds tewerkgesteld was? »

§ Bij vonnis van 21 oktober 2010 Arbeidsrechtbank te Brussel (Grondwettelijk Hof - rolnummer nr. 5053):

« Vormen artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en/of artikel 103 en/of artikel 105, § 3, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de werknemer van 50 jaar en ouder die zonder maximumduur geniet van een vermindering van arbeidsprestaties in het kader van artikel 9 van de CAO 77bis (CAO van 19 december 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking) en dus buiten het kader van ouderschapsverlof, in geval van ontslag, slechts recht heeft op een opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties terwijl de werknemer die gedurende een beperkte periode geniet van een vermindering van arbeidsprestaties in het kader van ouderschapsverlof, in geval van ontslag, recht heeft op een opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon waarop hij recht zou hebben indien hij zijn arbeidsprestaties niet had verminderd ? »

Het Grondwettelijk Hof heeft de prejudiciële vraag nr. 5013 bij een arrest van 10 november 2011 (Grondwettelijk Hof, Arrest nr. 165/2011 d.d. 10 november 2011) negatief beantwoord:

" Uit het gegeven dat, op grond van de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie tot uitlegging van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, voor het bepalen van een eventuele opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer tijdens diens ouderschapsverlof moet worden uitgegaan van het loon alsof de werknemer geen ouderschapsverlof heeft genomen, volgt nog niet dat het kennelijk onevenredig zou zijn om voor het bepalen van de eventuele opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 van de wet van 22 januari 1985 heeft verminderd, uit te gaan van het lopende loon voor zijn verminderde prestaties, rekening houdend zowel met artikel 103 van diezelfde wet als met het gegeven dat in artikel 101, zesde lid, van diezelfde wet naast de opzeggingsvergoeding voor die werknemer wordt voorzien in een forfaitaire beschermingsvergoeding van zes maanden loon ten laste van de werkgever, indien deze de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties. "

In het arrest van dezelfde datum heeft het Grondwettelijk Hof op grond van dezelfde argumentatie de prejudiciële vraag nr. 5053 negatief beantwoord (Grondwettelijk Hof, Arrest nr. 191/2011 d.d. 15 december 2011):

" Uit het gegeven dat, op grond van de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie tot uitlegging van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en van artikel 105, § 3, van de wet van 22 januari 1985, voor het bepalen van een eventuele opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer tijdens diens ouderschapsverlof moet worden uitgegaan van het loon alsof de werknemer geen ouderschapsverlof heeft genomen, volgt nog niet dat het kennelijk onevenredig zou zijn om voor het bepalen van de eventuele opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer van vijftig jaar en ouder die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd, uit te gaan van het lopende loon voor zijn verminderde prestaties, rekening houdend zowel met artikel 103 van de wet van 22 januari 1985 als met het gegeven dat naar Belgisch recht naast de opzeggingsvergoeding voor die werknemer wordt voorzien in een beschermingsvergoeding van zes maanden loon ten laste van de werkgever, indien deze de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties."

Het Grondwettelijk Hof heeft aldus, in de lijn met de vigerende Cassatierechtspraak van 2006 in de mate dat deze het stelsel van het tijdskrediet betreft, en de rechtspraak van het Grondwettelijk hof van 2008, bevestigd dat het niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie om zich op het effectieve loon op het ogenblik van het ontslag te steunen teneinde het bedrag van de vergoedingen te bepalen waarop een werknemer die, al dan niet tijdelijk, verminderde arbeidsprestaties levert in het kader van het stelsel van tijdskrediet, recht heeft.

2. Dient voornoemde Cassatierechtspraak en rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake de berekening van de "opzeggingsvergoeding" en "beschermingsvergoeding tijdskrediet" bij verminderde prestaties in het kader van de CAO 77 bis te worden doorgetrokken naar de berekening van de "beschermingsvergoeding personeelsafgevaardigden"?

2.1. De toepasselijke wetsbepalingen voor de berekening van de beschermingsvergoeding:

Artikel 16 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt:

Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn re-integratie niet heeft aangevraagd binnen de bij artikel 14 vastgestelde termijnen, moet de werkgever hem, uitgezonderd in het geval dat de verbreking heeft plaatsgehad voor de indiening van de kandidaturen, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade, een vergoeding betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van:

- twee jaar zo hij minder dan tien dienstjaren in de onderneming telt;

- drie jaar zo hij tien doch minder dan twintig dienstjaren in de onderneming telt;

- vier jaar zo hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt.

Artikel 17 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt:

§ 1. Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn re-integratie heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, moet deze werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 bedoelde vergoeding betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest.

2.2. Wat dient te worden verstaan onder lopend loon in artikel 16 van de wet van 19 maart 1991?

1. Krachtens de vigerende rechtspraak en rechtsleer is de basis van de beschermingsvergoeding voorzien in de wet van 19 maart 1991 dezelfde als deze voor de opzeggingsvergoedingen, zijnde het "lopende loon", en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, zoals voorzien in artikel 39 van de wet d.d. 3 juli 1978.

In haar arrest van 20 december 2010 heeft het Arbeidshof te Brussel bevestigd dat de bijzondere beschermingsvergoeding op identieke wijze wordt berekend als de opzeggingsvergoeding (Arbeidshof Brussel, 20 december 2010,

R.G. 2008/AB/51.656).

Aangezien de basis voor de berekening van de gewone ontslagvergoedingen in geval van tijdskrediet in het kader van de CAO 77 bis het loon voor de verminderde prestaties is, geldt dit eveneens voor wat de berekening betreft van de bijzondere ontslagvergoedingen waarop de werknemer recht kan hebben omdat zijn werkgever de regels van bijzonder ontslagrecht niet heeft nageleefd.

Voor de berekening van de beschermingsvergoeding, voorzien in artikel 16 van de wet van 19 maart 1991, dient derhalve het loon voor de verminderde prestaties te worden in aanmerking genomen.

2. Eiser stelt dat de uitoefening van het mandaat van personeelsafgevaardigde en de vrijheid om zich hiervoor kandidaat te stellen, wordt gewaarborgd door het internationaal recht.

