Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 1 december 2016 (België)

Publicatie datum :
01-12-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
16 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20161201-3
Rolnummer :
153/2016

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 december 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 december 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 5 en 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 juli 2015 « tot wijziging van artikel 4.8.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juli 2015) door M.A., D.M., E.N., A.M., J.S., A.C., H.B., P.M., de vzw « Ademloos », de vzw « Straatego » en de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan

B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 4, 5 en 6 van het decreet van 3 juli 2015 tot wijziging van artikel 4.8.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna : het decreet van 3 juli 2015).

B.1.2. Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging op grond van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen middelen zijn gericht.

Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat alleen artikel 5 van het decreet van 3 juli 2015 wordt bestreden.

B.1.3. Artikel 5 van het decreet van 3 juli 2015 bepaalt :

« Artikel 34 van [het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges] wordt vervangen door wat volgt :

' Art. 34. § 1. Als een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), vaststelt dat het de bestreden beslissing om reden van een onwettigheid moet vernietigen, kan het de verwerende partij in het bodemgeding de mogelijkheid bieden om met een herstelbeslissing de onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen, hierna bestuurlijke lus te noemen.

In dit artikel wordt verstaan onder onwettigheid : een strijdigheid met een geschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel die kan leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing, maar die zou kunnen worden hersteld.

§ 2. Het gebruik van de bestuurlijke lus is alleen mogelijk nadat alle partijen de mogelijkheid hebben gehad hun standpunt over het gebruik ervan kenbaar te maken.

Als alle partijen een schriftelijk standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, beslist het Vlaams bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak als vermeld in paragraaf 3.

Als niet alle partijen hun standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, biedt het Vlaams bestuursrechtscollege bij tussenuitspraak de mogelijkheid om daarover een schriftelijk standpunt in te nemen. De partijen beschikken daarvoor over een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de betekening van die uitspraak. Daarna beslist het Vlaams bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak als vermeld in paragraaf 3.

§ 3. Met behoud van de toepassing van artikel 16, zesde lid, organiseert het Vlaams bestuursrechtscollege een zitting over de toepassing van de bestuurlijke lus.

Het Vlaams bestuursrechtscollege beslist met een tussenuitspraak over de toepassing van de bestuurlijke lus en bepaalt de termijn waarin de herstelbeslissing wordt genomen. Op gemotiveerd verzoek van de verwerende partij kan die termijn eenmalig worden verlengd. De termijnverlenging kan de duur van de aanvankelijke hersteltermijn niet overschrijden.

De tussenuitspraak, vermeld in het tweede lid, beslecht, in voorkomend geval, alle overige middelen.

§ 4. De verwerende partij bezorgt de herstelbeslissing aan het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de hersteltermijn, vermeld in paragraaf 3.

Het voorwerp van het beroep wordt uitgebreid met de herstelbeslissing.

Het herstel kan alleen betrekking hebben op een onwettigheid die in de tussenuitspraak werd opgegeven.

Als de herstelbeslissing niet tijdig werd meegedeeld, vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing.

§ 5. Het Vlaams bestuursrechtscollege bezorgt de herstelbeslissing aan de overige partijen.

Die partijen kunnen schriftelijk hun standpunt over het herstel meedelen binnen de vervaltermijnen die de Vlaamse Regering heeft bepaald en die niet korter mogen zijn dan dertig dagen.

Met behoud van de toepassing van artikel 16, zesde lid, organiseert het Vlaams bestuursrechtscollege een zitting over het herstel.

§ 6. Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid niet is hersteld of dat het herstel aangetast is door een nieuw opgeworpen onwettigheid, vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en vernietigt het de herstelbeslissing, tenzij het Vlaams bestuursrechtscollege beslist om opnieuw toepassing te maken van de bestuurlijke lus overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid is hersteld en dat het herstel niet is aangetast door een nieuw opgeworpen onwettigheid, verwerpt het Vlaams bestuursrechtscollege het beroep tegen de herstelbeslissing. Daarnaast vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en doet het Vlaams bestuursrechtscollege uitspraak over de eventuele toepassing van artikel 36.

§ 7. De proceduretermijnen die niet in dit artikel worden vermeld, worden geschorst vanaf de datum van de tussenuitspraak die beslist over de toepassing van de bestuurlijke lus tot de datum van de uitspraak van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in paragraaf 4, derde lid, of paragraaf 6.

§ 8. Na de betekening van de uitspraak, vermeld in paragraaf 6, tweede lid, door het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), wordt de herstelbeslissing bekendgemaakt conform de bepalingen van het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b).

§ 9. De personen die daartoe belang hebben conform de bepalingen van het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), kunnen tegen de herstelbeslissing beroep instellen bij het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet. ' ».

B.2.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 3 juli 2015 blijkt dat de Vlaamse decreetgever, met het bestreden artikel, wenste tegemoet te komen aan de grondwettigheidsbezwaren van het Hof in zijn arrest nr. 74/2014 van 8 mei 2014, om « op die manier [...] een bijkomende vernietiging van de bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke lus in het decreet DBRC [te] voorkomen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 8).