Gelet op het feit dat het internationaal recht primeert op de nationale wetgeving, dienen de bepalingen van het internationale recht te primeren op tegenstrijdige interne rechtsregels. Wat deze bepalingen betreft die eventueel geen rechtstreekse gevolgen ressorteren, dient er op gewezen dat zij niet noodzakelijk ontbloot zijn van ieder gevolg ten aanzien van het interne recht. Deze dienen de rechter te leiden bij de interpretatie van het nationale recht.

Eiser meent dat, net zoals het Europees Hof van Justitie in het arrest Meerts d.d 22 oktober 2009 heeft geoordeeld, gelet op deze hogere rechtsnormen, artikel 16 en 17 van de wet d.d. 19 maart 1991 in die zin dient geïnterpreteerd te worden dat, voor wat betreft de werknemer die tijdelijk zijn arbeidsprestaties heeft verminderd in het kader van het stelsel van tijdskrediet, de bijzondere beschermingsvergoedingen dienen te worden berekend op basis van het loon alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Welnu, de bescherming uit hoofde van de wet d.d. 19 maart 1991 wordt niet gewaarborgd door een hogere internationale rechtsnorm.

De argumentatie die het Europees Hof van Justitie heeft gehanteerd in haar arrest Meerts d.d. 22 oktober 2009 kan in casu niet worden doorgetrokken.

Het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat, gelet op het feit dat de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof wordt gewaarborgd door een hogere rechtsnorm, meer bepaald een Europese richtlijn met rechtstreekse werking, bij vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van het ouderschapsverlof, de opzeggingsvergoeding dient te worden berekend op basis van het loon voor de niet-verminderde prestaties.

Een dergelijke internationale of Europese context is in casu niet aanwezig.

Eiser roept de volgende internationale rechtsbronnen in:

- Artikel 1 van Verdrag nr. 98 van de Internationale arbeidsorganisatie (hierna "IAO") betreffende de toepassing van de grondbeginselen van het recht van organisatie en collectief recht, geratificeerd door de wet van 20 november 1953:

« Les travailleurs doivent bénéficier d'une protection adéquate contre tous actes de discrimination tendant à porter atteinte à la liberté syndicale en matière d'emploi ».

Vrije vertaling:

" De werknemers moeten een aangepaste bescherming genieten tegen elke discriminatie die tot doel heeft de syndicale vrijheid inzake tewerkstelling te beperken ".

- Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens:

" 1. Eén ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met andere vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ".

- Artikel 21 en 22 van het (herzien) Europees sociaal Handvest d.d. 3 mei 1996:

Artikel 21: Recht op informatie en overleg

Teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht van werknemers op informatie en overleg binnen de onderneming te waarborgen, verbinden de partijen zich ertoe maatregelen te nemen of te bevorderen waardoor de werknemers of hun vertegenwoordigers overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, in staat worden gesteld om:

a. regelmatig of te gelegener tijd op een begrijpelijke wijze te worden geïnformeerd over de economische en financiële toestand van de onderneming waarbij zij in dienst zijn, met dien verstande dat de openbaarmaking van bepaalde informatie waardoor de onderneming zou kunnen worden benadeeld, kan worden geweigerd of dat er kan worden geëist dat deze informatie vertrouwelijk wordt behandeld; en

b. tijdig te worden geraadpleegd over voorgestelde beslissingen die de belangen van de werknemers aanzienlijk zouden kunnen beïnvloeden en met name over beslissingen die grote gevolgen zouden kunnen hebben voor de werkgelegenheid binnen de onderneming.

Artikel 22: Recht deel te nemen aan de vaststelling en de verbetering van de arbeidsomstandigheden en werkomgeving

Teneinde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht van werknemers deel te nemen aan de vaststelling en de verbetering van de arbeidsomstandigheden en werkomgeving binnen de onderneming, verbinden de partijen zich ertoe maatregelen te nemen of te bevorderen waardoor de werknemers of hun vertegenwoordigers, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, in staat worden gesteld bij te dragen aan:

a. de vaststelling en de verbetering van de arbeidsomstandigheden, de werkindeling en de werkomgeving;

b. de bescherming van de gezondheid en de veiligheid binnen de onderneming;

c. de organisatie van sociale en sociaal culturele diensten en voorzieningen binnen de onderneming;

d. toezicht op de naleving van de voorschriften op deze gebieden.

De wet van 19 maart 1991 heeft tot doel de werknemersvertegenwoordigers in de onderneming te beschermen tegen enige represaillemaatregel die in hun nadeel zou kunnen worden genomen door hun werkgever, hierin begrepen het ontslag, en die gemotiveerd zou zijn door hun hoedanigheid van werknemersvertegenwoordiger of hun activiteiten van werknemersvertegenwoordiger.

Artikel 1 van het Verdrag nr. 98 van de IOA en artikel 11 van het EVRM, die door eiser worden ingeroepen hebben tot doel de vakverenigingsvrijheid van de werknemers te waarborgen ten opzichte van de overheid en waarborgen dus enkel de positieve vakverenigingsvrijheid en de onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid.

De bescherming die de werknemersvertegenwoordigers genieten bij toepassing van de wet d.d. 19 maart 1991 wordt niet gewaarborgd door artikel 1 van het Verdrag nr. 98 van de IOA en artikel 11 van het EVRM.

Het Europees sociaal handvest legt het principe vast van het recht op informatie van de werknemers en het recht op deelname aan de vaststelling en de verbetering van de arbeidsomstandigheden en werkomgeving.

Hierin wordt niet voorzien dat de werknemersvertegenwoordigers en de kandidaat werknemersvertegenwoordigers een bijzondere bescherming tegen ontslag zouden moeten genieten teneinde voormelde rechten te waarborgen.

Daarenboven hebben noch artikel 1 van het Verdrag nr. 98 van de IOA, noch het Europees sociaal Handvest 3 mei 1996 rechtstreekse werking.

Artikel 11 van het EVRM heeft enkel verticale (en geen horizontale) rechtstreekse werking. Een burger kan zich derhalve beroepen op een verdragsartikel tegen de overheid, maar niet tegen een andere burger.

Samengevat dient te worden vastgesteld dat men in casu niet te maken heeft met dezelfde "Europees rechterlijke context" waarnaar het grondwettelijk Hof heeft verwezen in haar arresten van 15 november 2012 en 15 december 2012.

Inderdaad, een Europese richtlijn heeft rechtstreekse werking in het nationale recht indien de lidstaat binnen de door de richtlijn opgelegde deadline haar nationale wetgeving niet heeft aangepast aan de Europese richtlijn.

De Ouderschapsrichtlijn bevatte daarenboven duidelijke en gedetailleerde richtlijnen voor de lidstaten. In de 14de voorafgaande overweging van de richtlijn wordt uitdrukkelijk voorzien dat de lidstaten voor inbreuken op de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties moeten vaststellen en in artikel 5.2. van de raamovereenkomst wordt expliciet voorzien dat de op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd blijven behouden tot het einde van het ouderschapsverlof.

De internationale wetgeving waarnaar eiser verwijst bepaalt echter niet in welke mate het recht om het mandaat van personeelsafgevaardigde uit te oefenen en de vrijheid om zich hiervoor kandidaat te stellen, moet worden gewaarborgd, noch of en welke sancties moeten worden voorzien om de rechten te waarborgen.

Er bestaat dan ook geen reden om de redenering m.b.t. de primauteit van het internationaal recht op de nationale rechtsregel, zoals uiteengezet in het arrest Meerts, door te trekken wat de beschermingsvergoeding van de wet van 19 maart 1991 betreft.

Gelet op wat voorafgaat blijkt derhalve dat de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 januari 1991 geen schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de grondwet, van artikel 11 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en van het Verdrag nr. 98 van de IAO, zodat er ook geen reden bestaat om aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen die door de heer X wordt geformuleerd.

3. Eiser is van mening dat, gelet op de afwezigheid van enig geschrift in de zin van artikel 11 bis van de wet van 3 juli 1978 in voorliggende zaak, de afwezigheid van arbeidsprestaties voor 1/5de niet kan worden gelijkgesteld met de uitvoering van een deeltijdse arbeidsovereenkomst, doch dient aanzien te worden als een gedeeltelijke opschorting van de arbeidsovereenkomst.

Bijgevolg dient er voor de berekening van de verschuldigde verbrekingsvergoeding rekening gehouden te worden met de verloning zoals voorzien in de arbeidsovereenkomst zelf waarin een voltijds loon wordt weerhouden.

De heer X heeft zijn arbeidsprestaties verminderd bij toepassing van artikel 6 van CAO 77bis, en heeft met name het recht uitgeoefend op een loopbaanvermindering ten belope van één dag per week of 2 halve dagen over dezelfde duur, voor een maximumperiode van 5 jaar over de gehele loopbaan.

De uitoefening van dit recht houdt een vermindering in van de arbeidsprestaties, doch geen "opschorting" van de arbeidsprestaties of de arbeidsovereenkomst. Er is, bij toepassing van CAO 77bis enkel sprake van "opschorting" van de prestaties in het geval het recht op tijdskrediet wordt uitgeoefend bij toepassing van artikel 3 §1, 1° van CAO 77bis, in de vorm van een volledige schorsing van de arbeidsprestaties.

Het recht op tijdskrediet in de vorm van de vermindering van de loopbaan met 1/5de (artikel 6 CAO 77bis) of de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking (artikel 3 §1, 2° CAO 77bis), wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid.

Om te voldoen aan het voorschrift van artikel 11bis van de wet d.d. 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, voorziet artikel 13 §2 van CAO 77bis dat de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid moeten afsluiten die voldoet aan de voorwaarden van artikel 11bis van de arbeidsovereenkomstenwet en waarin dus de arbeidsregeling en het werkrooster moeten opgenomen zijn.

Indien niet voldaan is aan de vormvereisten van artikel 11bis, dient de sanctie te worden toegepast die voorzien is in artikel 11bis, en meer bepaald in lid 4 van dit artikel.

De sanctie bestaat erin dat de werknemer de deeltijdse arbeidsregeling en het werkrooster kan kiezen die hem het meest gunstig zijn onder die welke (1) ofwel bepaald zijn in het arbeidsreglement, (2) ofwel, bij ontstentenis, uit de sociale documenten.

In casu bestaat er geen discussie omtrent het toepasselijk deeltijds arbeidsregime aangezien eiser bij zijn schriftelijke aanvraag tot tijdskrediet in zijn brief d.d. 1 juli 2009 duidelijk heeft gekozen voor een verminderding van zijn arbeidsprestaties met 1/5de door de opname van één vrije dag per week, vastgesteld op vrijdag.

Eiser heeft ook in de feiten het recht op tijdskrediet in die vorm opgenomen. Dit tijdskrediet werd uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid en kan niet aanzien worden als een gedeeltelijke opschorting van de arbeidsovereenkomst, zodat geen rekening dient te worden met voltijds loon, doch slechts met 4/5de van het loon.

C. Schadevergoeding.

1. Eiser is van oordeel dat, indien het verschil tussen een berekening van de vergoeding verschuldigd op basis van voltijdse dan wel deeltijdse prestaties 4/5de hem niet zou kunnen worden toegekend op basis van de wet van 19 april 1991, gelet op wat hierboven werd uiteengezet, hij aanspraak kan maken op dit verschil op grond van artikel 1134 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De elementen eigen aan de zaak tonen volgens hem het bestaan aan van een fout in hoofde van de NV ERICSSON, waarbij deze fout aan de basis ligt van de vermindering van de vergoedingen verschuldigd wegens onrechtmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst waarop eiser aanspraak kan maken, en dit omdat deze verbreking plaats vond terwijl eiser genoot van een tijdskrediet van 6 maanden.

Het staat volgens eiser vast dat op het ogenblik dat hij er toe wordt gebracht opnieuw een aanvraag tot tijdskrediet in te dienen (5 november) en de dienst human ressources deze vervolgens doorstuurt naar de RVA (10 november) de NV ERICSSON wist dat zij de nieuwe functie van eiser zou schrappen en deze zou leiden tot zijn ontslag.