Echter, bij het arrest nr. 152/2015 van 29 oktober 2015 werden de artikelen betreffende de bestuurlijke lus in het decreet van 4 april 2014 vernietigd, in navolging van de vernietiging van de bestuurlijke lus in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO).

B.2.2. De parlementaire voorbereiding vermeldt dat de bestuurlijke lus één van de nieuwe uitspraakbevoegdheden is, die aan het Milieuhandhavingscollege en de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden toegekend met het oog op een oplossingsgerichte rechtsbedeling, die komt tot een definitieve oplossing van het geschil tussen de burger en de overheid :

« Het nut van een bestuurlijke lus moet binnen [het] brede palet aan uitspraakmogelijkheden worden begrepen. Het gebruik ervan, het gebruik van elk van de oplossingsgerichte uitspraakmogelijkheden, dient voor alles een efficiënte definitieve geschillenbeslechting. De bestuursrechter weegt af welke uitspraakbevoegdheid best een efficiënte definitieve geschillenbeslechting dient » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 15).

« De grote meerwaarde van de bestuurlijke lus ligt in het herstel van herstelbare onwettigheden onder de controle van de rechter [...].

[...]

De bestuurlijke lus beoogt een einde te kunnen stellen aan scenario's waarin een bestuursbeslissing om één motief wordt vernietigd, waarna naderhand een tweede beroep volgt wegens onwettigheden in de nieuwe beslissing, en eventueel een derde en nog meer zaken tegen verdere beslissingen. Een carrousel met pyrrusoverwinningen die vooral in zaken aangaande openbare werken een zware maatschappelijke kost kan meebrengen. Ook al duurt een geschillenbeslechting met toepassing van de bestuurlijke lus iets langer dan een geschillenbeslechting zonder lus, weegt de kost op het vlak van die ene zaak niet op tegen de vermeden kosten op middellange termijn en tegen de rechtszekerheid die de partijen en belanghebbenden geboden wordt. De uitkomst van een succesvolle lus bestaat immers stelselmatig uit een besluit dat niet vernietigd wordt en dan ook de betrokken belangen regelt. Een kale vernietiging biedt dit niet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 15).

Ten gronde

B.3. De elf middelen, in de verschillende onderdelen ervan, zijn alle gericht tegen artikel 5 van het decreet van 3 juli 2015, dat artikel 34 van het decreet van 4 april 2014 vervangt.

De verzoekende partijen voeren aan dat die bepaling de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met andere grondwetsbepalingen, algemene rechtsbeginselen en internationaalrechtelijke bepalingen.

Aangezien de middelen en de onderdelen van middelen tegen de bestreden bepaling nauw met elkaar verbonden zijn, zullen zij veelal samen worden onderzocht.

B.4. De bestreden bepaling is van toepassing op de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen doet als administratief rechtscollege inzake ruimtelijke ordening, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot vernietiging van vergunningsbeslissingen, valideringsbeslissingen en registratiebeslissingen (artikel 4.8.2, eerste lid, van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).

Het Milieuhandhavingscollege doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de gewestelijke entiteit over de oplegging van een alternatieve of een exclusieve bestuurlijke geldboete, en, in voorkomend geval, een voordeelontneming (artikel 16.4.19, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid).

B.5.1. De bestreden bepaling voorziet in de mogelijkheid tot toepassing van een procedure van bestuurlijke lus, waaronder wordt verstaan « de verwerende partij in het bodemgeding de mogelijkheid [te] bieden om met een herstelbeslissing de onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen ».

B.5.2. Oorspronkelijk werd de regeling van de bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen vastgelegd in artikel 4.8.4 van de VCRO, zoals ingevoerd bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012; de voormelde regeling werd evenwel vernietigd bij het arrest nr. 74/2014 van 8 mei 2014.

De regeling van de bestuurlijke lus die vervolgens werd vastgelegd in het oorspronkelijke artikel 34 van het decreet van 4 april 2014, dat van toepassing is op de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege, is op haar beurt vernietigd bij het arrest nr. 152/2015 van 29 oktober 2015.

B.5.3. Om tegemoet te komen aan de vaststellingen van ongrondwettigheid vervat in de vernietigingsarresten nrs. 74/2014 en 152/2015, opteert de Vlaamse decreetgever voor het invoeren van een nieuw artikel 34 (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, pp. 16 e.v.).

B.6. De bestuurlijke lus, zoals vervangen bij het bestreden artikel 5 van het decreet van 3 juli 2015, kan slechts worden toegepast wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

B.7.1. In de eerste plaats is vereist dat de onwettigheid van de bestreden beslissing herstelbaar is. In de parlementaire voorbereiding wordt duidelijk gemaakt dat « de invulling van deze algemene omschrijving [...] in beginsel [wordt] overgelaten aan het Vlaams bestuursrechtscollege dat de procedure van de bestuurlijke lus kan toepassen ».

« De doelstellingen van de bestuurlijke lus rechtvaardigen een dergelijke casuïstische benadering van de toepassing van de bestuurlijke lus. Het is immers aan de bestuursrechter om per individueel geval te beoordelen of de bestuurlijke lus naar verwachting het meest bijdraagt aan een efficiënte en finale geschillenbeslechting binnen een redelijke termijn.

Niettemin kunnen een aantal algemene richtsnoeren worden aangereikt, die de toepassing ervan in voorkomend geval kunnen verantwoorden.

Wat de aard van de potentieel herstelbare onwettigheid betreft, kunnen met de procedure van de bestuurlijke lus zowel materiële als formele gebreken worden hersteld. [...]

De ingeroepen onwettigheid moet daarnaast op een ontvankelijke wijze zijn aangevoerd zodat het tot een vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. [...]

De omvang van de onwettigheden of het aantal onwettigheden speelt in principe geen rol, zolang de onwettigheid maar herstelbaar is. Wel is van belang of de ingeroepen onwettigheid hersteld zou kunnen worden binnen een redelijke termijn. [...]

In het licht van de doelstellingen van de bestuurlijke lus is tevens van belang dat de toepassing ervan kan leiden tot een definitieve beëindiging van het voorliggende rechtsgeschil. [...]

Ook de specifieke omstandigheden van de zaak [...] kunnen een factor zijn bij de beoordeling door het rechtscollege of de doelstelling van finale geschillenbeslechting kan worden bereikt via een toepassing van de bestuurlijke lus » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, pp. 17-19).

B.7.2. In de tweede plaats is het gebruik van de bestuurlijke lus enkel mogelijk nadat alle partijen de mogelijkheid hebben gehad hun standpunt over het gebruik ervan kenbaar te maken.

« Ofwel hebben partijen hierover uit eigen beweging reeds bij het uitwisselen van schriftelijke procedurestukken een debat gevoerd. [...]

Ofwel kan een bestuursrechtscollege ambtshalve in een tussenuitspraak haar voornemen kenbaar maken om aan de verwerende partij de mogelijkheid te bieden om de onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen en de partijen uitdrukkelijk uit te nodigen hun standpunt mee te delen over het mogelijk gebruik van de bestuurlijke lus. [...] » (ibid.).

Pas als alle partijen een schriftelijk standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, beslist het Vlaamse bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak (artikel 34, § 2, van het decreet van 4 april 2014) en bepaalt het de termijn waarin de herstelbeslissing door de verwerende partij dient te worden genomen (artikel 34, § 3, van het decreet van 4 april 2014).

B.7.3. In de derde plaats dient de toepassing van de bestuurlijke lus te kunnen leiden tot een definitieve beëindiging van het rechtsgeschil. « In dat verband moet [...] worden gewezen op de noodzaak van een onderzoek naar de gegrondheid van alle aangevoerde middelen in de tussenuitspraak waarin tot de toepassing van de bestuurlijke lus wordt besloten » (artikel 34, § 3, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014) (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 19). Er werd immers geoordeeld dat het « niet wenselijk » is de bestuurlijke lus toe te passen voor één welbepaalde onwettigheid om naderhand te constateren dat een andere onwettigheid niet te herstellen is en het verzoek tot vernietiging ingewilligd moet worden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 17). Ingevolge die vaststelling is de voorwaarde dat « alle overige middelen » moeten worden beslecht in de tussenuitspraak, thans uitdrukkelijk opgenomen in artikel 34, § 3, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014.

Bovendien is in de parlementaire voorbereiding aangegeven dat omdat de toepassing van de bestuurlijke lus veronderstelt dat alle middelen ten gronde uitvoerig worden onderzocht, die rechtsfiguur uit zijn aard enkel geschikt is om te worden toegepast in de vernietigingsprocedure en niet in de schorsingsprocedure (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 19).

B.7.4. Ten slotte neemt het herstel van de onregelmatigheid de vorm aan van een nieuwe beslissing, herstelbeslissing genaamd, zodat er niet wordt hersteld binnen de oorspronkelijke bestreden beslissing; het onderwerp van het beroep tegen de bestreden beslissing wordt uitgebreid tot die herstelbeslissing. De schrapping van de voorwaarde dat de bestreden beslissing gehandhaafd moet blijven, heeft tevens tot gevolg dat de inhoud en de strekking van de bestreden beslissing kunnen veranderen na de toepassing van de bestuurlijke lus.

B.8. De diverse middelen en onderdelen van middelen hangen nauw met elkaar samen en worden als volgt gegroepeerd onderzocht :

1) de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bestuursrechter (B.9.1 - B.9.7);

2) de openbaarheid van de uitspraak (B.10.1 - B.10.3);

3) de redelijke termijn (B.11.1 - B.11.4);

4) het recht op tegenspraak (B.12.1 - B.12.7);

5) het gelijkheidsbeginsel (B.13.1 - B.13.6);

6) de standstill-verplichting (B.14.1 - B.14.4);

7) de formele motiveringsplicht (B.15.1 - B.15.6);

8) het vermoeden van onschuld (B.16.1 - B.16.3).

1. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bestuursrechter

B.9.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, omdat de bestuursrechter, door het aanbieden van de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus en het niet onmiddellijk vernietigen van de bestreden beslissing, reeds op voorhand zijn standpunt over de uitkomst van het geschil kenbaar maakt. Bovendien heeft de bestuursrechter tevens de mogelijkheid om de gevolgen van een vernietigde beslissing te handhaven. Ook het feit dat de bestuursrechter de eventuele herstelbeslissing zou overzenden aan de andere partijen in het geding (artikel 34, § 5, van het decreet van 4 april 2014) wordt in dit opzicht bekritiseerd.