Bijgevolg heeft volgens eiser de werkgever niet de houding aangenomen die iedere voorzichtige en diligente werkgever zou hebben aangenomen die bezorgd is om de verplichting de overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren.

Deze fout heeft een bijzondere specifieke schade veroorzaakt, te weten het feit dat de beschermingsvergoedingen niet worden berekend op basis van voltijdse prestaties, doch wel op basis van deeltijdse prestaties. Op grond van deze fout dient er aan eiser een schadevergoeding op grond van artikel 1382 burgerlijk wetboek toegekend overeenstemmend met de vergoedingen die hij niet heeft kunnen bekomen door de foutieve houding van de werkgever.

2. Artikel 1134 burgerlijk wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan tot wet strekken en dat deze overeenkomsten te goeder trouw moeten worden ten uitvoer gebracht.

Artikel 1382 burgerlijk wetboek voorziet dat elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, diegene door wiens schuld de schade is ontstaan verplicht deze te vergoeden.

3. Uit het feitenrelaas blijkt dat eiser in tijdskrediet was voor een eerste periode van 1 mei 2007 tot en met 31 augustus 2008.

Bij schrijven van 26 januari 2009 heeft verweerster aan eiser haar akkoord bevestigd dat eiser 2 dagen per maand, tijdens de werkuren, kon besteden aan de redactie van zijn eindwerk in het kader van zijn opleiding als preventieadviseur.

De toelating gold tot en met 31 december 2009 en is met onmiddellijke ingang ingegaan.

Eiser dient een verzoek in tot tijdskrediet op 1 juli 2009 voor de periode van 1 augustus 2009 tot 31 januari 2010. Dit verzoek wordt geweigerd door de RVA.

Vanaf 15 september 2009 heeft de heer X opnieuw tijdskrediet opgenomen voor de periode van 15 september 2009 tot 15 maart 2009.

De nodige formulieren worden pas ingediend op 10 november 2009, maar eiser oefent reeds zijn recht uit op tijdskrediet sinds 15 september 2009.

Uit deze chronologie van de feiten blijkt dat eiser, ondanks het feit dat hij reeds sinds januari 2009 de toelating had gekregen van Ericsson om tijdens de werkuren 2 dagen per maand aan zijn eindwerk te besteden, desalniettemin tijdskrediet heeft willen opnemen om zich te wijden aan de redactie van zijn eindwerk.

Eiser was reeds sinds 2 maanden in tijdskrediet op het ogenblik dat zijn situatie ten aanzien van de RVA werd geregulariseerd en al sinds 2,5 maanden in tijdskrediet op het ogenblik dat de reorganisatie werd aangekondigd ter gelegenheid van de buitengewone vergadering van de ondernemingsraad van 30 november 2009.

Ericsson bevestigt dat het gebruikelijk is dat zij de aanvraag indient bij de RVA, nadat zij het voor de werkgever bestemde deel van het formulier C61 heeft ingevuld.

Het is dus op vrijwillige wijze dat eiser vanaf 15 september 2009 opnieuw tijdskrediet heeft opgenomen, zonder dat is aangetoond dat hij hiertoe door de personeelsdienst van Ericsson werd aangezet. Indien de RVA hiermee had ingestemd had eiser trouwens reeds tijdskrediet willen opnemen vanaf 1 juli 2009.

Aangezien eiser niet aantoont dat Ericsson enig initiatief heeft genomen om eiser te overtuigen tijdskrediet aan te vragen, kan haar in dit verband geen fout ten laste worden gelegd.

Eiser toont ook niet aan dat, toen hij op 26 oktober 2010 werd getransfereerd naar de dienst "Delivery Support Services", Ericsson op dat ogenblik reeds wist dat zij deze dienst wenste te reorganiseren en dat zij eiser aldus in het kader van de reorganisatie op een "goedkopere" wijze zou hebben willen ontslagen.

De beslissing om de dienst "Delivery Support Services" te reorganiseren werd aangekondigd ter gelegenheid van een buitengewone vergadering van de ondernemingsraad van 30 november 2009.

Zoals blijkt uit het verslag van de buitengewone vergadering van de ondernemingsraad d.d. 30 november 2011, was het de bedoeling om nog vóór 1 januari 2010 de recurrente kosten van Ericsson met 2 miljoen Euro te drukken, onder meer door de structurele werkingskosten, waaronder de personeelskosten, te verminderen. Om deze reden heeft Ericsson België beslist om tegen 31 december 2009 verschillende posten, waarvan de toegevoegde waarde niet kritisch was voor de onderneming en geen inkomsten genereerden, te schrappen teneinde het jaar 2010 te kunnen starten met aangepaste werkingskosten.

Gelet op de deadline van 31 december 2009 die door de Ericsson groep werd opgelegd en de duur van de reclassificatieprocedure bij toepassing van bedrijf-CAO nr. 3 (4 weken), werd de reorganisatie bij hoogdringendheid doorgevoerd.

Naast de heer X werden 8 andere werknemers ontslagen, waaronder nog een andere beschermde werknemer, met name mevrouw B.

Uit geen enkel element blijkt dat de heer X specifiek geviseerd zou zijn geweest met het oog op een goedkoper ontslag.

Ericsson heeft ten aanzien van de werknemers die de betrokken geschrapte functies uitoefenden een reclassificatieprocedure opgestart.

Tijdens de reclassificatieprocedure had de heer X 4 weken de tijd om te postuleren voor interne vacante betrekkingen: de heer X heeft echter voor geen enkele vacante betrekking gepostuleerd.

Eiser toont derhalve niet aan dat Ericsson een fout begaan heeft die verschillend is van deze die voortvloeit uit de onrechtmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst van eiser.

De vordering tot schadevergoeding van eiser is derhalve ongegrond.

D. HET REFERENTIEJAARLOON.

1. Eiser gaat uit van een gemiddeld bruto jaarloon op het ogenblik van het ontslag van 95.413,25 euro voor een voltijdse tewerkstelling.