B.9.2. De beginselen van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter en het beginsel van de scheiding der machten zijn fundamentele kenmerken van de rechtsstaat.

Aangezien de bestuursrechter zijn beslissing omtrent de mogelijke toepassing van de bestuurlijke lus neemt in een tussenuitspraak, waarin alle overige middelen zijn beslecht, na kennisname van de schriftelijke standpunten van alle partijen over het gebruik van de bestuurlijke lus en nadat een openbare terechtzitting over de mogelijke toepassing van de bestuurlijke lus is gehouden, doet de beslissing van de bestuursrechter, al dan niet ambtshalve genomen, om aan de verwerende partij de mogelijkheid te bieden om een bestuurlijke lus toe te passen, geenszins afbreuk aan de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Hij beslecht daarmee een geschilpunt, op grond van een hem toegekende wettelijke bevoegdheid, na alle partijen te hebben gehoord. De bestuursrechter doet met een zodanige beslissing op geen enkele wijze afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van het bestuur, noch loopt hij vooruit op de wettigheidstoetsing van de herstelbeslissing die in voorkomend geval het resultaat is van de aanwending van de bestuurlijke lus door de verwerende partij. Bovendien geeft de voormelde tussenuitspraak aan welke de onwettigheid is die dient te worden verholpen en die bij gebrek aan een zodanige remediëring tot de vernietiging zal leiden.

Door de mogelijkheid aan te bieden de bestuurlijke lus toe te passen, oordeelt de bestuursrechter dat in het licht van de ratio van de geschonden rechtsregel, een remediëring van die schending door middel van een herstelbeslissing mogelijk is binnen een redelijke termijn en dat, rekening houdend met die herstelbaarheid, de bestreden beslissing tijdelijk kan worden gehandhaafd. De decreetgever vermocht te oordelen dat de « doelstellingen van de bestuurlijke lus [...] een dergelijke casuïstische benadering [rechtvaardigen] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 17). Het komt aan de bestuursrechter toe te beoordelen of een eventuele toepassing van de bestuurlijke lus bijdraagt tot een efficiënte en finale geschillenbeslechting binnen een redelijke termijn.

B.9.3. Het rechterlijk toezicht dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege uitoefenen, betreft een externe en interne wettigheidscontrole, die evenwel niet zover kan gaan dat een bestuursrechtscollege zijn beoordeling in de plaats zou kunnen stellen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de administratie. Bij zijn controle vermag de rechter zich niet te begeven op het terrein van de opportuniteit, vermits dat onverenigbaar zou zijn met de beginselen die de verhoudingen regelen tussen het bestuur en de rechtscolleges.

Het vaststellen van de inhoud van een discretionaire beslissing, meer bepaald als gevolg van het herstel van de onregelmatigheid, komt niet de rechter maar het bestuur toe. Het betrokken bestuursorgaan kan beslissen, met name wanneer het van mening is dat het herstel van de onregelmatigheid een weerslag kan hebben op de inhoud van de bestreden beslissing, geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus.

Eén en ander doet geen afbreuk aan de bevoegdheid die artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 aan het Milieuhandhavingscollege toekent inzake de bepaling van het bedrag van de boete en de voordeelontneming, nu het nemen of beoordelen van sanctiebeslissingen tot de essentie van de rechterlijke opdracht inzake handhaving behoort.

B.9.4. De overzending van de herstelbeslissing door het bestuursrechtscollege aan de andere partijen in de vernietigingsprocedure verschilt van de bekendmaking van een bestuursbeslissing aan het publiek. Het is immers een procedureregel die waarborgt dat de stukken die één partij neerlegt, ter kennis worden gebracht van de andere partijen. Het bezorgen van de herstelbeslissing aan de andere partijen, wat overeenkomstig artikel 51, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 « houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges », gewijzigd bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015 « tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de bestuurlijke lus en diverse andere bepalingen », gebeurt door de griffier, is noodzakelijk teneinde het recht op tegenspraak, zoals bepaald in artikel 34, § 5, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014, te kunnen waarborgen.

B.9.5. Artikel 34, §§ 8 en 9, van het decreet van 4 april 2014 bepaalt dat de herstelbeslissing, na de uitspraak van het Vlaamse bestuursrechtscollege waarin wordt vastgesteld dat het gebrek volledig is hersteld, wordt bekendgemaakt volgens de vereisten van de toepasselijke decreetgeving en opnieuw kan worden aangevochten voor het Vlaamse bestuursrechtscollege (artikel 4.8.11, § 1, van de VCRO). Dat recht op beroep geldt voor alle belanghebbenden.

B.9.6. Zoals het Hof bij zijn arresten nrs. 18/2012, 154/2012, 14/2013, 73/2013, 103/2015 en 152/2015 heeft geoordeeld, is de mogelijkheid voor de bestuursrechter om, wegens uitzonderlijke redenen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een debat op tegenspraak, de gevolgen van de vernietigde verordeningsbepalingen of individuele administratieve akten ambtshalve te handhaven, onder soortgelijke voorwaarden als die welke zijn vermeld in artikel 36 van het decreet van 4 april 2014, niet onbestaanbaar met de aangevoerde nationale en internationale bepalingen, noch met de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Voormelde beginselen zijn evenmin geschonden door de aan de bestuursrechter toegekende bevoegdheid om ambtshalve een debat op tegenspraak te houden over de vraag of er uitzonderlijke redenen zijn voor de handhaving van de gevolgen van een vernietigde beslissing, nu een dergelijke bevoegdheid precies ertoe strekt alle partijen de gelegenheid te geven omtrent die kwestie hun standpunt te bepalen.

B.9.7. De middelen waarin aangevoerd wordt dat afbreuk wordt gedaan aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de bestuursrechter, zijn niet gegrond.

2. De openbaarheid van de uitspraak

B.10.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan diverse grondrechten, aangezien de tussenuitspraken, waarbij de bestuursrechter uitspraak doet over de toepassing van de eerste, dan wel tweede bestuurlijke lus, niet openbaar zouden zijn.

B.10.2. Wat de openbaarheid van de uitspraak betreft, bepaalt artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 dat een bestuursrechtscollege zijn arresten uitspreekt in openbare zitting, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang het een einduitspraak, dan wel een tussenuitspraak is.

B.10.3. De grief is niet gegrond.

3. De redelijke termijn

B.11.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de redelijke termijn geschonden zou zijn, omdat er geen aanneembare verantwoording is voor het uitstellen van de uitspraak van de vernietiging van de onwettig bevonden bestuursbeslissing. Daarnaast zou de redelijke termijn eveneens worden geschonden doordat, in tegenstelling tot de partijen in een procedure tot toepassing van de bestuurlijke lus, de bestuursrechter niet gebonden is aan enige termijn.

B.11.2. Het recht van iedere rechtzoekende op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houdt in dat de rechter, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en onder meer met de complexiteit ervan, met het gedrag van de verzoeker en met de houding van de bevoegde overheden, nagaat of de redelijke termijn niet is overschreden.

De beoordeling van de redelijke termijn dient steeds te gebeuren aan de hand van het geheel van een concrete procedure. Derhalve wordt, door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet vereist dat alle termijnen in een specifieke procedure op voorhand decretaal zouden vastliggen en dat daarbij geen enkele marge mogelijk zou zijn.

Bovendien houdt de vaststelling dat in een welbepaalde concrete procedure de redelijke termijn zou kunnen worden overschreden, niet in dat de procedure als dusdanig, in abstracto, onbestaanbaar zou zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.11.3. Het komt aan de bestuursrechter toe te bepalen of en wanneer hij aan de betrokken partijen voorstelt de bestuurlijke lus toe te passen, zonder dat hij daarbij aan enige precieze termijn is onderworpen.

Rekening houdend met wat is vermeld in B.9.2, behoort het tot de bevoegdheid van de bestuursrechter om te bepalen of de onwettigheid van de bestreden beslissing een toepassing van de bestuurlijke lus toelaat. De vaststelling dat de bestuursrechter niet aan enige termijn is gebonden, betekent niet dat de bestuursrechter daardoor beschikt over een onbeperkte termijn. In elk geval dient hij rekening te houden met de vereisten inzake de redelijke termijn, zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.11.4. De middelen die afgeleid zijn uit een schending van de redelijke termijn zijn niet gegrond.

4. Het recht op tegenspraak

B.12.1. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden artikel 4 strijdig zou zijn met diverse grondwets-, Europeesrechtelijke en internationale bepalingen, omdat de procedure tot toepassing van de bestuurlijke lus te veel zou afwijken van het procedureel gemeen recht aangezien er geen op tegenspraak gevoerde schriftelijke procedure is, omdat er niet te verantwoorden beperkingen zouden zijn bij de toepassing van een tweede bestuurlijke lus, omdat de partijen niet de mogelijkheid zouden hebben een annulatieberoep in te dienen tegen de herstelbeslissing en omdat de verwerende partij niet verplicht zou zijn het administratief dossier aan te vullen met de herstelbeslissing, zodat de betrokken partijen daarvan geen kennis zouden kunnen krijgen.

B.12.2. Wanneer een rechtscollege zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen of het Milieuhandhavingscollege naar een element verwijst dat ertoe strekt de beslechting van het geschil te beïnvloeden, zoals te dezen de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie, mutatis mutandis, EHRM, 16 februari 2006, Prikyan en Angelova t. Bulgarije, § 42; 5 september 2013, Cepek t. Tsjechische Republiek, § 45).

B.12.3. De aanwending van de bestuurlijke lus is alleen mogelijk nadat alle partijen de mogelijkheid hebben gehad hun standpunt over het gebruik ervan kenbaar te maken (artikel 34, § 2, eerste en derde lid). Dat standpunt moet schriftelijk zijn uitgedrukt (artikel 34, § 2, tweede en derde lid) en de partijen die het niet vooraf kenbaar hebben kunnen maken, moeten daarvoor over een termijn van dertig dagen beschikken (artikel 34, § 2, derde lid).