Verweerster bepaalt het referentiejaarloon voor een voltijdse tewerkstelling op 92.280,09 euro bruto.

Het verschil in de berekening tussen partijen betreft twee posten, het bedrag van 1.125,74 euro bij toepassing van artikel 3 van CAO nr. 3 en de evaluatie van het voordeel van het privégebruik van het bedrijfsvoertuig.

2. Zoals hierna onder punt III.5 uiteengezet, kan eiser aanspraak maken op het bedrag van 1.125,74 euro bij toepassing van artikel 3 van CAO nr. 3, zodat dit bedrag deel uitmaakt van het bruto referentiejaarloon.

3. Eiser neemt voor wat betreft het voordeel van het privégebruik van het bedrijfsvoertuig een totaal bedrag van 5.607,42 euro of 467,28 euro per maand in rekening. Hij neemt voor de tankkaart een afzonderlijk voordeel op van 1.163,70 euro per jaar.

Verweerster herleidt dit naar 300 euro per maand, inclusief het voordeel van de tankkaart.

Het voordeel bestaande uit het gebruik voor privédoeleinden van een bedrijfsvoertuig, dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van de opzeggingsvergoeding, moet niet geraamd worden op de last die het voor de werkgever betekent, maar op de besparing die het effectief vertegenwoordigt voor de werknemer (Arbeidsrechtbank Brussel, 1 februari 1988, Rechtspr. Arbrb. 1988, 135).

Het is dus de genotswaarde en het voordeel ervan voor de werknemer dat in aanmerking moet worden genomen (Arb. Rb. Nijvel, 25 november 1983, J.T.T. 1984, 410, noot).

In casu oordeelt de Rechtbank dat het voordeel bestaande in het gebruik voor privé- doeleinden van het bedrijfsvoertuig van eiser, zijnde van het type Ford Galaxy, voorzien van alle accessoires, met integrale tenlasteneming van alle onderhoudskosten en brandstof door de werkgever ex aequo et bono dient geraamd te worden op 350 euro per maand of 4200 euro per jaar.

4. Het bruto jaarloon van eiser bedraagt derhalve 95.131,57 euro.

5. Het retentiejaarloon van de heer X voor 4/5de prestaties bedraagt derhalve 77.341,62 euro .

Voor de berekening van het referentiejaarloon voor 4/5de prestaties dient immers rekening gehouden te worden met het vast loon voor 4/5de prestaties en het voordeel van de maaltijdcheques voor 4/5de prestaties, met dien verstande dat de andere loonvoordelen ongewijzigd blijven.

Ericsson diende derhalve aan eiser de volgende bedragen te betalen ten titel van beschermingsvergoeding:

- 232.024,86 euro bruto, zijnde 36 maanden beschermingsvergoeding bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991, berekend op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling;

- 234.122,69 euro bruto, zijnde het loon tot de installatie van de eerstvolgende ondernemingsraad in 2012 (30 maanden) bij toepassing van artikel 17 van de wet d.d. 19 maart 1991, berekend als volgt: 2,5 maanden op basis van het loon voor een 4/5de tewerkstelling (16.112,84 euro) en 27,5 maanden op basis van het salaris voor een voltijdse tewerkstelling (218.009,85 euro)

Totaal: 466.147,55 euro bruto.

Rekening houdende met de bijkomende bedragen die Ericsson heeft uitbetaald na onderhandeling met de heer X, heeft Ericsson een totale beschermingsvergoeding uitbetaald van 458.141,73 euro (441.957,32 euro + 5.459,41 euro + 10.725 euro ).

Eiser is derhalve gerechtigd op een saldo van: 8.005,82 euro bruto.

De vordering is op dit punt zeer gedeeltelijk gegrond.

III.3. WERKZEKERHEIDSBEDING.

1. Eisert vordert de veroordeling van de NV ERICSSON tot betaling van een bedrag van 15.798,07 EUR ten titel van werkzekerheidsvergoeding.

De heer X steunt zijn vordering op artikel 6 van de bedrijfs-CAO nr. 3.

2. Artikel 6 van de bedrijfs-CAO nr. 3 bepaalt de "ontslagmodaliteiten" in het geval van ontslag wegens reorganisatie of wegens non-performance, met name, enerzijds, de opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding (artikel 6.1.), en anderzijds, de toepasselijke outplacementprocedure (artikel 6.2.) in het algemeen.

Artikel 6.1 van de bedrijfs-CAO nr. 3 bepaalt de "Délai de préavis - Indemnité compensatoire de préavis" of "Opzeggingstermijn - Compensatoire opzeggingsvergoeding" waarop de bedienden aanspraak kunnen maken, in functie van de reden van het ontslag:

- indien de bediende ontslagen wordt wegens faling van de interne reclasseringsprocedure, wordt, bij toepassing van artikel 6.1 de opzeggingsvergoeding bepaald op basis van de formule Claeys, vermeerderd met 2 maanden (artikel 6.1. a.);

- indien de bediende ontslagen wordt wegens non-performance, wordt de opzeggingsvergoeding bepaald op basis van de formule Claeys (artikel 6.1. b.).

In artikel 6.1. c) van de bedrijfs-CAO wordt bepaald dat voor de toepassing van het geheel van voormelde bepalingen, de partijen overeenkomen dat de werkgever zich het recht voorbehoudt om de opzeggingstermijn te laten presteren door de werknemer gedurende maximaal 8 weken, tenzij de betrokken werknemer instemt met een andere duur.

Artikel 6.1. d) van de bedrijfs-CAO bepaalt tenslotte dat de voornoemde opzeggingvergoedingen enkel kunnen gecumuleerd worden met de eventuele beschermingsvergoedingen waarop de werknemers aanspraak kunnen maken, in de gevallen en onder de voorwaarden voorzien bij wet.

Artikel 6.1. d) van de bedrijfs-CAO nr. 3 verwijst onder meer naar de wettelijk voorziene cumul tussen de opzeggingsvergoeding en de beschermingsvergoedingen die worden uitbetaald in het geval van schending van de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof en tijdskrediet en in het geval van schending van de moederschapsbescherming.

De bewoordingen van artikel 6 tonen duidelijk aan dat dit artikel tot doel heeft de opzeggingsvergoeding vast te leggen waarop de bedienden aanspraak kunnen maken in functie van de reden van het ontslag en de forfaitaire bijkomende vergoeding van 2 maanden voorzien in artikel 6.1. a, maakt derhalve deel uit van de opzeggingsvergoeding en is geen "werkzekerheidsvergoeding".

Dit blijkt tevens uit het proces-verbaal van verzoening en de eraan gehechte matrix van het paritair comité nr. 218 dat in bijlage aan de bedrijfs-CAO nr. 3 is opgenomen, waarin, in functie van de reden van het ontslag, wordt samengevat of ten aanzien van de bediende de interne reclasseringsprocedure moet worden opgestart, of hij recht heeft op training, op outplacement en welke de "compensatie" is, waarmee duidelijk de opzeggingsvergoeding wordt bedoeld.

Dat de bijkomende vergoeding van twee maanden loon niet als een "werkzekerheidsvergoeding" kan worden beschouwd, wordt overigens bevestigd door het feit dat de behandeling van beide vergoedingen op het vlak van de sociale zekerheid verschillend is. De "werkzekerheidsvergoeding" wordt niet als loon beschouwd: deze is derhalve niet onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen en deze staat de betaling van sociale zekerheidsuitkeringen niet in de weg.

Daarentegen, maakt de bijkomende opzegvergoeding van twee maanden ontegensprekelijk loon uit : deze is derhalve onderworpen aan de sociale zekerheid en deze staat aldus de uitbetaling van werkloosheidsbijdragen in de weg voor de periode die gedekt is door de bijkomende vergoeding.

Ericsson produceert in dit verband, ten titel van voorbeeld, de ontslagbrief, de loonbrief betreffende de uitbetaling van de globale opzeggingsvergoeding en het C4 formulier van een bediende die, op het zelfde ogenblik als de heer X, in reclassering werd gezet en ontslagen diende te worden wegens de faling van de interne reclassering.

Hieruit blijkt dat de bijkomende vergoeding van 2 maanden integraal deel uitmaakt van de opzeggingsvergoeding en ook zo sociaal, fiscaal en arbeidsrechtelijk wordt behandeld. Het C4 formulier vermeldt immers de globale opzegtermijn (Formule Claeys + 2 maanden) als opzegtermijn die aan de bediende werd betekend.

Gelet op wat voorafgaat besluit de rechtbank derhalve dat de betaalde forfaitaire bijkomende vergoeding van twee maanden deel uitmaakt van de opzeggingsvergoeding.

3. De cumul tussen de opzeggingsvergoeding en de beschermingsvergoeding is uitgesloten.

Bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991 kan de opzeggingsvergoeding uit hoofde van de wet d.d. 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten niet gecumuleerd worden met de bijzondere beschermingsvergoeding indien deze hoger is dan de opzeggingsvergoeding.

De beschermingsvergoeding die overeenkomt met het lopend loon voor 3 jaar is hoger dan de opzeggingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 6.1. a, zodat de opzeggingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 6.1. a van de bedrijfs-CAO nr. 3, niet gecumuleerd kan worden met de beschermingsvergoeding waarop de heer X aanspraak kan maken bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991.

Het is bij de onderhandeling van de bedrijfs-CAO trouwens uitdrukkelijk de bedoeling geweest om een dergelijke cumul uit te sluiten, wat blijkt uit de bewoordingen van artikel 6.1. d in de CAO.

De door de heer X aangehaalde rechtspraak van het Arbeidshof van Luik d.d. 20 november 2009, zoals recent bevestigd door het Hof van Cassatie in haar arrest van 20 februari 2012, is in casu niet relevant omdat in het kader van voormelde arresten de vraag rees of de beschermingsvergoeding bij toepassing van artikel 16 van de wet d.d. 19 maart 1991 gecumuleerd kon worden met een "werkzekerheidvergoeding" voorzien bij een collectieve arbeidsovereenkomst d.d. 9 november 1987 betreffende de werkstabiliteit afgesloten in het kader van het paritair Comité voor de verzekeringsondernemingen.

In casu is de betaalde forfaitaire bijkomende vergoeding van twee maanden een opzeggingsvergoeding en geen werkzekerheidsvergoeding voorzien als sanctie voor de afschaffing van een werkpost en/of niet-naleving van de procedure tot interne reclassering.

Daarenboven heeft de bedrijfs-CAO nr. 3 de cumul zelf uitgesloten.

De vordering van eiser tot betaling van een bedrag van 15.798,07 euro ten titel van "werkzekerheidsvergoeding", is derhalve ongegrond.

III.4. LOONREGULARISATIE (CONVENTIONELE INDEXERING)

ARTIKEL 4 CAO NR. 1.

Eiser vordert 1 EUR provisioneel ten titel van loonregularisatie ingevolge de conventionele indexering voorzien in artikel 4 van de bedrijfs-CAO nr 1.

Aangezien de heer X niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 4 van de Bedrijfs-CAO nr. 1 d.d. 29 juli 2008, kan hij ook geen aanspraak maken op de hierin voorziene loonsverhoging.

Artikel 4 is immers van toepassing op de werknemers die werken in een arbeidsregime van 38,5 uren per week, terwijl eiser tewerkgesteld was met een arbeidsregime van 40 uren per week.

De vordering is op dit punt ongegrond.

III.5. Regularisatie in het kader van de gelijkstelling (artikel 3

CAO nr. 1).

De heer X vordert een bedrag van 2.908,17 euro (705,27 euro voor 2007, 1.077,16 euro voor 2008 en 1.125,74 euro voor 2009) ten titel van regularisatie in het kader van de Total cash approach, bij toepassing van artikel 3 van de bedrijfs-CAO nr. 1 d.d. 17 maart 2008.

De heer X vordert verder het vakantiegeld op deze bedragen, met name

446,11 euro (15,34% van 2.908,17 euro ).

Verwerende partij stelt dat artikel 3 CAO nr. 1 geen toepassing vindt op het geval van eiser, zodat de vordering ongegrond is.

Artikel 1 van de CAO stelt dat deze van toepassing is op alle personeelsleden van de NV ERICSSON.

Artikel 3 beoogt de definitieve regeling van de geschillen betreffende de « total cash approach ». Dit artikel stelt m.b.t. het toepassingsgebied dat het artikel enkel van toepassing is op de werknemers ex-Mobistar in functie bij Ericsson op 1 juli 2008.

Dit artikel bepaalt dus niet, zoals wel het geval is in artikel 4, dat het enkel van toepassing is op de werknemers die werken in een arbeidsregime van 38,5 uren per week.

De bewoordingen van artikel 1 en 3 van de cao doen besluiten dat artikel 3 van de CAO toepasselijk is op eiser.

Dit wordt ook bevestigd door de lezing van artikel 2, 10 en 11 van de CAO.

In artikel 2 wordt gesteld dat het doel van de CAO van tweeërlei aard is: enerzijds te beantwoorden aan de eisen gesteld door de werknemers in de "Book of claims" van 17/03/2008 en anderzijds de problemen i.v.m. de "Total cash approach" op te lossen.

De eisen gesteld door de werknemers in de "Book of claims" van 17/03/2008 zijn het gevolg van de overgang van een arbeidsregime van 40 uren per week naar een regime van 38,5 uren per week. Hiervoor hebben de werknemers een compensatie gevorderd. Deze eis is uitgemond in de conventionele indexering, voorzien in artikel 4 van de CAO. Eiser werd terecht uitgesloten uit het toepassingsgebied, nu hij een arbeidsregime van 40 uren per week genoot.

De problematiek van de "Total cash approach" vindt haar oorsprong niet in deze arbeidsduurvermindering, maar wel in de vergelijking die werd doorgevoerd tussen het bonussysteem van Mobistar ("Performance bonus") en het bonussysteem bij Ericsson ("STV bonus") en waarbij werd gezocht naar een oplossing om een eventueel negatief saldo recht te zetten.

Bij toepassing van de Total cash approach in april 2007, werd onder meer het bonus systeem van Mobistar ("Performance bonus") en het bonussysteem bij Ericsson ("STV bonus") met elkaar vergeleken.

Indien het Ericsson bonussysteem minder voordelig was, werd dit in een eerste stadium gecompenseerd door de uitbetaling van een vaste jaarlijkse premie.

In het kader van de Ericsson bedrijfs-CAO nr. 1 werd vervolgens overeengekomen om in het kader van de toepassing van de Total cash approach het variabel loon te neutraliseren.

Ericsson zou aan het ex-Mobistar personeel een nieuwe afrekening overmaken van de toepassing van de Total cash approach bij toepassing van de CAO-Bright.

In het geval uit de nieuwe toepassing van de Total cash approach bleek dat er een negatief verschil was tussen het netto salarispakket dat de ex-Mobistar werknemer bij Mobistar genoot en het netto salarispakket bij de NV Ericsson op de datum van ondertekening van bedrijfs-CAO nr. 1, werd dit verschil gecompenseerd door de overeenkomstige verhoging van het brutoloon.

Voor de werknemers die initieel een verschil hadden dat gecompenseerd werd door een vaste jaarlijkse premie, werd deze premie geïntegreerd in het vast maandsalaris, met dien verstande dat de vaste jaarlijkse premie werd gedeeld door 13,92.

Het was de bedoeling dat, na de toepassing van de nieuwe Total cash approach, de mogelijke verschillen niet meer zouden worden gecompenseerd met een vaste jaarlijkse premie, maar dat de compensatie zou worden doorgevoerd door de overeenkomstige verhoging van het vast maandloon.

Bij toepassing van de oorspronkelijke Total cash approach had de heer X recht op een jaarlijkse vaste premie van 992,62 euro .

Volgens verweerster werd na de ondertekening van de CAO nr. 1 voor wat betreft de heer X (en de heer Y), de toepassing van de nieuwe Total cash approach onderworpen aan de overgang van de heer X van een arbeidsregime van 40 uur per week naar een arbeidsregime van 38,35 uur per week, aangezien de heren X en Y de enige ex-Mobistar werknemers waren die nog werkten in het kader van een arbeidregime van 40 uur per week, terwijl alle andere ex-Mobistar werknemers overgestapt waren naar het algemene arbeidsregime van 38,35 uur.

De toepassing van de nieuwe Total cash approach afhankelijk stellen van de overgang naar het arbeidsregime van 38,35 uur per week is strijdig met de duidelijke bewoordingen van de CAO nr. 1.

De e-mail uitwisseling tussen de toenmalige afgevaardigd bestuurder en de heer X van 29 juli 2008 en 1 augustus 2008 doen daar geen afbreuk aan, noch het feit dat eiser de toepassing van de Total cash approach, zoals deze oorspronkelijk was voorzien op het ogenblik van de overgang van het Mobistar personeel naar Ericsson in mei 2007 (dus inclusief de vergelijking van het variabel loon), zonder voorbehoud is blijven aanvaarden.

Ook het feit dat de heer Y dit ook zonder voorbehoud heeft aanvaard, weerhoudt eiser niet om alsnog de toepassing van artikel 3 van de CAO te vorderen.

Cijfermatig wordt de vordering van eiser door verweerster niet betwist.

De berekening van eiser zoals uiteengezet in besluiten, komt correct voor.

De vordering van eiser is op dit punt gegrond.

III.6. REGULARISATIE VAN DE STORTINGEN M.B.T. DE INDIVIDUELE VERZEKERING IN HET KADER VAN DE CAO BRIGHT.

1. Eiser vordert een bedrag van 1 EUR provisioneel ten titel van regularisatie van de stortingen m.b.t. de individuele pensioentoezegging die hem (en alle andere ex-MOBISTAR werknemers tewerkgesteld door ERICSSON per 1 juli 2008) met toepassing van de « Total cash approach » verschuldigd zijn.

Het betreft een premie waarvan het bedrag werd vastgesteld op 1.950,00 euro .

Er werden op dit bedrag administratieve kosten ingehouden door verzekeraar DELTA LLOYD.

Eiser meent dat zodoende het overeengekomen bedrag van 1.950 euro niet volledig werd gestort in de verzekering en de NV ERICSSON gehouden is tot regularisatie van het bedrag dat werd gestort in de verzekering. Eventuele administratieve kosten dienen door verweerster te worden gedragen bij gebreke waarvan de « total cash approach » slechts deels werd doorgevoerd.

2. Ericsson stelt dat de premies in de groepsverzekering en in het kader van de individuele pensioentoezegging steeds onderworpen worden aan administratieve kosten en dat deze administratieve kosten begrepen zijn in de premie.

De afhouding van de administratieve kosten van het bedrag van de individuele pensioentoezegging werd bovendien doorgevoerd voor alle ex-Mobistar medewerkers aan wie bij toepassing van de Total cash approach een individuele pensioentoezegging werd toegekend.

Verweerster roept derhalve in dat er tussen partijen een overeenkomst bestaat waarin werd overeengekomen dat het bedrag van 1.950 euro inclusief kosten is, terwijl eisende partij meent dat het bedrag van 1.950 euro exclusief kosten is.

De rechtbank stelt vast dat de stukken die deze overeenkomst hebben vastgelegd, niet neerliggen.

Tevens roept verweerster een gebruik in binnen de onderneming, maar legt ook daarover geen stukken neer.

De debatten worden derhalve op dit punt heropend teneinde partijen toe te laten deze stukken neer te leggen.

III.7. SCHADEVERGOEDING VOOR HET NIET OVERBRENGEN VAN DE RECLASSERINGSPERIODE TEN BELOPEN VAN DE VERLOFDAGEN VAN DECEMBER 2009.

1. Eiser vordert de betaling van een bedrag van 2.044,56 euro ten titel van schadevergoeding voor het niet overbrengen van de reclasseringsperiode ten belopen van de verlofdagen van december 2009.

Eiser stelt dat hij schade heeft geleden omdat hij verlof heeft moeten opnemen tijdens de reclasseringsperiode van 4 weken die is ingegaan op 30 november 2009 en Ericsson geweigerd heeft om de reclasseringsperiode te verlengen.

2. Artikel 4 van de bedrijfs-CAO betreffende het opstarten van de interne reclasseringsprocedure voorziet niet dat de reclasseringsperiode zou verlengd moeten worden met de dagen tijdens dewelke de arbeidsovereenkomst werd geschorst, bijvoorbeeld als gevolg van opname van jaarlijks verlof of arbeidsongeschiktheid, zodat Ericsson geen contractuele verplichting had om de reclasseringsperiode te verlengen.

Bovendien belet de opname van jaarlijks verlof tijdens de reclasseringsperiode niet dat de werknemers in reclassering kunnen postuleren voor openstaande posities: dit werd aan de heer X, in zijn hoedanigheid van personeelsafgevaardigde en dus in het algemeen voor alle bedienden die zich in dezelfde situatie bevonden, door de personeelsdirectie bevestigd bij e-mail van 18 december 2009.

Eiser heeft desondanks, geen reclassering gevraagd.

Verweerster heeft derhalve geen fout begaan die aanleiding geeft tot betaling van schadevergoeding.

De vordering is ongegrond.

III.8 Uitvoerbaarheid bij voorraad.

Een vonnis kan slechts uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad wanneer hetzij te vrezen valt dat, hangende de beroepsprocedure, de veroordeelde partij insolvabel zou worden, hetzij wanneer te vrezen valt dat de veroordeelde partij zich aan de uitvoering van het vonnis zou trachten te onttrekken door een louter dilatoir hoger beroep.

De rechtbank meent dat in de huidige zaak de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet aangewezen is, omdat niet dient te worden gevreesd voor de insolvabiliteit van verweerster, noch voor een dilatoir hoger beroep.

Alle andere middelen zijn te zake niet dienend.

OM DEZE REDENEN.

DE RECHTBANK

Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg;

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de volgende mate gegrond;

Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van het bedrag van:

- 8.005,82 EUR bruto ten titel van aanvullende beschermingsvergoeding,

- 2.908,17 EUR bruto ten titel van regularisatie in het kader van de gelijkstelling bij toepassing van artikel 3 van de bedrijfs-CAO nr. 1,

- 446,11 EUR bruto ten titel van vakantiegeld op de regularisatie in het kader van de gelijkstelling bij toepassing van artikel 3 van de bedrijfs-CAO nr. 1;

Verklaart de overige vorderingen, met uitzondering van de vordering inzake de regularisatie van de stortingen m.b.t. de individuele verzekering in het kader van de CAO BRIGHT, ongegrond;

Beveelt de heropening der debatten ter zitting van dinsdag 26 februari 2013 m.b.t. de vordering inzake de regularisatie van de stortingen m.b.t. de individuele verzekering in het kader van de CAO BRIGHT, teneinde partijen toe te laten volgende stukken neer te leggen en daarover standpunt uit te wisselen:

- een overeenkomst, schrijven of enig ander stuk, waarin het bedrag van 1.950 EUR werd overeengekomen of vermeld,

- stukken waaruit een eventueel gebruik binnen de onderneming blijkt volgens hetwelk het bedrag van 1.950 EUR de kosten omvat;

Houdt de kosten aan.

Aldus gevonnist door de 23ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel

waar zitting hielden :

Alexandra SCHOENMAEKERS, Rechter, Voorzitter van de Kamer,

Hilde MORIAU, Rechter in sociale zaken - werkgever,

Stephan DE MUELENAERE, Rechter in sociale zaken - bediende,

en uitgesproken ter openbare zitting van waar aanwezig waren :

Alexandra SCHOENMAEKERS, Rechter, Voorzitter van de Kamer,

bijgestaan door Nelly VAN VAERENBERGH, Griffier.

De Griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

N. VAN VAERENBERGH S. DE MUELENAERE & H. MORIAU A. SCHOENMAEKERS

Mots libres

  • BEREKENING ONTSLAGVERGOEDING

  • DEELTIJDS LOON