Alle partijen hebben dus de mogelijkheid hun schriftelijk standpunt omtrent het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar te maken.

B.12.4. Wat de herstelbeslissing zelf betreft, bezorgt het bestuursrechtscollege die beslissing aan de partijen, die omtrent het herstel hun schriftelijk standpunt kunnen meedelen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde vervaltermijn, die niet korter mag zijn dan dertig dagen (artikel 34, § 5, tweede lid). Ook over de herstelbeslissing zelf wordt een zitting georganiseerd (artikel 34, § 5, laatste lid). Het overzenden van de herstelbeslissing door de bestuursrechter aan de betrokken partijen houdt de kennisname in door de partijen van de inhoud van de herstelbeslissing, waardoor de afwezigheid van een uitdrukkelijke regel voor het bestuur om het administratief dossier aan te vullen, geen onevenredige beperking inhoudt van het recht op tegenspraak.

Indien het bestuursrechtscollege, na het verkrijgen van de schriftelijke standpunten van de partijen, vaststelt dat de onwettigheid niet of onvoldoende door de verwerende partij is hersteld, vernietigt het, geheel of gedeeltelijk, de bestreden beslissing alsook de herstelbeslissing, tenzij het bestuursrechtscollege beslist om opnieuw gebruik te maken van de bestuurlijke lus, overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 (artikel 34, § 6), wat betekent dat opnieuw dezelfde procedure zal moeten worden gevolgd.

Indien het bestuursrechtscollege, na het verkrijgen van de schriftelijke standpunten van de partijen, vaststelt dat de onwettigheid afdoende is hersteld en dat het herstel niet is aangetast door een nieuwe opgeworpen onwettigheid, vernietigt het de oorspronkelijke bestreden beslissing en verwerpt het het beroep tegen de herstelbeslissing.

Ten aanzien van de herstelbeslissing zelf, hebben de andere partijen in de vernietigingsprocedure dus steeds de mogelijkheid hun schriftelijke standpunten aan de bestuursrechter mee te delen zodat het recht op tegenspraak is gewaarborgd.

B.12.5. Een eventuele tweede bestuurlijke lus dient te worden toegepast met inachtneming van de voorwaarden en de procedure van de eerste bestuurlijke lus (artikel 34, § 6, eerste lid, van het decreet van 4 april 2014), zodat hetzelfde recht op tegenspraak dus is gewaarborgd.

B.12.6. De toepassing van de bestuurlijke lus kan tevens gevolgen hebben voor de belanghebbenden, bedoeld in artikel 4.8.11 van de VCRO, die, doordat zij geen partij zijn bij het beroep, niet zijn tussengekomen in het geding. Daartoe bepaalt artikel 34, §§ 8 en 9, van het decreet van 4 april 2014 dat de herstelbeslissing, na de uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen waarin wordt vastgesteld dat het gebrek is hersteld, wordt bekendgemaakt en kan worden aangevochten voor het bestuursrechtscollege.

Hoewel in de parlementaire voorbereiding bij het decreet van 3 juli 2015 wordt gesteld dat de « nieuwe beroepsmogelijkheid [...] expliciet [is] bedoeld voor belanghebbenden die geen partij waren in de procedure voor het Vlaams bestuursrechtscollege » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 21), volgt uit de bestreden bepalingen niet dat een oorspronkelijke partij nooit een belanghebbende kan zijn in de zin van artikel 34, § 9, van het decreet van 4 april 2014, aangezien er niet wordt hersteld in de oorspronkelijke bestreden beslissing, maar in een nieuwe herstelbeslissing. Het beroep, na de bekendmaking van de herstelbeslissing, staat derhalve open voor alle partijen die daartoe belang hebben, overeenkomstig de bepalingen van de VCRO. Indien één van de oorspronkelijke partijen op het ogenblik van de bekendmaking van de herstelbeslissing een belanghebbende is in de zin van de VCRO, heeft die partij de mogelijkheid beroep in te stellen tegen de herstelbeslissing, overeenkomstig de gewone vernietigingsprocedure, waardoor de eventuele toepassing van de bestuurlijke lus niets wijzigt aan de beroepsmogelijkheden van de belanghebbende partijen.

B.12.7. De middelen die afgeleid zijn uit een schending van het recht op tegenspraak zijn niet gegrond.

5. Het gelijkheidsbeginsel

B.13.1. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 34 van het decreet van 4 april 2014 verschillende grondwets-, Europeesrechtelijke en internationale bepalingen schendt omdat er een verschil in behandeling zou bestaan tussen de verschillende belanghebbende partijen, waarbij sommige reeds tijdens de procedure tot toepassing van de bestuurlijke lus kennis krijgen van de herstelbeslissing en andere pas na de bekendmaking van de herstelbeslissing. Bovendien zouden partijen die deelnemen aan de eerste bestuurlijke lus anders worden behandeld dan partijen die deelnemen aan de tweede bestuurlijke lus, en zou een tussenkomende partij middelen kunnen opwerpen in de procedure tot toepassing van de bestuurlijke lus die de verzoekende partijen niet zouden kunnen opwerpen.

Daarnaast zou de verschillende termijnregeling in het decreet van 4 april 2014 en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna : Omgevingsvergunningsdecreet) niet redelijk kunnen worden verantwoord.

B.13.2. Ten aanzien van het verschil in kennisneming van de herstelbeslissing en in de mogelijkheid om middelen op te werpen tegen die herstelbeslissing, hetgeen ook niet zou kunnen door de bestuursrechter ambtshalve, dient te worden vastgesteld dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een rechtscollege is.

Uit die vaststelling vloeit derhalve voort dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een volwaardige jurisdictionele controle doorvoert en de bevoegdheid heeft om de bestreden bestuursbeslissing te toetsen aan alle regels en beginselen die in de Belgische rechtsorde gelden, met inbegrip van het opwerpen van middelen die de openbare orde raken. Het behoort immers tot de aard van het rechterlijk toezicht dat een rechtscollege ambtshalve middelen vermag op te werpen die de openbare orde aanbelangen. In het administratief recht, zo oordeelt de Raad van State, « raakt een middel de openbare orde wanneer het betrekking heeft op de schending van een regel die een bepaald fundamenteel openbaar belang beoogt te behartigen of te bestendigen, dit is een regel die essentiële waarden in de samenleving of fundamenteel de werking van de rechtsstaat aangaat en die om die reden steeds tegenover de gemeenschap in haar geheel gewaarborgd moet worden. Omdat de handhaving van die fundamentele regel de persoonlijke belangen van de rechtsonderhorige die onder de schending ervan kan lijden overschrijdt, is de rechter, op gevaar af het gehele rechtssysteem in gevaar te brengen, verplicht elke beslissing waarover hij moet oordelen aan die regels te toetsen » (RvSt, 13 december 2012, nr. 221.734).

Bovendien hebben alle partijen die daartoe belang hebben, steeds de mogelijkheid om, na bekendmaking van de herstelbeslissing, een beroep in te stellen bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, « binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet », zodat voor hen een nieuwe beroepstermijn van 45 dagen gewaarborgd wordt.

B.13.3. Wat het zogenaamde verschil tussen de eerste en de tweede bestuurlijke lus betreft, zijn, zoals in B.12.5 is vermeld, de voorwaarden en de procedure die dienen te worden gevolgd dezelfde in beide procedures, zodat het verschil in behandeling niet bestaat.

B.13.4. Ten aanzien van het verschil tussen de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen, is het inherent aan elke procedure dat partijen, wanneer zij tegengestelde belangen hebben, tegengestelde middelen kunnen indienen.

Indien de grief in die zin moet worden begrepen dat hij een aantasting van de rechten van de verdediging verwijt doordat de bestreden bepalingen niet erin voorzien dat men kan repliceren op de schriftelijke opmerkingen van de tussenkomende partijen, vereist de inachtneming van de rechten van verdediging niet dat elke partij op elke memorie van de andere partijen kan antwoorden; artikel 34, § 5, bepaalt bovendien dat, voordat het rechtscollege zich uitspreekt, een zitting wordt georganiseerd over het herstel, gedurende welke alle partijen, in voorkomend geval, hun standpunt nog kunnen geven.

B.13.5. Wat betreft de verschillende termijnregeling in het decreet van 4 april 2014 en het Omgevingsvergunningsdecreet, is de door de verzoekende partijen opgeworpen vergelijking niet pertinent. In het Omgevingsvergunningsdecreet wordt tot toepassing van de administratieve lus besloten door het bestuur, tijdens de administratieve procedure waarbij de termijnen worden bepaald in het decreet zelf, terwijl in het decreet van 4 april 2014 de bestuurlijke lus wordt aangeboden door de bestuursrechter, in een jurisdictionele procedure, die tevens de termijnen waarbinnen hij beslist de bestuurlijke lus al dan niet toe te passen, zelf bepaalt.

Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

De rechten van de partijen worden niet onevenredig beperkt door die verschillende procedureregels, rekening houdend met het feit dat de procedure van de administratieve lus in het Omgevingsvergunningsdecreet en van de bestuurlijke lus in het decreet van 4 april 2014 een verschillende doelstelling beogen. Immers, in het kader van het Omgevingsvergunningsdecreet beoogt de toepassing van de administratieve lus een vergunningsprocedure te zuiveren van onregelmatigheden, terwijl in het kader van het decreet van 4 april 2014 het de bedoeling is een geschil dat hangende is voor een bestuursrechtscollege definitief te beslechten.

B.13.6. De middelen die afgeleid zijn uit de schending van het gelijkheidsbeginsel zijn niet gegrond.

6. De standstill-verplichting

B.14.1. De verzoekende partijen voeren aan dat afbreuk wordt gedaan aan de bestaande rechtsbescherming doordat er ten aanzien van de herstelbeslissing een verkorte procedure wordt gehanteerd die afwijkt van het procedureel gemeen recht, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.14.2. Het recht op bescherming van een gezond leefmilieu dat wordt gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet impliceert een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

Die verplichting kan echter niet zo worden begrepen dat ze de decreetgever zou verbieden een procedure aangaande de bestuurlijke lus, in het kader van het administratief contentieux, in te voeren, met het oog op een effectievere rechtsbescherming. Zij verbiedt maatregelen te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van het in artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet gewaarborgde recht, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang, maar zij ontzegt de decreetgever niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meeste adequate wijze kan worden gewaarborgd.

B.14.3. De door de verzoekende partijen bekritiseerde vermindering van het beschermingsniveau wordt op generlei wijze aangetoond.

In het kader van een vernietigingsprocedure wordt aan de partijen de mogelijkheid geboden om een oorspronkelijke bestuursbeslissing uitvoerig schriftelijk en mondeling te betwisten in het verzoekschrift, alsook in de naderhand ingediende memories, vooraleer de bestuursrechter aan de partijen de bijkomende mogelijkheid geeft te antwoorden op de vraag of de bestuurlijke lus dient te worden toegepast op de oorspronkelijke bestuursbeslissing. De vaststelling dat de termijnen van de eerste en de tweede bestuurlijke lus korter zijn dan de termijnen die worden gehanteerd in de gewone rechtspleging, te weten 30 dagen (artikel 34, § 2, derde lid) en niet korter dan 30 dagen (artikel 34, § 5, tweede lid), is niet van dien aard dat aan de procedure haar redelijk karakter wordt ontnomen.

Bovendien kan een vervaltermijn van dertig dagen niet worden geacht afbreuk te doen aan de rechten van verdediging van de betrokken partijen, nu de bij de eerste en mogelijk tweede bestuurlijke lus betrokken partijen reeds in de gewone rechtspleging de eventuele onwettigheden van de bestreden beslissing hebben behandeld in hun verzoekschriften, dan wel hun memories.

B.14.4. De grief is niet gegrond.

7. De formele motiveringsplicht

B.15.1. De verzoekende partijen voeren aan dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan de formele motiveringsplicht, zoals gewaarborgd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

B.15.2. De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 bepalen :

« Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder :

- Bestuurshandeling :

De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur;

- Bestuur :

De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

- Bestuurde :

Elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur.

Art. 2. De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Art. 3. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen.

Zij moet afdoende zijn ».

B.15.3. Die bepalingen veralgemenen de verplichting om de bestuurshandelingen met individuele draagwijdte uitdrukkelijk te motiveren. De uitdrukkelijke motivering van de betrokken handelingen is een recht van de bestuurde, aan wie aldus een bijkomende waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met individuele strekking die willekeurig zouden zijn.

B.15.4. Een gemeenschaps- of gewestwetgever zou, zonder de federale bevoegdheid ter zake te schenden, niet vermogen de bescherming die door de federale wetgeving aan de bestuurden wordt geboden te verminderen door de overheden die optreden in de aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, vrij te stellen van de toepassing van de voormelde wet of door die overheden toe te staan daarvan af te wijken (zie o.a. het arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013).

B.15.5. De bestuurlijke lus laat niet toe dat een uitzondering wordt gemaakt op de plicht van het betrokken bestuursorgaan om individuele bestuurshandelingen uitdrukkelijk te motiveren, aangezien daardoor de bestuurde niet in staat zou zijn te beoordelen of er aanleiding toe bestaat beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Bovendien zou de uitdrukkelijke motiveringsplicht tevens haar doel voorbijschieten indien die bestuurde de motieven die de beslissing verantwoorden pas te weten kan komen nadat hij beroep heeft ingesteld (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 354/1, p. 21).

Door in artikel 34, § 9, van het decreet van 4 april 2014 uitdrukkelijk te bepalen dat tegen de herstelbeslissing door elke belanghebbende beroep kan worden ingediend bij het bevoegde bestuursrechtscollege, en dus in voorkomend geval tegen de herstelbeslissing waarin in de vereiste motivering is voorzien, wordt geen afbreuk gedaan aan de formele motiveringsplicht.

B.15.6. Het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de formele motiveringsplicht, is niet gegrond.

8. Het vermoeden van onschuld

B.16.1. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden artikel op discriminerende wijze afbreuk doet aan het vermoeden van onschuld, omdat het Milieuhandhavingscollege de initiële bestuursbeslissing waarbij een geldboete werd opgelegd, zou kunnen laten vervangen door een herstelbeslissing waarbij geen geldboete wordt opgelegd, maar toch zou kunnen beslissen de gevolgen van de initiële bestuursbeslissing te handhaven.

B.16.2. Luidens artikel 36 van het decreet van 4 april 2014 kunnen de twee beoogde bestuursrechtscolleges op verzoek van een partij of op eigen initiatief oordelen dat de rechtsgevolgen van de geheel of gedeeltelijk vernietigde oorspronkelijke beslissing geheel of gedeeltelijk in stand blijven, definitief of voorlopig voor een termijn die zij bepalen.

De handhaving van de gevolgen kan enkel worden bevolen om « uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat ».

De mogelijkheid, zoals zij door de verzoekende partijen wordt beschreven, vloeit niet voort uit de bestreden bepaling. Bovendien zou een mogelijke verkeerde toepassing van de voorwaarden voor de handhaving van de gevolgen door een bestuursrechter, de grondwettigheid van het bestreden artikel 34 niet in het geding kunnen brengen.

B.16.3. Het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het vermoeden van onschuld, is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 december 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot